Auteursarchief: Adri Duivesteijn

l’histoire se répète, een brief voor de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer

Wie lang de politiek volgt, weet dat woorden niet per se daden worden. Dat is ook het geval wanneer het de politiek zelf betreft. We maken meer en meer mee dat de Tweede Kamer gebruik maakt van haar recht op het doen van onderzoek. Recent nog bij de toeslagenaffaire. En er staan nog drie onderzoeken op stapel. Dat is een goede zaak. De Tweede Kamer geeft op deze wijze inhoud aan haar controlerende taak. En nu even niet langs de lijn van twintig fracties (brr) die elkaar de maat nemen, maar als commissie die de Kamer als geheel vertegenwoordigt. Het onderzoekswerk is misschien wel het meest gewaardeerde werk van de Kamer. In ieder geval is het voor mij de meest bevredigende tijd geweest in de 13 jaar dat ik actief mocht zijn in de Tweede Kamer. Het zet echt zoden aan de dijk.

Maar, en dat is pijnlijker, vaak komt een parlementaire commissie ook tot de conclusie dat de Tweede Kamer mede schuldig is aan het ontstaan van het falen van de overheid. Zo’n zelfreflectie is op zich goed. Daardoor gaat een deel van de conclusies van zo’n parlementair onderzoek ook over het verbeteren van de werkwijze van de Tweede Kamer.

Dat was ook de strekking van het advies van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI), waarvan ik destijds voorzitter was. Wij onderzochten in 2004 het wel en wee van de overschrijdingen bij de aanleg van de Betuwelijn en de HSL-Zuid. Al snel kwamen wij er achter dat de kern van het probleem vooral ook te maken had met de wijze waarop de Kamer de parlementaire controle inhoud geeft. Die faalde volstrekt. En niet alleen dat. We ontdekten ook dat het falen niet exclusief een kwestie van de grote projecten was, maar dat de Kamer als geheel de ondersteuning niet had geprofessionaliseerd.

Hoe vreemd het ook klinkt, maar veel leden koesteren een romantisch beeld van het Kamerlidmaatschap; het Kamerlid als eenling met de ondersteuning van een of twee medewerkers, die ten strijde trekt tegen de regering. Een tegenpartij die op haar beurt beschikt over zo’n 10.000 beleidsambtenaren. Don Quichot in het kwadraat wordt dan ook met regelmaat overruled.

De TCI kwam tot de conclusie dat het tijd werd om in te zien dat een andere bewerktuiging van de Kamer noodzakelijk was. Niet de versterking van de ondersteuning van individuele leden, maar van de Kamer als instituut. Wij hielden dan ook een pleidooi om een staatscommissie in te stellen om het artikel 68 over de informatieplicht van de regering aan het parlement meer inhoud te geven. En we deden de aanbeveling om een parlementair kennis- en controlecentrum op te richten. Dit zou betekenen dat de Kamer zou kunnen gaan beschikken over een deskundig en professional apparaat dat op tal van kwesties de Kamer zou kunnen ondersteunen. Op die manier zou de Kamer zelf voldoende kennis kunnen genereren, verwerken en verifiëren om haar controletaak waar te kunnen maken.

Het zal u, na mijn inleiding, niet verwonderen dat met de aanbevelingen (zie hieronder) weinig is gedaan. Maar nog merkwaardiger is dat keer op keer parlementaire onderzoekscommissies tot vergelijkbare noties zijn gekomen. En opnieuw genoegen nemen met het feit dat er maar marginale wijzigingen optraden in de wijze waarop ons parlement functioneert. Ook nu roept een onderzoekscommissie op tot versterking van de positie van de Tweede Kamer.

Ik zeg het de voorzitter van de Kamer na: Begin met te kijken wat er al is bedacht en uitgewerkt. Dit was aanleiding voor mij om het geheugen van de Kamer op te frissen en onze aanbevelingen opnieuw onder de aandacht te brengen. Ik heb dat geformuleerd, met de steun van onze vroegere griffier Vries Kool, in een brief op persoonlijke titel. Want een ding is wel duidelijk: de tijd lijkt rijp. De werkgroep van Kees van der Staaij die deze zomer is ingesteld heeft een historische kans om nu echt de bewerktuiging van de Tweede Kamer te professionaliseren. Dat gaat zeker extra geld kosten, maar het zal de kwaliteit van de Kamer als geheel verbeteren. En dat is in het belang van onze democratie. Dat is heel wat waard.

Voor wie meer wil weten vindt u hieronder de aanbevelingen van de TCI uit 2004 . Daaronder mijn aanbiedingsbrief aan de voorzitter van de Tweede Kamer met de vraag om mijn brief ter kennisneming te sturen aan het presidium van de Kamer en tevens de brief officieel door te geleiden aan de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer.

Ik wens u veel leesplezier en spreek de hoop uit dat er nu ook echt spijkers met koppen worden geslagen.

15 december 2004, aanbieding rapport van de Tijdelijke commissie Infrastructuurprojecten (TCI)

De aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI)

Eisen ten aanzien informatievoorziening (hoofdstuk 4):

f. de Tweede Kamer moet op informatie, die cruciaal is voor het uitvoeren van haar taken op het gebied van sturing en controle, op systematische wijze onafhankelijke toetsen kunnen (laten) verrichten;

g. voor haar informatievoorziening mag de Tweede Kamer niet slechts afhankelijk zijn van de regering;

h. de Tweede Kamer dient helder te zijn over de informatie die ze wil ontvangen;

i. alle beleidsinformatie dient in beginsel openbaar toegankelijk te zijn. In publieke onderhandelingsprocessen, zoals rond PPS en aanbestedingen, kan vertrouwelijk informeren van de Tweede Kamer een optie zijn.

Eisen ten aanzien informatieverwerking door de Tweede Kamer (hoofdstuk 5):

j. er moet een adequate kennisinfrastructuur worden opgebouwd als instrument voor de Tweede Kamer;

k. de Tweede Kamer moet zelf voldoende kennis kunnen genereren, verwerken en verifiëren om haar controletaak waar te kunnen maken;

l. de Tweede Kamer moet rechtstreeks contact met uitvoerende ambtenaren kunnen onderhouden;

m. de Tweede Kamer moet best practices voor parlementaire informatievoorziening uit het buitenland bestuderen en bij gebleken succes deze vertalen naar de Nederlandse situatie.

15-12-04- Aanbieding rapport commissie Duivesteijn, Tweede Kamer. Foto Hans Kouwenhoven

Geachte Voorzitter van de Tweede Kamer, beste Vera,

Op uw initiatief is de werkgroep Versterking positie Tweede Kamer in het leven geroepen, die op 8 juli is geïnstalleerd. De werkgroep  is gevraagd voorstellen te ontwikkelen die ervoor zorgen dat de Kamer de controlerende en medewetgevende taken beter kan uitvoeren en de informatievoorziening kan versterken. 

De Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI), waarvan ik destijds voorzitter was, deed in 2004 op basis van een brede probleemanalyse een aantal aanbevelingen die gingen over een vergelijkbare vraagstelling. In haar aanbevelingen heeft de commissie specifiek aandacht besteed aan een tweetal aangelegenheden:

– praktische en concrete regels om beter uitvoering te geven aan de informatieplicht van de regering die voortvloeit uit artikel 68 Grondwet; en 

– zorgen dat de Kamer als instituut goed geëquipeerd is om ten behoeve van controle en medewetgeving binnengekomen informatie te verwerken.

In onze aanbevelingen hebben wij op deze onderwerpen gepleit voor een structurele oplossing. Wij hebben echter moeten constateren dat de Kamer zelf terughoudend was haar eigen positie te versterken. 

En, het moet ook worden gezegd: l’histoire se répète. Bij ieder onderzoek van een parlementaire commissie zien wij een terugkerende onvrede van de Tweede Kamer over het eigen functioneren. De meest recente zijn de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie die de toeslagenaffaire heeft onderzocht. Ook deze ging uitvoerig in op het niet functioneren van de kamer zelf. En keer op keer neemt de Kamer zich voor haar functioneren te verbeteren. Zo ook deze keer, en dus is de instelling van een werkgroep Versterking functies Tweede Kamer alleszins begrijpelijk. Echter de vraag die zich opdringt, hoe het kan dat diezelfde Kamer telkenmale eerdere aanbevelingen over de verbetering van haar functioneren niet of nauwelijks serieus tot uitvoering heeft laten komen? Wat is het toch dat de Kamer zoveel van haar eigen aanbevelingen, gedaan door parlementaire commissies die zij zelf heeft ingesteld, niet vertaald in daden?  Wat is het mechanisme daarachter? 


Voor ons als TCI was het in 2004 al evident dat de informatievoorziening aan de Kamer moest worden verbeterd en dat de Kamer als instituut zich moet voorzien van een meer professionele ondersteuning. Zoals ook in onze rapportage is opgenomen zijn andere landen ons daarin voorgegaan. Terecht dat u de werkgroep in deze om een verkenning vraag. Maar het bijzondere is dat het materiaal er allang is. Geplaatst in het licht van de huidige actualiteit neem ik daarom de vrijheid  om het werk van de TCI nog eens bij u en de werkgroep onder de aandacht te brengen aangezien wij de vergelijkbare vragen een inhoudelijk antwoord hebben gegeven. Wellicht dat het kan bijdrage aan het werk van de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer. 

Ik heb dat gedaan in de vorm van bijgevoegde brief, die ik persoonlijke titel schrijf. Ik zou het op prijs stellen indien u de brief wil doorgeleiden aan de werkgroep en ter kennisneming aan de leden van het presidium van de Tweede Kamer wil doen toekomen. 


Ten alle tijde bereid tot een toelichting.  
Met vriendelijke groet,

Adri Duivesteijn

Download hier de brief aan de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer: https://www.adriduivesteijn.nl/wp-content/uploads/2021-11-10-Brief-aan-de-werkgroep-versterking-functies-Tweede-Kamer-AD-1.pdf

Share and Enjoy !

Shares

Acht jaar Acht uur. Leven op het Binnenhof

Recensie 

2021, Uitgeverij Balans, Amsterdam

acht jaar verzorgt Ron Fresen op acht uur in het NOS-journaal de duiding van het politieke wel en wee van het hoogste orgaan binnen onze democratie, de Tweede Kamer. In zijn boek Acht Jaar Acht Uur openbaart hij hoe ‘zijn’ dagelijks leven er als parlementair journalist uitziet. Op 26 oktober jl. werd zijn boek[1] in het Haagse museum Beeld en Geluid gepresenteerd. 

In Acht jaar Acht uur wordt op een ontspannen manier inzichtelijk, dat er achter ieder contact tussen journalist en politicus een wederzijds belang schuilgaat. Niets is vrijblijvend. De journalist is uit op het nieuws, het liefst natuurlijk een echte primeur, maar minimaal wil hij begrijpen wat de achtergronden zijn van tal van bewegingen. De politicus, en hier maakt het niet uit in welke rol, realiseert zich dat de journalist de toegang is tot de publieke opinie. En als echte volksvertegenwoordiger heeft deze er belang bij om zichtbaar te zijn.

Zelf kom ik uit de generatie van de jaren zeventig. Het was de tijd waarin het nieuws werd gedomineerd door de verzuiling. Het medialandschap was er een verlengstuk van. De kranten hadden elk hun eigen herkenbare identiteit: het Vaderland voor de liberalen, Het Binnenhof was katholiek, de Nieuwe Haagse Courant (Trouw) was het ‘christelijk nationaal dagblad voor Den Haag en omgeving’, het vrije Volk diende zowel socialisten als sociaaldemocraten terwijl De Waarheid op de mat van de communisten belandde. Mijn ouders lazen de Haagsche Courant die zich ideologisch tussen alles in bewoog.

In dit ideologische geweld van de jaren zeventig en tachtig was het televisieprogramma Den Haag Vandaag van de NOS met presentator Ton Planken een ware verademing[2]. In tegenstelling tot de genoemde media, beoogde het actualiteitenprogramma geen verlengstuk te zijn van een van de politieke zuilen. Den Haag Vandaag concentreerde zich op de duiding van het politieke nieuws. Aan de kijker werd overgelaten hoe deze het zou beoordelen.

1980, uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam

In dit gedachtengoed heeft Ron Fresen de afgelopen acht jaar op het NOS-journaal een vergelijkbare rol vervuld. Ron Fresen ziet zich als ‘duider’ van het nieuws: ‘Een commentator oordeelt, een duider analyseert. Een commentator vertelt wat-ie-ziet, een duider vertelt wat je niet ziet, maar wel moet weten om te begrijpen wat er speelt’. En als Ton Planken in 1980 nog verzucht dat de ‘tientallen journalisten die over de besluitvorming in Den Haag praten en schrijven, zich daar zelden of nooit laten zien’ laat Ron Fresen precies het tegendeel zien. Hij moet in al die jaren duizenden kilometers door de wandelgangen van het Binnenhof hebben afgelegd. En in dat alles tekent zich een vast patroon af, zoals het hangen bij de patat-balie, het wekelijkse bezoek op dinsdag in de Eerste Kamer en – niet onbelangrijk – het ensceneren van toevallige ontmoetingen met een potentiële bron naar het nieuws. Vaak op zoek naar een heuse primeur, maar veel vaker om inzicht te krijgen in de achtergronden van het nieuws.

Acht jaar Acht uur laat met vele – herkenbare – voorbeelden zien hoe besluitvorming in de politiek tot stand komt. Eén wil ik er uitlichten. En dat is het moment dat Ron Fresen en zijn collega Joost Vulling tijdens de formatie van het Kabinet Rutte 3, opvangen dat er een besluit is genomen tot het schrappen van een D-belasting. De ‘D’ oogt op het eerste gezicht technisch, maar zal gaan uitgroeien tot een heuse politieke rel. ‘D’ staat namelijk voor het schrappen van de belasting op het dividend (winstuitkering) op de aandelen van multinationals. Materieel gaat het over een 1.4 miljard dat de Staat zal verliezen aan belastinginkomsten. Dat roept bij beide journalisten vragen op: ‘Waar komt dit plan ineens vandaan? In de verkiezingscampagne speelde het geen enkele rol. Hoe is het dan toch in het regeerakkoord terechtgekomen? Is het soms met de top van de grote bedrijven bedisseld, onder het genot van een goed glas champagne?’ Veel speculaties, weinig concrete antwoorden.

Ron Fresen en Dominique van der Heyde gaat op zoek naar een verklaring: ‘het is donker, er is bijna niemand te bekennen en we zijn op weg naar de uitgang. Plotseling staan wij tegenover iemand die ongevraagd begint over de dividendbelasting. Het is niet de eerste de beste en de persoon heeft belangwekkende informatie’. Het is deze achtergrondinformatie die het NOS-journaal zal gaan domineren. Het is het begin van een grote politieke rel, waarbij uiteindelijk minister-president Rutte bakzeil haalt en af moet zien van zijn het plan tot afschaffing van de D-belasting. Weg is het douceurtje aan de aandeelhouders van het grote bedrijfsleven. In zijn boek geniet de journalist Ron Fresen nog zichtbaar van het moment dat zij greep kregen op de achtergronden van dit curieuze voornemen, dat in de krochten van een formatie werd geritseld.

In het boek maakt Ron Fresen geen geheim van zijn werkwijze en hoe hij in overleg met de redactie tot zijn onderwerpkeuze komt. Voor hem staat centraal dat de NOS geen eigen belang heeft in het politieke spel. Het is dienstbaar aan een goede en vrije nieuwsgaring, waarbij bij de duiding van het nieuws eerder de verschillende tegengestelde belangen zichtbaar worden. Het is aan de kijker hoe dit inhoudelijk te beoordelen. Toch levert ook deze ‘neutrale’ houding weerstand op.

Dominique van der Heyde ontvangt het eerste exemplaar

In een tijd van toenemende polarisatie, vechten de verschillende tegengestelde partijen ook om het eigen gelijk in het nieuws. Niets in onze tijd blijkt vrijblijvend te zijn. Zo willen Geert Wilders (‘Wilders heeft zeker ook een aardige en zachte kant. Het publiek krijgt die zelden of nooit te zien’) en Thierry Baudet (‘de enige politicus met wie ik niet goed overweg kan’) nog wel eens meegaan met de bewering dat de duiding ‘NOS Fake nieuws is’. Ron Fresen is daar klip en klaar over: ‘Wij horen niet te kiezen, wij blijven in het neutrale midden. Wij nemen hun waarheid niet over, maar vertellen alle kanten van de waarheid, uitgaande van algemeen geaccepteerde feiten. Met andere woorden: dat ‘NOS Fake nieuws’ is er niet omdat wij iets fout doen, het is er omdat wij iets goed doen.’ (…) ‘Kritiek op de NOS mag, nee dat moet zelfs, daar word je zelfs beter van. Maar stop met schelden, bedreigen, intimideren en demoniseren. #stopdaarmee.’

Acht Jaar Acht uur laat een echte ambachtsman zien die met liefde zijn vak uitoefent. En dat nu opgeschreven krijgt bijzondere betekenis omdat hij als het gezicht van het NOS-Journaal transparant maakt hoe hij en de redactie komen tot de ‘duiding’ van het politieke nieuws. Door dat te doen heeft Ron Fresen de media, de politiek en haar kijkers een dienst bewezen.

Adri Duivesteijn, oud lid van de Eerste en Tweede Kamer.

Den haag, 4 november 2021


[1] Acht Jaar Acht uur, Leven op het Binnenhof. Ron Fresen 2021, Uitgeverij Balans Amsterdam

[2] Den Haag Vandaag, televisie en de zekerheid van een scheef beeld. Ton Planken, 1980, Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam.

Share and Enjoy !

Shares

IM – John Lennon als inspiratiebron (1980-2020)

Foto: Bob Gruen

'Nederland werd 9 december 1980 wakker met het bericht dat John Lennon was doodgeschoten. Enkele uren voordat de ‘Radionieuwsdienst verzorgd door het ANP’ om zeven uur zijn journaal ermee opende, was de ex-Beatle voor zijn huis in het Dakota Building aan de New Yorkse Upper-West Side door de 25-jarige Mark Chapman vermoord.' (...) 'Wie het die dinsdagochtend in 1980 meemaakte, zal het nooit vergeten. Er was ongeloof, woede en verdriet; iedereen leek er kapot van.'  Volkskrant, 7 december 2020

Kapot, voor mij gold dat ook. Ik werd, wonend aan het Huijgenspark 54a in Den Haag, door de wekkerradio gewekt. Tot mijn ongeloof (wie niet?) hoorde ik het verbijsterende bericht over de moord van John Lennon. Het was de tijd waarin ik nog aan het wennen was aan mijn nieuwe positie. Ik was namelijk, vier weken ervoor, op 3 november 1980 door de gemeenteraad gekozen tot wethouder Ruimtelijke ordening en Stadsvernieuwing van Den Haag. Op deze ochtend had ik de reguliere vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders in de deftige bestuurskamer van het stadhuis aan het Burgemeester de Monchyplein. Er lag een omvangrijke agenda, ook met mijn stukken, maar die ochtend kon ik eigenlijk aan niets anders meer denken dan aan de ‘Radionieuwsdienst verzorgd door het ANP’  met de bizarre mededeling over de dood van John Lennon.

Ik ben opgegroeid met de Beatles. ik kan mij nog herinneren dat de The Beatles eind 1963, begin 1964 doorbraken. Ik was veertien jaar. The Beatles waren in die tijd een muzikale revolutie en zijn dat nog steeds. Heel bijzonder, hoe een muziekgroep in staat is om een tijdperk te veranderen, het leven van miljoenen mensen op een positieve manier te beinvloeden. Ook ik keek uit naar ieder moment dat er een nieuw albuw van de The Beatles zou gaan verschijnen. Nog steeds verzamel ik muziek van de Beatles, kan ik het keer op keer opnieuw beluisteren en ben telkens weer onder de indruk. Ja, misschien nog wel het meest van de witte lp’s. Deze illegale studioopnamen, ik heb er een paar gekocht op een markt in Londen, heb ik door de jaren heen grijs gedraaid (en natuurlijk gedigitaliseerd en verspreid :-). Daar naar luisteren gaf mij het gepriviligieerde gevoel dat ik even in de studio mocht meekijken en vooral meeluisteren. Ik heb er geweldige herinneringen aan. Het meest bijzondere is, te mogen (nou ja, ‘mogen’) luisteren naar de vier bandleden die met elkaar al repeterend werkten aan hun legendarische muziek. Op een van die platen is bijna een hele kant gewijd aan een muziekstuk (Two of Us). Telkens weer die ene zin om de juiste klank en toonhoogte te vatten. Hun oefeningen rolden door mijn werkruimte. Ik kon er, terwijl ik zelf aan het schrijven was, uren naar luisteren.

Manuscript 1984 van George Orwell

Het bracht mij ook terug naar een facsimile van het boek 1984 van George Orwell. In zijn manuscript staan honderden doorhalingen en verbeteringen. Het illustreert de worsteling, die je moet doormaken om tot een meesterwerk te kunnen komen. Net als de The Beatles, was hij bezig met het oneindig optimaliseren van wat begon als een idee. The Beatles gingen dezelfde weg om tot hun klassiekers te komen. Juist die worsteling heeft mij het vertrouwen gegeven, dat uniciteit nooit zomaar onstaat. Er moet hard voor gewerkt worden, je moet het idee doorleven om het opnieuw te kunnen verbeteren. Voor mij een wijze levensles.

Terug naar 8 december 1980. Ik zat dus in het College, vol van het bericht over de dood van John Lennon. ‘Ik moet hier iets mee doen. Ik moet hier iets over zeggen’. Althans dat nam ik mij voor. Ja, ik moest het in het College van B&W opmerken, zodat wij erover konden praten, ja, dat het als feit werd besproken en dus zou worden vastgelegd in de notulen. Bij wijze van spreken, als het vastleggen van onze verontwaardiging, als een soort eerbetoon, als een feit dat wij niet wilden laten passeren.

Maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik was nieuw en jong in een College dat, zo keek ik er toen nog naar, bestond uit leden van een oudere generatie. Al grijs, zou je ook kunnen zeggen. En, nog steeds tot mijn verbazing, durfde ik niet harop te zeggen dat ik geschokt was door het bericht van het ANP over de dood van John Lennon. Dat het ervoor zorgde, dat ik niet met mijn hoofd bij reguliere zaken kon blijven. Er was namelijk iets gebeurd, dat groter was dan de vele problemen die de stad Den Haag, toen nog met haar Oude Wijken, kende. Hier was iemand vermoord die – tegen wil en dank – de morele leider was geworden van allen die tegen de Vietnam oorlog waren. John Lennon, die zong over Revolution maar die ook zei ‘But when you talk about destruction, Don’t you know you can count me out’. De man die samen Yoko Ono het universele vredeslied Imagine schreef. Juist deze man was vermoord! Ik moest iets doen met dit moment.

Tot mijn verbazing heb ik het niet aangedurfd. Blijkbaar nog geimponeerd door de gewichtige en serieuze sfeer, die het college domineerde, kon ik het niet aan om ‘onze’ reguliere vergadering te verstoren met de mededeling dat John Lennon was vermoord. Dat dit mij schokte en dat het ons allemaal zou moeten schokken en wij dus niet konden overgaan tot de orde van de dag. Niet aanvaardbaar.

Het is merkwaardig hoe momenten je leven kunnen bepalen. Al veertig jaar draag ik een gevoel van lichte lafheid met me mee. Ik had in dat College, waar ik toen nog maar vier werken lid van was, de moed moeten opbrengen om te zeggen dat wij nu even moesten stoppen met de reguliere vergadering. Dat wij onze gevoelens over deze verschrikkkelijke moord zouden delen. Dat was wel het minste geweest. Helaas, ik liet het moment bij de rondvraag voorbij gaan, en nog altijd draag ik de onvrede hierover met mij mee. Het voelt nog steeds als laf.

'Niet alleen de popwereld raakte in diepe rouw. Lennon leek groter dan een popmuzikant. Iedereen kende The Beatles, iedereen kende John Lennon. Dagenlang hoorde je op de radio Lennon-liedjes, zijn platen waren niet aan te slepen.' Volkskrant, 7 december 2020

Een Beatle gaat niet geruisloos dood. En zeker John Lennon, als leider van de band en als toonaangevende soloartiest met een boodschap, niet. Dus ‘Dagenlang hoorde je op de radio Lennon-liedjes'. Omdat ik nog in de beginweken van mijn wethouderschap zal was ik blijkbaar extra gevoelig voor invloeden van buitenaf. En zo ontdekte ik dat, van alle Beatles-muziek, ik toch vooral een Lennon liefhebber ben. Zijn muziek, zo vaak ook gekoppeld aan zijn persoonlijke ervaringen, bleken voor mij ook de vragen te zijn die mij bezig hielden. Dat werd nog sterker met de solo-albums van John Lennon en Yoko Ono. Veel van Lennon’s composities (Help, I’m a Lozer, Women, Jalours Guy, Imagine) raken in de meest directe zin het leven zelf. het onttrekt zich aan het muziek die vooral het pleasen van de luisteraar tot doel heeft. Bij John Lennon is het jouw keus om er naar te luisteren. Het is niet gemaakt om behaagd te worden. Nee, John Lennon, daar kwam ik toen achter, wist je te raken met de levensvragen die ook deel van jezelf zijn. Een geweten dus, maar dan niet van een prediker, maar van iemand die in staat is om jou de woorden te geven die het mogelijk maken om vragen bij jezelf te stellen.

Voor mij is dat de legacy van John Lennon. Iemand die met zijn muziek en teksten mij – en miljoenen anderen- een permanente inspiratie heeft gegeven. Zowel in mijn privéleven, als in mijn (politieke) werk. Niet dat het mij gelukt is daarin altijd voorbeeldig te zijn, maar het gaf mij wel een gewenste richting. Heel nadrukkelijk niet religieus, niet van bovenaf geprojecteerd, maar als een referentiekader dat dagelijks opnieuw inspireert.

https://www.volkskrant.nl/editie/20211003/john-lennon-shot-dead-8-december-1980-was-een-dag-vol-woede-ongeloof-en-verdriet~b6091b4d/

En nog altijd leren wij niets.

Share and Enjoy !

Shares

IM – Hans van Dijk, architectuurcriticus, bescheiden op de voorgrond (1948-2021)

Hans van Dijk

En weer kwam de dood onverwacht. Bij het ontvangen van de rouwkaart keek ik verbijsterd in de guitige ogen van Hans van Dijk: ‘Hans schrijft niet meer’ luidde het opschrift. Met Hans van Dijk, prominent architectuurcriticus die het tijdschrift Archis de Nederlandse architectuurkritiek nationaal en internationaal een eigen gezicht heeft gegeven, verliest de architectuurgemeenschap een belangrijk opinieleider.

Het was nog niet zo lang geleden dat wij elkaar – corona-proof – aan de telefoon hadden en ons eigen wel en wee bespraken (zie noot 1) om daarna moeiteloos onze wederzijdse gedachten te laten gaan over de ontmanteling van het Nederlandse architectuurbeleid. Hans toonde zich strijdbaar als vanouds. Zijn ziekte leek onder controle en dus was er weer ruimte voor architectuur. Daarop anticiperend had ik Hans gevraagd of hij zou willen meedenken over de toekomst van de IABR. In een whatsapp-bericht schreef hij mij ‘wat betreft de Rotterdamse Biënnale ga ik je teleurstellen. Ik ga alle energie en tijd die mij nog gegeven is gebruiken om een project af te maken waar ik al enkele jaren mee bezig ben: de rol die 5 à 7 architectuurcritici (mensen als Pevsner, Giedion, Row/Frampton) hebben gespeeld op het architectuurdebat van de afgelopen 100 jaar. Zo kan ik dingen blijven doen waar ik goed in ben en waar anderen misschien nog iets aan hebben.’

Hans Van Dijk leerde ik kennen voordat ik hem kende. Hans was in de jaren tachtig hoofdredacteur van Archis. Het tijdschrift werd algemeen beschouwd als gezaghebbend, onafhankelijk, betrokken, informerend maar bovenal opiniërend. Als hoofdredacteur was hij erin geslaagd om het tijdschrift Wonen/TABK, dat zich onderscheidde in de hoogtijdagen van de stadsvernieuwing en het pad effende voor nieuwe generaties jonge architecten, om te vormen tot een nieuw en aansprekend tijdschrift voor ‘architectuur, stedebouw en beeldende kunst’. Hans zelf was binnen Archis een van de opinieleiders over de ontwikkelingen in de architectuur en stedenbouw. Meer dan eens doorgrondde hij de vaak onnavolgbare besluitvormingsprocessen, waarmee stedenbouwers en architecten te maken kregen.

Ik ondervond zijn scherpe pen in mijn Haagse periode als wethouder Ruimtelijke ordening en Stadsvernieuwing. Wij, in het Haagse, waren aan het eind van de jaren tachtig verstrikt geraakt in het krappe pak (23-22 zetels!) van een progressief College. De interne verschillen van inzicht brakken ons ‘progressieven’ op bij de besluitvorming voor een nieuw stadhuis. Hans van Dijk schreef daarover in een editorial met de titel: ‘Het benodigd draagvlak voor bestuurlijke visie’. In een kraakheldere analyse ging hij in op de wenselijkheid van de combinatie van ‘ontwerptalent en politieke daadkracht’. Maar ‘De Haagse affaire leert echter dat een dergelijke verbinding pas succes oogst als aan twee voorwaarden is voldaan’. Dat hield voor Hans van Dijk in, dat naast het ‘steun en rugdekking geven aan architecten en stedenbouwers’, een bestuurder zich dient te verzekeren van ‘een brede politieke basis’. De boodschap was duidelijk. Stedenbouw en architectuur vergen een lange adem en dienen uit te stijgen boven de politieke conjunctuur van de dag. En ‘deze kunnen het beste gedijen in een homogeen en stabiel afspiegelingscollege’.

In hetzelfde nummer van Archis schreef Hans van Dijk een beschouwing over het werk van Jo Coenen onder de titel ‘Geografie en eclecticisme’. Het vraaggesprek met Jo Coenen, onder de titel; ’ik ben nu voornamelijk bezig de zwaarte uit het werk te halen. En dat lukt’. Het interview trok meer dan mijn gewone aandacht. Het ontwerp voor het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) van Jo Coenen was in september 1988 gekozen om gerealiseerd te worden en ik zat in de procedure om een rol te gaan spelen in dit nieuwe prestigieuze instituut. Nog in hetzelfde jaar volgde mijn benoeming als de eerste directeur van het NAi. Twee taken gaf het bestuur mij mee. Het realiseren van het bouwplan van Jo Coenen in het Rotterdamse Museumpark en de dragers van het NAi, de Stichting Wonen TA/BK (waaronder Archis), het Nederlands Documentatiecentrum voor Stedenbouw en Architectuur en de Stichting Architectuurmuseum, om te vormen tot één samenhangend architectuurinstituut. Zelf gaf ik mij nog een extra opdracht mee. Want naast de traditionele taken als tentoonstellingen, publicaties en de documentatie van archieven van vnl. architecten, wilde ik dat het instituut inhoud zou gaan geven, aan wat Hans van Dijk ‘draagvlak’ had genoemd bij het publieke opdrachtgeverschap in de stedenbouw en de architectuur. Maar zelf niet komend vanuit de binnenste cirkel van het vakgebied, was de hoe vraag nog niet zo eenvoudig.

NAi, Stafbijeenkomst in Den Treek :
Ruud Brouwers (links) en Hans van Dijk (rechts)

Hans van Dijk geloofde hartstochtelijk in de komst van het NAi. Bundeling van het versplinterde landschap in de architectuur zou het draagvlak doen toenemen. En aan dat ideaal wilde hij dienstbaar zijn. Hij hechtte – en dat is een zeldzaamheid – niet aan functies of status. In ons eerste gesprek liet hij mij weten ook inzetbaar te zijn op andere plekken in het instituut. Ik kon mij geen betere medewerker wensen. Met Hans in de staf kon het NAi zich verbredend in de door mij gewenste richting. Hans van Dijk kreeg als hoofdtaak Programmaontwikkeling. Voor Archis was dit ook een kans op doorontwikkeling. Met het vrijkomen van de functie van hoofdredacteur en de benoeming van Geert Bekaert, vermaard Belgisch kunst- en architectuurcriticus, kon Archis een nieuwe dimensie krijgen.

Hans van Dijk was, als oud-hoofdredacteur, gewend om te denken in concepten en ontpopte zich als een denktank in zichzelf. Hij bleek goud waard te zijn bij het opzetten van tal van maatschappelijk georiënteerde programma’s die erop gericht waren om het draagvlak voor de stedenbouw en architectuur bij opdrachtgevers te vergroten. Maar ook was hij de man die het vakgebied uitdaagde om te komen tot inhoudelijke verdieping. Hans, die beschikte over een oneindige bron van kennis en contacten, maakte het mogelijk, om naast de klassieke basistaken als tentoonstellingen, publicaties en het beheer van de collectie, nieuwe groepen aan te boren. Het NAi werd daarmee een plek die meer was dan de optelsom van de drie Founding Fathers.

1992: Japanreis (NAI Fonds voor Beeldende Kunst en Bouwkunst – Hans van Dijk – derde van rechts

Het is niet echt nodig om alle wapenfeiten van Hans van Dijk op te sommen in de tijd dat ik met hem mocht samenwerken. Maar enkele wil ik toch even noemen. Hans van Dijk was mijn sparringpartner bij het Beleidsplan 1991-1960 van het NAi waarmee zowel de diepte als de breedte verdiepte van het architectuurinstituut. Met het programma ‘Architectonische kwaliteit als opdracht voor openbaar bestuur’ (1991) werden tientallen gemeentebestuurders bewust gemaakt van hun rol in het keuzeproces van de stedenbouw en architectuur. Een vergelijkbaar programma zette hij op in de Praagse Burcht nadat de schrijver Václav Havel met zijn fluwelen revolutie een einde had gemaakt aan het communistisch bewind. Hans van Dijk bleek bij uitstek de persoon die beschikte over het vermogen om zijn vrijwel oneindige kennis van het vakgebied en de vele persoonlijke contacten in de (inter-)nationale architectuurgemeenschap in te zetten om het nieuwe NAi midden in de samenleving te plaatsten. Daarbij ging hij ook op het vakgebied zelf geen uitdaging uit de weg, Met de studiereis van 18 jonge Nederlandse architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten naar Japan (1992), georganiseerd door het van het NAi en het Fonds voor Beelden Kunst en Bouwkunst, werd gebroken met het fenomeen van individuele reissubsidies en werd er voor het eerst gekozen voor samen leren en ontdekken. Met zijn project ‘Architecture and Legitimacy’, (1995) stelde hij vragen over het vakgebied zelf. Dat alles is niet altijd eenvoudig geweest, maar dat was nooit ook zijn doel.

Hans van Dijk (links) In Praag met de toen nog jonge architecten Kees Christiaanse, Arne van Herk en Margreet Duinker

Hans van Dijk, het is gek om over hem te schrijven in de verleden tijd, was onomstreden gezaghebbend maar in al zijn activiteiten stond hij bescheiden op de voorgrond. Voor hem ging het niet om zijn persoon. Zijn succes was er wanneer hij erin was geslaagd om ‘steun en rugdekking te geven aan architecten en stedenbouwers’ in hun dagelijkse strijd om hun ontwerp betekenis te geven en weerbaar te zijn in het krachtenspel die de bouwmachine ook is. Centraal stond een goed klimaat voor architectuur en Stedenbouw. Archis en later het NAi was nooit doel maar middel. Hij kon dan ook niet begrijpen dat met zo’n groot gemak de Nederlandse politiek het liet gebeuren dat men afscheid nam van het NAi en dit omvormde tot Het Nieuwe Instituut.

In ons laatste contact vroeg Hans van Dijk zich openlijk af; is er nog ‘enig draagvlak voor welke culturele dimensie dan ook?’. Maar, strijdbaar als altijd, was het stellen van de vraag, voor Hans van Dijk, ook het geven van een antwoord. Centraal in dat antwoord de rehabilitatie van ‘zijn’ NAi. Of, zoals hij mij schreef, ‘als ik het nog eens mocht meemaken: het HNI wordt ontvlochten, de kosten van de architectuur collectie bij de overheid laten, (‘goede huisvader’) en de culturele activiteiten financieren door een soort Maaskantfonds gevormd door een miljoenen-beginkapitaal gevormd door een aantal legaten en (institutionele) sponsors kunnen bijdrage.  Bondgenoten zoeken bij mensen die geld over hebben. Saskia van Stein tot eerste directeur benoemen.’ (18 november 2020). Of het op korte termijn zover zal komen denk ik niet maar een wens van Hans in al wel vervulling gegaan. Met ingang van oktober zal Saskia van Stein het directoraat van de IABR op zich nemen. Saskia kan het zien als een gunstig voorteken. Zij had geen  betere referentie kunnen krijgen.

Hans van Dijk is, was een zeldzaam innemende persoonlijkheid. Een mens die de totale architectuurgemeenschap: bestuurders, stedenbouwers, architecten, historici en critici, met zijn onafgebroken en onbaatzuchtige inzet ‘Voorbij het Gangbare’ ( 2) heeft uitgetild.

Dankbaarheid is hier op zijn plaats.

Adri Duivesteijn. Eerste directeur van het Nederlands Architectuurinstituut. (1989-1994)

8 september 2021


  1. Op dinsdag 20 april j.l. stuurde Hans mij nog de publicatie van Susan Sontag, Ziekte als Metafoor – Amsterdam de Arbeiderspers, 2019, 20,99 euro (oorspr: Illness as metaphor, 1978). Het is een indringend relaas over de beelden waar kankerpatienten mee te maken hebben. In October of 1977, Susan Sontag delivered one of the institute’s five James Lectures for that year. Her topic was “Illness as Metaphor”. She explored the truth that it was no longer possible, as she wrote, “to take up one’s residence in the kingdom of the ill unprejudiced by the lurid metaphors with which it has been landscaped.” Though she did not directly reference it, she herself was being treated for breast cancer at the time. The lecture was published in 1978, first as three essays in the New York Review of Books, and then as a book. It went on to become one of Sontag’s best-known pieces of writing.
  2. Voorbij het Gangbare. Publicatie van de Werkgroep 5×5 (1991)

Share and Enjoy !

Shares

1+1 wordt 1 Verdwijnt met ‘GrootLinks’ ook het sociaal democratische gedachtengoed?

Ruim zes maanden na de verkiezingen lijkt de formatie maar over één ding te gaan, namelijk: wie wil er met wie in zee?. Rutte en Hoekstra willen niet met twee linkse partijen in zee. D66 wil niet verder de ChristenUnie. En de PvdA en GroenLinks hebben een ‘samen uit, samen thuis’ opstelling gekozen. En zowaar, de afgelopen week kwam er een opening. Nee, niet van rechts, maar van links. De leiders van GroenLinks en de PvdA hadden een slim plan bedacht op het veto van Rutte en Hoekstra, namelijk 1 + 1 wordt 1. Samen in één enkele fractie met één links geluid. En weg was de grondslag van het bezwaar van VVD en CDA. En open is de weg naar regeren. Toch?

Ik heb niet vaak zo’n inhoudelijk lege en ondoordachte zet gezien op het schaakbord van een kabinetsformatie. Ik kon dan ook niet nalaten mijn commentaar in een tweet onder woorden te brengen, te weten:

VVD en CDA eisen blokvorming van TK- fracties @PvdA @GroenLinks in een nieuwe coalitie. En de fracties lijken daarin mee te gaan. Kortom het einde van de PvdA is ingezet. Weg geschiedenis, traditie en sociaal democratie. Politiek wordt gewoon links of rechts-liberalisme. Jammer!

En wat een respons. In korte tijd liep het aantal weergaven op tot boven de 89.000 met wel zo’n 3.800 interacties. Nu zie ik heel goed de betrekkelijkheid van de snel oplopende emoties via de snelweg op onze tegenwoordige sociale media. Maar een indicatie van de verbazing – zeker bij veel PvdA-kiezers! – laat het wel degelijk zien.

En die onrust is begrijpelijk. Want wat op het eerste gezicht zo slim lijkt, namelijk: we doen net alsof wij één fractie zijn, kan materieel grote gevolgen hebben voor links. Waar straks Rutte en Hoekstra elk afzonderlijk aan tafel zitten tegenover ‘GrootRood’, komt deze stap neer op een versterking van de positie van rechts. D66 krijgt een hoofdrol in het midden en wordt keer op keer gedwongen om ‘redelijk’ te zijn. Maar wat is redelijk bij een progressief-liberale partij, waar links wellicht radicaal wil zijn? Dat wordt voor hen dus telkens kiezen.

Waarom laat links zich op deze wijze in de onderhandelingen al marginaliseren? Het kan bijna niet anders worden uitgelegd, dan dat de drang van beide fractievoorzitters om te gaan regeren domineert. Voor hen, het lijkt wel nu of nooit, is de drang groot om hun partij een rol te geven in de uitvoerende landelijke politiek. Maar waar is de inhoud en tegen welke prijs? Politiek gaat niet alleen over macht maar vindt zijn kracht in de inhoud. Ik verbaas mij erover dat bijna zes maanden na de verkiezingen, de onderhandelaars – op ‘Omtzigt, functie elders’, en het ‘Voltooid leven’, na – hun inhoudelijke inzet nog steeds niet hebben prijsgegeven? Hoezo transparante politiek? Je hoeft niet terug te verlangen naar de tijden dat Jaap Burger informateur was, die gaf met zijn – grotendeels – openbare brieven het formatieproces wel een uitzonderlijke transparantie. In die tijd was politiek was niet slechts voorbehouden aan enkelen, maar iedere kiezer kon – al dan niet genietend – meekijken wat Den Haag met haar of zijn stem aan het bekokstoven was. Het was een openbaar schouwspel dat uitmondde in het eerste progressieve kabinet met Joop Den Uyl als premier. Vandaag is het alsof we weer zijn teruggekeerd naar de tradities die de formaties in de zestiger jaren kenmerken. Van rechts tot links is er nu een grote zwijgzaamheid, met telkens weer dezelfde lachende gezichten van de onderhandelaars op het Binnenhof vol met nietszeggende antwoorden. De kiezers, die staan in de wachtstand, net als de leden van de afzonderlijke partijen. Het Binnenhof, straalt op deze momenten met in het middelpunt het zichzelf gegeven mandaat, om vooral achter de schermen met het schaakspel bezig te zijn. Het is dus stilte alom over de inhoudelijke inzet van de partijen en een mogelijke coalitieprogramma. Maar nu is dan deze, geheel onverhoedse, strategische zet die de vorming inluidt tot één progressieve fractie van GroenLinks en PvdA.

Dus terug naar de opgeworpen blokkade van VVD en CDA. Voor mij kwam deze linkse samenzang als een konijn uit de hoge hoed. Door van tweeën één, te maken wordt de prijs van twee afzonderlijke partijen ingeleverd. In dit stadium een hele hoge en onverstandige prijs. Want, deze door rechts afgedwongen ‘linkse’ samenwerking, maakt dat wij bij een toetreding tot Rutte IV, ook onvoorwaardelijk als één fractie en dus als een politieke entiteit verder moeten! Dat is een knieval, die naar mijn idee volstrekt overbodig is. Immers het adagium ‘samen uit, samen thuis’ is genoeg om effectief een vuist te maken. En als de twee rechtse partijen niet met twee linkse partijen willen praten, dan staat het hun vrij om op bezoek gaan bij de PVV en FvD. Ik zou ze daarmee veel succes toewensen. Maar, nee hoor, blijkbaar is ook voor links politiek succes synoniem aan ‘deelnemen aan een kabinet’. De redenering lijkt ‘er is veertig miljard te verdelen en daar willen wij bij de verdeling ervan deel uitmaken’. Alsof de kern van de parlementaire democratie – met haar budgetrecht – niet het parlement zelf is. In onze democratie zit daar de macht waarmee zeker ook eclatante resultaten bereikt kunnen worden. Hoe dan? Kijk heel even mee naar de inzet van Pieter Omtzigt (voorheen CDA) en Renske Leijten (SP). Wat zij vanuit hun rol als parlementariërs hebben bereikt is fenomenaal. Zij lieten het ware parlementaire vakmanschap zien van de klassieke volksvertegenwoordiger. Even eerlijk, wie van de huidige 150 leden heeft een vergelijkbare staat van dienst, dan wel bezit de kracht, om op gelijke wijze woorden om te zetten in daden?

Politiek moet en kan in het Parlement zijn betekenis krijgen. In een grote mate van geestelijke vrijheid en los van belangenverstrengeling. Het ontbreken daarvan in de periode Rutte II, heeft de politieke positie van de PvdA dramatisch opgebroken. Het is de tijd dat de fractieleiding meende van bovenaf ieder detail aan haar kamerleden te kunnen voorschrijven. Hierdoor moesten veel van de door de PvdA gedane beloften aan de eigen kiezers wijken voor een hoger doel, waarbij sanering van de staatsschuld leidmotief was. Dat kwam de PvdA te staan op een genadeloze afstraffing: van 38 naar 9 zetels! Tot aan de dag van vandaag draagt de PvdA dit verlies aan kiezers met zich mee. Zelfs een, naar mijn mening, zeer overtuigend optredende Lodewijk Asscher kon bij een deel van de eigen partij deze erfenis niet ongedaan maken. En kijk nog even naar naar GroenLinks: een veelbelovende Jesse Klaver, in de oppositie, was zowel verantwoordelijk voor de grootste overwinning (2017: 14 zetels) als voor het grootste verlies (2021: 8 zetels). Nu zijn het twee politieke leiders van partijen die smachten naar regeringsdeelname in de hoop op eerherstel. Het zal ongetwijfeld allemaal goed bedoeld zijn, maar waar zijn zij mee bezig? Wat is nu eigenlijk hun inzet? Voorlopig zijn Rutte en Hoekstra de spelbepalers in de formatie. Voor hen geldt dat twee linkse partijen met een eigen partijpolitieke identiteit te veel is. De oplossing om dan maar van twee één te maken, getuigt van van naïviteit en is op termijn vooral desastreus voor de houdbaarheidsdatum van de PvdA. Sterker, op deze wijze wordt in stilte afscheid genomen van de PvdA als autonome sociaaldemocratische partij. ‘Laten wij ons verenigen. Samen staan wij sterk, want wij zijn toch allemaal links’ is het adagium. Maar zo is het niet. De traditie van de PvdA, is een fundamenteel andere dan die van GroenLinks. De PvdA is deel van een arbeidersstrijd die ruim 100 jaar beslaat. Haar ideologisch gedachtegoed raakt de verhouding van kapitaal en arbeid. En dat is bij uitstek een internationale strijd, die in het geheel nog niet is gestreden. Onze principiële gedachten over de inrichting van de Overheid en de Verzorgingsstaat zijn radicaler dan die van GroenLinks. Het zijn maar enkele van de sociaaldemocratische waarden, die via de PvdA – maar, eerlijk is eerlijk, zeker ook door de SP – binnen het Parlement zelf een eigen geluid en kleur krijgen en daarmee het debat verdiepen.

Natuurlijk heeft de PvdA veel gemeenschappelijk met GroenLinks. En zeker is het zo, dat GroenLinks het voortouw heeft genomen in het grote vraagstuk van het klimaat van onze aarde en hebben zij, meer dan de PvdA, het thema van de duurzaamheid inhoud en betekenis gegeven. Juist die verschillen maken dat wij elkaar aanvullen. Maar dan nog, zijn er tussen beide partijen grote cultuurverschillen. En beiden zijn ze de moeite waard. Vaak vullen zij elkaar aan, maar de twee zijn nadrukkelijk niet één partij met een gelijk gedachtengoed. Ja, ik was en ben voor linkse samenwerking. Als mede-initiatiefnemer in 2001 van Een Ander Nederland probeerde ik de PvdA, GroenLinks en de SP bijeen te brengen. De Fortuyn-revolutie veranderde in 2002 echter het politiek landschap. En wat mij betreft zoeken wij nu vooral op kernpunten de meerwaarde van de drie linkse partijen. Verder zou ik zeggen ‘schoenmaker blijf bij je leest’. Twee – liever drie – autonome linkse partijen, twee – liever drie – politieke identiteiten, twee liever drie – energiebronnen: in een goede dialoog zijn beiden – liever alle drie – sterker.

Tot slot, en dat is niet het het minste blijkbaar hebben de twee fractievoorzitters over het hoofd gezien, dat ons kiesstelsel is ingericht als een representatieve democratie met een lage kiesdrempel. Anders gezegd, de toegang tot een zetel in de Tweede Kamer is laag. Zie ook de recente verkiezingsuitslag. Ons kiesstelsel stimuleert helemaal geen blokvorming, niet van rechts of links. Het is een rudiment uit de tijd dat elke christelijke partij de ‘soevereiniteit in eigen kring’ opeiste en dus ook recht kreeg op hun vertegenwoordiging in het parlement. We zagen al een explosieve versplintering op rechts. Er is inmiddels een veelvoud aan ‘liberale’ smaken. Maar ook links is geërodeerd (om van het autonome verlies maar niet te spreken). Slechts de VVD heeft nu nog een forse uitgangspositie (2021: 34!) maar kent zo haar afsplitsingen die respectabele vormen aannemen, (2021: PVV 17 zetels). Enkel al deze afsplitsingen zijn in zetelaantal groter dan de twee linkse partijen tezamen. Zolang er geen kiesdrempel is zullen de eenlingen nieuwe partijen kunnen stichten en ook uitgroeien tot grote partijen. Het is niet moeilijk te voorspellen dat bij GroenLinks en de PvdA nieuwe kansrijke afsplitsingen zullen ontstaan als gevolg van het verlies aan eigen identiteit. Links onderschat de waarde – en dat is verbazend in deze tijd – van het behouden van de eigen politieke identiteit, en dus ook de schade bij het verlies ervan. Deze strategische zet in deze formatie zal – naar mijn gevoel – vooral de PvdA gaan opbreken. En dat alles om deel uit te maken van Rutte VI. PvdA en GroenLinks hadden een klip en klare streep getrokken. Die was en is helder. Samen Uit, Samen Thuis of anders doen wij niet mee. Het is een eenvoudige keuze. De achterliggende politieke vraag is natuurlijk of wij, op deze manier wel met de VVD en CDA willen samenwerken? Of dat zo langzamerhand nieuwe verkiezingen niet een betere optie zijn.

‘Politiek – dat is kwestie van willen, van iets willen. Sociaal democratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren’, aldus mijn grote inspirator de Zweedse sociaal democraat Olof Palme. Voor mij gaat politiek primair om de inhoud en de kansen die er zijn tot fundamentele veranderingen. Ik heb nog geen stuk gezien. Wat is die gezamenlijke inzet? Voorlopig staat vooral de VVD in de formatie op winst. Sinds Paars hebben zij hun organiserende principes van een neoliberale samenleving tot in de haarvaten van ons samenleven weten te verankeren. De toeslagen-maatschappij is daarvan misschien de meest schokkende en schrijnende illustratie. En dat is nog maar één illustratie van een steeds verdergaande repressieve overheid. En zolang dat nog het geval is vormt het gedachtegoed van de sociaaldemocratische beweging binnen de PvdA voor mij nog het beste uitgangspunt voor het bestrijden van de neoliberale inrichting van onze samenleving. En laat duidelijk, zijn daarin samen optrekken, een vuist maken in het parlement is ook voor mij een vanzelfsprekendheid. Samen sterk!

Adri Duivesteijn

Share and Enjoy !

Shares

Een open brief aan de Haagse Gemeenteraad over het Spuiplein

Het Spuiplein in afwachting van haar inrichting, open of gefixeerd in gebruik?

Den Haag, 18 augustus 2021,

Geachte leden van de Gemeenteraad,

De keuze van onze gemeenteraad om rond het Spuiplein, op de locatie waar zand en veen elkaar ontmoeten, zowel culturele functies als het stadhuis-bibliotheek, te concentreren was een principiële keuze om daar in onze stad een unieke plek van samenkomst te maken. Hier zouden de burgers, vanuit alle rangen, standen en achtergronden, elkaar op een volstrekt natuurlijke manier kunnen ontmoeten.

Even terug in de tijd. In de tachtiger jaren kozen onze voorgangers in de gemeenteraad voor de stedenbouwkundige visie van de architect Carel Weeber. Daarin stond een open Spuiplein centraal. De invulling ervan begon als een exclusieve vestigingsplaats voor het Residentie Orkest en het Nederlands Danstheater (RO/NDT). Met de komst van het Theatercentrum (Margetheater) en het Filmhuis groeide het idee van een cultuurplein. Het effende ook de weg naar de vestiging van het Stadhuis, de Centrale Openbare Bibliotheek en het Gemeente Archief. Met Amare ontstaat er een verdere verbreding. Nu komt er, door een superieure interventie van ons stadsbestuur, een cultuurpaleis met een veelvoud aan zalen voor muziek en dans. Het Residentie Orkest, het NDT en het Koninklijk Conservatorium vormen weliswaar het middelpunt, maar er zal veel meer zijn dan dat. Vanaf dit najaar zullen hier maar liefst 6500 bezoekers per dag (!) kunnen genieten van de avonturen die de kunsten ons bieden. De andere publieke functies rond het Spuiplein zullen daar bovenop nog eens een veelvoud aan bezoekers en activiteiten genereren.

Het Spuiplein zelf zal het hart vormen. Dat plein open van karakter, zou telkens van kleur veranderen door een oneindige trits van activiteiten, voortkomend uit de energie van de stad zelf. Dat Spuiplein zou daarmee qua functionaliteit te vergelijken zijn met het atrium in het Haagse stadhuis. Laten wij daarom kijken naar het atrium van het stadhuis. Dat binnenplein in ons centrum is in zichzelf al van een grote schoonheid. Maar de echte schoonheid zien wij als het zich opent door een veelsoortigheid aan activiteiten. Hierdoor komt het atrium werkelijk tot leven. Hier is de zetel van ons stadsbestuur, de plaats waar burgers toegang hebben tot de dienstverlening van hun gemeente, en het is de plek waar burgers kunnen trouwen, aangifte doen van de geboorte van hun kinderen of het overlijden van hun naasten. Hier komen levenslijnen samen.

In de avond en het weekend verandert alles en zien wij een rijkdom aan activiteiten. Maar nu is het een plek waar Hagenaars en Hagenezen elkaar ontmoeten. Het was juist deze functie die in 1989 doorslaggevend was bij de keuze voor dit nieuwe stadhuis. In dit ontwerp kon de stad haar huiskamer krijgen. En het werkt! In de afgelopen 25 jaar is het Atrium van ons Haagse stadhuis een ontmoetingscentrum voor een veelvoud van culturele, educatieve, maatschappelijke en commerciële evenementen met een keur van manifestaties en tentoonstellingen. Het hoogtepunt is de jaarlijkse kerst-sing-along met maar liefst 1100 deelnemers. Deze is juist zo spectaculair, omdat het geen andere pretentie heeft dan samen zingen en juist daarvan met elkaar te genieten.

Zoals het atrium hét binnenplein is, kan het Spuiplein hét buitenplein worden van ons centrum. Ook dit kan een plek van samenkomst zijn in tal van verschijningsvormen. Maar dat zal het alleen kunnen zijn, wanneer de inrichting van het Spuiplein dat ook toestaat. Ja, net zoals het atrium van het stadhuis de stad en haar burgers expliciet uitnodigt de plek in gebruik te nemen. Biedt het Spuiplein die potentie?

Naar mijn mening zal het voorliggende inrichtingsplan deze pretentie niet kunnen waarmaken. Waarom niet? Omdat het nieuwe Spuiplein vooral uitnodigt tot ‘flaneren, zitten en kijken’, en dat vooral van de bezoekers van aanliggende instellingen. Hoe kan dat?  Ik verbaas mij er over. Het lijkt wel of is nagelaten een program van eisen te schrijven op het niveau van de stad. Waarom is de uitdaging uit de weg gegaan om te denken in verschillende ontwerpvisies, zoals dat voor het Stadhuis en het Cultuurpaleis wel is gebeurd?  Nu is het vooral een proces van goede bedoelingen, waarin – met een overmaat van klankbordgroepen en overlegbijeenkomsten al polderend een synthese is gezocht tussen een veelvoud van opvattingen en deelbelangen. De vormgeving heeft daardoor het karakter van een buurtplein. Dit Spuiplein is historisch gesproken de kans om de zo hardnekkige tweedeling tussen Hagenaars en Hagenezen in onze stad te verzachten. Het zou daarmee in potentie de meest democratische plaats van samenkomst kunnen worden voor zowel ’s-Gravenhage als Den Haag.

Dat zal het nu niet worden. Kijk alleen al naar de materialisering van het voorliggende ontwerp. Het Spuiplein is statisch. De bloembakken met de betonnen randen zijn intolerant en laten geen enkele andere functies toe dan het genoemde ‘flaneren, zitten en kijken’. Waar het plein wel open is, is het een restruimte die vanaf het Spui zelf niet zichtbaar is. Natuurlijk op de presentatietekeningen oogt het ontwerp – in de bloei van de verbeelding naar de gedroomde toekomst – zacht en vriendelijk. In de harde werkelijkheid is het stug, sterk afhankelijk van de seizoenen en intensief onderhoud. Het Spuiplein zal nooit zo glorieus ogen als is gepresenteerd. In het klein zie ik hetzelfde met het Wagenplein en de aangrenzende rechterzijde van de Stationsweg. Daar zijn cirkelvormige bloembakken geplaatst en dat is een regelrechte mislukking. Wat voorheen een serene open ruimte was met mooie bomen waar altijd gespeeld kon worden dan wel plaats was voor culturele activiteiten, is deze plek nu van niemand meer. Zelfs niet van de beheerders die er overigens nauwelijks verschijnen.

Hoe dan wel? Laat ik maar dicht bij huis blijven. Laten wij voor het Spuiplein teruggaan naar de basisgedachte van De Kern Gezond. Kijk naar het Plein en de Plaats. Daar staat de openheid van de plek centraal. De terrassen worden gecombineerd met majestueuze bomen. Deze openheid laat toe dat er telkens weer andere activiteiten mogelijk zijn. Anders gezegd, maak een vergelijkbaar bescheiden inrichtingsplan met bomen dat in zichzelf een schoonheid uitstraalt en welke – net als het Atrium – open van karakter is, waardoor de bewoners  en haar organisaties met een veelvoud van activiteiten de kans krijgen om er te zijn.

Oh, Oh, Den Haag, mooie stad achter de duinen. De Schilderswijk, de Lange Poten en Het Plein’.  

Het is natuurlijk aan u om te beslissen. Maar ik zou het waarderen wanneer ons Spuiplein in de toekomst een plek zal zijn waar Hagenaren en Hagenezen van allerlei pluimage zich thuis voelen en zich laten verrassen met kleine en grote gebeurtenissen.

Tot slot, ik hoop op een vrije keus binnen uw gemeenteraad.

Met collegiale groet,

Adri Duivesteijn, Oud-Gemeenteraadslid van ons mooie Den Haag

16 december 2018 – Kerst Sing Alone in het Atrium



De kern Gezond over het Spuiplein: ‘Gezien de vele richtingen die op het plein een rol spelen en hoogte van de bebouwing van de omringende bebouwing is gekozen voor een leeg plein waarop één belangrijk object is gesitueerd’ – Juni 1988

Bruisend Plein, That’s the Question!

Share and Enjoy !

Shares

Geef Den Haag een Spuiplein waar Hagenaar en Hagenezen elkaar cultureel ontmoeten!

Onder aan deze opinie komt u informatie tegen over eerdere presentaties over het ontwerp voor het Spuiplein zoals deze in beeld zijn gebracht door het Platform STAD. Tevens komt u enkele reacties tegen n.a.v. mijn opinie waaronder die van de directeur van het genoemde Platform op LinkedIn.

Het was in de jaren tachtig toen de nieuwe gemeentesecretaris Koos van Beuzekom zich afvroeg: ‘Waar moet een Hagenaar naartoe als er een revolutie komt?’ Hij doelde op het introverte ’s-Gravenhage dat in zijn historisch centrum wel veel openbare ruimten kent, maar geen echt plein waar alle stadsbewoners samenkomen. Hij verwees naar Maastricht met het Vrijthof of Delft met de Grote Markt. Pleinen waar iedereen komt, zich gewenst voelt en waar altijd wat te doen is. Het was de tijd waarin ik als wethouder verantwoordelijk was voor de keuze van het stedenbouwkundig plan van architect Carel Weeber voor het Spuikwartier. Zijn keuze voor een open plein sprak mij aan. En, als het al mogelijk was om met een ingreep iets van de gefragmenteerdheid van Den Haag op te lossen, dan was het op deze plek.

Plan Weeber in 1980, de belofte van een nieuw Spuikwartier met een open plein naar de stad.

Het plan-Weeber zou een begin zijn van een ontwikkeling van wat nu het bestuurlijke en culturele hart van de stad genoemd wordt. De combinatie van Nieuwe Kerk, Theater aan het Spui, Filmhuis, Pathé, stadhuis/bibliotheek en Amare (concert- en danszaal en conservatorium) garandeert dat het Spuiplein dagelijks door duizenden mensen zal worden bezocht. De eens zo introverte stad Den Haag, gebouwd rond het besloten Binnenhof, opent zich dan als een bloem die tot bloei komt. Wit en zwart, hoog en laag, klein en groot zullen er samenkomen. Daarmee wordt het Spuiplein, op de as Spui-Hofweg-Kneuterdijk, de meest democratische ontmoetingsplaats die Den Haag met ’s-Gravenhage, Hagenaars en Hagenezen, samenbrengt.

Fantasieën

Tenminste, dat dacht ik, totdat ik recent het ontwerp voor de inrichting van het Spuiplein onder ogen kreeg. Waar mijn fantasieën uitgingen naar een stedelijk plein dat een eigen toegevoegde waarde zou hebben in de culturele programmering van de stad, dreigt nu het tegendeel te gaan gebeuren. Ik dacht al die tijd aan openluchtconcerten van muziekgezelschappen uit de vele Haagse culturen, festivals met drumbands en harmonieorkesten, draaiorgelconcoursen, vendelzwaaien uit heel Europa, een ijsbaan in de winter en, jazeker, demonstraties tegen van alles en nog wat.

Spuiplein in de tijd waarin het RO/NDT nog het beeld vormde. Een plek van samenkomst voor de stad.
Foto: Joop ten Velden

Maar nee hoor, vergeet het maar. In de toelichting van de vormgevers is de basisgedachte voor het Spuiplein ‘vertraging en onthaasting’. Twee kwaliteiten die juist het kenmerk zijn van het Korte Voorhout, Lange Voorhout en de Lange Vijverberg op loopafstand van het Spuiplein. Maar ook het Spuiplein zal een plek in de stad moeten worden die zich onttrekt aan de drukte van de stad, een plaats ‘waar tussen de bomen, het groen en het water, ruimte is voor kleine programmeringen en events die gerelateerd zijn aan de culturele instellingen.’

Ik probeer te begrijpen wat dat is en zie op de tekening een tweetal verblijfsplekken waar passanten, zittend op de betonnen randen van langgerekte bloembakken, aan weerszijden van een minimalistische vijver met planten, even kunnen bijkomen van de hectische dynamiek van de stad. In het gunstige geval worden zij tijdens de lunch en het weekend vergast op wat straattheater of een klein orkest. Grootschalige culturele activiteiten worden met deze inrichting nadrukkelijk fysiek onmogelijk gemaakt. Wat een gemiste kans! Den Haag mag dan wel geen stadsrechten hebben, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat er in het hart van de stad een dorpsplein moet komen.

Een zomerse middag op het Spuiplein – presentatie tekening van OKRA. In de toelichting van de vormgevers is de basisgedachte voor het Spuiplein ‘vertraging en onthaasting’.

Centre Pompidou

Den Haag, bestuur van de stad, spiegel je bij het Spuiplein aan het Centre Pompidou in Parijs, of Piazza del Campo in Siena, de Grote Markt in Brussel, het Plein van de Oude Stad in Praag of Leicester Square in Londen. Maar als dat allemaal te groots is, kijk dan naar ons eigen Plein. Het zijn allemaal intieme pleinen met bomen en terrassen, maar, en dat is de essentie, waar openheid de ruimte biedt aan een eindeloze reeks van culturele en sociale activiteiten. Laat toch het Spuiplein een uitnodiging zijn aan de stad om hier met elkaar actief te zijn. Elkaar hier te ontmoeten om samen één samenleving te zijn. En ik zeg het Koos van Beuzekom na: geef de Hagenaar het plein waar zijn culturele revolutie een kans kan krijgen.

Centre Pompidou, voorbeeld van een publiek plein met een eigen culturele programmering in de stad

Let wel, het gemeentebestuur van Den Haag heeft in de laatste veertig jaar iets heel bijzonders gedaan, namelijk aan de stad het centrum gegeven dat toebehoort aan allen. Ik ken maar weinig steden die zo’n concentratie van bestuurlijke en culturele voorzieningen hebben samengebracht op één centraal plein. Als dit najaar het cultuurpaleis Amare in gebruik wordt genomen, wordt het Spuiplein medebepalend voor het karakter van de stad. Daarmee is een stadsbelang gemoeid. De vormgeving van het Spuiplein mag dan ook geen optelsom zijn van deelbelangen die in de acht (!) klankbordgroepen zijn meegegeven.

Parelketting

Gemeentebestuur, doe dat een vormgever toch niet aan. Stel als verantwoordelijke je programma van eisen vast en laat een topontwerper een mooie en elegante openbare stadsruimte maken met een bijbehorende chique bestrating van edele materialen, zorgvuldig aangebracht in een schitterend patroon, mooi bol zodat er na regen geen plassen blijven staan. Een plein dat schoonheid uitstraalt en telkens weer, door een veelvoud van menselijke activiteiten, van kleur verandert. Dat Spuiplein kan dan stralen aan de rijke parelketting van Haagse pleinen, plaatsen en plekken op de as Spui-Hofweg-Kneuterdijk. Een as die het eveneens verdient om te worden opgewaardeerd.

April 2021, wordt het Spuiplein gemarginaliseerd tot een plek waar ‘ je kan ontrekken aan de ein voor

En mocht u twijfelen, las dan een denkpauze in. Formuleer een vrije opdracht voor ontwerpers om een visie te geven op en een schetsontwerp van het Spuiplein in te dienen. Zet de mooiste ontwerpen in het Atrium – ook een voorbeeld van een mooie openbare (binnen)ruimte waar telkens weer van alles kan – en laat de bevolking haar mening geven. Neem als bestuur daarna een weloverwogen beslissing. Het is een methode die juist op het Spui al eens haar diensten heeft bewezen.

Adri Duivesteijn is oud-wethouder (PvdA) van Den Haag, oud-lid van de Tweede en Eerste Kamer en oud-wethouder van Almere.

Deze opinie is op 22 april 2021 gepubliceerd in Den Haag Den Centraal

Een reactie van Jooske Baris, directeur Platform STAD, op 28 april jl. op LinkedIn over mijn opinie inzake het voorliggende ontwerp voor het Spuiplein.

interessante mening Adri! Had m graag aan bod laten komen in de drie STADgesprekken… was de ultieme plek geweest om in gesprek te gaan met breed gezelschap met o.a. Wim Voogt (ontwerper), Shervin Nekuee (socioloog), Pauline van den Broeke (gemeente), Géke Roelink (Filmhuis), Peter Drijver (architect), Anne Mulder (wethouder stadsontwikkeling), Hilbert Bredemeijer (wethouder buitenruimte), Marieke de Jong (omwonende), Annemarie Goedvolk (evenementenbranche), Stuart Stretton (horeca) en Paul Broekhoff (bibliotheek), en -natuurlijk- de rest van de stad…

Mijn respons:

Beste Jooske,

Met veel waardering neem ik altijd kennis van de intermediaire rol die het Platform STAD vervult tussen bestuur en burgers. Het stimuleert de dialoog. Maar wanneer deze voorlichting en presentatie ronde materieel gaat inhouden dat er in dit proces al expliciet keuzen worden gemaakt voor een bepaalde planuitwerking van ons Spuiplein, dan treedt het Platform STAD in een rol die principieel is voorbehouden aan het Gemeentebestuur.

In die rolverdeling is het normaal dat het College van B&W, gehoord hebbende de inspraak de voorliggende scenario’s of varianten voor de inrichting van het Spuiplein afweegt en komt tot een voorkeursvariant of varianten. Vervolgens wordt dit voorgelegd aan de gemeenteraad: alleen daar vindt vervolgens het ‘ultieme gesprek’ plaats over de toekomst van het Spuiplein. Alleen daar ligt het primaat!

Anders gezegd, het past Platform STAD om zorgvuldig verslag te doen van haar bevindingen. Vervolgens is het aan de ambtelijke dienst(en), en welstandcommissie om mede op basis hiervan het College te adviseren hoe verder te gaan. Het is dan aan het College om een variant, of varianten voor te leggen aan de gemeenteraad.

In de huidige procedure is de Gemeenteraad van Den Haag volstrekt op afstand geplaatst. Deze komt pas in beeld na de afronding van de ter visie legging van het uitgewerkte ontwerp in beeld.

Dat kan niet, en dat mag niet met zo’n beeldbepalend plan voor het cultuurplein in het centrum van Den Haag.

Normaals alle waardering voor alle inspanningen, ik ding daar niets aan af, het geeft inzicht en laat opvattingen zien. Maar hier geen rolverwarring. Hier kan alleen – in een vroegtijdige fase – een uitspraak over een gewenste variant van de gemeenteraad doorslaggevend zijn. En gelukkig is dat in dit stadium nog heel goed mogelijk.

Op naar een mooi Spuiplein voor Hagenaars en Hagenezen.

Adri Duivesteijn

Share and Enjoy !

Shares

Anonieme kritiek op Kamervoorzitter is fundamenteel strijdig met onze open democratie!

Anonymvs in Boedapest, maar zijn het hier wel zulke helden?

In zijn nieuwe boek ‘Twee pijlers’ laat de politicoloog en historicus Ruud Koole ons terugkijken naar de nog maar prille geschiedenis – 1922: Algemeen kiesrecht – van onze democratische rechtsstaat. Centraal staat daarin de betekenis van het burgerschap. Burgers zijn de kiezers en kunnen gekozen worden. Het is de kern van onze parlementaire democratie. Binnen het parlement krijgt het onderlinge gesprek (Parler) tussen burgers zijn betekenis. Vaak is dat in de vorm van een debat tussen de fracties van politieke partijen over de meest gewenste inrichting van onze samenleving. Het is met overtuiging de meest beschaafde vorm om meningsverschillen – dus zonder fysieke conflicten – in onderling overleg te slechten en samen vorm te geven aan onze de samenleving.

Democratie, kiezers, gekozenen, gesprek, debat en dialoog monden uit in meningsvorming en besluitvorming. Juist in een gesprek met een open mind is ons parlementaire stelsel betekenisvol. En, voor hen die ervoor kiezen, om als gekozenen actief te zijn, is dat ook de aantrekkingskracht van onze democratie. Je mag in de mooiste publieke arena, in alle vrijheid en zonder hiërarchie met elkaar een dialoog aangaan. En, niet onbelangrijk, het gesprek is openbaar en voor iedere burger navolgbaar.

Maar hoe mooi de beloften van de schoonheid van onze parlementaire democratie ook zijn, het is en blijft mensenwerk. En dus is het een ambacht waarin alle menselijke gedragingen in het spel van de democratie aan bod kunnen komen. Heel vaak is dat stijlvol en gaat het over idealen. Maar achter ieder verhaal gaan ook belangen schuil. Politiek is ook macht en dus geeft het toegang tot posities en publieke middelen. En, het moet gezegd, in een krachtenspel waarin ook persoonlijke en zakelijk belangen een plaats opeisen, maakt dat niet altijd het meest aangename in ons politici los.

Kwalijk wordt het echter pas, wanneer het gesprek niet meer openbaar is, wanneer de transparantie achter de bedoelingen niet meer zichtbaar is. En dat is veelal het geval, wanneer het gesprek gedomineerd wordt door anonieme bronnen. Je kan er dan wel vanuit gaan dat er een ander belang in het geding is. En wat is er dan niet effectiever dan het beschadigen van een publieke persoon?

Welke van de anonieme bronnen durft zich te openbaren?

Een triest hoogtepunt hiervan mochten wij deze week meemaken toen tien (oud) politici en ambtelijk betrokkenen bij Hoge Colleges van Staat, zoals de Rekenkamer en Tweede en Eerste Kamer’ zich lieten verleiden om in een interview met de chef politieke redactie van RTL Nieuws, de journalist Stephan Koole, leeg te lopen over ‘de andere kant van Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib’. Op zich past het in een open democratie, dat je elkaar bespreekt en zelfs bekritiseert. Maar deze ‘(oud) binnenhof bewoners wilden alleen het achterste van hun tong laten zien als we ze anonimiteit konden garanderen.’ En hier wordt in het hart van onze democratie gestoken. Want wie zijn deze ‘anoniemen’ en waarom willen zij anoniem blijven?

Er is vanuit journalistiek oogpunt weinig tegen het gebruik van anonieme bronnen om de gedragingen van een publiek persoon ter discussie te stellen. Ik heb nog de heroïsche verhalen van de journalisten voor ogen, die het Watergate schandaal onthulden en die de val van de Amerikaanse President Richard Nixon inluidden. Maar in deze casus lijkt het, het artikel lezend, vooral te gaan om het karakter van de voorzitter. Een Kamervoorzitter die haar rol opeist en dus op gezette tijden niet meebeweegt met de zittende coalitie. Ja, dat roept spanning op, die in de dualiteit van ons democratisch stelsel eerder een zegen dan een zwakte is, omdat het de verschillende rollen betekenis geeft. En natuurlijk mag haar handelen worden gewogen. Een Kamervoorzitter is immers een publiek figuur en deze rol wordt iedere week opnieuw gewikt en gewogen door de leden van de Tweede Kamer en met de ogen beoordeeld door alle Nederlanders die de politiek volgen.

Maar juist in een open democratie past het niet om als ‘(oud) binnenhof bewoners’ pas het achterste van je tong te laten als de journalist je ‘anonimiteit kan garanderen’. Het heeft iets gênants, wanneer een van de bronnen anoniem over de Kamervoorzitter spreekt in termen van “achterbaks en onbetrouwbaar.” Hoe betrouwbaar ben je dan eigenlijk zelf, wanneer je je veilig waant in de ‘anonimiteit’ van wat toch erg op roddel en achterklap lijkt? Hoe kan op deze wijze het eigen belang hierachter gewogen worden?

Waarom was de redactie van RTL-Nieuws dienstbaar om deze ‘helden van de democratie’ de vloer te gunnen? Welk relevant feit is hier eigenlijk aan de orde, anders dan irritaties over een voorzitter die zich in haar rol laat gelden? Ik beoordeel de bronnen, die zo lafhartig zijn om zich niet publiekelijk te laten kennen, als de beschadigders van onze open democratie. Zij laten zich anoniem lenen voor het bekritiseren van een belangrijke publieke functionaris op een sleutelrol in onze democratie. Waar juist de kern openheid en transparantie is, wordt de kern van onze democratie in het hart geraakt.

Hoe moet ik dit beoordelen? Ik zou zeggen laten wij kijken naar de synoniemen voor ‘anoniem’ die zijn klip en klaar, in dit geval kunnen deze bronnen worden geduid als ‘Gemeen’, ‘Huichelachtig’, ‘Onbetrouwbaar’, ‘Oneerlijk’, ‘Slinks’, ‘Sluw’ en ‘Snood’.

Laten wij het samenvatten als een laf en een onwaardig gedrag van anonieme critici op onze Kamervoorzitter. En dat zou niet zo ernstig zijn waren het niet dat deze anonieme bronnen juist de bewakers zouden moeten zijn van onze nog zo jonge open democratie.

Adri Duivesteijn.

Oud-lid van de Eerste en Tweede Kamer.

Share and Enjoy !

Shares