Auteursarchief: Adri Duivesteijn

IM – John Lennon als inspiratiebron (1980-2020)

Foto: Bob Gruen

'Nederland werd 9 december 1980 wakker met het bericht dat John Lennon was doodgeschoten. Enkele uren voordat de ‘Radionieuwsdienst verzorgd door het ANP’ om zeven uur zijn journaal ermee opende, was de ex-Beatle voor zijn huis in het Dakota Building aan de New Yorkse Upper-West Side door de 25-jarige Mark Chapman vermoord.' (...) 'Wie het die dinsdagochtend in 1980 meemaakte, zal het nooit vergeten. Er was ongeloof, woede en verdriet; iedereen leek er kapot van.'  Volkskrant, 7 december 2020

Kapot, voor mij gold dat ook. Ik werd, wonend aan het Huijgenspark 54a in Den Haag, door de wekkerradio gewekt. Tot mijn ongeloof (wie niet?) hoorde ik het verbijsterende bericht over de moord van John Lennon. Het was de tijd waarin ik nog aan het wennen was aan mijn nieuwe positie. Ik was namelijk, vier weken ervoor, op 3 november 1980 door de gemeenteraad gekozen tot wethouder Ruimtelijke ordening en Stadsvernieuwing van Den Haag. Op deze ochtend had ik de reguliere vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders in de deftige bestuurskamer van het stadhuis aan het Burgemeester de Monchyplein. Er lag een omvangrijke agenda, ook met mijn stukken, maar die ochtend kon ik eigenlijk aan niets anders meer denken dan aan de ‘Radionieuwsdienst verzorgd door het ANP’  met de bizarre mededeling over de dood van John Lennon.

Ik ben opgegroeid met de Beatles. ik kan mij nog herinneren dat de The Beatles eind 1963, begin 1964 doorbraken. Ik was veertien jaar. The Beatles waren in die tijd een muzikale revolutie en zijn dat nog steeds. Heel bijzonder, hoe een muziekgroep in staat is om een tijdperk te veranderen, het leven van miljoenen mensen op een positieve manier te beinvloeden. Ook ik keek uit naar ieder moment dat er een nieuw albuw van de The Beatles zou gaan verschijnen. Nog steeds verzamel ik muziek van de Beatles, kan ik het keer op keer opnieuw beluisteren en ben telkens weer onder de indruk. Ja, misschien nog wel het meest van de witte lp’s. Deze illegale studioopnamen, ik heb er een paar gekocht op een markt in Londen, heb ik door de jaren heen grijs gedraaid (en natuurlijk gedigitaliseerd en verspreid :-). Daar naar luisteren gaf mij het gepriviligieerde gevoel dat ik even in de studio mocht meekijken en vooral meeluisteren. Ik heb er geweldige herinneringen aan. Het meest bijzondere is, te mogen (nou ja, ‘mogen’) luisteren naar de vier bandleden die met elkaar al repeterend werkten aan hun legendarische muziek. Op een van die platen is bijna een hele kant gewijd aan een muziekstuk (Two of Us). Telkens weer die ene zin om de juiste klank en toonhoogte te vatten. Hun oefeningen rolden door mijn werkruimte. Ik kon er, terwijl ik zelf aan het schrijven was, uren naar luisteren.

Manuscript 1984 van George Orwell

Het bracht mij ook terug naar een facsimile van het boek 1984 van George Orwell. In zijn manuscript staan honderden doorhalingen en verbeteringen. Het illustreert de worsteling, die je moet doormaken om tot een meesterwerk te kunnen komen. Net als de The Beatles, was hij bezig met het oneindig optimaliseren van wat begon als een idee. The Beatles gingen dezelfde weg om tot hun klassiekers te komen. Juist die worsteling heeft mij het vertrouwen gegeven, dat uniciteit nooit zomaar onstaat. Er moet hard voor gewerkt worden, je moet het idee doorleven om het opnieuw te kunnen verbeteren. Voor mij een wijze levensles.

Terug naar 8 december 1980. Ik zat dus in het College, vol van het bericht over de dood van John Lennon. ‘Ik moet hier iets mee doen. Ik moet hier iets over zeggen’. Althans dat nam ik mij voor. Ja, ik moest het in het College van B&W opmerken, zodat wij erover konden praten, ja, dat het als feit werd besproken en dus zou worden vastgelegd in de notulen. Bij wijze van spreken, als het vastleggen van onze verontwaardiging, als een soort eerbetoon, als een feit dat wij niet wilden laten passeren.

Maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik was nieuw en jong in een College dat, zo keek ik er toen nog naar, bestond uit leden van een oudere generatie. Al grijs, zou je ook kunnen zeggen. En, nog steeds tot mijn verbazing, durfde ik niet harop te zeggen dat ik geschokt was door het bericht van het ANP over de dood van John Lennon. Dat het ervoor zorgde, dat ik niet met mijn hoofd bij reguliere zaken kon blijven. Er was namelijk iets gebeurd, dat groter was dan de vele problemen die de stad Den Haag, toen nog met haar Oude Wijken, kende. Hier was iemand vermoord die – tegen wil en dank – de morele leider was geworden van allen die tegen de Vietnam oorlog waren. John Lennon, die zong over Revolution maar die ook zei ‘But when you talk about destruction, Don’t you know you can count me out’. De man die samen Yoko Ono het universele vredeslied Imagine schreef. Juist deze man was vermoord! Ik moest iets doen met dit moment.

Tot mijn verbazing heb ik het niet aangedurfd. Blijkbaar nog geimponeerd door de gewichtige en serieuze sfeer, die het college domineerde, kon ik het niet aan om ‘onze’ reguliere vergadering te verstoren met de mededeling dat John Lennon was vermoord. Dat dit mij schokte en dat het ons allemaal zou moeten schokken en wij dus niet konden overgaan tot de orde van de dag. Niet aanvaardbaar.

Het is merkwaardig hoe momenten je leven kunnen bepalen. Al veertig jaar draag ik een gevoel van lichte lafheid met me mee. Ik had in dat College, waar ik toen nog maar vier werken lid van was, de moed moeten opbrengen om te zeggen dat wij nu even moesten stoppen met de reguliere vergadering. Dat wij onze gevoelens over deze verschrikkkelijke moord zouden delen. Dat was wel het minste geweest. Helaas, ik liet het moment bij de rondvraag voorbij gaan, en nog altijd draag ik de onvrede hierover met mij mee. Het voelt nog steeds als laf.

'Niet alleen de popwereld raakte in diepe rouw. Lennon leek groter dan een popmuzikant. Iedereen kende The Beatles, iedereen kende John Lennon. Dagenlang hoorde je op de radio Lennon-liedjes, zijn platen waren niet aan te slepen.' Volkskrant, 7 december 2020

Een Beatle gaat niet geruisloos dood. En zeker John Lennon, als leider van de band en als toonaangevende soloartiest met een boodschap, niet. Dus ‘Dagenlang hoorde je op de radio Lennon-liedjes'. Omdat ik nog in de beginweken van mijn wethouderschap zal was ik blijkbaar extra gevoelig voor invloeden van buitenaf. En zo ontdekte ik dat, van alle Beatles-muziek, ik toch vooral een Lennon liefhebber ben. Zijn muziek, zo vaak ook gekoppeld aan zijn persoonlijke ervaringen, bleken voor mij ook de vragen te zijn die mij bezig hielden. Dat werd nog sterker met de solo-albums van John Lennon en Yoko Ono. Veel van Lennon’s composities (Help, I’m a Lozer, Women, Jalours Guy, Imagine) raken in de meest directe zin het leven zelf. het onttrekt zich aan het muziek die vooral het pleasen van de luisteraar tot doel heeft. Bij John Lennon is het jouw keus om er naar te luisteren. Het is niet gemaakt om behaagd te worden. Nee, John Lennon, daar kwam ik toen achter, wist je te raken met de levensvragen die ook deel van jezelf zijn. Een geweten dus, maar dan niet van een prediker, maar van iemand die in staat is om jou de woorden te geven die het mogelijk maken om vragen bij jezelf te stellen.

Voor mij is dat de legacy van John Lennon. Iemand die met zijn muziek en teksten mij – en miljoenen anderen- een permanente inspiratie heeft gegeven. Zowel in mijn privéleven, als in mijn (politieke) werk. Niet dat het mij gelukt is daarin altijd voorbeeldig te zijn, maar het gaf mij wel een gewenste richting. Heel nadrukkelijk niet religieus, niet van bovenaf geprojecteerd, maar als een referentiekader dat dagelijks opnieuw inspireert.

https://www.volkskrant.nl/editie/20211003/john-lennon-shot-dead-8-december-1980-was-een-dag-vol-woede-ongeloof-en-verdriet~b6091b4d/

En nog altijd leren wij niets.

Share and Enjoy !

Shares

IM – Hans van Dijk, architectuurcriticus, bescheiden op de voorgrond (1948-2021)

Hans van Dijk

En weer kwam de dood onverwacht. Bij het ontvangen van de rouwkaart keek ik verbijsterd in de guitige ogen van Hans van Dijk: ‘Hans schrijft niet meer’ luidde het opschrift. Met Hans van Dijk, prominent architectuurcriticus die het tijdschrift Archis de Nederlandse architectuurkritiek nationaal en internationaal een eigen gezicht heeft gegeven, verliest de architectuurgemeenschap een belangrijk opinieleider.

Het was nog niet zo lang geleden dat wij elkaar – corona-proof – aan de telefoon hadden en ons eigen wel en wee bespraken (zie noot 1) om daarna moeiteloos onze wederzijdse gedachten te laten gaan over de ontmanteling van het Nederlandse architectuurbeleid. Hans toonde zich strijdbaar als vanouds. Zijn ziekte leek onder controle en dus was er weer ruimte voor architectuur. Daarop anticiperend had ik Hans gevraagd of hij zou willen meedenken over de toekomst van de IABR. In een whatsapp-bericht schreef hij mij ‘wat betreft de Rotterdamse Biënnale ga ik je teleurstellen. Ik ga alle energie en tijd die mij nog gegeven is gebruiken om een project af te maken waar ik al enkele jaren mee bezig ben: de rol die 5 à 7 architectuurcritici (mensen als Pevsner, Giedion, Row/Frampton) hebben gespeeld op het architectuurdebat van de afgelopen 100 jaar. Zo kan ik dingen blijven doen waar ik goed in ben en waar anderen misschien nog iets aan hebben.’

Hans Van Dijk leerde ik kennen voordat ik hem kende. Hans was in de jaren tachtig hoofdredacteur van Archis. Het tijdschrift werd algemeen beschouwd als gezaghebbend, onafhankelijk, betrokken, informerend maar bovenal opiniërend. Als hoofdredacteur was hij erin geslaagd om het tijdschrift Wonen/TABK, dat zich onderscheidde in de hoogtijdagen van de stadsvernieuwing en het pad effende voor nieuwe generaties jonge architecten, om te vormen tot een nieuw en aansprekend tijdschrift voor ‘architectuur, stedebouw en beeldende kunst’. Hans zelf was binnen Archis een van de opinieleiders over de ontwikkelingen in de architectuur en stedenbouw. Meer dan eens doorgrondde hij de vaak onnavolgbare besluitvormingsprocessen, waarmee stedenbouwers en architecten te maken kregen.

Ik ondervond zijn scherpe pen in mijn Haagse periode als wethouder Ruimtelijke ordening en Stadsvernieuwing. Wij, in het Haagse, waren aan het eind van de jaren tachtig verstrikt geraakt in het krappe pak (23-22 zetels!) van een progressief College. De interne verschillen van inzicht brakken ons ‘progressieven’ op bij de besluitvorming voor een nieuw stadhuis. Hans van Dijk schreef daarover in een editorial met de titel: ‘Het benodigd draagvlak voor bestuurlijke visie’. In een kraakheldere analyse ging hij in op de wenselijkheid van de combinatie van ‘ontwerptalent en politieke daadkracht’. Maar ‘De Haagse affaire leert echter dat een dergelijke verbinding pas succes oogst als aan twee voorwaarden is voldaan’. Dat hield voor Hans van Dijk in, dat naast het ‘steun en rugdekking geven aan architecten en stedenbouwers’, een bestuurder zich dient te verzekeren van ‘een brede politieke basis’. De boodschap was duidelijk. Stedenbouw en architectuur vergen een lange adem en dienen uit te stijgen boven de politieke conjunctuur van de dag. En ‘deze kunnen het beste gedijen in een homogeen en stabiel afspiegelingscollege’.

In hetzelfde nummer van Archis schreef Hans van Dijk een beschouwing over het werk van Jo Coenen onder de titel ‘Geografie en eclecticisme’. Het vraaggesprek met Jo Coenen, onder de titel; ’ik ben nu voornamelijk bezig de zwaarte uit het werk te halen. En dat lukt’. Het interview trok meer dan mijn gewone aandacht. Het ontwerp voor het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) van Jo Coenen was in september 1988 gekozen om gerealiseerd te worden en ik zat in de procedure om een rol te gaan spelen in dit nieuwe prestigieuze instituut. Nog in hetzelfde jaar volgde mijn benoeming als de eerste directeur van het NAi. Twee taken gaf het bestuur mij mee. Het realiseren van het bouwplan van Jo Coenen in het Rotterdamse Museumpark en de dragers van het NAi, de Stichting Wonen TA/BK (waaronder Archis), het Nederlands Documentatiecentrum voor Stedenbouw en Architectuur en de Stichting Architectuurmuseum, om te vormen tot één samenhangend architectuurinstituut. Zelf gaf ik mij nog een extra opdracht mee. Want naast de traditionele taken als tentoonstellingen, publicaties en de documentatie van archieven van vnl. architecten, wilde ik dat het instituut inhoud zou gaan geven, aan wat Hans van Dijk ‘draagvlak’ had genoemd bij het publieke opdrachtgeverschap in de stedenbouw en de architectuur. Maar zelf niet komend vanuit de binnenste cirkel van het vakgebied, was de hoe vraag nog niet zo eenvoudig.

NAi, Stafbijeenkomst in Den Treek :
Ruud Brouwers (links) en Hans van Dijk (rechts)

Hans van Dijk geloofde hartstochtelijk in de komst van het NAi. Bundeling van het versplinterde landschap in de architectuur zou het draagvlak doen toenemen. En aan dat ideaal wilde hij dienstbaar zijn. Hij hechtte – en dat is een zeldzaamheid – niet aan functies of status. In ons eerste gesprek liet hij mij weten ook inzetbaar te zijn op andere plekken in het instituut. Ik kon mij geen betere medewerker wensen. Met Hans in de staf kon het NAi zich verbredend in de door mij gewenste richting. Hans van Dijk kreeg als hoofdtaak Programmaontwikkeling. Voor Archis was dit ook een kans op doorontwikkeling. Met het vrijkomen van de functie van hoofdredacteur en de benoeming van Geert Bekaert, vermaard Belgisch kunst- en architectuurcriticus, kon Archis een nieuwe dimensie krijgen.

Hans van Dijk was, als oud-hoofdredacteur, gewend om te denken in concepten en ontpopte zich als een denktank in zichzelf. Hij bleek goud waard te zijn bij het opzetten van tal van maatschappelijk georiënteerde programma’s die erop gericht waren om het draagvlak voor de stedenbouw en architectuur bij opdrachtgevers te vergroten. Maar ook was hij de man die het vakgebied uitdaagde om te komen tot inhoudelijke verdieping. Hans, die beschikte over een oneindige bron van kennis en contacten, maakte het mogelijk, om naast de klassieke basistaken als tentoonstellingen, publicaties en het beheer van de collectie, nieuwe groepen aan te boren. Het NAi werd daarmee een plek die meer was dan de optelsom van de drie Founding Fathers.

1992: Japanreis (NAI Fonds voor Beeldende Kunst en Bouwkunst – Hans van Dijk – derde van rechts

Het is niet echt nodig om alle wapenfeiten van Hans van Dijk op te sommen in de tijd dat ik met hem mocht samenwerken. Maar enkele wil ik toch even noemen. Hans van Dijk was mijn sparringpartner bij het Beleidsplan 1991-1960 van het NAi waarmee zowel de diepte als de breedte verdiepte van het architectuurinstituut. Met het programma ‘Architectonische kwaliteit als opdracht voor openbaar bestuur’ (1991) werden tientallen gemeentebestuurders bewust gemaakt van hun rol in het keuzeproces van de stedenbouw en architectuur. Een vergelijkbaar programma zette hij op in de Praagse Burcht nadat de schrijver Václav Havel met zijn fluwelen revolutie een einde had gemaakt aan het communistisch bewind. Hans van Dijk bleek bij uitstek de persoon die beschikte over het vermogen om zijn vrijwel oneindige kennis van het vakgebied en de vele persoonlijke contacten in de (inter-)nationale architectuurgemeenschap in te zetten om het nieuwe NAi midden in de samenleving te plaatsten. Daarbij ging hij ook op het vakgebied zelf geen uitdaging uit de weg, Met de studiereis van 18 jonge Nederlandse architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten naar Japan (1992), georganiseerd door het van het NAi en het Fonds voor Beelden Kunst en Bouwkunst, werd gebroken met het fenomeen van individuele reissubsidies en werd er voor het eerst gekozen voor samen leren en ontdekken. Met zijn project ‘Architecture and Legitimacy’, (1995) stelde hij vragen over het vakgebied zelf. Dat alles is niet altijd eenvoudig geweest, maar dat was nooit ook zijn doel.

Hans van Dijk (links) In Praag met de toen nog jonge architecten Kees Christiaanse, Arne van Herk en Margreet Duinker

Hans van Dijk, het is gek om over hem te schrijven in de verleden tijd, was onomstreden gezaghebbend maar in al zijn activiteiten stond hij bescheiden op de voorgrond. Voor hem ging het niet om zijn persoon. Zijn succes was er wanneer hij erin was geslaagd om ‘steun en rugdekking te geven aan architecten en stedenbouwers’ in hun dagelijkse strijd om hun ontwerp betekenis te geven en weerbaar te zijn in het krachtenspel die de bouwmachine ook is. Centraal stond een goed klimaat voor architectuur en Stedenbouw. Archis en later het NAi was nooit doel maar middel. Hij kon dan ook niet begrijpen dat met zo’n groot gemak de Nederlandse politiek het liet gebeuren dat men afscheid nam van het NAi en dit omvormde tot Het Nieuwe Instituut.

In ons laatste contact vroeg Hans van Dijk zich openlijk af; is er nog ‘enig draagvlak voor welke culturele dimensie dan ook?’. Maar, strijdbaar als altijd, was het stellen van de vraag, voor Hans van Dijk, ook het geven van een antwoord. Centraal in dat antwoord de rehabilitatie van ‘zijn’ NAi. Of, zoals hij mij schreef, ‘als ik het nog eens mocht meemaken: het HNI wordt ontvlochten, de kosten van de architectuur collectie bij de overheid laten, (‘goede huisvader’) en de culturele activiteiten financieren door een soort Maaskantfonds gevormd door een miljoenen-beginkapitaal gevormd door een aantal legaten en (institutionele) sponsors kunnen bijdrage.  Bondgenoten zoeken bij mensen die geld over hebben. Saskia van Stein tot eerste directeur benoemen.’ (18 november 2020). Of het op korte termijn zover zal komen denk ik niet maar een wens van Hans in al wel vervulling gegaan. Met ingang van oktober zal Saskia van Stein het directoraat van de IABR op zich nemen. Saskia kan het zien als een gunstig voorteken. Zij had geen  betere referentie kunnen krijgen.

Hans van Dijk is, was een zeldzaam innemende persoonlijkheid. Een mens die de totale architectuurgemeenschap: bestuurders, stedenbouwers, architecten, historici en critici, met zijn onafgebroken en onbaatzuchtige inzet ‘Voorbij het Gangbare’ ( 2) heeft uitgetild.

Dankbaarheid is hier op zijn plaats.

Adri Duivesteijn. Eerste directeur van het Nederlands Architectuurinstituut. (1989-1994)

8 september 2021


  1. Op dinsdag 20 april j.l. stuurde Hans mij nog de publicatie van Susan Sontag, Ziekte als Metafoor – Amsterdam de Arbeiderspers, 2019, 20,99 euro (oorspr: Illness as metaphor, 1978). Het is een indringend relaas over de beelden waar kankerpatienten mee te maken hebben. In October of 1977, Susan Sontag delivered one of the institute’s five James Lectures for that year. Her topic was “Illness as Metaphor”. She explored the truth that it was no longer possible, as she wrote, “to take up one’s residence in the kingdom of the ill unprejudiced by the lurid metaphors with which it has been landscaped.” Though she did not directly reference it, she herself was being treated for breast cancer at the time. The lecture was published in 1978, first as three essays in the New York Review of Books, and then as a book. It went on to become one of Sontag’s best-known pieces of writing.
  2. Voorbij het Gangbare. Publicatie van de Werkgroep 5×5 (1991)

Share and Enjoy !

Shares

1+1 wordt 1 Verdwijnt met ‘GrootLinks’ ook het sociaal democratische gedachtengoed?

Ruim zes maanden na de verkiezingen lijkt de formatie maar over één ding te gaan, namelijk: wie wil er met wie in zee?. Rutte en Hoekstra willen niet met twee linkse partijen in zee. D66 wil niet verder de ChristenUnie. En de PvdA en GroenLinks hebben een ‘samen uit, samen thuis’ opstelling gekozen. En zowaar, de afgelopen week kwam er een opening. Nee, niet van rechts, maar van links. De leiders van GroenLinks en de PvdA hadden een slim plan bedacht op het veto van Rutte en Hoekstra, namelijk 1 + 1 wordt 1. Samen in één enkele fractie met één links geluid. En weg was de grondslag van het bezwaar van VVD en CDA. En open is de weg naar regeren. Toch?

Ik heb niet vaak zo’n inhoudelijk lege en ondoordachte zet gezien op het schaakbord van een kabinetsformatie. Ik kon dan ook niet nalaten mijn commentaar in een tweet onder woorden te brengen, te weten:

VVD en CDA eisen blokvorming van TK- fracties @PvdA @GroenLinks in een nieuwe coalitie. En de fracties lijken daarin mee te gaan. Kortom het einde van de PvdA is ingezet. Weg geschiedenis, traditie en sociaal democratie. Politiek wordt gewoon links of rechts-liberalisme. Jammer!

En wat een respons. In korte tijd liep het aantal weergaven op tot boven de 89.000 met wel zo’n 3.800 interacties. Nu zie ik heel goed de betrekkelijkheid van de snel oplopende emoties via de snelweg op onze tegenwoordige sociale media. Maar een indicatie van de verbazing – zeker bij veel PvdA-kiezers! – laat het wel degelijk zien.

En die onrust is begrijpelijk. Want wat op het eerste gezicht zo slim lijkt, namelijk: we doen net alsof wij één fractie zijn, kan materieel grote gevolgen hebben voor links. Waar straks Rutte en Hoekstra elk afzonderlijk aan tafel zitten tegenover ‘GrootRood’, komt deze stap neer op een versterking van de positie van rechts. D66 krijgt een hoofdrol in het midden en wordt keer op keer gedwongen om ‘redelijk’ te zijn. Maar wat is redelijk bij een progressief-liberale partij, waar links wellicht radicaal wil zijn? Dat wordt voor hen dus telkens kiezen.

Waarom laat links zich op deze wijze in de onderhandelingen al marginaliseren? Het kan bijna niet anders worden uitgelegd, dan dat de drang van beide fractievoorzitters om te gaan regeren domineert. Voor hen, het lijkt wel nu of nooit, is de drang groot om hun partij een rol te geven in de uitvoerende landelijke politiek. Maar waar is de inhoud en tegen welke prijs? Politiek gaat niet alleen over macht maar vindt zijn kracht in de inhoud. Ik verbaas mij erover dat bijna zes maanden na de verkiezingen, de onderhandelaars – op ‘Omtzigt, functie elders’, en het ‘Voltooid leven’, na – hun inhoudelijke inzet nog steeds niet hebben prijsgegeven? Hoezo transparante politiek? Je hoeft niet terug te verlangen naar de tijden dat Jaap Burger informateur was, die gaf met zijn – grotendeels – openbare brieven het formatieproces wel een uitzonderlijke transparantie. In die tijd was politiek was niet slechts voorbehouden aan enkelen, maar iedere kiezer kon – al dan niet genietend – meekijken wat Den Haag met haar of zijn stem aan het bekokstoven was. Het was een openbaar schouwspel dat uitmondde in het eerste progressieve kabinet met Joop Den Uyl als premier. Vandaag is het alsof we weer zijn teruggekeerd naar de tradities die de formaties in de zestiger jaren kenmerken. Van rechts tot links is er nu een grote zwijgzaamheid, met telkens weer dezelfde lachende gezichten van de onderhandelaars op het Binnenhof vol met nietszeggende antwoorden. De kiezers, die staan in de wachtstand, net als de leden van de afzonderlijke partijen. Het Binnenhof, straalt op deze momenten met in het middelpunt het zichzelf gegeven mandaat, om vooral achter de schermen met het schaakspel bezig te zijn. Het is dus stilte alom over de inhoudelijke inzet van de partijen en een mogelijke coalitieprogramma. Maar nu is dan deze, geheel onverhoedse, strategische zet die de vorming inluidt tot één progressieve fractie van GroenLinks en PvdA.

Dus terug naar de opgeworpen blokkade van VVD en CDA. Voor mij kwam deze linkse samenzang als een konijn uit de hoge hoed. Door van tweeën één, te maken wordt de prijs van twee afzonderlijke partijen ingeleverd. In dit stadium een hele hoge en onverstandige prijs. Want, deze door rechts afgedwongen ‘linkse’ samenwerking, maakt dat wij bij een toetreding tot Rutte IV, ook onvoorwaardelijk als één fractie en dus als een politieke entiteit verder moeten! Dat is een knieval, die naar mijn idee volstrekt overbodig is. Immers het adagium ‘samen uit, samen thuis’ is genoeg om effectief een vuist te maken. En als de twee rechtse partijen niet met twee linkse partijen willen praten, dan staat het hun vrij om op bezoek gaan bij de PVV en FvD. Ik zou ze daarmee veel succes toewensen. Maar, nee hoor, blijkbaar is ook voor links politiek succes synoniem aan ‘deelnemen aan een kabinet’. De redenering lijkt ‘er is veertig miljard te verdelen en daar willen wij bij de verdeling ervan deel uitmaken’. Alsof de kern van de parlementaire democratie – met haar budgetrecht – niet het parlement zelf is. In onze democratie zit daar de macht waarmee zeker ook eclatante resultaten bereikt kunnen worden. Hoe dan? Kijk heel even mee naar de inzet van Pieter Omtzigt (voorheen CDA) en Renske Leijten (SP). Wat zij vanuit hun rol als parlementariërs hebben bereikt is fenomenaal. Zij lieten het ware parlementaire vakmanschap zien van de klassieke volksvertegenwoordiger. Even eerlijk, wie van de huidige 150 leden heeft een vergelijkbare staat van dienst, dan wel bezit de kracht, om op gelijke wijze woorden om te zetten in daden?

Politiek moet en kan in het Parlement zijn betekenis krijgen. In een grote mate van geestelijke vrijheid en los van belangenverstrengeling. Het ontbreken daarvan in de periode Rutte II, heeft de politieke positie van de PvdA dramatisch opgebroken. Het is de tijd dat de fractieleiding meende van bovenaf ieder detail aan haar kamerleden te kunnen voorschrijven. Hierdoor moesten veel van de door de PvdA gedane beloften aan de eigen kiezers wijken voor een hoger doel, waarbij sanering van de staatsschuld leidmotief was. Dat kwam de PvdA te staan op een genadeloze afstraffing: van 38 naar 9 zetels! Tot aan de dag van vandaag draagt de PvdA dit verlies aan kiezers met zich mee. Zelfs een, naar mijn mening, zeer overtuigend optredende Lodewijk Asscher kon bij een deel van de eigen partij deze erfenis niet ongedaan maken. En kijk nog even naar naar GroenLinks: een veelbelovende Jesse Klaver, in de oppositie, was zowel verantwoordelijk voor de grootste overwinning (2017: 14 zetels) als voor het grootste verlies (2021: 8 zetels). Nu zijn het twee politieke leiders van partijen die smachten naar regeringsdeelname in de hoop op eerherstel. Het zal ongetwijfeld allemaal goed bedoeld zijn, maar waar zijn zij mee bezig? Wat is nu eigenlijk hun inzet? Voorlopig zijn Rutte en Hoekstra de spelbepalers in de formatie. Voor hen geldt dat twee linkse partijen met een eigen partijpolitieke identiteit te veel is. De oplossing om dan maar van twee één te maken, getuigt van van naïviteit en is op termijn vooral desastreus voor de houdbaarheidsdatum van de PvdA. Sterker, op deze wijze wordt in stilte afscheid genomen van de PvdA als autonome sociaaldemocratische partij. ‘Laten wij ons verenigen. Samen staan wij sterk, want wij zijn toch allemaal links’ is het adagium. Maar zo is het niet. De traditie van de PvdA, is een fundamenteel andere dan die van GroenLinks. De PvdA is deel van een arbeidersstrijd die ruim 100 jaar beslaat. Haar ideologisch gedachtegoed raakt de verhouding van kapitaal en arbeid. En dat is bij uitstek een internationale strijd, die in het geheel nog niet is gestreden. Onze principiële gedachten over de inrichting van de Overheid en de Verzorgingsstaat zijn radicaler dan die van GroenLinks. Het zijn maar enkele van de sociaaldemocratische waarden, die via de PvdA – maar, eerlijk is eerlijk, zeker ook door de SP – binnen het Parlement zelf een eigen geluid en kleur krijgen en daarmee het debat verdiepen.

Natuurlijk heeft de PvdA veel gemeenschappelijk met GroenLinks. En zeker is het zo, dat GroenLinks het voortouw heeft genomen in het grote vraagstuk van het klimaat van onze aarde en hebben zij, meer dan de PvdA, het thema van de duurzaamheid inhoud en betekenis gegeven. Juist die verschillen maken dat wij elkaar aanvullen. Maar dan nog, zijn er tussen beide partijen grote cultuurverschillen. En beiden zijn ze de moeite waard. Vaak vullen zij elkaar aan, maar de twee zijn nadrukkelijk niet één partij met een gelijk gedachtengoed. Ja, ik was en ben voor linkse samenwerking. Als mede-initiatiefnemer in 2001 van Een Ander Nederland probeerde ik de PvdA, GroenLinks en de SP bijeen te brengen. De Fortuyn-revolutie veranderde in 2002 echter het politiek landschap. En wat mij betreft zoeken wij nu vooral op kernpunten de meerwaarde van de drie linkse partijen. Verder zou ik zeggen ‘schoenmaker blijf bij je leest’. Twee – liever drie – autonome linkse partijen, twee – liever drie – politieke identiteiten, twee liever drie – energiebronnen: in een goede dialoog zijn beiden – liever alle drie – sterker.

Tot slot, en dat is niet het het minste blijkbaar hebben de twee fractievoorzitters over het hoofd gezien, dat ons kiesstelsel is ingericht als een representatieve democratie met een lage kiesdrempel. Anders gezegd, de toegang tot een zetel in de Tweede Kamer is laag. Zie ook de recente verkiezingsuitslag. Ons kiesstelsel stimuleert helemaal geen blokvorming, niet van rechts of links. Het is een rudiment uit de tijd dat elke christelijke partij de ‘soevereiniteit in eigen kring’ opeiste en dus ook recht kreeg op hun vertegenwoordiging in het parlement. We zagen al een explosieve versplintering op rechts. Er is inmiddels een veelvoud aan ‘liberale’ smaken. Maar ook links is geërodeerd (om van het autonome verlies maar niet te spreken). Slechts de VVD heeft nu nog een forse uitgangspositie (2021: 34!) maar kent zo haar afsplitsingen die respectabele vormen aannemen, (2021: PVV 17 zetels). Enkel al deze afsplitsingen zijn in zetelaantal groter dan de twee linkse partijen tezamen. Zolang er geen kiesdrempel is zullen de eenlingen nieuwe partijen kunnen stichten en ook uitgroeien tot grote partijen. Het is niet moeilijk te voorspellen dat bij GroenLinks en de PvdA nieuwe kansrijke afsplitsingen zullen ontstaan als gevolg van het verlies aan eigen identiteit. Links onderschat de waarde – en dat is verbazend in deze tijd – van het behouden van de eigen politieke identiteit, en dus ook de schade bij het verlies ervan. Deze strategische zet in deze formatie zal – naar mijn gevoel – vooral de PvdA gaan opbreken. En dat alles om deel uit te maken van Rutte VI. PvdA en GroenLinks hadden een klip en klare streep getrokken. Die was en is helder. Samen Uit, Samen Thuis of anders doen wij niet mee. Het is een eenvoudige keuze. De achterliggende politieke vraag is natuurlijk of wij, op deze manier wel met de VVD en CDA willen samenwerken? Of dat zo langzamerhand nieuwe verkiezingen niet een betere optie zijn.

‘Politiek – dat is kwestie van willen, van iets willen. Sociaal democratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren’, aldus mijn grote inspirator de Zweedse sociaal democraat Olof Palme. Voor mij gaat politiek primair om de inhoud en de kansen die er zijn tot fundamentele veranderingen. Ik heb nog geen stuk gezien. Wat is die gezamenlijke inzet? Voorlopig staat vooral de VVD in de formatie op winst. Sinds Paars hebben zij hun organiserende principes van een neoliberale samenleving tot in de haarvaten van ons samenleven weten te verankeren. De toeslagen-maatschappij is daarvan misschien de meest schokkende en schrijnende illustratie. En dat is nog maar één illustratie van een steeds verdergaande repressieve overheid. En zolang dat nog het geval is vormt het gedachtegoed van de sociaaldemocratische beweging binnen de PvdA voor mij nog het beste uitgangspunt voor het bestrijden van de neoliberale inrichting van onze samenleving. En laat duidelijk, zijn daarin samen optrekken, een vuist maken in het parlement is ook voor mij een vanzelfsprekendheid. Samen sterk!

Adri Duivesteijn

Share and Enjoy !

Shares

Een open brief aan de Haagse Gemeenteraad over het Spuiplein

Het Spuiplein in afwachting van haar inrichting, open of gefixeerd in gebruik?

Den Haag, 18 augustus 2021,

Geachte leden van de Gemeenteraad,

De keuze van onze gemeenteraad om rond het Spuiplein, op de locatie waar zand en veen elkaar ontmoeten, zowel culturele functies als het stadhuis-bibliotheek, te concentreren was een principiële keuze om daar in onze stad een unieke plek van samenkomst te maken. Hier zouden de burgers, vanuit alle rangen, standen en achtergronden, elkaar op een volstrekt natuurlijke manier kunnen ontmoeten.

Even terug in de tijd. In de tachtiger jaren kozen onze voorgangers in de gemeenteraad voor de stedenbouwkundige visie van de architect Carel Weeber. Daarin stond een open Spuiplein centraal. De invulling ervan begon als een exclusieve vestigingsplaats voor het Residentie Orkest en het Nederlands Danstheater (RO/NDT). Met de komst van het Theatercentrum (Margetheater) en het Filmhuis groeide het idee van een cultuurplein. Het effende ook de weg naar de vestiging van het Stadhuis, de Centrale Openbare Bibliotheek en het Gemeente Archief. Met Amare ontstaat er een verdere verbreding. Nu komt er, door een superieure interventie van ons stadsbestuur, een cultuurpaleis met een veelvoud aan zalen voor muziek en dans. Het Residentie Orkest, het NDT en het Koninklijk Conservatorium vormen weliswaar het middelpunt, maar er zal veel meer zijn dan dat. Vanaf dit najaar zullen hier maar liefst 6500 bezoekers per dag (!) kunnen genieten van de avonturen die de kunsten ons bieden. De andere publieke functies rond het Spuiplein zullen daar bovenop nog eens een veelvoud aan bezoekers en activiteiten genereren.

Het Spuiplein zelf zal het hart vormen. Dat plein open van karakter, zou telkens van kleur veranderen door een oneindige trits van activiteiten, voortkomend uit de energie van de stad zelf. Dat Spuiplein zou daarmee qua functionaliteit te vergelijken zijn met het atrium in het Haagse stadhuis. Laten wij daarom kijken naar het atrium van het stadhuis. Dat binnenplein in ons centrum is in zichzelf al van een grote schoonheid. Maar de echte schoonheid zien wij als het zich opent door een veelsoortigheid aan activiteiten. Hierdoor komt het atrium werkelijk tot leven. Hier is de zetel van ons stadsbestuur, de plaats waar burgers toegang hebben tot de dienstverlening van hun gemeente, en het is de plek waar burgers kunnen trouwen, aangifte doen van de geboorte van hun kinderen of het overlijden van hun naasten. Hier komen levenslijnen samen.

In de avond en het weekend verandert alles en zien wij een rijkdom aan activiteiten. Maar nu is het een plek waar Hagenaars en Hagenezen elkaar ontmoeten. Het was juist deze functie die in 1989 doorslaggevend was bij de keuze voor dit nieuwe stadhuis. In dit ontwerp kon de stad haar huiskamer krijgen. En het werkt! In de afgelopen 25 jaar is het Atrium van ons Haagse stadhuis een ontmoetingscentrum voor een veelvoud van culturele, educatieve, maatschappelijke en commerciële evenementen met een keur van manifestaties en tentoonstellingen. Het hoogtepunt is de jaarlijkse kerst-sing-along met maar liefst 1100 deelnemers. Deze is juist zo spectaculair, omdat het geen andere pretentie heeft dan samen zingen en juist daarvan met elkaar te genieten.

Zoals het atrium hét binnenplein is, kan het Spuiplein hét buitenplein worden van ons centrum. Ook dit kan een plek van samenkomst zijn in tal van verschijningsvormen. Maar dat zal het alleen kunnen zijn, wanneer de inrichting van het Spuiplein dat ook toestaat. Ja, net zoals het atrium van het stadhuis de stad en haar burgers expliciet uitnodigt de plek in gebruik te nemen. Biedt het Spuiplein die potentie?

Naar mijn mening zal het voorliggende inrichtingsplan deze pretentie niet kunnen waarmaken. Waarom niet? Omdat het nieuwe Spuiplein vooral uitnodigt tot ‘flaneren, zitten en kijken’, en dat vooral van de bezoekers van aanliggende instellingen. Hoe kan dat?  Ik verbaas mij er over. Het lijkt wel of is nagelaten een program van eisen te schrijven op het niveau van de stad. Waarom is de uitdaging uit de weg gegaan om te denken in verschillende ontwerpvisies, zoals dat voor het Stadhuis en het Cultuurpaleis wel is gebeurd?  Nu is het vooral een proces van goede bedoelingen, waarin – met een overmaat van klankbordgroepen en overlegbijeenkomsten al polderend een synthese is gezocht tussen een veelvoud van opvattingen en deelbelangen. De vormgeving heeft daardoor het karakter van een buurtplein. Dit Spuiplein is historisch gesproken de kans om de zo hardnekkige tweedeling tussen Hagenaars en Hagenezen in onze stad te verzachten. Het zou daarmee in potentie de meest democratische plaats van samenkomst kunnen worden voor zowel ’s-Gravenhage als Den Haag.

Dat zal het nu niet worden. Kijk alleen al naar de materialisering van het voorliggende ontwerp. Het Spuiplein is statisch. De bloembakken met de betonnen randen zijn intolerant en laten geen enkele andere functies toe dan het genoemde ‘flaneren, zitten en kijken’. Waar het plein wel open is, is het een restruimte die vanaf het Spui zelf niet zichtbaar is. Natuurlijk op de presentatietekeningen oogt het ontwerp – in de bloei van de verbeelding naar de gedroomde toekomst – zacht en vriendelijk. In de harde werkelijkheid is het stug, sterk afhankelijk van de seizoenen en intensief onderhoud. Het Spuiplein zal nooit zo glorieus ogen als is gepresenteerd. In het klein zie ik hetzelfde met het Wagenplein en de aangrenzende rechterzijde van de Stationsweg. Daar zijn cirkelvormige bloembakken geplaatst en dat is een regelrechte mislukking. Wat voorheen een serene open ruimte was met mooie bomen waar altijd gespeeld kon worden dan wel plaats was voor culturele activiteiten, is deze plek nu van niemand meer. Zelfs niet van de beheerders die er overigens nauwelijks verschijnen.

Hoe dan wel? Laat ik maar dicht bij huis blijven. Laten wij voor het Spuiplein teruggaan naar de basisgedachte van De Kern Gezond. Kijk naar het Plein en de Plaats. Daar staat de openheid van de plek centraal. De terrassen worden gecombineerd met majestueuze bomen. Deze openheid laat toe dat er telkens weer andere activiteiten mogelijk zijn. Anders gezegd, maak een vergelijkbaar bescheiden inrichtingsplan met bomen dat in zichzelf een schoonheid uitstraalt en welke – net als het Atrium – open van karakter is, waardoor de bewoners  en haar organisaties met een veelvoud van activiteiten de kans krijgen om er te zijn.

Oh, Oh, Den Haag, mooie stad achter de duinen. De Schilderswijk, de Lange Poten en Het Plein’.  

Het is natuurlijk aan u om te beslissen. Maar ik zou het waarderen wanneer ons Spuiplein in de toekomst een plek zal zijn waar Hagenaren en Hagenezen van allerlei pluimage zich thuis voelen en zich laten verrassen met kleine en grote gebeurtenissen.

Tot slot, ik hoop op een vrije keus binnen uw gemeenteraad.

Met collegiale groet,

Adri Duivesteijn, Oud-Gemeenteraadslid van ons mooie Den Haag

16 december 2018 – Kerst Sing Alone in het Atrium



De kern Gezond over het Spuiplein: ‘Gezien de vele richtingen die op het plein een rol spelen en hoogte van de bebouwing van de omringende bebouwing is gekozen voor een leeg plein waarop één belangrijk object is gesitueerd’ – Juni 1988

Bruisend Plein, That’s the Question!

Share and Enjoy !

Shares

Geef Den Haag een Spuiplein waar Hagenaar en Hagenezen elkaar cultureel ontmoeten!

Onder aan deze opinie komt u informatie tegen over eerdere presentaties over het ontwerp voor het Spuiplein zoals deze in beeld zijn gebracht door het Platform STAD. Tevens komt u enkele reacties tegen n.a.v. mijn opinie waaronder die van de directeur van het genoemde Platform op LinkedIn.

Het was in de jaren tachtig toen de nieuwe gemeentesecretaris Koos van Beuzekom zich afvroeg: ‘Waar moet een Hagenaar naartoe als er een revolutie komt?’ Hij doelde op het introverte ’s-Gravenhage dat in zijn historisch centrum wel veel openbare ruimten kent, maar geen echt plein waar alle stadsbewoners samenkomen. Hij verwees naar Maastricht met het Vrijthof of Delft met de Grote Markt. Pleinen waar iedereen komt, zich gewenst voelt en waar altijd wat te doen is. Het was de tijd waarin ik als wethouder verantwoordelijk was voor de keuze van het stedenbouwkundig plan van architect Carel Weeber voor het Spuikwartier. Zijn keuze voor een open plein sprak mij aan. En, als het al mogelijk was om met een ingreep iets van de gefragmenteerdheid van Den Haag op te lossen, dan was het op deze plek.

Plan Weeber in 1980, de belofte van een nieuw Spuikwartier met een open plein naar de stad.

Het plan-Weeber zou een begin zijn van een ontwikkeling van wat nu het bestuurlijke en culturele hart van de stad genoemd wordt. De combinatie van Nieuwe Kerk, Theater aan het Spui, Filmhuis, Pathé, stadhuis/bibliotheek en Amare (concert- en danszaal en conservatorium) garandeert dat het Spuiplein dagelijks door duizenden mensen zal worden bezocht. De eens zo introverte stad Den Haag, gebouwd rond het besloten Binnenhof, opent zich dan als een bloem die tot bloei komt. Wit en zwart, hoog en laag, klein en groot zullen er samenkomen. Daarmee wordt het Spuiplein, op de as Spui-Hofweg-Kneuterdijk, de meest democratische ontmoetingsplaats die Den Haag met ’s-Gravenhage, Hagenaars en Hagenezen, samenbrengt.

Fantasieën

Tenminste, dat dacht ik, totdat ik recent het ontwerp voor de inrichting van het Spuiplein onder ogen kreeg. Waar mijn fantasieën uitgingen naar een stedelijk plein dat een eigen toegevoegde waarde zou hebben in de culturele programmering van de stad, dreigt nu het tegendeel te gaan gebeuren. Ik dacht al die tijd aan openluchtconcerten van muziekgezelschappen uit de vele Haagse culturen, festivals met drumbands en harmonieorkesten, draaiorgelconcoursen, vendelzwaaien uit heel Europa, een ijsbaan in de winter en, jazeker, demonstraties tegen van alles en nog wat.

Spuiplein in de tijd waarin het RO/NDT nog het beeld vormde. Een plek van samenkomst voor de stad.
Foto: Joop ten Velden

Maar nee hoor, vergeet het maar. In de toelichting van de vormgevers is de basisgedachte voor het Spuiplein ‘vertraging en onthaasting’. Twee kwaliteiten die juist het kenmerk zijn van het Korte Voorhout, Lange Voorhout en de Lange Vijverberg op loopafstand van het Spuiplein. Maar ook het Spuiplein zal een plek in de stad moeten worden die zich onttrekt aan de drukte van de stad, een plaats ‘waar tussen de bomen, het groen en het water, ruimte is voor kleine programmeringen en events die gerelateerd zijn aan de culturele instellingen.’

Ik probeer te begrijpen wat dat is en zie op de tekening een tweetal verblijfsplekken waar passanten, zittend op de betonnen randen van langgerekte bloembakken, aan weerszijden van een minimalistische vijver met planten, even kunnen bijkomen van de hectische dynamiek van de stad. In het gunstige geval worden zij tijdens de lunch en het weekend vergast op wat straattheater of een klein orkest. Grootschalige culturele activiteiten worden met deze inrichting nadrukkelijk fysiek onmogelijk gemaakt. Wat een gemiste kans! Den Haag mag dan wel geen stadsrechten hebben, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat er in het hart van de stad een dorpsplein moet komen.

Een zomerse middag op het Spuiplein – presentatie tekening van OKRA. In de toelichting van de vormgevers is de basisgedachte voor het Spuiplein ‘vertraging en onthaasting’.

Centre Pompidou

Den Haag, bestuur van de stad, spiegel je bij het Spuiplein aan het Centre Pompidou in Parijs, of Piazza del Campo in Siena, de Grote Markt in Brussel, het Plein van de Oude Stad in Praag of Leicester Square in Londen. Maar als dat allemaal te groots is, kijk dan naar ons eigen Plein. Het zijn allemaal intieme pleinen met bomen en terrassen, maar, en dat is de essentie, waar openheid de ruimte biedt aan een eindeloze reeks van culturele en sociale activiteiten. Laat toch het Spuiplein een uitnodiging zijn aan de stad om hier met elkaar actief te zijn. Elkaar hier te ontmoeten om samen één samenleving te zijn. En ik zeg het Koos van Beuzekom na: geef de Hagenaar het plein waar zijn culturele revolutie een kans kan krijgen.

Centre Pompidou, voorbeeld van een publiek plein met een eigen culturele programmering in de stad

Let wel, het gemeentebestuur van Den Haag heeft in de laatste veertig jaar iets heel bijzonders gedaan, namelijk aan de stad het centrum gegeven dat toebehoort aan allen. Ik ken maar weinig steden die zo’n concentratie van bestuurlijke en culturele voorzieningen hebben samengebracht op één centraal plein. Als dit najaar het cultuurpaleis Amare in gebruik wordt genomen, wordt het Spuiplein medebepalend voor het karakter van de stad. Daarmee is een stadsbelang gemoeid. De vormgeving van het Spuiplein mag dan ook geen optelsom zijn van deelbelangen die in de acht (!) klankbordgroepen zijn meegegeven.

Parelketting

Gemeentebestuur, doe dat een vormgever toch niet aan. Stel als verantwoordelijke je programma van eisen vast en laat een topontwerper een mooie en elegante openbare stadsruimte maken met een bijbehorende chique bestrating van edele materialen, zorgvuldig aangebracht in een schitterend patroon, mooi bol zodat er na regen geen plassen blijven staan. Een plein dat schoonheid uitstraalt en telkens weer, door een veelvoud van menselijke activiteiten, van kleur verandert. Dat Spuiplein kan dan stralen aan de rijke parelketting van Haagse pleinen, plaatsen en plekken op de as Spui-Hofweg-Kneuterdijk. Een as die het eveneens verdient om te worden opgewaardeerd.

April 2021, wordt het Spuiplein gemarginaliseerd tot een plek waar ‘ je kan ontrekken aan de ein voor

En mocht u twijfelen, las dan een denkpauze in. Formuleer een vrije opdracht voor ontwerpers om een visie te geven op en een schetsontwerp van het Spuiplein in te dienen. Zet de mooiste ontwerpen in het Atrium – ook een voorbeeld van een mooie openbare (binnen)ruimte waar telkens weer van alles kan – en laat de bevolking haar mening geven. Neem als bestuur daarna een weloverwogen beslissing. Het is een methode die juist op het Spui al eens haar diensten heeft bewezen.

Adri Duivesteijn is oud-wethouder (PvdA) van Den Haag, oud-lid van de Tweede en Eerste Kamer en oud-wethouder van Almere.

Deze opinie is op 22 april 2021 gepubliceerd in Den Haag Den Centraal

Een reactie van Jooske Baris, directeur Platform STAD, op 28 april jl. op LinkedIn over mijn opinie inzake het voorliggende ontwerp voor het Spuiplein.

interessante mening Adri! Had m graag aan bod laten komen in de drie STADgesprekken… was de ultieme plek geweest om in gesprek te gaan met breed gezelschap met o.a. Wim Voogt (ontwerper), Shervin Nekuee (socioloog), Pauline van den Broeke (gemeente), Géke Roelink (Filmhuis), Peter Drijver (architect), Anne Mulder (wethouder stadsontwikkeling), Hilbert Bredemeijer (wethouder buitenruimte), Marieke de Jong (omwonende), Annemarie Goedvolk (evenementenbranche), Stuart Stretton (horeca) en Paul Broekhoff (bibliotheek), en -natuurlijk- de rest van de stad…

Mijn respons:

Beste Jooske,

Met veel waardering neem ik altijd kennis van de intermediaire rol die het Platform STAD vervult tussen bestuur en burgers. Het stimuleert de dialoog. Maar wanneer deze voorlichting en presentatie ronde materieel gaat inhouden dat er in dit proces al expliciet keuzen worden gemaakt voor een bepaalde planuitwerking van ons Spuiplein, dan treedt het Platform STAD in een rol die principieel is voorbehouden aan het Gemeentebestuur.

In die rolverdeling is het normaal dat het College van B&W, gehoord hebbende de inspraak de voorliggende scenario’s of varianten voor de inrichting van het Spuiplein afweegt en komt tot een voorkeursvariant of varianten. Vervolgens wordt dit voorgelegd aan de gemeenteraad: alleen daar vindt vervolgens het ‘ultieme gesprek’ plaats over de toekomst van het Spuiplein. Alleen daar ligt het primaat!

Anders gezegd, het past Platform STAD om zorgvuldig verslag te doen van haar bevindingen. Vervolgens is het aan de ambtelijke dienst(en), en welstandcommissie om mede op basis hiervan het College te adviseren hoe verder te gaan. Het is dan aan het College om een variant, of varianten voor te leggen aan de gemeenteraad.

In de huidige procedure is de Gemeenteraad van Den Haag volstrekt op afstand geplaatst. Deze komt pas in beeld na de afronding van de ter visie legging van het uitgewerkte ontwerp in beeld.

Dat kan niet, en dat mag niet met zo’n beeldbepalend plan voor het cultuurplein in het centrum van Den Haag.

Normaals alle waardering voor alle inspanningen, ik ding daar niets aan af, het geeft inzicht en laat opvattingen zien. Maar hier geen rolverwarring. Hier kan alleen – in een vroegtijdige fase – een uitspraak over een gewenste variant van de gemeenteraad doorslaggevend zijn. En gelukkig is dat in dit stadium nog heel goed mogelijk.

Op naar een mooi Spuiplein voor Hagenaars en Hagenezen.

Adri Duivesteijn

Share and Enjoy !

Shares

Anonieme kritiek op Kamervoorzitter is fundamenteel strijdig met onze open democratie!

Anonymvs in Boedapest, maar zijn het hier wel zulke helden?

In zijn nieuwe boek ‘Twee pijlers’ laat de politicoloog en historicus Ruud Koole ons terugkijken naar de nog maar prille geschiedenis – 1922: Algemeen kiesrecht – van onze democratische rechtsstaat. Centraal staat daarin de betekenis van het burgerschap. Burgers zijn de kiezers en kunnen gekozen worden. Het is de kern van onze parlementaire democratie. Binnen het parlement krijgt het onderlinge gesprek (Parler) tussen burgers zijn betekenis. Vaak is dat in de vorm van een debat tussen de fracties van politieke partijen over de meest gewenste inrichting van onze samenleving. Het is met overtuiging de meest beschaafde vorm om meningsverschillen – dus zonder fysieke conflicten – in onderling overleg te slechten en samen vorm te geven aan onze de samenleving.

Democratie, kiezers, gekozenen, gesprek, debat en dialoog monden uit in meningsvorming en besluitvorming. Juist in een gesprek met een open mind is ons parlementaire stelsel betekenisvol. En, voor hen die ervoor kiezen, om als gekozenen actief te zijn, is dat ook de aantrekkingskracht van onze democratie. Je mag in de mooiste publieke arena, in alle vrijheid en zonder hiërarchie met elkaar een dialoog aangaan. En, niet onbelangrijk, het gesprek is openbaar en voor iedere burger navolgbaar.

Maar hoe mooi de beloften van de schoonheid van onze parlementaire democratie ook zijn, het is en blijft mensenwerk. En dus is het een ambacht waarin alle menselijke gedragingen in het spel van de democratie aan bod kunnen komen. Heel vaak is dat stijlvol en gaat het over idealen. Maar achter ieder verhaal gaan ook belangen schuil. Politiek is ook macht en dus geeft het toegang tot posities en publieke middelen. En, het moet gezegd, in een krachtenspel waarin ook persoonlijke en zakelijk belangen een plaats opeisen, maakt dat niet altijd het meest aangename in ons politici los.

Kwalijk wordt het echter pas, wanneer het gesprek niet meer openbaar is, wanneer de transparantie achter de bedoelingen niet meer zichtbaar is. En dat is veelal het geval, wanneer het gesprek gedomineerd wordt door anonieme bronnen. Je kan er dan wel vanuit gaan dat er een ander belang in het geding is. En wat is er dan niet effectiever dan het beschadigen van een publieke persoon?

Welke van de anonieme bronnen durft zich te openbaren?

Een triest hoogtepunt hiervan mochten wij deze week meemaken toen tien (oud) politici en ambtelijk betrokkenen bij Hoge Colleges van Staat, zoals de Rekenkamer en Tweede en Eerste Kamer’ zich lieten verleiden om in een interview met de chef politieke redactie van RTL Nieuws, de journalist Stephan Koole, leeg te lopen over ‘de andere kant van Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib’. Op zich past het in een open democratie, dat je elkaar bespreekt en zelfs bekritiseert. Maar deze ‘(oud) binnenhof bewoners wilden alleen het achterste van hun tong laten zien als we ze anonimiteit konden garanderen.’ En hier wordt in het hart van onze democratie gestoken. Want wie zijn deze ‘anoniemen’ en waarom willen zij anoniem blijven?

Er is vanuit journalistiek oogpunt weinig tegen het gebruik van anonieme bronnen om de gedragingen van een publiek persoon ter discussie te stellen. Ik heb nog de heroïsche verhalen van de journalisten voor ogen, die het Watergate schandaal onthulden en die de val van de Amerikaanse President Richard Nixon inluidden. Maar in deze casus lijkt het, het artikel lezend, vooral te gaan om het karakter van de voorzitter. Een Kamervoorzitter die haar rol opeist en dus op gezette tijden niet meebeweegt met de zittende coalitie. Ja, dat roept spanning op, die in de dualiteit van ons democratisch stelsel eerder een zegen dan een zwakte is, omdat het de verschillende rollen betekenis geeft. En natuurlijk mag haar handelen worden gewogen. Een Kamervoorzitter is immers een publiek figuur en deze rol wordt iedere week opnieuw gewikt en gewogen door de leden van de Tweede Kamer en met de ogen beoordeeld door alle Nederlanders die de politiek volgen.

Maar juist in een open democratie past het niet om als ‘(oud) binnenhof bewoners’ pas het achterste van je tong te laten als de journalist je ‘anonimiteit kan garanderen’. Het heeft iets gênants, wanneer een van de bronnen anoniem over de Kamervoorzitter spreekt in termen van “achterbaks en onbetrouwbaar.” Hoe betrouwbaar ben je dan eigenlijk zelf, wanneer je je veilig waant in de ‘anonimiteit’ van wat toch erg op roddel en achterklap lijkt? Hoe kan op deze wijze het eigen belang hierachter gewogen worden?

Waarom was de redactie van RTL-Nieuws dienstbaar om deze ‘helden van de democratie’ de vloer te gunnen? Welk relevant feit is hier eigenlijk aan de orde, anders dan irritaties over een voorzitter die zich in haar rol laat gelden? Ik beoordeel de bronnen, die zo lafhartig zijn om zich niet publiekelijk te laten kennen, als de beschadigders van onze open democratie. Zij laten zich anoniem lenen voor het bekritiseren van een belangrijke publieke functionaris op een sleutelrol in onze democratie. Waar juist de kern openheid en transparantie is, wordt de kern van onze democratie in het hart geraakt.

Hoe moet ik dit beoordelen? Ik zou zeggen laten wij kijken naar de synoniemen voor ‘anoniem’ die zijn klip en klaar, in dit geval kunnen deze bronnen worden geduid als ‘Gemeen’, ‘Huichelachtig’, ‘Onbetrouwbaar’, ‘Oneerlijk’, ‘Slinks’, ‘Sluw’ en ‘Snood’.

Laten wij het samenvatten als een laf en een onwaardig gedrag van anonieme critici op onze Kamervoorzitter. En dat zou niet zo ernstig zijn waren het niet dat deze anonieme bronnen juist de bewakers zouden moeten zijn van onze nog zo jonge open democratie.

Adri Duivesteijn.

Oud-lid van de Eerste en Tweede Kamer.

Share and Enjoy !

Shares

Opinie: Een kritische reflectie op de PvdA naar aanleiding van het aftreden van Lodewijk Asscher als kandidaat-lijsttrekker

Met ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ ging Lodewijk Asscher ons voor.

Met verbijstering zag ik binnen de Partij van de Arbeid de discussie over het debacle rondom de kindertoeslagen zich versmallen tot de vraag of de politiek leider wel of niet consequenties zou moeten trekken uit de conclusie van het rapport Ongekend Onrecht van de parlementaire commissie Van Dam.  Alsof Asscher zitting heeft in het Kabinet-Rutte III van de VVD, CDA, D’66 en CU dat alweer zo’n vier jaar aan het bewind is. Het kabinet dat al een paar jaar wordt achtervolgd door Pieter Klein van het RTLNieuws en de Tweede Kamerleden Pieter Omzigt (CDA) en Renkse Leijten (SP) over de misstanden bij de uitvoering van de Wet Kinderopvangtoeslag. Zij hebben in alle toonaarden opheldering geëist over de gedragingen van de Belastingdienst jegens de ouders die een toeslag hebben gekregen. Het is ook dat Kabinet dat deze Tweede Kamerleden – en daarmee ons Parlement – onjuist heeft voorgelicht en stelselmatig signalen negeerde dat er zich een ramp aan het voltrekken is bij de ontvangers van kindertoeslag. Ja, het kabinet dat de problemen zozeer liet oplopen dat de Tweede Kamer naar het enquêterecht moest grijpen om de waarheid boven tafel te krijgen. En zelfs nadat het Rapport van de Commissie Van Dam was verschenen, moest de Kamer vaststellen dat er nog steeds essentiële informatie was achtergehouden. Vier volle jaren treurnis die pas kon worden ‘afgesloten’ nadat het vlijmscherpe rapport van de parlementaire commissie is uitgekomen.

En ja, de voormalige minister van Sociale Zaken heeft in de jaren dat hij verantwoordelijk was signalen van slachtoffers niet op juiste waarde beoordeeld. Hij vertrouwde, ten onrechte naar nu is gebleken, op de zorgvuldigheid van de Belastingdienst. Daar is immers de uitvoering van alle toeslagen ondergebracht. Losgekoppeld van de beleidsdepartementen die over de inhoud gaan. Dat was een beoordelingsfout die terecht werd gesignaleerd door de Kamercommissie. Een fout waarvoor de oud-minister van Sociale Zaken publiekelijk zijn excuses voor heeft aangeboden. En zo hoort het ook. Fouten worden gemaakt door mensen, ook als zij minister zijn. Maar met alle waardering voor diegenen binnen de Partij van de Arbeid die hun handtekening hebben gezet onder een motie van wantrouwen jegens hun politiek leider, stel ik de vraag wie van hen zich heeft verzet tegen het regeerakkoord met de VVD dat Diederik Samsom en Jeroen Dijsselbloem namens de fractie van de PvdA heeft uit onderhandeld? Ik zie nog het congres, dat zich – slechts – verzette tegen de criminalisering van de asielzoekers maar op andere terreinen niet of nauwelijks weerwerk gaven. Een immense bezuinigingsoperatie die tal van sociaaldemocratische verworvenheden in één klap ongedaan maakte was haar inhoud. Maar in mijn oren zit nog het applaus toen de regeringsdeelname een feit was en de kandidaten van de Partij van de Arbeid op het podium verschenen. Jazeker, met het Van Waarde project in de achterzak heeft de PvdA op dat moment als collectief haar sociaaldemocratische waarden verloochend.

Thuis in gesprek met de vice-premier Asscher over de de Vrije Artsenkeuze.

Toen ik namens de Partij van de Arbeid in de Eerste Kamer plaats nam, nam ik keer op keer met verbijstering kennis van de ingrijpende aantasting van onze verzorgingsstaat. Het is bekend, dat ik als Eerste Kamerlid nog een paar keer gepoogd heb een kentering tot stand te brengen. Hoon was toen mijn deel van de toenmalige Tweede Kamerfractie en in het bijzonder van haar fractievoorzitter. Het was geen fijne periode in mijn politieke loopbaan. Sterker ook, het heeft mij beschadigd omdat ook de Eerste Kamerfractie niet alles kon terugdraaien. En ik wil duidelijk zijn, je kan niet in de politiek zitten en geen vuile handen maken. In een coalitieland, maar ook in je eigen partij, moet je vaak inschikken. Samen sterk gaat dan voor. Je kunt niet alles naar je hand zetten. En dus kom je allemaal wel een keer, om met Jean-Paul Sartre te spreken ‘tussen de raderen’. De kernvraag is daarin, of je in het politieke strijdperk je integriteit overeind weet te houden. Maar zelfs dan zijn wij ultiem als PvdA collectief verantwoordelijk, omdat wij – willens en wetens – hebben gekozen voor deelname aan het kabinet Rutte II, omdat wij trouw een regeerakkoord hebben uitgevoerd dat op essentiële onderdelen haaks stond op onze sociaaldemocratische waarden. Terugkijkend naar de jaren van Rutte II hebben wij allen schuld, wij zijn collectief verantwoordelijk en terecht hebben de kiezers ons daarvoor vernietigend afgestraft. Negen zetels, wie had dat kunnen denken. De grootste sociaaldemocratische partij moest zich weer van onderop uitvinden en opbouwen.

In de politiek is het vallen, maar je kan ook weer opstaan. En onder leiding van Lodewijk Asscher hebben wij met elkaar teruggekeken naar hoe en waarom het zo mis kon gaan. In deze zoektocht ging het niet om een versimpeling naar één of meerdere personen binnen de fractie of de partij. Nee, het ging om de herontdekking van onze ideologische beginselen. Hoe was het zover gekomen, dat wij onze sociaaldemocratische waarden uit het oog waren verloren? Waarom wilden wij per se weer in het centrum komen van de uitvoerende macht? En waarvoor applaudisseerden wij eigenlijk met zijn allen? Met ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ ging Lodewijk Asscher ons voor. In een zeer persoonlijke en openhartig zoektocht openbaarde hij zijn ervaringen, zijn fouten, maar vooral ook zijn drijfveren en zijn idealen. Hij ging ons voor in de wederopstanding van het ideologisch gedachtegoed van de PvdA. Ik heb het zelden een partijleider zo openbaar zien doen. Ook de fractie heeft zich moeten terugvechten. Maar heel gestaag hebben wij in de afgelopen jaren onze geloofwaardigheid weer teruggevonden. Stap voor stap heb ik het gevoel gekregen dat de PvdA, onder leiding van Lodewijk Asscher, weer grip heeft gekregen op onze sociaaldemocratische waarden. Wij konden onze kiezers weer open in het gezicht aankijken.

En toen kwam het rapport over de kindertoeslagen. Ja, onvermijdelijk gaat dat ook over Kabinet-Rutte II waarin de PvdA medeverantwoordelijkheid heeft gedragen. Hoe kan het anders? Maar dat was van 5 november 2012 tot en met 26 oktober 2017. Wij spreken over vier jaar terug. Wij leven nu in 2021. Dat waren de jaren 2017 tot en met 2020, waarin het zittende kabinet – ondanks alle inspanningen binnen de Kamer – de misstanden rond de kindertoeslagen volstrekt negeerde. En dan nu lijkt het, volgens collega partijgenoten, die een motie van wantrouwen indienden, om de geloofwaardigheid van hun politieke leider te gaan. Het is niet mijn gewoonte, maar nu toch maar een keer: Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? (Matteüs 7:3-5). De PvdA is collectief verantwoordelijk. Iedereen. Niemand binnen de PvdA kan zijn handen in onschuld wassen. En zo’n motie van wantrouwen zou nog houtsnijden als wij niet zouden hebben gedaan aan zelfonderzoek. Als wij niet de weg terug zouden hebben gevonden naar onze sociaaldemocratische waarden. Ze mogen ons verwijten dat wij fouten hebben gemaakt, maar wij hebben geleerd. En dat lieten wij zien in ons stemgedrag van de laatste vier jaar. De partij heeft zichzelf weer teruggevonden. En in onze nieuwe gedragingen spreekt weer het hart van de sociaaldemocratie. Kortom er staat weer ‘een PvdA die met trots haar ideologische veren gebruikt om mensen te laten vliegen’.

Voor mij heeft de PvdA in de afgelopen jaren de weg terug ingeslagen naar een waardige sociaaldemocratische partij. En dus past het ons niet om, dat wij collectief verkeerd hebben gedaan, terug te brengen tot één enkele persoon. Ik voel mij niet thuis in de wereld van ‘barbertje moet hangen’. Ik zet mij liever in om te doorgronden hoe wij inhoud kunnen geven aan het herstel van onze verzorgingsstaat, waarin mensen met lage inkomens niet ondergeschikt zijn gemaakt van een systeem waarin al onze publieke voorzieningen ‘marktconform’ moeten zijn en zij afhankelijk zijn van een oneerbaar stelsel van zorg-, huur- en kindertoeslagen. Het is dit door rechts ingevoerde stelsel, dat mensen hun zelfstandigheid en daarmee hun waardigheid heeft ontnomen. Ik noemde dat, toen ik lid was van de Tweede Kamer, een ‘charitas met het geld van de gemeenschap’. Een stelsel van toeslagen dat bij iedere kabinetsperiode, afhankelijk van de politieke kleur, opnieuw wordt ingevuld. Hoezo rechtszekerheid? Dat moet veranderen. Daar moet onze inzet de komende regeerperiode op gericht zijn!

Mensen hebben recht op een zelfstandig leven. Daar gaat het om en daar moet de PvdA aan werken om dat mogelijk te maken. Dat zijn onze plannen, die onder Lodewijk Asscher weer op onze tafel zijn gekomen. Die leden die de leider, welke van zijn fouten heeft geleerd, wilden wegsturen zijn blind voor het feit dat wij de koers allang weer hebben teruggevonden. Helaas kunnen wij dat niet meer doen onder leiding van die ene man die – net als wij allemaal – niet onfeilbaar is, maar wel integer is en een groot sociaaldemocratisch hart heeft!

Adri Duivesteijn

Den Haag, 14 januari 2021

Share and Enjoy !

Shares

Open brief aan de ministers Ollongren en Van Engelshoven: over het waarom Architectuur Lokaal nodig blijft voor de ruimtelijke kwaliteit van onze steden en dorpen

Den Haag, 18 november 2020

Aan

de Minister van BZK, mw. drs. K.H. Ollongren en de Minister van OCW mw mr. drs. I.K. van Engelshoven

Waarde bewindspersonen,

Ik neem de vrijheid jullie beiden een open brief te sturen met wat persoonlijke ervaringen. De reden is heel eenvoudig: ik maak mij zorgen over het voortbestaan van de Architectuur Lokaal. Daar sta ik gelukkig niet alleen in. Ik bevind mij in het gezelschap van liefst vijf oud-bewindspersonen, van de Rijksbouwmeester, en van zijn acht voorgangers, en van nog vele anderen die een prominente rol spelen in de architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur in Nederland.

Architectuur Lokaal is een van de pareltjes die zijn voortgekomen uit het architectuurbeleid van het begin van de jaren negentig. De oprichting van Architectuur Lokaal was een regelrecht gevolg van de eerste architectuurnota, voorbereid en gepresenteerd door de bewindspersonen Elco Brinkman, Hans Alders, Ed Nijpels en Hedy d’Ancona. De bestaansreden van architectuurbeleid formuleerden zij helder: als de verbinding tussen enerzijds het bouw- en ruimtelijk beleid en anderzijds het cultuurbeleid. Zoals jullie voorgangers destijds schreven: architectuurbeleid “ontleent zijn betekenis aan het publieke belang van een goede vormgeving van onze gebouwde omgeving. Met de ‘gebouwde cultuur’ heeft immers iedereen dagelijks te maken.” Deze aandacht voor de culturele dimensie van de omvangrijke ruimtelijk opgave is in mijn ogen ook nu onverminderd relevant.

Het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam in aanbouw in 1993. Foto: Jannes Linders/NAi

Het architectuurbeleid leidde destijds tot de komst van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) (waar ik de eerste directeur mocht zijn), het Stimuleringsfonds voor Architectuur, Architectuur Lokaal en later ook de Internationale Architectuur Biënnale (IABR). Hiermee kreeg ons land op alle niveaus – in de ontwerpende vakgemeenschap, bij landelijke en lokale bestuurders, en alle andere betrokkenen en belangstellenden – een structurele impuls om blijvend aandacht te schenken aan de culturele dimensie van de inrichting van ons land en onze steden. Deze kwaliteitssprong heeft internationaal een voorbeeldfunctie gehad. Veel regeringen van Europese landen lieten zich door het Nederlandse model inspireren tot een vergelijkbare culturele infrastructuur gericht op de verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving en publieke ruimte.

Sinds het begin in 1991 is het architectuurbeleid van het rijk regelmatig vernieuwd in een reeks Architectuurnota’s. Helaas is hieraan in de beleidsperiode van staatssecretaris Halbe Zijlstra een einde gekomen. In deze periode is, sterker ingegeven door bezuiniging dan door inhoudelijke overwegingen, het architectuurbeleid verbreed en daardoor verdund door een samenvoeging van zeer verschillende creatieve disciplines en bijbehorende instellingen. Zo ging het NAi op in Het Nieuwe Instituut, en werd het Stimuleringsfonds voor Architectuur verbreed naar een fonds voor Creatieve Industrie. In feite werden ontwerp-specialismen samengevoegd. Deze hebben weliswaar allemaal een culturele dimensie, maar die verschillen qua marktposities in snelheid, betekenis en maatschappelijke impact.

Voor het architectuurklimaat in Nederland heeft dit bijzonder nadelig uitgewerkt. Hoezeer de genoemde instellingen ook hun best doen, de focus op architectonische ontwerpkwaliteit is sterk verzwakt. De kracht en de inspiratie waarmee het architectuurbeleid ooit terecht is ingezet, is vanaf die tijd dwalende. Dat is opnieuw pijnlijk zichtbaar in de behandeling die Architectuur Lokaal op dit moment ten deel valt. Architectuur Lokaal richt zich in het bijzonder op kwaliteitsbevordering op lokaal niveau, dus daar waar dit het meest direct effect heeft. Het verdient in mijn ogen, en in die van vele andere, een blijvende, structurele positie. Het is wrang dat zowel de adviescommissie van het departement van Cultuur als die van het Stimuleringsfonds beide zeer positief oordelen over de activiteiten van Architectuur Lokaal, maar zich tegelijkertijd niet verantwoordelijk voelen om de stichting haar door velen geprezen werk te laten voortzetten. Een belangrijke lokale steunpilaar uit de eerste architectuurnota staat op het punt om te verdwijnen. En wat bereiken wij hiermee?

Het Spuikwartier in Den Haag in de jaren zeventig begin jaren tachtig. Foto: Gemeente Den Haag

Dit brengt mij terug naar het midden van de jaren tachtig, toen in ons land de grondslagen werden gelegd voor een architectuurbeleid. Het was de tijd waarin wij (bewoners en bestuurders) afscheid hadden genomen van het centralistische gedachtegoed van ‘de functionele stad’, van waaruit direct na de oorlog aan de stad was gewerkt. Scheiding van de functies van wonen, werken en recreëren was toen het adagium. Een lange reeks nieuw wijken, uitmondend in de Bijlmermeer, was het resultaat. Maar ook al waren de idealen van de toenmalige stedenbouwers en bestuurders integer, veel van deze wijken zijn niet duurzaam gebleken. De gemeenschap heeft miljarden moeten investeren voor het bij de tijd brengen en opnieuw leefbaar maken van deze wijken, en daaraan moet ook nu nog worden gewerkt.

De stadsvernieuwingsgeneratie, waarvan ik deel uitmaakte, was er in de jaren zeventig en tachtig van overtuigd dat de bestaande stad niet ondergeschikt mocht worden gemaakt aan het naoorlogse functionalistische gedachtegoed. Het moest anders, maar hoe? De resultaten uit de beginfase van de stadsvernieuwing stemden niet vrolijk; ze waren vreugdeloos en leken de oude achterstandssituatie te handhaven in een nieuwe jas. Het is niet voor niets dat juist binnen de stadsvernieuwing de zoektocht is begonnen naar een betere manier om de stad te vernieuwen. Dat gebeurde in tal van steden tegelijk. Deze zoektocht in de jaren tachtig naar kwaliteitsverhoging van het ‘gewone’ bouwen heeft mede geïnspireerd tot het landelijke architectuurbeleid. Het was het startsein voor een succesvolle rehabilitatie van de stad; dankzij een stadsvernieuwing die tot de verbeelding sprak, kwam er ruimte voor stedelijke vernieuwing. Met een veelvoud aan publiek-private partnerschappen zijn onze binnensteden hersteld. Zozeer zelfs dat de huidige generaties niet is uit te leggen hoe verpauperd onze steden waren in de jaren tachtig. Voor de huidige generatie is de tegenwoordige goed functionerende binnenstad een vanzelfsprekendheid.

Het Spuikwartier in Den Haag in de tegenwoordige tijd. Foto: Gemeente Den Haag

Waarom schrijf ik u dit? Om nog eens te vertellen hoe belangrijk het is om permanent aandacht te schenken aan de kwaliteit waarmee wij onze publieke ruimte invullen. En ook om te vertellen dat kwaliteit niet zomaar ontstaat, maar de uitkomst is van een proces waarin bestuurders, opdrachtgevers en ontwerpers kennis hebben en samenwerken. En om te herinneren aan het belang van kwaliteitsbeleid op meerdere niveaus, zowel lokaal als landelijk.

Het is, juist ook bij de grote ruimtelijke opgaven van de komende decennia, een maatschappelijk belang dat er niet alleen kwantitatieve programma’s worden gerealiseerd, maar dat kwantiteit in kwaliteit wordt omgezet. Dat is en blijft de culturele dimensie. Het is een opdracht voor het openbaar bestuur dat kwantiteiten een vorm krijgen waarin de verbeelding een plaats krijgt opdat wij allen ons daarin kunnen welbevinden. Om dit in de praktijk voor elkaar te krijgen is een grassroots benadering noodzakelijk. Opdrachtgevers en opdrachtnemers moeten zich ervan bewust zijn dat hun werk ook altijd een culturele daad is. Als dat serieus wordt genomen zullen wij er met elkaar, als gemeenschap, van kunnen genieten.

Ik hoop dat we willen leren van het succes van de vroegere architectuurnota’s. Ik hoop op het herstel van een rijksbeleid met een culturele infrastructuur dat bijdraagt aan kennis, inzicht en daadwerkelijke kwaliteitsverbetering van onze gebouwde omgeving en publieke ruimte. Het is, zo hebben wij mogen vaststellen, een juiste investering omdat het zo aantoonbaar profijtelijk is.

U heeft beiden aangeven dat u op het punt staat om in december a.s. een ‘Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp’ uit te geven. Deze verschijnt op het moment dat de Nederlandse samenleving aan het begin van een nieuw periode staat. Net als in de jaren tachtig staan wij voor omvangrijke opgaven die de inrichting van ons land voor vele jaren zullen gaan bepalen. Fouten zijn snel gemaakt en het zal decennia kosten om ze te herstellen. Daarom is investeren in een kwaliteitsbeleid juist nu opnieuw een eerste vereiste. De keuze om het ruimtelijk ontwerp als uitgangspunt te nemen is naar mijn overtuiging een goede insteek. Hiermee staat niet alleen de verschijningsvorm centraal, maar juist ook de integratie van de afzonderlijke sectorale opgaven. Deze integratie kan alleen binnen het ruimtelijke ontwerp bereikt worden. Hierin komen programma’s en belangen samen, en dan niet in de vorm van een onderhandelingscompromis maar in een goede synthese. Alleen dan kunnen afzonderlijke sectorale belangen elkaar versterken.

Het besef dat het ruimtelijk ontwerp een onmisbaar instrument is om samen een kwalitatief hoogstaand plan te maken, is echter niet voldoende. Samenwerken moet ook geleerd worden. Samenwerken houdt in dat je de betekenis van de ander voor het eigen resultaat begrijpt. De meeste van de plannen zullen, ongeacht hun bovenlokale betekenis, op lokaal niveau moeten landen. En juist daar zit de kracht van Architectuur Lokaal. Daarom is het ook in uw belang dat een Stichting als Architectuur Lokaal structureel is ingebed in het ruimtelijk- en cultuurbeleid dat u voor ogen heeft. Dat Architectuur Lokaal kan dan niet alleen haar heilzame werk voor de gemeenten voortzetten maar is ook in staat de brug te slaan tussen de Rijksoverheid en de lokale overheid. Juist deze vertaalslag tussen de bestuurlijke schaalniveaus is in het verleden profijtelijk gebleken. Ik zou zeggen: begin niet weer bij nul, maar maak gebruik van de structuur die er is en zet de ervaring en het netwerk dat in al die jaren is opgebouwd in voor de doelstellingen die u binnen uw beleidskader als wenselijk formuleert. Het vergroot ook uw kans dat ‘ontwerpkracht verbindt’.

Ik wens u oprecht toe dat uw beleid over dertig jaar net zo veel succes blijkt te hebben gehad als het architectuurbeleid in de tachtiger jaren.

Adri Duivesteijn

Politiek reacties tot nog toe:

 Henk Nijboer (PvdA) vraagt de minister Ollogren tijden de afgelopen begrotingsbehandeling van BZK;

“Alle oud Ministers van VROM en zo’n beetje heel Ruimtelijk Ordening Nederland heeft een brief gestuurd over Architectuur op Lokaal niveau en hoe belangrijk dat is. Wat gaat de Minister daarmee doen?’’

Reactie Minister Ollongren;

“Ik heb begrepen, ik heb de brief nog niet zelf gezien, maar was wel bekend bij het Ministerie. Dat gaat om een verzoek om de stichting Architectuur Lokaal structureel te financieren. Tot acht jaar geleden verscheen er regelmatig nota’s voor architectuurbeleid. Sinds 2012 ligt eigenlijk de focus meer op het stimuleren van Ruimtelijk Ontwerp op verschillende schaalniveaus, waaronder ook lokaal, maar ik zal binnenkort samen met de Minister van OCW een nieuw Actieprogramma Ruimtelijk Ontwerp naar de Kamer sturen en daarin zit ook het stimuleren van inzet van Ruimtelijk Ontwerp op lokaal niveau, de professionalisering daarvan. Overigens werken we daar eigenlijk niet met structurele subsidies, maar ik ben wel met de collega van OCW in gesprek over een mogelijkheid om die daar bestaat om culturele organisaties van subsidie te voorzien, dus we moeten nog even naar kijken maar het heeft dus aandacht”

Share and Enjoy !

Shares