Auteursarchief: Adri Duivesteijn

Geef Den Haag een Spuiplein waar Hagenaar en Hagenezen elkaar cultureel ontmoeten!

Onder aan deze opinie komt u informatie tegen over eerdere presentaties over het ontwerp voor het Spuiplein zoals deze in beeld zijn gebracht door het Platform STAD. Tevens komt u enkele reacties tegen n.a.v. mijn opinie waaronder die van de directeur van het genoemde Platform op LinkedIn.

Het was in de jaren tachtig toen de nieuwe gemeentesecretaris Koos van Beuzekom zich afvroeg: ‘Waar moet een Hagenaar naartoe als er een revolutie komt?’ Hij doelde op het introverte ’s-Gravenhage dat in zijn historisch centrum wel veel openbare ruimten kent, maar geen echt plein waar alle stadsbewoners samenkomen. Hij verwees naar Maastricht met het Vrijthof of Delft met de Grote Markt. Pleinen waar iedereen komt, zich gewenst voelt en waar altijd wat te doen is. Het was de tijd waarin ik als wethouder verantwoordelijk was voor de keuze van het stedenbouwkundig plan van architect Carel Weeber voor het Spuikwartier. Zijn keuze voor een open plein sprak mij aan. En, als het al mogelijk was om met een ingreep iets van de gefragmenteerdheid van Den Haag op te lossen, dan was het op deze plek.

Plan Weeber in 1980, de belofte van een nieuw Spuikwartier met een open plein naar de stad.

Het plan-Weeber zou een begin zijn van een ontwikkeling van wat nu het bestuurlijke en culturele hart van de stad genoemd wordt. De combinatie van Nieuwe Kerk, Theater aan het Spui, Filmhuis, Pathé, stadhuis/bibliotheek en Amare (concert- en danszaal en conservatorium) garandeert dat het Spuiplein dagelijks door duizenden mensen zal worden bezocht. De eens zo introverte stad Den Haag, gebouwd rond het besloten Binnenhof, opent zich dan als een bloem die tot bloei komt. Wit en zwart, hoog en laag, klein en groot zullen er samenkomen. Daarmee wordt het Spuiplein, op de as Spui-Hofweg-Kneuterdijk, de meest democratische ontmoetingsplaats die Den Haag met ’s-Gravenhage, Hagenaars en Hagenezen, samenbrengt.

Fantasieën

Tenminste, dat dacht ik, totdat ik recent het ontwerp voor de inrichting van het Spuiplein onder ogen kreeg. Waar mijn fantasieën uitgingen naar een stedelijk plein dat een eigen toegevoegde waarde zou hebben in de culturele programmering van de stad, dreigt nu het tegendeel te gaan gebeuren. Ik dacht al die tijd aan openluchtconcerten van muziekgezelschappen uit de vele Haagse culturen, festivals met drumbands en harmonieorkesten, draaiorgelconcoursen, vendelzwaaien uit heel Europa, een ijsbaan in de winter en, jazeker, demonstraties tegen van alles en nog wat.

Spuiplein in de tijd waarin het RO/NDT nog het beeld vormde. Een plek van samenkomst voor de stad.
Foto: Joop ten Velden

Maar nee hoor, vergeet het maar. In de toelichting van de vormgevers is de basisgedachte voor het Spuiplein ‘vertraging en onthaasting’. Twee kwaliteiten die juist het kenmerk zijn van het Korte Voorhout, Lange Voorhout en de Lange Vijverberg op loopafstand van het Spuiplein. Maar ook het Spuiplein zal een plek in de stad moeten worden die zich onttrekt aan de drukte van de stad, een plaats ‘waar tussen de bomen, het groen en het water, ruimte is voor kleine programmeringen en events die gerelateerd zijn aan de culturele instellingen.’

Ik probeer te begrijpen wat dat is en zie op de tekening een tweetal verblijfsplekken waar passanten, zittend op de betonnen randen van langgerekte bloembakken, aan weerszijden van een minimalistische vijver met planten, even kunnen bijkomen van de hectische dynamiek van de stad. In het gunstige geval worden zij tijdens de lunch en het weekend vergast op wat straattheater of een klein orkest. Grootschalige culturele activiteiten worden met deze inrichting nadrukkelijk fysiek onmogelijk gemaakt. Wat een gemiste kans! Den Haag mag dan wel geen stadsrechten hebben, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat er in het hart van de stad een dorpsplein moet komen.

Een zomerse middag op het Spuiplein – presentatie tekening van OKRA. In de toelichting van de vormgevers is de basisgedachte voor het Spuiplein ‘vertraging en onthaasting’.

Centre Pompidou

Den Haag, bestuur van de stad, spiegel je bij het Spuiplein aan het Centre Pompidou in Parijs, of Piazza del Campo in Siena, de Grote Markt in Brussel, het Plein van de Oude Stad in Praag of Leicester Square in Londen. Maar als dat allemaal te groots is, kijk dan naar ons eigen Plein. Het zijn allemaal intieme pleinen met bomen en terrassen, maar, en dat is de essentie, waar openheid de ruimte biedt aan een eindeloze reeks van culturele en sociale activiteiten. Laat toch het Spuiplein een uitnodiging zijn aan de stad om hier met elkaar actief te zijn. Elkaar hier te ontmoeten om samen één samenleving te zijn. En ik zeg het Koos van Beuzekom na: geef de Hagenaar het plein waar zijn culturele revolutie een kans kan krijgen.

Centre Pompidou, voorbeeld van een publiek plein met een eigen culturele programmering in de stad

Let wel, het gemeentebestuur van Den Haag heeft in de laatste veertig jaar iets heel bijzonders gedaan, namelijk aan de stad het centrum gegeven dat toebehoort aan allen. Ik ken maar weinig steden die zo’n concentratie van bestuurlijke en culturele voorzieningen hebben samengebracht op één centraal plein. Als dit najaar het cultuurpaleis Amare in gebruik wordt genomen, wordt het Spuiplein medebepalend voor het karakter van de stad. Daarmee is een stadsbelang gemoeid. De vormgeving van het Spuiplein mag dan ook geen optelsom zijn van deelbelangen die in de acht (!) klankbordgroepen zijn meegegeven.

Parelketting

Gemeentebestuur, doe dat een vormgever toch niet aan. Stel als verantwoordelijke je programma van eisen vast en laat een topontwerper een mooie en elegante openbare stadsruimte maken met een bijbehorende chique bestrating van edele materialen, zorgvuldig aangebracht in een schitterend patroon, mooi bol zodat er na regen geen plassen blijven staan. Een plein dat schoonheid uitstraalt en telkens weer, door een veelvoud van menselijke activiteiten, van kleur verandert. Dat Spuiplein kan dan stralen aan de rijke parelketting van Haagse pleinen, plaatsen en plekken op de as Spui-Hofweg-Kneuterdijk. Een as die het eveneens verdient om te worden opgewaardeerd.

April 2021, wordt het Spuiplein gemarginaliseerd tot een plek waar ‘ je kan ontrekken aan de ein voor

En mocht u twijfelen, las dan een denkpauze in. Formuleer een vrije opdracht voor ontwerpers om een visie te geven op en een schetsontwerp van het Spuiplein in te dienen. Zet de mooiste ontwerpen in het Atrium – ook een voorbeeld van een mooie openbare (binnen)ruimte waar telkens weer van alles kan – en laat de bevolking haar mening geven. Neem als bestuur daarna een weloverwogen beslissing. Het is een methode die juist op het Spui al eens haar diensten heeft bewezen.

Adri Duivesteijn is oud-wethouder (PvdA) van Den Haag, oud-lid van de Tweede en Eerste Kamer en oud-wethouder van Almere.

Deze opinie is op 22 april 2021 gepubliceerd in Den Haag Den Centraal

Een reactie van Jooske Baris, directeur Platform STAD, op 28 april jl. op LinkedIn over mijn opinie inzake het voorliggende ontwerp voor het Spuiplein.

interessante mening Adri! Had m graag aan bod laten komen in de drie STADgesprekken… was de ultieme plek geweest om in gesprek te gaan met breed gezelschap met o.a. Wim Voogt (ontwerper), Shervin Nekuee (socioloog), Pauline van den Broeke (gemeente), Géke Roelink (Filmhuis), Peter Drijver (architect), Anne Mulder (wethouder stadsontwikkeling), Hilbert Bredemeijer (wethouder buitenruimte), Marieke de Jong (omwonende), Annemarie Goedvolk (evenementenbranche), Stuart Stretton (horeca) en Paul Broekhoff (bibliotheek), en -natuurlijk- de rest van de stad…

Mijn respons:

Beste Jooske,

Met veel waardering neem ik altijd kennis van de intermediaire rol die het Platform STAD vervult tussen bestuur en burgers. Het stimuleert de dialoog. Maar wanneer deze voorlichting en presentatie ronde materieel gaat inhouden dat er in dit proces al expliciet keuzen worden gemaakt voor een bepaalde planuitwerking van ons Spuiplein, dan treedt het Platform STAD in een rol die principieel is voorbehouden aan het Gemeentebestuur.

In die rolverdeling is het normaal dat het College van B&W, gehoord hebbende de inspraak de voorliggende scenario’s of varianten voor de inrichting van het Spuiplein afweegt en komt tot een voorkeursvariant of varianten. Vervolgens wordt dit voorgelegd aan de gemeenteraad: alleen daar vindt vervolgens het ‘ultieme gesprek’ plaats over de toekomst van het Spuiplein. Alleen daar ligt het primaat!

Anders gezegd, het past Platform STAD om zorgvuldig verslag te doen van haar bevindingen. Vervolgens is het aan de ambtelijke dienst(en), en welstandcommissie om mede op basis hiervan het College te adviseren hoe verder te gaan. Het is dan aan het College om een variant, of varianten voor te leggen aan de gemeenteraad.

In de huidige procedure is de Gemeenteraad van Den Haag volstrekt op afstand geplaatst. Deze komt pas in beeld na de afronding van de ter visie legging van het uitgewerkte ontwerp in beeld.

Dat kan niet, en dat mag niet met zo’n beeldbepalend plan voor het cultuurplein in het centrum van Den Haag.

Normaals alle waardering voor alle inspanningen, ik ding daar niets aan af, het geeft inzicht en laat opvattingen zien. Maar hier geen rolverwarring. Hier kan alleen – in een vroegtijdige fase – een uitspraak over een gewenste variant van de gemeenteraad doorslaggevend zijn. En gelukkig is dat in dit stadium nog heel goed mogelijk.

Op naar een mooi Spuiplein voor Hagenaars en Hagenezen.

Adri Duivesteijn

Anonieme kritiek op Kamervoorzitter is fundamenteel strijdig met onze open democratie!

Anonymvs in Boedapest, maar zijn het hier wel zulke helden?

In zijn nieuwe boek ‘Twee pijlers’ laat de politicoloog en historicus Ruud Koole ons terugkijken naar de nog maar prille geschiedenis – 1922: Algemeen kiesrecht – van onze democratische rechtsstaat. Centraal staat daarin de betekenis van het burgerschap. Burgers zijn de kiezers en kunnen gekozen worden. Het is de kern van onze parlementaire democratie. Binnen het parlement krijgt het onderlinge gesprek (Parler) tussen burgers zijn betekenis. Vaak is dat in de vorm van een debat tussen de fracties van politieke partijen over de meest gewenste inrichting van onze samenleving. Het is met overtuiging de meest beschaafde vorm om meningsverschillen – dus zonder fysieke conflicten – in onderling overleg te slechten en samen vorm te geven aan onze de samenleving.

Democratie, kiezers, gekozenen, gesprek, debat en dialoog monden uit in meningsvorming en besluitvorming. Juist in een gesprek met een open mind is ons parlementaire stelsel betekenisvol. En, voor hen die ervoor kiezen, om als gekozenen actief te zijn, is dat ook de aantrekkingskracht van onze democratie. Je mag in de mooiste publieke arena, in alle vrijheid en zonder hiërarchie met elkaar een dialoog aangaan. En, niet onbelangrijk, het gesprek is openbaar en voor iedere burger navolgbaar.

Maar hoe mooi de beloften van de schoonheid van onze parlementaire democratie ook zijn, het is en blijft mensenwerk. En dus is het een ambacht waarin alle menselijke gedragingen in het spel van de democratie aan bod kunnen komen. Heel vaak is dat stijlvol en gaat het over idealen. Maar achter ieder verhaal gaan ook belangen schuil. Politiek is ook macht en dus geeft het toegang tot posities en publieke middelen. En, het moet gezegd, in een krachtenspel waarin ook persoonlijke en zakelijk belangen een plaats opeisen, maakt dat niet altijd het meest aangename in ons politici los.

Kwalijk wordt het echter pas, wanneer het gesprek niet meer openbaar is, wanneer de transparantie achter de bedoelingen niet meer zichtbaar is. En dat is veelal het geval, wanneer het gesprek gedomineerd wordt door anonieme bronnen. Je kan er dan wel vanuit gaan dat er een ander belang in het geding is. En wat is er dan niet effectiever dan het beschadigen van een publieke persoon?

Welke van de anonieme bronnen durft zich te openbaren?

Een triest hoogtepunt hiervan mochten wij deze week meemaken toen tien (oud) politici en ambtelijk betrokkenen bij Hoge Colleges van Staat, zoals de Rekenkamer en Tweede en Eerste Kamer’ zich lieten verleiden om in een interview met de chef politieke redactie van RTL Nieuws, de journalist Stephan Koole, leeg te lopen over ‘de andere kant van Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib’. Op zich past het in een open democratie, dat je elkaar bespreekt en zelfs bekritiseert. Maar deze ‘(oud) binnenhof bewoners wilden alleen het achterste van hun tong laten zien als we ze anonimiteit konden garanderen.’ En hier wordt in het hart van onze democratie gestoken. Want wie zijn deze ‘anoniemen’ en waarom willen zij anoniem blijven?

Er is vanuit journalistiek oogpunt weinig tegen het gebruik van anonieme bronnen om de gedragingen van een publiek persoon ter discussie te stellen. Ik heb nog de heroïsche verhalen van de journalisten voor ogen, die het Watergate schandaal onthulden en die de val van de Amerikaanse President Richard Nixon inluidden. Maar in deze casus lijkt het, het artikel lezend, vooral te gaan om het karakter van de voorzitter. Een Kamervoorzitter die haar rol opeist en dus op gezette tijden niet meebeweegt met de zittende coalitie. Ja, dat roept spanning op, die in de dualiteit van ons democratisch stelsel eerder een zegen dan een zwakte is, omdat het de verschillende rollen betekenis geeft. En natuurlijk mag haar handelen worden gewogen. Een Kamervoorzitter is immers een publiek figuur en deze rol wordt iedere week opnieuw gewikt en gewogen door de leden van de Tweede Kamer en met de ogen beoordeeld door alle Nederlanders die de politiek volgen.

Maar juist in een open democratie past het niet om als ‘(oud) binnenhof bewoners’ pas het achterste van je tong te laten als de journalist je ‘anonimiteit kan garanderen’. Het heeft iets gênants, wanneer een van de bronnen anoniem over de Kamervoorzitter spreekt in termen van “achterbaks en onbetrouwbaar.” Hoe betrouwbaar ben je dan eigenlijk zelf, wanneer je je veilig waant in de ‘anonimiteit’ van wat toch erg op roddel en achterklap lijkt? Hoe kan op deze wijze het eigen belang hierachter gewogen worden?

Waarom was de redactie van RTL-Nieuws dienstbaar om deze ‘helden van de democratie’ de vloer te gunnen? Welk relevant feit is hier eigenlijk aan de orde, anders dan irritaties over een voorzitter die zich in haar rol laat gelden? Ik beoordeel de bronnen, die zo lafhartig zijn om zich niet publiekelijk te laten kennen, als de beschadigders van onze open democratie. Zij laten zich anoniem lenen voor het bekritiseren van een belangrijke publieke functionaris op een sleutelrol in onze democratie. Waar juist de kern openheid en transparantie is, wordt de kern van onze democratie in het hart geraakt.

Hoe moet ik dit beoordelen? Ik zou zeggen laten wij kijken naar de synoniemen voor ‘anoniem’ die zijn klip en klaar, in dit geval kunnen deze bronnen worden geduid als ‘Gemeen’, ‘Huichelachtig’, ‘Onbetrouwbaar’, ‘Oneerlijk’, ‘Slinks’, ‘Sluw’ en ‘Snood’.

Laten wij het samenvatten als een laf en een onwaardig gedrag van anonieme critici op onze Kamervoorzitter. En dat zou niet zo ernstig zijn waren het niet dat deze anonieme bronnen juist de bewakers zouden moeten zijn van onze nog zo jonge open democratie.

Adri Duivesteijn.

Oud-lid van de Eerste en Tweede Kamer.

Opinie: Een kritische reflectie op de PvdA naar aanleiding van het aftreden van Lodewijk Asscher als kandidaat-lijsttrekker

Met ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ ging Lodewijk Asscher ons voor.

Met verbijstering zag ik binnen de Partij van de Arbeid de discussie over het debacle rondom de kindertoeslagen zich versmallen tot de vraag of de politiek leider wel of niet consequenties zou moeten trekken uit de conclusie van het rapport Ongekend Onrecht van de parlementaire commissie Van Dam.  Alsof Asscher zitting heeft in het Kabinet-Rutte III van de VVD, CDA, D’66 en CU dat alweer zo’n vier jaar aan het bewind is. Het kabinet dat al een paar jaar wordt achtervolgd door Pieter Klein van het RTLNieuws en de Tweede Kamerleden Pieter Omzigt (CDA) en Renkse Leijten (SP) over de misstanden bij de uitvoering van de Wet Kinderopvangtoeslag. Zij hebben in alle toonaarden opheldering geëist over de gedragingen van de Belastingdienst jegens de ouders die een toeslag hebben gekregen. Het is ook dat Kabinet dat deze Tweede Kamerleden – en daarmee ons Parlement – onjuist heeft voorgelicht en stelselmatig signalen negeerde dat er zich een ramp aan het voltrekken is bij de ontvangers van kindertoeslag. Ja, het kabinet dat de problemen zozeer liet oplopen dat de Tweede Kamer naar het enquêterecht moest grijpen om de waarheid boven tafel te krijgen. En zelfs nadat het Rapport van de Commissie Van Dam was verschenen, moest de Kamer vaststellen dat er nog steeds essentiële informatie was achtergehouden. Vier volle jaren treurnis die pas kon worden ‘afgesloten’ nadat het vlijmscherpe rapport van de parlementaire commissie is uitgekomen.

En ja, de voormalige minister van Sociale Zaken heeft in de jaren dat hij verantwoordelijk was signalen van slachtoffers niet op juiste waarde beoordeeld. Hij vertrouwde, ten onrechte naar nu is gebleken, op de zorgvuldigheid van de Belastingdienst. Daar is immers de uitvoering van alle toeslagen ondergebracht. Losgekoppeld van de beleidsdepartementen die over de inhoud gaan. Dat was een beoordelingsfout die terecht werd gesignaleerd door de Kamercommissie. Een fout waarvoor de oud-minister van Sociale Zaken publiekelijk zijn excuses voor heeft aangeboden. En zo hoort het ook. Fouten worden gemaakt door mensen, ook als zij minister zijn. Maar met alle waardering voor diegenen binnen de Partij van de Arbeid die hun handtekening hebben gezet onder een motie van wantrouwen jegens hun politiek leider, stel ik de vraag wie van hen zich heeft verzet tegen het regeerakkoord met de VVD dat Diederik Samsom en Jeroen Dijsselbloem namens de fractie van de PvdA heeft uit onderhandeld? Ik zie nog het congres, dat zich – slechts – verzette tegen de criminalisering van de asielzoekers maar op andere terreinen niet of nauwelijks weerwerk gaven. Een immense bezuinigingsoperatie die tal van sociaaldemocratische verworvenheden in één klap ongedaan maakte was haar inhoud. Maar in mijn oren zit nog het applaus toen de regeringsdeelname een feit was en de kandidaten van de Partij van de Arbeid op het podium verschenen. Jazeker, met het Van Waarde project in de achterzak heeft de PvdA op dat moment als collectief haar sociaaldemocratische waarden verloochend.

Thuis in gesprek met de vice-premier Asscher over de de Vrije Artsenkeuze.

Toen ik namens de Partij van de Arbeid in de Eerste Kamer plaats nam, nam ik keer op keer met verbijstering kennis van de ingrijpende aantasting van onze verzorgingsstaat. Het is bekend, dat ik als Eerste Kamerlid nog een paar keer gepoogd heb een kentering tot stand te brengen. Hoon was toen mijn deel van de toenmalige Tweede Kamerfractie en in het bijzonder van haar fractievoorzitter. Het was geen fijne periode in mijn politieke loopbaan. Sterker ook, het heeft mij beschadigd omdat ook de Eerste Kamerfractie niet alles kon terugdraaien. En ik wil duidelijk zijn, je kan niet in de politiek zitten en geen vuile handen maken. In een coalitieland, maar ook in je eigen partij, moet je vaak inschikken. Samen sterk gaat dan voor. Je kunt niet alles naar je hand zetten. En dus kom je allemaal wel een keer, om met Jean-Paul Sartre te spreken ‘tussen de raderen’. De kernvraag is daarin, of je in het politieke strijdperk je integriteit overeind weet te houden. Maar zelfs dan zijn wij ultiem als PvdA collectief verantwoordelijk, omdat wij – willens en wetens – hebben gekozen voor deelname aan het kabinet Rutte II, omdat wij trouw een regeerakkoord hebben uitgevoerd dat op essentiële onderdelen haaks stond op onze sociaaldemocratische waarden. Terugkijkend naar de jaren van Rutte II hebben wij allen schuld, wij zijn collectief verantwoordelijk en terecht hebben de kiezers ons daarvoor vernietigend afgestraft. Negen zetels, wie had dat kunnen denken. De grootste sociaaldemocratische partij moest zich weer van onderop uitvinden en opbouwen.

In de politiek is het vallen, maar je kan ook weer opstaan. En onder leiding van Lodewijk Asscher hebben wij met elkaar teruggekeken naar hoe en waarom het zo mis kon gaan. In deze zoektocht ging het niet om een versimpeling naar één of meerdere personen binnen de fractie of de partij. Nee, het ging om de herontdekking van onze ideologische beginselen. Hoe was het zover gekomen, dat wij onze sociaaldemocratische waarden uit het oog waren verloren? Waarom wilden wij per se weer in het centrum komen van de uitvoerende macht? En waarvoor applaudisseerden wij eigenlijk met zijn allen? Met ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ ging Lodewijk Asscher ons voor. In een zeer persoonlijke en openhartig zoektocht openbaarde hij zijn ervaringen, zijn fouten, maar vooral ook zijn drijfveren en zijn idealen. Hij ging ons voor in de wederopstanding van het ideologisch gedachtegoed van de PvdA. Ik heb het zelden een partijleider zo openbaar zien doen. Ook de fractie heeft zich moeten terugvechten. Maar heel gestaag hebben wij in de afgelopen jaren onze geloofwaardigheid weer teruggevonden. Stap voor stap heb ik het gevoel gekregen dat de PvdA, onder leiding van Lodewijk Asscher, weer grip heeft gekregen op onze sociaaldemocratische waarden. Wij konden onze kiezers weer open in het gezicht aankijken.

En toen kwam het rapport over de kindertoeslagen. Ja, onvermijdelijk gaat dat ook over Kabinet-Rutte II waarin de PvdA medeverantwoordelijkheid heeft gedragen. Hoe kan het anders? Maar dat was van 5 november 2012 tot en met 26 oktober 2017. Wij spreken over vier jaar terug. Wij leven nu in 2021. Dat waren de jaren 2017 tot en met 2020, waarin het zittende kabinet – ondanks alle inspanningen binnen de Kamer – de misstanden rond de kindertoeslagen volstrekt negeerde. En dan nu lijkt het, volgens collega partijgenoten, die een motie van wantrouwen indienden, om de geloofwaardigheid van hun politieke leider te gaan. Het is niet mijn gewoonte, maar nu toch maar een keer: Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? (Matteüs 7:3-5). De PvdA is collectief verantwoordelijk. Iedereen. Niemand binnen de PvdA kan zijn handen in onschuld wassen. En zo’n motie van wantrouwen zou nog houtsnijden als wij niet zouden hebben gedaan aan zelfonderzoek. Als wij niet de weg terug zouden hebben gevonden naar onze sociaaldemocratische waarden. Ze mogen ons verwijten dat wij fouten hebben gemaakt, maar wij hebben geleerd. En dat lieten wij zien in ons stemgedrag van de laatste vier jaar. De partij heeft zichzelf weer teruggevonden. En in onze nieuwe gedragingen spreekt weer het hart van de sociaaldemocratie. Kortom er staat weer ‘een PvdA die met trots haar ideologische veren gebruikt om mensen te laten vliegen’.

Voor mij heeft de PvdA in de afgelopen jaren de weg terug ingeslagen naar een waardige sociaaldemocratische partij. En dus past het ons niet om, dat wij collectief verkeerd hebben gedaan, terug te brengen tot één enkele persoon. Ik voel mij niet thuis in de wereld van ‘barbertje moet hangen’. Ik zet mij liever in om te doorgronden hoe wij inhoud kunnen geven aan het herstel van onze verzorgingsstaat, waarin mensen met lage inkomens niet ondergeschikt zijn gemaakt van een systeem waarin al onze publieke voorzieningen ‘marktconform’ moeten zijn en zij afhankelijk zijn van een oneerbaar stelsel van zorg-, huur- en kindertoeslagen. Het is dit door rechts ingevoerde stelsel, dat mensen hun zelfstandigheid en daarmee hun waardigheid heeft ontnomen. Ik noemde dat, toen ik lid was van de Tweede Kamer, een ‘charitas met het geld van de gemeenschap’. Een stelsel van toeslagen dat bij iedere kabinetsperiode, afhankelijk van de politieke kleur, opnieuw wordt ingevuld. Hoezo rechtszekerheid? Dat moet veranderen. Daar moet onze inzet de komende regeerperiode op gericht zijn!

Mensen hebben recht op een zelfstandig leven. Daar gaat het om en daar moet de PvdA aan werken om dat mogelijk te maken. Dat zijn onze plannen, die onder Lodewijk Asscher weer op onze tafel zijn gekomen. Die leden die de leider, welke van zijn fouten heeft geleerd, wilden wegsturen zijn blind voor het feit dat wij de koers allang weer hebben teruggevonden. Helaas kunnen wij dat niet meer doen onder leiding van die ene man die – net als wij allemaal – niet onfeilbaar is, maar wel integer is en een groot sociaaldemocratisch hart heeft!

Adri Duivesteijn

Den Haag, 14 januari 2021

Open brief aan de ministers Ollongren en Van Engelshoven: over het waarom Architectuur Lokaal nodig blijft voor de ruimtelijke kwaliteit van onze steden en dorpen

Den Haag, 18 november 2020

Aan

de Minister van BZK, mw. drs. K.H. Ollongren en de Minister van OCW mw mr. drs. I.K. van Engelshoven

Waarde bewindspersonen,

Ik neem de vrijheid jullie beiden een open brief te sturen met wat persoonlijke ervaringen. De reden is heel eenvoudig: ik maak mij zorgen over het voortbestaan van de Architectuur Lokaal. Daar sta ik gelukkig niet alleen in. Ik bevind mij in het gezelschap van liefst vijf oud-bewindspersonen, van de Rijksbouwmeester, en van zijn acht voorgangers, en van nog vele anderen die een prominente rol spelen in de architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur in Nederland.

Architectuur Lokaal is een van de pareltjes die zijn voortgekomen uit het architectuurbeleid van het begin van de jaren negentig. De oprichting van Architectuur Lokaal was een regelrecht gevolg van de eerste architectuurnota, voorbereid en gepresenteerd door de bewindspersonen Elco Brinkman, Hans Alders, Ed Nijpels en Hedy d’Ancona. De bestaansreden van architectuurbeleid formuleerden zij helder: als de verbinding tussen enerzijds het bouw- en ruimtelijk beleid en anderzijds het cultuurbeleid. Zoals jullie voorgangers destijds schreven: architectuurbeleid “ontleent zijn betekenis aan het publieke belang van een goede vormgeving van onze gebouwde omgeving. Met de ‘gebouwde cultuur’ heeft immers iedereen dagelijks te maken.” Deze aandacht voor de culturele dimensie van de omvangrijke ruimtelijk opgave is in mijn ogen ook nu onverminderd relevant.

Het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam in aanbouw in 1993. Foto: Jannes Linders/NAi

Het architectuurbeleid leidde destijds tot de komst van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) (waar ik de eerste directeur mocht zijn), het Stimuleringsfonds voor Architectuur, Architectuur Lokaal en later ook de Internationale Architectuur Biënnale (IABR). Hiermee kreeg ons land op alle niveaus – in de ontwerpende vakgemeenschap, bij landelijke en lokale bestuurders, en alle andere betrokkenen en belangstellenden – een structurele impuls om blijvend aandacht te schenken aan de culturele dimensie van de inrichting van ons land en onze steden. Deze kwaliteitssprong heeft internationaal een voorbeeldfunctie gehad. Veel regeringen van Europese landen lieten zich door het Nederlandse model inspireren tot een vergelijkbare culturele infrastructuur gericht op de verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving en publieke ruimte.

Sinds het begin in 1991 is het architectuurbeleid van het rijk regelmatig vernieuwd in een reeks Architectuurnota’s. Helaas is hieraan in de beleidsperiode van staatssecretaris Halbe Zijlstra een einde gekomen. In deze periode is, sterker ingegeven door bezuiniging dan door inhoudelijke overwegingen, het architectuurbeleid verbreed en daardoor verdund door een samenvoeging van zeer verschillende creatieve disciplines en bijbehorende instellingen. Zo ging het NAi op in Het Nieuwe Instituut, en werd het Stimuleringsfonds voor Architectuur verbreed naar een fonds voor Creatieve Industrie. In feite werden ontwerp-specialismen samengevoegd. Deze hebben weliswaar allemaal een culturele dimensie, maar die verschillen qua marktposities in snelheid, betekenis en maatschappelijke impact.

Voor het architectuurklimaat in Nederland heeft dit bijzonder nadelig uitgewerkt. Hoezeer de genoemde instellingen ook hun best doen, de focus op architectonische ontwerpkwaliteit is sterk verzwakt. De kracht en de inspiratie waarmee het architectuurbeleid ooit terecht is ingezet, is vanaf die tijd dwalende. Dat is opnieuw pijnlijk zichtbaar in de behandeling die Architectuur Lokaal op dit moment ten deel valt. Architectuur Lokaal richt zich in het bijzonder op kwaliteitsbevordering op lokaal niveau, dus daar waar dit het meest direct effect heeft. Het verdient in mijn ogen, en in die van vele andere, een blijvende, structurele positie. Het is wrang dat zowel de adviescommissie van het departement van Cultuur als die van het Stimuleringsfonds beide zeer positief oordelen over de activiteiten van Architectuur Lokaal, maar zich tegelijkertijd niet verantwoordelijk voelen om de stichting haar door velen geprezen werk te laten voortzetten. Een belangrijke lokale steunpilaar uit de eerste architectuurnota staat op het punt om te verdwijnen. En wat bereiken wij hiermee?

Het Spuikwartier in Den Haag in de jaren zeventig begin jaren tachtig. Foto: Gemeente Den Haag

Dit brengt mij terug naar het midden van de jaren tachtig, toen in ons land de grondslagen werden gelegd voor een architectuurbeleid. Het was de tijd waarin wij (bewoners en bestuurders) afscheid hadden genomen van het centralistische gedachtegoed van ‘de functionele stad’, van waaruit direct na de oorlog aan de stad was gewerkt. Scheiding van de functies van wonen, werken en recreëren was toen het adagium. Een lange reeks nieuw wijken, uitmondend in de Bijlmermeer, was het resultaat. Maar ook al waren de idealen van de toenmalige stedenbouwers en bestuurders integer, veel van deze wijken zijn niet duurzaam gebleken. De gemeenschap heeft miljarden moeten investeren voor het bij de tijd brengen en opnieuw leefbaar maken van deze wijken, en daaraan moet ook nu nog worden gewerkt.

De stadsvernieuwingsgeneratie, waarvan ik deel uitmaakte, was er in de jaren zeventig en tachtig van overtuigd dat de bestaande stad niet ondergeschikt mocht worden gemaakt aan het naoorlogse functionalistische gedachtegoed. Het moest anders, maar hoe? De resultaten uit de beginfase van de stadsvernieuwing stemden niet vrolijk; ze waren vreugdeloos en leken de oude achterstandssituatie te handhaven in een nieuwe jas. Het is niet voor niets dat juist binnen de stadsvernieuwing de zoektocht is begonnen naar een betere manier om de stad te vernieuwen. Dat gebeurde in tal van steden tegelijk. Deze zoektocht in de jaren tachtig naar kwaliteitsverhoging van het ‘gewone’ bouwen heeft mede geïnspireerd tot het landelijke architectuurbeleid. Het was het startsein voor een succesvolle rehabilitatie van de stad; dankzij een stadsvernieuwing die tot de verbeelding sprak, kwam er ruimte voor stedelijke vernieuwing. Met een veelvoud aan publiek-private partnerschappen zijn onze binnensteden hersteld. Zozeer zelfs dat de huidige generaties niet is uit te leggen hoe verpauperd onze steden waren in de jaren tachtig. Voor de huidige generatie is de tegenwoordige goed functionerende binnenstad een vanzelfsprekendheid.

Het Spuikwartier in Den Haag in de tegenwoordige tijd. Foto: Gemeente Den Haag

Waarom schrijf ik u dit? Om nog eens te vertellen hoe belangrijk het is om permanent aandacht te schenken aan de kwaliteit waarmee wij onze publieke ruimte invullen. En ook om te vertellen dat kwaliteit niet zomaar ontstaat, maar de uitkomst is van een proces waarin bestuurders, opdrachtgevers en ontwerpers kennis hebben en samenwerken. En om te herinneren aan het belang van kwaliteitsbeleid op meerdere niveaus, zowel lokaal als landelijk.

Het is, juist ook bij de grote ruimtelijke opgaven van de komende decennia, een maatschappelijk belang dat er niet alleen kwantitatieve programma’s worden gerealiseerd, maar dat kwantiteit in kwaliteit wordt omgezet. Dat is en blijft de culturele dimensie. Het is een opdracht voor het openbaar bestuur dat kwantiteiten een vorm krijgen waarin de verbeelding een plaats krijgt opdat wij allen ons daarin kunnen welbevinden. Om dit in de praktijk voor elkaar te krijgen is een grassroots benadering noodzakelijk. Opdrachtgevers en opdrachtnemers moeten zich ervan bewust zijn dat hun werk ook altijd een culturele daad is. Als dat serieus wordt genomen zullen wij er met elkaar, als gemeenschap, van kunnen genieten.

Ik hoop dat we willen leren van het succes van de vroegere architectuurnota’s. Ik hoop op het herstel van een rijksbeleid met een culturele infrastructuur dat bijdraagt aan kennis, inzicht en daadwerkelijke kwaliteitsverbetering van onze gebouwde omgeving en publieke ruimte. Het is, zo hebben wij mogen vaststellen, een juiste investering omdat het zo aantoonbaar profijtelijk is.

U heeft beiden aangeven dat u op het punt staat om in december a.s. een ‘Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp’ uit te geven. Deze verschijnt op het moment dat de Nederlandse samenleving aan het begin van een nieuw periode staat. Net als in de jaren tachtig staan wij voor omvangrijke opgaven die de inrichting van ons land voor vele jaren zullen gaan bepalen. Fouten zijn snel gemaakt en het zal decennia kosten om ze te herstellen. Daarom is investeren in een kwaliteitsbeleid juist nu opnieuw een eerste vereiste. De keuze om het ruimtelijk ontwerp als uitgangspunt te nemen is naar mijn overtuiging een goede insteek. Hiermee staat niet alleen de verschijningsvorm centraal, maar juist ook de integratie van de afzonderlijke sectorale opgaven. Deze integratie kan alleen binnen het ruimtelijke ontwerp bereikt worden. Hierin komen programma’s en belangen samen, en dan niet in de vorm van een onderhandelingscompromis maar in een goede synthese. Alleen dan kunnen afzonderlijke sectorale belangen elkaar versterken.

Het besef dat het ruimtelijk ontwerp een onmisbaar instrument is om samen een kwalitatief hoogstaand plan te maken, is echter niet voldoende. Samenwerken moet ook geleerd worden. Samenwerken houdt in dat je de betekenis van de ander voor het eigen resultaat begrijpt. De meeste van de plannen zullen, ongeacht hun bovenlokale betekenis, op lokaal niveau moeten landen. En juist daar zit de kracht van Architectuur Lokaal. Daarom is het ook in uw belang dat een Stichting als Architectuur Lokaal structureel is ingebed in het ruimtelijk- en cultuurbeleid dat u voor ogen heeft. Dat Architectuur Lokaal kan dan niet alleen haar heilzame werk voor de gemeenten voortzetten maar is ook in staat de brug te slaan tussen de Rijksoverheid en de lokale overheid. Juist deze vertaalslag tussen de bestuurlijke schaalniveaus is in het verleden profijtelijk gebleken. Ik zou zeggen: begin niet weer bij nul, maar maak gebruik van de structuur die er is en zet de ervaring en het netwerk dat in al die jaren is opgebouwd in voor de doelstellingen die u binnen uw beleidskader als wenselijk formuleert. Het vergroot ook uw kans dat ‘ontwerpkracht verbindt’.

Ik wens u oprecht toe dat uw beleid over dertig jaar net zo veel succes blijkt te hebben gehad als het architectuurbeleid in de tachtiger jaren.

Adri Duivesteijn

Politiek reacties tot nog toe:

 Henk Nijboer (PvdA) vraagt de minister Ollogren tijden de afgelopen begrotingsbehandeling van BZK;

“Alle oud Ministers van VROM en zo’n beetje heel Ruimtelijk Ordening Nederland heeft een brief gestuurd over Architectuur op Lokaal niveau en hoe belangrijk dat is. Wat gaat de Minister daarmee doen?’’

Reactie Minister Ollongren;

“Ik heb begrepen, ik heb de brief nog niet zelf gezien, maar was wel bekend bij het Ministerie. Dat gaat om een verzoek om de stichting Architectuur Lokaal structureel te financieren. Tot acht jaar geleden verscheen er regelmatig nota’s voor architectuurbeleid. Sinds 2012 ligt eigenlijk de focus meer op het stimuleren van Ruimtelijk Ontwerp op verschillende schaalniveaus, waaronder ook lokaal, maar ik zal binnenkort samen met de Minister van OCW een nieuw Actieprogramma Ruimtelijk Ontwerp naar de Kamer sturen en daarin zit ook het stimuleren van inzet van Ruimtelijk Ontwerp op lokaal niveau, de professionalisering daarvan. Overigens werken we daar eigenlijk niet met structurele subsidies, maar ik ben wel met de collega van OCW in gesprek over een mogelijkheid om die daar bestaat om culturele organisaties van subsidie te voorzien, dus we moeten nog even naar kijken maar het heeft dus aandacht”

Corona, een wake up call voor het herstel van het publieke domein – Ferd Crone & Adri Duivesteijn

Er moet – cynisch genoeg – het nog altijd ontembare virus, de Covid-19, aan te pas komen om het besef door te laten dringen dat ons publieke stelsel zozeer is uitgehold dat democratisch gekozen volksvertegenwoordigers en regeringen op essentiële momenten niet meer slagvaardig kunnen zijn in hun strijd voor de gezondheid van de eigen bevolking. Slechts met paardenmiddelen, een lock-down waarin iedereen thuis is opgesloten, is de huidige pandemie– waar de intensive care de bottleneck is – voor de zorgsector beheersbaar te houden. Het onvermijdelijke gevolg is het stilleggen van het sociaal, maatschappelijke en economische leven. 

“In een post-corona-samenleving gaat het erom dat juist het publieke domein wordt hersteld”

En juist op dit punt ontrolt zich een grotere crisis dan de pandemie zelf. De ‘vrije economie’, sinds de tachtiger jaren het paradepaardje van de neo-liberalen, heeft fundamenteel de slagkracht aangetast van nationale overheden om nog garant te kunnen staan voor essentiële bestaanszekerheden voor hun burger, waarbij de gezondheid niet de minste is. De concurrentieslag tussen overheden om voldoende mondkapjes is hiervan misschien wel de meest triviale illustratie waarbij het ‘ieder voor zich’ het adagium lijkt. Feitelijk legt de slag om de mondkapjes bloot dat de vrijwel ongereguleerde globalisering van economie tot gevolg heeft gehad dat producten een samenstel zijn geworden van onderdelen en diensten vanuit de gehele wereld, dan wel dat ze nog slechts in een enkel deel van de wereld – vaak de laagste lonen landen – geproduceerd worden. Dit alles, een logisch gevolg van vrije marktwerking, levert in crisistijden een reeks van onoverzichtelijke afhankelijkheden op. Met als gevolg dat het publiek bestuur machteloos lijkt te staan in het veiligstellen van de kernwaarden van een samenleving, zoals nu met de gezondheidszorg. In de afgelopen decennia heeft de publieke en politieke onmacht al een politieke vertaling gekregen bij de ‘verliezers van de globalisering’ waarbij angst en boosheid naar de ‘politieke elite’ een vlucht naar het populisme en eng nationalisme tot gevolg heeft gehad. De huidige pandemie en het gebrek aan slagkracht van overheden lijkt deze ontwikkeling te versterken. Dat zou rampzalig zijn. De vraag is dan ook hoe te voorkomen dat de afzonderlijke landen (‘America first’) zich nog verder terugtrekken op hun eigen bastion in plaats van gezamenlijk zoeken naar een herwaardering van het publieke domein en het evenwicht met een vrijemarkteconomie. 

Met erkenning van het feit dat er op wereldniveau sprake is geweest van een toenemende welvaart en een afname van de armoede, maakt de coronacrisis schrijnend zichtbaar dat er grenzen zitten aan de ongeremde kapitaalstromen, het oneindige gesleep met grondstoffen en producten over de gehele wereld die door ‘goedkope’ transporten mogelijk gemaakt worden. De vraag is dan ook hoe het democratisch gekozen bestuur essentiële publieke waarden – waar klimaat en sociale conditie niet de minste zijn – duurzaam zal kunnen veiligstellen?  Hoe kunnen wij de wereld zo inrichten dat overheden niet gedwongen worden te concurreren met elkaar om hun publieke belangen tegenover een ‘vrije markt’ voldoende bescherming te bieden? 

Hoewel de huidige crisis – een die letterlijk van buiten komt – niet te vergelijken is met de Tweede Wereldoorlog kunnen we leren van de politieke samenwerking die na de bevrijding de wederopbouw gestalte heeft gegeven. Juist toen was er het besef: niet weer de economische onzekerheid van de dertiger jaren, met hoge werkloosheid, armoede en een onbeheersbare politieke polarisatie die naar later bleek de voedingsbodem was voor fascisme in Duitsland en Italië. Internationale politieke samenwerking werd de panacee die – naar later bleek – de basis werd voor een langdurige periode van vrede en economische groei in de westerse wereld. Hier voor werden de Verenigde Naties, Internationaal Monetair Fonds, Wereldbank, Europese Economische Samenwerking en het Internationaal gerechtshof opgezet. Het legde de basis voor globalisering van bestuurlijke wet – en regelgeving, maar ook voor een wereldwijde vrije markt. In de afgelopen decennia is veel van het elan van de naoorlogse politieke samenwerking geërodeerd en is parallel daaraan meer en meer de vrije markt een allesomvattend keurslijf geworden. Nationale staten zeker, maar zeker ook sterke internationale overheden als de VS, Europese Unie en China lopen steeds meer achter de feiten aan, of weigeren vanwege kortzichtig eigen belang een gezamenlijke internationale coördinatie (‘Amerika first’, China grijpt zijn kans als grootmacht en Europese landen geven hun eigen Europa te weinig instrumenten). Een gunstige uitzondering is dat de internationale overheden na de crisis van 2008 aan de banken hogere buffers hebben opgelegd, waardoor zij (nog) niet hoeven terug te vallen op de publieke kas. 

Nu de coronacrisis laat zien dat de afzonderlijke – en zelfs de gezamenlijke – overheden voor vitale publieke diensten en belangen niet meer zelfvoorzienend kunnen zijn, moeten we opnieuw overdenken welke sectoren nationaal, dan wel in Europees verband, voorwaardelijk zijn voor een goede publieke dienstverlening. Het gaat in essentie om een internationale rehabilitatie van het publiek domein door het democratisch gekozen bestuur, dat dus ook de grenzen van de vrije markt kan inkaderen en sturen in de richting van een duurzame economie. Het zelfvoorzienend kunnen zijn  voor vitale diensten moet daarin verankerd worden.   

Actueel gaat de meeste aandacht uit naar een afdoende zorg (middelen, medicijnen). Maar het zou te eng zijn om slechts deze acute vraag te problematiseren, het gaat om het veiligstellen van meer publieke doelen. Denk aan nakoming van internationale afspraken over milieu (klimaatakkoord van Parijs), hoe een einde kan worden gemaakt aan het ontbreken van een CO2-heffing voor internationale vluchten, en – last but not least – een verlaging van de belastingen op arbeid en verhoging van die op vermogen en winst-inkomen van multinationale ondernemingen. Het is vanzelfsprekend dat op belastingontwijking hoge boetes moeten komen te staan. Juist ook in een open wereldeconomie dient het publiek bestuur de vraag te beantwoorden waar de scharnierpunten zitten die ervoor zorgdragen dat producten – in de ratrace naar de goedkoopste arbeid – niet meer in eigen land, dan wel binnen het eigen continent , geproduceerd kunnen worden. Welke perverse incentives (bijvoorbeeld in de transport en luchtvaart) zijn medeveroorzakers van een concurrentieslag die het zo profijtelijk maken om producten over de wereld te slepen, dat het evident publieke belangen kan schaden? Heeft de altijd maar uitdijende vraag naar meer ruimte op de vliegvelden London, Parijs, Amsterdam en Frankfurt nog wel iets te maken met de reële vraag of is het vooral de autonome slag om de winstoptimalisatie van grote ondernemingen? En kunnen wij naar een economische ordening in de landbouw waarin het publiek belang van een kringloop-bedrijfstak, en dus ook de verlaging van stikstof, als vanzelfsprekend zal worden ervaren?  

Politiek vergt deze omslag een grote inspanning. Misschien wel meer dan ooit ligt hier een opgave voor sociaaldemocraten, maar zeker ook voor liberalen. Beiden stonden immers aan de basis van de burgersamenleving waarbij juist het publieke domein werd gedefinieerd. Laten wij hopen dat met de coronacrisis de positie en de rol van de overheid wordt herontdekt. Hoezo kleine overheid als deze onmachtig is het publiek belang te behartigen? In een post-corona-samenleving gaat het erom dat juist het publieke domein wordt hersteld. En dat is is nog geen vanzelfsprekendheid. Je hoort het nu al; eerst economisch herstel en daarna pas sociaal, klimaat-natuur- en stikstof-beleid, als ware het een luxe. Natuurlijk, net als na echte oorlogen, is er een enorme stijging van schulden, juist doordat overheden als buffer van een stilgevallen economie hun werk doen. Maar wanneer nu zou worden gekozen voor het te snel aflossen van deze nieuwe schulden vergt dat enorme bezuinigingen en lastenverzwaringen. Omdat de rente nu structureel laag is,  kan dat zonder andere uitgaven als zorg en onderwijs te verdringen. Net als na de Tweede Wereldoorlog kan het economisch herstel worden gestimuleerd met publieke investeringen. Daarom moet de politiek, nationaal en internationaal, het publiek domein definiëren en daarin de lange termijn doelen scherpstellen: waar willen we over 10, en 20 en 30 jaar zijn? De focus richten op investeringen die de gewenste omslag in de economie naar publieke doelen mogelijk maken en dus ook een einde maken aan het web van afhankelijkheden. Alleen dan kunnen wij voorkomen dat met een crisis opnieuw het sociaal, maatschappelijk en economisch leven moet worden stilgelegd. 

Van wie is het huis van de democratie? Of waarom de Tweede Kamer het opdrachtgeverschap in eigen hand nam

In de rol van slachtoffer wees de architect Ellenvan Loon van het architectenbureau OMA de gebruiker en in het bijzonder de leden van deTweede Kamer aan als de kwade genius achter haar gedwongen vertrek bij de renovatie van het Binnenhof. Door de anonieme kritiek op haar plannen (‘megalomaan’, ‘tropische tuinen’) zouden deze haar positie hebben ondergraven. En dat terwijl: ’deze renovatie mijn meest sobere plan ooit is’. 

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/06/renovatie-kamer-is-schimmengevecht-zegt-weggestuurde-architect-a3972522

De architect weet, nadat zij de rechten op haar plan voor 2.7 miljoen had laten afkopen, haar slachtofferschap in de media maximaal uit te venten. En het gaat erin als koek. Zo openbaarde Ellen van Loon op de televisie, in een tijd dat haar ontwerp nog staatsgeheim was, enkele uitgesproken onschuldige beelden haar plan. Wij zagen haar staan voor de vier meter brede distributieopslagplaats van de Tweede Kamer die zich recht tegenover het Mauritshuis en het Torentje van de premier bevindt. Deze inferieure ruimte zou in haar plannen worden omgetoverd tot een groene oase, inderdaad onderdeel van een binnentuin met palmbomen. Ook toonde zij haar nieuwe – eveneens bescheiden – entree van het Tweede Kamergebouw aan de zijde van de Hofweg. Al snel was de primaire reactie in het land dan ook: ‘Waar gaat dit nou eigenlijk allemaal over?’.

Om iets van het conflict te kunnen begrijpen, is het belangrijk om te weten dat de huidige huisvesting van de Tweede Kamer, en ik zeg dit uit eigen ervaring, zowel voor de Tweede Kamerleden en de ambtelijke staf voelt als een welkom huis. Wat vroeger een doolhof was, is sinds de oplevering van het ontwerp van Pi de Bruijn in 1992 omgevormd tot een aangename en redelijk efficiënte huisvesting voor het ‘huis van de democratie’. De Statenhal, met daaraan de Plenaire Zaal en het centrale vergadercentrum vormen het hart van het politieke bedrijf. Pi de Bruijn heeft met deze magistrale architectonische ingreep, zowel een nieuwe identiteit gecreëerd als ook de oude gebouwen eromheen gerespecteerd en dienstbaar gemaakt aan de bewoners in ons parlement. De oude historische gebouwen (o.a. Koloniën en Justitie) functioneren letterlijk als de ‘woningen’ van de verschillende politieke fracties en de ambtelijke staf. Uiteraard is het gebouw niet zonder onvolkomenheden, maar in de kern hebben de gebruikers geen inhoudelijke behoefte aan het fundamenteel omschoffelen ervan. In haar uitleg over haar recente plan (‘deze renovatie is mijn meest sobere plan ooit’) lijkt de architect Ellen van Loon dan ook aan te sluiten bij deze positiebepaling van de gebruiker. Maar waarom is het dan toch tot zo’n groot conflict gekomen?

1992 – Ontwerp Tweede Kamer – architect Pi de Bruijn

Steeds duidelijker wordt dat het conflict zijn oorsprong heeft in de benoeming van het architectenbureau OMA en in de vrijheid die de architect van de rijksbouwmeester en het Rijksvastgoedbedrijf meekreeg. Om met het eerste te beginnen, gaat het om een renovatie van een bestaand gebouw dat nog geen dertig jaar oud is. De opdracht van het Kabinet is een ‘sobere en doelmatige’ renovatie. Daarbij zou, aldus de rijksbouwmeester, zo’n 70% van het budget bestemd zijn voor de vernieuwing van de technische installaties. Dat alleen al, maakt dat er slechts in zeer beperkte mate ruimte is voor bouwkundige ingrepen. Reden dus voor een bescheiden ambitie bij de architectenkeuze. En dus ligt het voor de hand – zeker daar waar er om redenen van ‘staatsveiligheid’ geen sprake is van een open aanbesteding – om de oorspronkelijke architect – in welke rol dan ook – bij de uitwerking te betrekken. De Rijksbouwmeester Floris van Alkemade koos echter voor een geheel andere weg. Met negatie van de architect Pi de Bruijn koos hij voor het Rotterdamse architectenbureau OMA, het bureau dat ook in de jaren tachtig deelnam aan de prijsvraag voor de uitbreiding van de Tweede Kamer. Daarmee koos de rijksbouwmeester voor een fundamenteel andere vormentaal dan die van Pi de Bruijn. En dit is bepaald geen naïeve keuze geweest. Want het mag bekend worden veronderstelt dat OMA niet veel op heeft met de architectuur van Pi de Bruijn. OMA en Pi de Bruijn vertegenwoordigen binnen de architectuur letterlijk twee tegengestelde werelden.Door zijn keuze voor OMA heeft de rijksbouwmeester bewust gekozen voor een conflict binnen het landschap van de architectuur. Een keuze waarin de gebruikers niet gekend zijn, maar wel mee te maken kregen. Daarnaast is de opdrachtformulering essentieel voor een goed verloop van het proces. Primair ligt hiervoor de verantwoordelijkheid bij het Rijksvastgoedbedrijf. Welke ruimte kreeg het architectenbureau mee? In hoeverre waren de door de bewindspersonen gehanteerde termen ‘sober en doelmatig’ in de praktijk sturend voor het ontwerpproces? 

Nu het Rijksvasgoedbedrijf de tekeningen op haar website heeft gezet wordt inzichtelijker, hoe het ontwerpproces van de renovatie van het Binnenhof zijn vorm heeft gekregen, en wordt ook duidelijk hoezeer OMA een geheel eigen interpretatie heeft van de uitgangspunten ‘sober en doelmatig’. In plaats van te kiezen voor een sensitieve aanpak van de renovatie, kiest OMA in de fase van het structuurontwerp – dit deel ontbreekt in de vorig jaar verschenen NRC-reconstructie – voor een zeer radicale aanpak. Ellen van Loon werkte een tweetal varianten uit. De eerste is de zogeheten 2025 – Optie N1. https://www.rijksvastgoedbedrijf.nl/documenten/rapport/2017/07/28/ontwerpdocumenten-renovatie-binnenhof

Hier wordt het bestaande gebouw gerespecteerd en daarbinnen worden verschuivingen voorgesteld.

In de tweede variant, 2025 – Optie N.2. is er echter sprake van een totale verdwijning van het voorgebouw van het in 1992 gerealiseerde ontwerp van Pi de Bruijn. In deze variant gaan alle remmen los. Ik geef slechts een indruk: De voorzijde van de Tweede Kamer aan de Hofweg met de plenaire zaal, het ledenrestaurant, de perstoren en een drietal historische panden worden gesloopt. Hiervoor in de plaats komt een geheel nieuw gebouw waarin een nieuwe entree, een nieuwe plenaire zaal, een nieuwe grote commissiezaal en een nieuw ledenrestaurant is opgenomen. Gezamenlijk vormen zij een nieuwe (OMA-) beeldmerk van het parlement. Maar hier blijft het niet bij. Ook Nieuwspoort krijgt een nieuwe plek. Hiervoor moeten de twee grote restaurants aan de zijde van het Plein verplaatst worden naar de derde verdieping, waar nu nog vergaderzalen zitten.Deze commissiezalen worden naar de begane grond van de Statenhal verplaatst waar tevens ruimte is vrijgemaakt voor een nieuw restaurant voor bezoekers. Kortom alles van waarde blijkt weerloos. 

OMA, ontwerp Ellen van Loon – Tweede variant, 2025 – Optie N

Ik zou mij nog kunnen verplaatsen in deze radicale variant, toen wij begin jaren tachtig aan de vooravond stonden van een grootschalige uitbreiding van de Tweede Kamer. Maar die tijd is geweest. Er is in die tijd gekozen voor een samenwerking met de architect Pi de Bruijn. Zijn plan staat er. En nu gaat het ‘slechts’ om een update van het bestaande gebouwencomplex. De in de structuurfase gepresenteerde variant kan dan ook niet anders worden gezien dan als een regelrechte diskwalificatie met terugwerkende kracht van alles wat Pi de Bruijn ooit heeft beoogd met zijn ontwerp. Scherper gesteld, de diepe weerzin voor zijn werk straalt ervan af. En, het moet gezegd worden, het is echt verbazingwekkend dat zowel de Rijksbouwmeesterals de ambtelijk opdrachtgever, het Rijkvastgoedbedrijf, deze variant hebben gedoogd. Evident was, dat het niet meer kon zijn dan een provocatie. Even op herhaling naar de architectuurcompetitie in de jaren tachtig toen het grote werk nog moest beginnen. Het maakt met terugwerkende kracht duidelijk, waarom Pi de Bruijn tranen in zijn ogen kreeg toen ik hem vroeg hoe hij aankeek tegen de – op dat moment nog geheime – voorstellen van OMA. Het is werkelijk onbegrijpelijk dat de primaire aandacht en energie van OMA niet is gegaan naar een fijnzinnige en respectvolle renovatie van het door Pi de Bruijn ontworpen complex. 

Ik neem direct aan dat OMA wist dat hun radicale variant – binnen de gestelde kaders – nooit een kans van slagen zou hebben. Maar waarom dan toch gepresenteerd? Wat zit daar nou precies achter? Deze vraag kan pas worden beantwoord wanneer je bereid bent je te verplaatsen in het debat van en over de architectuur. Misschien nog wel meer dan in de politiek, is er in de architectuur sprake van een richtingenstrijd. Deze is ideologisch van aard en laat zich vertalen in een bijbehorende vormentaal. De benoeming van OMA op een plan van Pi de Bruijn is alsof je de politiek leider van een socialistische partij vraagt de leiding op zich te nemen van een liberale partij. In de politiek ruiken politici, wanneer er sprake is van een onderhuidse ideologische strijd. Dus zo ook hier. Met het radicale voorstel heeft OMA, maar ook de Rijksbouwmeester en het Rijksvastgoedbedrijf de basis van wantrouwen gelegd bij de gebruikers van de Tweede Kamer. En dit, gecombineerd met het voornemen om het Binnenhof te sluiten voor een periode van vijf jaar, deed binnen de Tweede Kamer het vermoeden rijzen dat er met hun gebouw op de loop werd gegaan. Zij deden er ultiem niet toe. En het is dan ook niet verwonderlijk, dat er vanaf dat moment binnen de Tweede Kamer een fundamentele onrust is ontstaan over de toekomst van hun gebouw en hun werkplek. Een onrust die, in de tijd die erop volgde, met alle procesbegeleiders ten spijt, door de bewindspersoon Raymond Knops niet meer kon worden gekeerd. De Tweede Kamer is op de rem gaan staan. Aan hun gebouw geen polonaise. En ja, Ellen van Loon heeft gelijk dat er, voor haar doen, een sober en doelmatig plan voorligt. Maar het had haar gesierd, wanneer zij de Tweede Kamer hiervoor de credits had gegeven. Want waar er al bescheidenheid in haar ontwerp zit, is dat letterlijk door de gebruikers afgedwongen.

En hier komen wij bij de kern van dit conflict. Het is een bijna klassiek voorbeeld, waarbij het primaat van een opdracht niet ten principale bij de structurele gebruiker ligt. In een democratie is het parlement weliswaar het hoogste orgaan, maar over haar eigen gebouwen heeft zij, dachten het Kabinet, de Rijksbouwmeester, het Rijksvastgoedbedrijf en de architect, niets te zeggen. De gebruikers ‘huren’ slechts een gebouw bij het Rijksvastgoedbedrijf. Net zoals de ambtenaren van het departement aan de Rijnstraat 8 – het voormalige ministerie van VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), dat nu als ‘wisselkantoor’ voor departementen in gebruik is. De ambtenaren hebben naar hun eigen zeggen meer het gevoel deel te zijn van een legbatterij,dan van een departement met een eigen identiteit. Maar anders dan de medezeggenschapscommissies aan de Rijnstraat 8, kon het parlement wel zijn macht inzetten en maakte gebruik van haar recht op het onthouden van een instemming met het ontwerp. En greep het parlement terug op de architect die in de jaren tachtig met zoveel liefde aan zijn eigen gebouw heeft gewerkt en het zeker met dezelfde liefde klaar zal willen stomen voor de toekomst. Kortom:‘The return of Pi de Bruijn’ 

De moraal van deze – op kosten van de gemeenschap uitgevoerde – soap, is dat architectuur niet het speeltje is van de rijksbouwmeester, niet van de anonieme opdrachtgever die blijkbaar het Rijksvastgoedbedrijf is geworden en ook niet van een architect. Nee, architectuur vindt zijn betekenis en waarde in de dialoog tussen gebruiker(s) en architect. In dat samenspel ontstaat er een synthese en, en nu komt het: dat kan en mag dan ook best een radicaal plan zijn, wat niet per se ‘sober en doelmatig’ is. Maar dat is dan wel een bewuste keuze van de gebruikers zelf. Eén ding is zeker, nu de Tweede Kamer, net als eind jaren tachtig, de rol van opdrachtgever heeft opgeëist en nu ook materieel heeft verkregen, kan zij met Pi de Bruijn en zijn team verder werken aan een respectabele renovatie van het Binnenhof. De harmonie is teruggekeerd. Daarbij is het nog even afwachten of hun gezamenlijk plan de wereld van de architectuur nog zal gaan verrassen.

Zou Francine Houben’s ‘perspectief voor Zuid’ een kantelpunt kunnen zijn voor Rotterdam?

Mijn fascinatie startte met: wat moet je met zo’n gigantische Maashaven, midden in je stad, zo groot, zo leeg, zo blokkerend. “

Het is alweer een tijdje terug dat ik afreisde (8 november 2019) naar het Stadmakerscongres 2019, een initiatief van het Architectuur Instituut Rotterdam (AIR). In dit mega-event waarin het maken van de stad centraal staat ging ik naar de lezing van de creatief directeur van Mecanoo architecten: Francine Houben. Al eerder had ik haar gesproken over haar persoonlijke fascinatie naar de leegte van de Maashaven. Zij zou, nu haar persoonlijke zoektocht omzetten in wat zij ziet als ‘Perspectief op Zuid’.

Francine ken ik al vanaf de tachtiger jaren, waarin wij samen knokten voor een meer kwalitatieve stadsvernieuwing. Sindsdien zijn wij met elkaar in gesprek over de toekomst van onze steden. En in enkele van die gesprekken kwam ook Rotterdam Zuid ter sprake. Voor mij een bekend gebied, omdat ik eind jaren zeventig les gaf op een van de voormalige scholen aan het vroegere Ericaplein in de wijk Bloemhof. Voor haar bekend, omdat Mecanoo Architecten in 1984 een opdracht kreeg voor het wooncomplex de Hillekop. Dit project, dat werd opgeleverd in 1989, zou toonaangevend worden binnen de stadsvernieuwing omdat het een begin inluidde van de rehabilitatie van de Afrikaanderwijk, en met haar moderne architectuur, Rotterdam Zuid een eigentijds beeldmerk gaf.

ca. 1985: Francine Houben

In het ontwerp van de Hillekop moesten de architecten in die tijd nog rekening houden met de wensen van het Havenbedrijf. Door het project heen lopen dan ook nog de rails van de vroegere goederentrein die de haven verbond met het spoor. Het waren, terugkijkend, de nadagen van de rijke industriële geschiedenis van de binnenhavens in Rotterdam. Globalisering en technologisering veranderden de mobiliteit fundamenteel. De logica dat havens en werkgelegenheid met elkaar verweven waren, nam snel af. In London had dat al aan het begin van de jaren zeventig tot het inzicht geleid, dat de binnenhavens hun oude functie zouden verliezen. In de jaren tachtig begon men daar, onder de centrale leiding van Margaret Thatcher, een grootscheepse stedelijke vernieuwingsoperatie, genaamd London Docklands, die dit gebied in de nieuwe economie binnenloodste. In Rotterdam kwam dat inzicht maar beetje bij beetje op gang, zo werden in Noord de kleinere binnenhavens getransformeerd. Hoewel met de Erasmusbrug de sprong naar Zuid werd gemaakt, waardoor de Kop van Zuid glorieus tot ontwikkeling kon komen, zijn de grootste binnenhavens hier tot nog toe ongemoeid gelaten en liggen ze er, met een heel beperkt gebruikt voor de binnenvaart, desolaat bij. En hoewel er op Katendrecht op een kleinere schaal sprake is van een gentrification is het overgrote deel van Rotterdam-Zuid nog steeds een problematisch stadsdeel waarvoor zelfs een Nationaal Programma Zuid (hhtps://nprz.nl) is opgezet waarin Rijk, de gemeente Rotterdam, corporaties, zorginstellingen, bedrijfsleven, politie en openbaar ministerie werken aan een rehabilitatie van de wijk.  En met alle respect voor de inspanningen die in dit kader voor de zittende bewoners wordt verricht heeft het karakter wel heel erg de nadruk op het bestrijden van achterstanden. Het perspectief op een grote kanteling lijkt nog niet heel erg substantieel. De vraag is dan ook of de echte kansen op herstel voor Zuid wel in beeld komen in het huidige nationaal opgezette herstelprogramma of liggen er andere, betere kansen? 

Het was de teloorgang van de Maashaven, die Houben triggerde om zich af te vragen waarom in haar woonplaats zulke omvangrijke havens en haventerreinen niet werden benut om voor Rotterdam-Zuid nieuwe kansen te creëren. Wat begon als een ergernis, werd een persoonlijke zoektocht die drie jaar zou gaan duren. Het is fascinerend hoe deze zoektocht, die in haar eigen woorden ‘intuïtief’ begon, uiteindelijk uitmondt in een messcherpe analyse van de sociaaleconomische structuur van de stad Rotterdam. Zij liet in haar lezing tijdens het Stadmakerscongres zien hoe in de gloriedagen van de haven er een mentaal evenwicht was tussen stad en havens en dus ook tussen Noord en Zuid. Dit evenwicht verdween toen de oude economie van de haven veranderde. Het maakte dat Zuid verweesd achterbleef. In Rotterdam domineert, net als in Den Haag met haar Zand en het Veen, een tweedeling in Noord en Zuid. Waar in Noord de tegenwoordige kenniseconomie garant staat voor een riant toekomstperspectief, ontbreekt in Zuid nog steeds een nieuw economisch perspectief. Het scheidt Rotterdam in vermogend en minvermogend, kansrijk en kansarm en in aangesloten, dan wel het buitengesloten zijn in onze moderne samenleving.

In haar zoektocht ontdekt Houben, dat het maken van plannen voor een andere invulling van bijvoorbeeld de Maashaven geen betekenis heeft wanneer niet ook gekeken wordt naar de redenen waarom een revitalisering zoals in de Londense Docklands, maar ook in Rotterdam Noord wel op gang is gekomenen, maar niet in Zuid. Gaandeweg werd het haar steeds duidelijker dat onderliggende belangen een voorspoedige ontwikkeling van Zuid in een houtgreep houden en dus doen stagneren. In haar gesprekken met de gebruikers in Zuid, variërend van bewoners, onderwijsinstellingen, binnenschippers, gemeente en havenbedrijf wordt duidelijk dat het ook ontbreekt aan een gedeeld toekomstbeeld voor Zuid dat ook sociaal en economisch perspectief biedt voor de bewoners die er woonachtig zijn. Wat domineert is een veelomvattende belangenstructuur, die historisch voortkomt uit de oude economie die rond 1900 de aanleg van de Rijn- en Maashaven legitimeerde.

Uit presentatie Francine Houben

Waar een veranderde economie de rol van de (binnen)havens ingrijpend wijzigde, bleven de (grond)posities onveranderd bij de vroegere centrale spelers, die er een geheel eigen invulling aangaven. En zo kan het gebeuren, dat het Havenbedrijf tegenwoordig vooral een ‘verhuurder’ is van grond aan bedrijven die niet (meer) ‘haven gebonden’ zijn. Nog maar een heel beperkt percentage van de bedrijven op de erfpacht grond van het Havenbedrijf (= gemeentegrond!) is nog haven gerelateerd. Maar niet alleen een de Rijn- en Maashaven liggen er desolaat bij, ook bedrijventerreinen zelf zijn in ruimtelijke zin minimalistisch ingericht. Zij vormen in hun huidige gebruik een blokkade voor een nieuw perspectief van Zuid. Ook de dijken die na de watersnoodramp in 1953 werden aangelegd, hebben de wijken op Zuid letterlijk -in de woorden van Francine- ‘achter de dijken’ opgesloten. Grote stroken grond zijn hierdoor in eigendom gekomen van het Waterschap Hollandse Delta. In haar analyse laat Francine zien, dat juist deze plekken voor een herontwikkeling van Zuid van cruciaal belang zijn. Dit zijn de locaties, waar met een reeks nieuwe sleutelprojecten voor Zuid het verschil zou kunnen worden gemaakt. Het zou de weg kunnen openen naar een nieuwe economie voor dit deel van Rotterdam. En, misschien nog wel belangrijker, het zou de groeiende scheiding tussen Rotterdam Noord en Zuid, kunnen verzachten en misschien zelfs doen verdwijnen.

Foto: L.J.

In een ‘Perspectief voor Zuid’ schetst Houben een mogelijke weg waarin de stad het tij voor Zuid zou kunnen keren. Niet door middel van ‘structuurplannen oude stijl’ of formele ‘omgevingsvisies’. Dat zijn nu juist de structuren waarin het denken en het gesprek eerder worden gestold en waarin bestaande belangen worden beschermd en dus een nieuwe en noodzakelijke dynamiek wordt geblokkeerd. Centraal in haar opvatting staat, dat alleen vanuit een integrale kijk de ontwikkeling van de stad haar kracht zal kunnen krijgen. Dat proces zal met alle stakeholders moeten worden ingezet. Het is beter om met elkaar samen te werken aan een gemeenschappelijk toekomstperspectief, waarin de ruimtelijke interventies centraal staan. Alleen daarin kan ook het gemeenschappelijk belang worden ontdekt en een strategie worden ontwikkeld om deze met elkaar waar te maken.

Hoe? Houben schetst in haar ‘Perspectief voor Zuid’ een kader voor een integrale aanpak van Zuid en somt een reeks mogelijke interventies op. Ik noem er aantal op: een 10 kilometer lang Zuiderdijkpark, met daarin opgenomen collectieve voorzieningen: sport en cultuur. Goed voor de wijken, aantrekkelijk voor de werknemers van de bedrijven. Een nieuw Metrostation Waalhaven Zuid, dat met de Superbus via de Maastunnel verbonden wordt met Rotterdam Centraal, maar ook de afslag via Maashaven maakt naar Inter City Station Feyenoord City. Dit alles maakt het mogelijk om een onderwijsstrip te maken langs de Zuidzijde van de Maashaven. Waarbinnen de TU Delft en de Erasmus-universiteit een samenwerking kunnen aangaan met HBO (o.a. Hogeschool Rotterdam) en de MBO (o.a. Albeda College) binnen de zorg, techniek en logistiek. En, last but not least, een recreatiepier die Zuiderpark en het Zuiderdijkpark weer verbindt met de haven: weer een plaats om te spelen en te baden, zoals die na de aanleg van de dijken in 1953 verloren is gegaan.

Zou Francine Houben’s ‘perspectief voor Zuid’ een kantelpunt kunnen zijn voor Rotterdam?

Niet de bevolkingssamenstelling, de concentratie van lagere inkomens en de werkloosheid vormen het kernprobleem van Zuid. Nee het echte probleem lijkt te zijn, dat de belangen in Zuid zo verdeeld zijn, dat de kans om in Zuid een nieuwe economie van de grond niet of nauwelijks kan ontstaan. De veelheid van sectorale belangen blokkeren het denken erover. En dat alles is verhuld in een groot stilzwijgen. Gewoon, omdat niemand het onder woorden, brengt, niemand hierover het debat aan voert. Maar met het ‘Perspectief op Zuid’ zou dat anders kunnen worden. Juist de integrale benadering van Houbens visie maakt dat er een kans is dat haar analyse tot de politiek doordringt. Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ook in dit deel van Zuid de verbeelding ruimte krijgt? London Docklands heeft in de jaren tachtig al laten zien hoezeer een nieuwe economie een kans kreeg om zich in het voormalige havengebied te zetten. Maar wie pakt in Rotterdam deze uitdaging op? Is er een mentale ruimte in het College van B&W om het ‘Perspectief op Zuid’ van Francine uit te bouwen tot een stedelijk verhaal? Wie in het ambtelijk apparaat is in staat, gelijk Riek Bakker ooit deed, inhoud te geven aan een grootser en meer aansprekend perspectief voor Zuid? En heeft het Havenbedrijf de geestelijke ruimte uit te stijgen boven haar sectorale belangen?

Als stadsbestuurder met ervaring raak ik opgewonden van de perspectieven die haar visie bieden. Het doet mij denken aan de omvangrijke ruiltransacties tussen het Rijk en de gemeente Den Haag. Het droeg bij aan het herstel van de economie van de stad en de kwaliteit van het wonen. En natuurlijk is het zo dat al die afzonderlijke gesprekspartners zullen vragen, zoals een spreker tijdens het Stadsmakerscongres al opmerkte; ‘what’s in it for me?’ En dat is op zijn minst een begrijpelijke vraag, maar ultiem raakt deze vraag niet aan de essentie. Die ligt in de kernvraag die Francine aan de orde stelde, namelijk: kunnen wij met een herordening van de slordig gebruikte ruimte in Zuid een perspectief scheppen dat goed is voor de bewoners van Zuid, maar ook Noord en Zuid gelijkwaardig maakt? Dus is de echte vraag dan ook: ‘What’s in it for the city as a whole?’

Adri Duivesteijn, Bijgewerkt op 5 februari 2020

10-12-1949 -17-12-2019 – Willem Meuwese, een reus die Den Haag en Almere met zijn daden definitief veranderde

Dwarsweg Binnenstad: Een onschuldige lijn op de kaart stond gelijk aan de sloop van honderden panden en de vernietiging van twee binnenstadswijken.

Het was 10 december 1980, de dag dat het Dwarsweg-compromis werd gesloten. Samen met collega-wethouders Chris Nyquist (VVD) en Lex Blankesteijn (CDA) sloot ik het zogeheten Dwarsweg-compromis. Hierbij werd een – voorlopig – einde gemaakt aan een decennialange discussie over de verkeersafwikkeling in de Haagse binnenstad. Den Haag was verdeeld, aan de een kant stond de VVD, het CDA en het grootwinkelbedrijf die een ringweg om het historisch centrum (lees ook: Grootwinkelgebied) wilde. In hun visie ging het vooral om de economie van de binnenstad.  Zij zagen hiervoor een maximale bereikbaarheid met de auto als sleutel.  Voor deze ringweg (‘Dwarsweg Binnenstad’) waren in het Oude Centrum en het Kortenbos veel panden opgekocht. Inmiddels gesloopte panden zorgden voor gaten in de gevelwanden, veel resterende woningen waren verpauperd of al dichtgemetseld. In het Oude Centrum – tussen de Palviljoensgracht en de Boekhorststraat – was al een deel van de ringweg aangelegd. Voor beide wijken was er geen toekomst meer.

De foto dateert uit 1980 en laat het gebied zien tussen de Palviljoensgracht en de Boekhorststraat.

Dankzij het toenemende verzet in de stad groeide in de jaren tachtig de basis voor een fundamentele verandering van het ruimtelijk beleid voor de binnenstad. Uiteindelijk zou dat culmineren in het ‘Dwarsweg-compromis’. Hiermee kon de weg naar de rehabilitatie van dit deel van de Haagse binnenstad weer worden ingezet. Maar in Den Haag zijn politieke compromissen breekbaar, dus hoe kon deze politieke winst ook daadwerkelijk worden veilig gesteld?  Voor mij stond vast dat wij voor de volgende verkiezingen feiten moesten creëren. Wanneer wij er met elkaar in zouden slagen om voor de gewenste nieuwbouwplannen de eerste palen de grond in te krijgen, zou de Dwarsweg er nooit meer kunnen komen. Maar een wethouder kan nog zo veel willen, hij of zij is ook afhankelijk van de medewerking van het ambtelijk apparaat en de woningbouwvereniging.  In ambtenaren als René Strijland en Piet van de Kerkhof had ik bondgenoten die dag en nacht bereid waren door te werken om deze ‘strijd’ te winnen.

Maar hoe zat het met de bereidheid en medewerking bij de Algemene Woningbouwvereniging (AWV), die de risico’s van de woningbouw en de bedrijfshuisvesting op zich zou moeten nemen? Het AMV stuurde een nieuwe, mij onbekende projectleider, een robuust gebouwde leeftijdgenoot, die zich voorstelde als Willem Meuwese. En dat bleek voor ons een gouden greep. Willem was, net als wij, volstrekt onorthodox in zijn werkwijze. Hij hield zichtbaar van uitdagingen, de wereld veroveren was hem op het lijf geschreven. Al in het eerste contact gaf Willem aan dat succes alleen mogelijk was, wanneer hij directe toegang had tot mij als wethouder. Zijn methode bestond eruit om de opdoemende knelpunten altijd direct te slechten: ‘Alleen dan kan ik het tempo waarmaken wat u vraagt!’

Veertig jaar verpaupering in Het Oude Centrum en Kortenbos werd in twee jaar gekeerd in een wederopbouw.

Het zou het begin worden van een hele intensieve en mooie samenwerking, waarbij alle formele codes en regels – indien nodig – werden doorbroken. Als een wervelwind forceerde Willem beslissing op beslissing en loste hij knelpunt na knelpunt op. In een ongekend hoog tempo ontwikkelde hij -samen met de gemeente, bewoners en bedrijven – in anderhalf jaar tijd een spectaculair bouwprogramma dat bekend zou worden onder de naam: Bouwstroom Binnenstad. Maar liefst 1000 sociale huurwoningen, winkels en bedrijfsruimten op maar liefst 27 verschillende locaties in het Oude Centrum en Kortenbos.  Op 18 november 1982 gingen overal de eerste palen de grond in. De Dwarsweg was definitief geschiedenis.

In het Hamerstraat in het oude centrum verdween definitief de dwarsweg van de kaart. Een droom kwam uit.

Willem Meuwese ontwikkelde zich hiermee tot een belangrijke motor in de Haagse stadsvernieuwing. Maar het ging hem niet alleen om productie, na deze krachtinspanning ontwikkelden wij in 1984 – in het kader van Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit – samen met Hans van Beek van architectenbureau PRO de nieuwe kwaliteitsnorm voor de stadsvernieuwing in de Katerstraat, een voormalig prostitutiegebied. Al dertig jaar een voorbeeldproject voor kwalitatief hoogwaardige en betaalbare sociale woningbouw in een stedelijk gebied.

12 november 1982, twee jaar na het Dwarsweg Compromis, begon de Bouwstroom Binnenstad. 1982

Willem Meuwese ging naar het Bouwfonds. Hij zou zich in de commerciële wereld van projectontwikkelaars onderscheiden door de realisatie van een reeks kwalitatief hoogwaardige projecten. Steeds vaker keerde hij zich af van de wereld van het commerciële. Hij voelde zich meer en meer thuis in zijn eigen atelier waar hij kon schilderen.

In oktober 2012 kwam ik Willem Meuwese weer tegen. Ik had opnieuw iemand nodig die in staat zou zijn om een nu wel heel bijzondere klus te klaren. Ik legde hem uit dat ik aan de oostkant van de stad een volstrekt nieuwe vorm van gebiedsontwikkeling wilde. Ook wel een meer organische groei genoemd en belangrijk: geheel op basis van initiatieven van onderop. Willem was direct enthousiast. In zijn ogen zag ik het avontuur weer opvlammen. Dat was, in een wereld waarin commerciële grondposities uitmaken wie er mag bouwen, een uitdaging. Hier was de grond van het Rijk en de Gemeente. Er kon dus een fundamentele omslag naar burgers worden gemaakt. Ook hier stond Willem voor het op gang brengen van een kwetsbare ontwikkeling. In ons land is woningbouw helaas vooral een verdien-machine voor institutionele partijen, die er niet voor schromen om met een veelvoud van minimalistische gestandaardiseerde woningbouwproducten veel geld (‘marktconforme prijzen’) uit de portemonnee van burgers te plukken. De vraag was dan ook, hoe wij konden veiligstellen dat in Oosterwold de initiatieven van onderop ook echt centraal zouden komen te staan. Wie kon dat voor elkaar krijgen?

Het mag duidelijk zijn, Willem Meuwese werd onze kwartiermeester voor Oosterwold. Met het Rijksvastgoedbedrijf, de provincie Flevoland, de gemeente Zeewolde en het Waterschap Zuiderzeeland – de door ons voorgestane nieuwe vorm van gebiedsontwikkeling, waarin inderdaad de initiatiefnemers burgers waren. Oosterwold heet dan ook niet voor niets ‘Land-Goed voor initiatieven’.

2017, de eerste initiatieven waren omgezet in concrete gebouwen en het open land kreeg zijn vorm.

Willem Meuwese werd ook de eerste gebiedsregisseur van Oosterwold. Willem toonde opnieuw zijn onconventionele karakter, hij was missie gedreven, kleurrijk en vooral goedlachs. Willem Meuwese gooide de knuppel in het hoenderhok als dat nodig was. Hij zorgde ervoor dat het kenmerk van de gemeenschappelijke regeling, die onder zijn leiding tot stand kwam, niet bestond uit Almere Oosterwold of Zeewolde Oosterwold, nee, het werd ‘Oosterwold’. De betekenis is duidelijk, in dit gebied was het niet de gemeente en haar ambtenaren, maar gold het adagium ‘mensen maken de stad’. Willem zou tot juli 2014 betrokken blijven. Achteraf vond hij dat het misschien te kort was, maar hij was het die de basis van de grondgedachte heeft verankerd en daarmee een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het immense succes wat Oosterwold inmiddels is. Oosterwold is het enige grootschalige gebied waar honderden burgers met hun initiatieven de stad maken. De wachtrij is inmiddels zo groot dat gebiedsregisseur heeft moeten besluiten de inschrijving tijdelijk te sluiten. Oosterwold laat het zien; gebiedsontwikkeling kan dus zoveel anders in ons land. Willem legde daarvoor als kwartiermaker het materiële fundament.

De initiatievenkaart van Oosterwold waarbij iedere stip een uitdrukking is van creativiteit.

Voor mij is het overlijden van Willem het verlies van iemand die van grote betekenis is geweest voor de dromen en idealen die ik nastreefde. Willem Meuwese begreep dat, voelde zich er in thuis. Willem was de reus die Den Haag en Almere met zijn daden definitief veranderde.

Willem mag dan nu overleden zijn, zijn werk blijft. De stad Den Haag, het Oude Centrum en Kortenbos, maar zeker ook Oosterwold zouden er anders uitzien wanneer Willem er niet was geweest. Met dit In Memoriam toon ik mijn dankbaarheid, nadrukkelijk ook aan zijn familie. Ik wil voor eenieder die het aangaat, duidelijk maken hoe dierbaar voor mij de samenwerking met Willem was. Het was nadrukkelijk ook ons avontuur en hebben er samen van genoten en waren beiden trots op de resultaten! 

Het is tijd (…)Tijd om te leven

Willem en zijn vrouw Marianne waren beiden ongeneeslijk ziek. Op 17 december 2019 hebben ze ons verlaten, maar niet zonder boodschap: ‘Het is tijd (…) Tijd om te leven ‘.