‘Intuition, zoektocht naar Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’, film van Marit Geluk

https://youtu.be/_3MtejGL3Kg

Filmmaker Marit Geluk reconstrueert het intuïtieve moment in 1984 waarop wethouder Adri Duivesteijn, besluit de aanpak van de stadsvernieuwing radicaal te wijzigen. Het zou de start worden van een collectieve zoektocht in de vorm van de campagne ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’.

Adri Duivesteijn, zelf opgegroeid in de Haagse Schilderswijk, maakt zich in de jaren zeventig als lid van de Jongeren Actiegroep Schilderswijk en als hoofdredacteur van de wijkkrant De Schilderswijker druk over de erbarmelijke woon- en leefsituatie in zijn wijk. Begin jaren tachtig werd hij als PvdA-wethouder zelf verantwoordelijk voor de aanpak van de stadsvernieuwing. Bouwen voor de Buurt en inspraak voor de bewoners staan vanaf dat moment centraal. Aanvankelijk was er enthousiasme over de nieuwbouw van de betaalbare woningen in de verschillende stadsvernieuwingsgebieden, maar dan bekruipt bij Duivesteijn een onbehaaglijk gevoel; is dit kwaliteit?

12 juni 1982 – Bouwen aan de Binnenstad
Is dit kwaliteit?

Inspraak bleek, ondanks alle goede bedoelingen van bewonersvertegenwoordigers, een participatieproces te zijn waarvan de uitkomst van tevoren al vaststond. Steeds nadrukkelijker wordt duidelijk dat er sprake is van een voorgeprogrammeerde bouwmachine die in de praktijk in veel wijken en steden dezelfde bouwplannen opleverde. Vooral het verlies van de eigen identiteit van de karakteristieke oude wijken schrijnt.

Het onbehagen van Duivesteijn wordt het begin van een persoonlijke zoektocht naar de culturele dimensie van de stadsvernieuwing. Die zoektocht brengt Duivesteijn in 1984 naar Portugal, tien jaar na de Anjerrevolutie, waar hij de architect Álvaro Siza ontmoet. Siza stond bekend om het omstreden SAAL-project Bairro da Bouça in Porto dat hij in 1973 en 1977 in samenspraak met de bewoners had ontwikkeld. Ook had Siza het woonproject Bonjour Tristesse in Kreuzberg in Berlijn ontworpen, een woongebouw waar Turkse immigranten woonachtig waren. In de benadering van Siza zijn de bewoners de echte opdrachtgevers waarmee hij de dialoog zoekt. Zou dat ook in Den Haag kunnen?

Alvaro Siza en Adri Duivesteijn, 34 jaar later terug bij het SAAL-project in Porto

Adri Duivesteijn volgt zijn intuïtie en haalt Siza naar Den Haag in de hoop dat hij de architect is die de Haagse stadsvernieuwing, in een werkelijke dialoog met de zittende bewoners, kan aansluiten bij de leefpatronen van een veranderende bevolkingssamenstelling en haar een eigen identiteit kan geven. De film reconstrueert het intuïtieve moment waarop de stadsvernieuwing in Den Haag haar omslag kreeg en hoe het zijn invloed op de stad heeft verworven.

Marit Geluk, opgeleid tot architect is onafhankelijk filmmaker en maakt films over kunst, cultuur en over de gebouwde omgeving, zoals ‘New Towns, Arrival Cities’, ‘De Spelers van Oosterwold’ over doe-het-zelf gebiedsontwikkeling in Almere en ‘Wagner the Movie’, een beeld-opera vertaald naar het huidige politieke wereldtoneel.

De film van Marit Geluk: ‘Intuition, zoektocht naar Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’ is te zien op Vimeo : https://vimeo.com/596605667

of op You Tube https://youtu.be/_3MtejGL3Kg

Op 4 juni om 11.00 uur was Adri Duivesteijn te gast bij Den Haag FM in het radioprogramma Spuigasten onder leiding van Ivar Lingen over de Film: https://cdn.denhaagfm.nl/luisterenhome/denhaagfm.html

Tekening Alvaro Siza: Punt Komma in de Schilderswijk
Project Punt Komma, ontwerp Alvaro Siza )1984)
Project Van de Vennepark, ontwerp Alvaro Siza (1985)

Den Haag Centraal schreef een op 29 april 2022 een recensie over de film ‘Intuition, zoektocht naar Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’

Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit, Ontwerp Guus Rijven (februari 1985)

Share and Enjoy !

Shares

In Memoriam: Chris Jagtman 1950-2022

In je leven kom je mensen tegen die je een zetje geven in de wording van wie je uiteindelijk zal zijn. Eén van die mensen bij mij is Chris Jagtman. Hij studeerde in 1974 aan, wat toen nog heette, de Technische Hogeschool in Delft. Ikzelf was vanaf 1968 actief in de Schilderswijk en ontdekte al snel dat verandering uiteindelijk via de politiek tot stand moest komen. Een keuze voor de PvdA was voor mij vanzelfsprekend, omdat het sociaal democratisch gedachtengoed daarin was verankerd. Voor mij was de PvdA ook een ideale combinatie van een intellectuele denktank en de verbinding met gewone mensen. In februari 1975 mocht ik voor de PvdA zitting nemen in de gemeenteraad. Mijn inzet was duidelijk, er moest een einde komen aan de onleefbare situatie in de oude wijken. Maar hoe maak je een vuist binnen de Gemeenteraad? Al snel werd mij duidelijk dat het volgen van de agenda van het College hiervoor niet profijtelijk zou zijn. Het zou heilzamer zijn om als raadleden van de PvdA een eigen idee over de stadsvernieuwing te formuleren en dit met een eigen nota in de  stad en de raad te agenderen.

Samen met Joop ten Velden (collega-raadslid van de PvdA) begon ik met het opschrijven van onze gedachten over de stadsvernieuwing. Het uitwerkingsdeel was ons wel toevertrouwd. In Amsterdam en Rotterdam was de stadsvernieuwing meer gevorderd dan in Den Haag en wij konden dus profiteren van hun ervaringen. Daar waar het ging om de analyse van het bestaande beleid, was het schrijven minder eenvoudig. Terwijl daarin juist de oorzaak van de gewenste beleidsombuiging te vinden was. Chris Jagtman gaf aan graag mee te willen denken aan onze nota. Zo gezegd zo gedaan. Hij maakte voor ons een scherpe analyse van het bestaande stadsvernieuwingsbeleid en vatte die samen in een pakkende tekst. Zijn bijdrage droeg er toe bij dat onze ‘ontwerpnota Stadsvernieuwing in Den Haag’ die in september 1975 werd gepubliceerd, een heus moment in de geschiedenis van de Haagse stadsvernieuwing zou gaan worden.

In ‘Steden in de Steigers’ van Herman De Liagre Bohl is de volgende observatie: ‘In september 1975 nam Duivesteijn het voortouw: gebruikmakend van zijn positie als raadslid presenteerde hij in de gemeenteraad de nota Stadsvernieuwing in Den Haag. (…) De nota kreeg veel aandacht in de Haagse pers en drong door tot in de gesaneerde volkswijken. De bewoners werden erdoor aangezet om een protestmars naar het stadhuis en het Binnenhof te maken. Zij eisten beëindiging van de doorbraakplannen. (…) De bestuurders gaven blijk dat zij de nota van Duivesteijn tot zich hadden laten doordringen: zij namen zijn lijst van urgentiegebieden over. (…) Pas in 1980 kwam de kentering.’

Terugkijkend is de ontwerpnota Stadsvernieuwing in Den Haag inderdaad de basis geworden van de Haagse stadsvernieuwing. Enkel al het bestaan van onze ontwerpnota, gaf ons als raadsleden de mogelijkheid om keer op keer het vraagstuk van de oude wijken op een positieve manier te problematiseren. Er was perspectief op een aanpak die wel zou kunnen werken. Het zou nog tot 1980 duren, voordat onze ontwerpnota omgezet zou worden in een motie waarin letterlijk de contouren voor invoering van een projectorganisatie stadsvernieuwing werden vastgelegd. De motie werd aangenomen en op 3 november 1980 mocht ik, nu als wethouder stadsvernieuwing, onze ontwerpnota en motie gaan uitvoeren. 

Met zijn bijdrage stond Chris Jagtman dus ook aan de fundamenten van het Haagse stadsvernieuwingsbeleid. Ik ben hem daar nog altijd dankbaar voor. Chris is na zijn studie ambtenaar geworden bij de legendarische Rotterdamse stadsvernieuwingswethouder Jan van der Ploeg en later Pim Vermeulen, en heeft daar bijgedragen aan o.a. de rehabilitatie van het Oude Westen.  Later is hij naar Arnhem vertrokken en werd directeur van de sociaaldemocratische Algemene Woningbouwvereniging Arnhem, die in 1999 met Woningstichting Nijmegen fuseerde in Portaal. In 2008 zou ik Chris Jagtman nog een keer tegenkomen toen hij namens een aantal marktpartijen een ontwikkelingsperspectief voor de oostkant van Almere/Zeewolde had ontwikkeld (het tegenwoordige Oosterwold in Almere en Zeewolde). Hun plannen stonden haaks op mijn idee dat dit gebied nu eens niet door projectontwikkelaars, maar door de bewoners zelf zou moeten worden ontwikkeld. En tot nog toe is dat gelukkig nog steeds staand beleid.  

Chris schreef mij vorig jaar dat hij niet lang meer zou leven. Voor ons samen reden om nog een keer terug te kijken op beider momenten in onze geschiedenis. Het samenwerken aan de ontwerpnota stadsvernieuwing in Den Haag was daarin het absolute hoogtepunt. Over Almere verschilden wij van mening, maar het heeft onze wederzijdse waardering nooit in de weg gestaan.

Adri Duivesteijn – 1 mei 2022

Ps, Hieronder is een dossier opgenomen waarin de aanbiedingsbrief en de ontwerpnota Stadsvernieuwing in Den Haag is opgenomen alsook enkele recensies.

Share and Enjoy !

Shares

Op weg naar 1 mei 2022: Waarom ik geloof in de kracht van een zelfstandige PvdA binnen een brede progressieve beweging

Het heeft iets beklemmends, wanneer ‘partijleiders’ via de opiniepagina van de Volkskrant hun wens tot een verandering in de koers van de PvdA afsluiten met de mededeling dat, eenieder die hun interpretatie tot progressieve samenwerking niet deelt, zich per definitie door ‘nostalgie uiteen laat drijven’. In hun pleidooi, dat bol staat van superlatieven, pleiten Frans Timmermans en Marjolein Moorman om te komen tot een ‘verregaande samenwerking, en zelfs verbinding met GroenLinks’. De woorden zijn een variatie op het eerdere pleidooi van Lilianne Ploumen om als PvdA te gaan fuseren met GroenLinks. Zij oogstte hiermee enthousiasme bij GroenLinks en een, om het eufemistisch te zeggen, wat meer gematigde reactie binnen haar eigen PvdA en fractie. Niet, omdat er ook maar iemand binnen de PvdA tegen samenwerking zou zijn. Integendeel zelfs, alle leden smachten al decennia naar een echte hechte progressieve samenwerking. Een van de serieuze initiatieven voor een brede progressieve samenwerking was: Een Ander Nederland. Dat begon in 2010, toen Eerste en Tweede Kamerleden van de PvdA, GroenLinks en SP het initiatief namen om samen de verschillen te slechtten en te zoeken naar de overeenkomsten. En die eenheid in opvatting was er zoals overtuigend bleek uit een, door o.a. Diederik Samsom, opgestelde analyse van het stemgedrag van de drie partijen bij zowel de wetgeving, de ingediende amendementen, alsook de moties. Wat ons toen bond was heel veel groter dan de verschillen. Het manifest van Een Ander Nederland was ook een voorzet voor progressieve samenwerking in zowel het parlement, als in een mogelijk progressief kabinet.

2010: Een Ander Nederland: Diederik Samsom, Leo Platvoet, Adri Duivesteijn, Jos van de Lans en Ronald van Raak

Voor de politieke junkies onder ons heb ik de Oproep Een Ander Nederland 2010: Links, neem je verantwoordelijkheid!’ onderaan dit artikel als bijlage opgenomen.

Terugkijkend is sinds de opkomst van Pim Fortuyn in 2002 links Nederland, en in het bijzonder de PvdA, haar structurele steun onder het electoraat verloren. Met het charisma van Wouter Bos (2006), Job Cohen (2010) en Diederik Samsom (2012) wist de PvdA zich nog wel in de kiezersgunst  te herstellen. Maar die conjuncturele winst verdween als sneeuw voor de zon toen de PvdA-kiezers, ten tijden van Rutte II, nog nauwelijks iets van de sociaal democratisch beloften herkenden (van 38 naar 9 zetels). Ook bij de laatste landelijke verkiezingen kwam de PvdA opnieuw niet verder dan 9 zetels. Tot aan de dag van vandaag  is het vertrouwen bij de kiezer in de landelijke PvdA niet hersteld. Maar hoe treurig ook, het is maar de vraag of de kiezers van de PvdA beter af zouden zijn met een partij die opgaat in GroenLinks? Wat is dit op termijn anders, dan een sociale en groene partij die vooral een progressief etiket heeft? Ik geloof in de kracht van het verhaal van de sociaal democratie, haar analyse van de ongelijkheid in de wereld, de strijd voor bestaanszekerheid, haar betekenis als emancipatiebeweging en omdat zij staat voor een internationale strijd voor solidariteit. Het is juist deze inbreng die een brede progressieve samenwerking inhoudelijk zal voeden.     

Overigens, het vertrouwen in de sociaal democratie kan wel degelijk worden teruggewonnen. Twee voorbeelden: Frans Timmermans heeft bij de Europese verkiezingen met een eclatante overwinning de PvdA weer een positie in Europa teruggegeven. En, tot voor kort ondenkbaar, is mede dankzij Marjolein Moorman de PvdA weer de grootste partij in Amsterdam. En, let wel, dat deden zij met een authentiek sociaal democratisch verhaal. Hier kwamen inhoud en leiderschap samen en het bracht de PvdA weer in het centrum van de macht. Voor mij is de  sociaal democratie heel veel meer dan de optelsom van twee progressieve partijen. Ik was dan ook blij met de primaire stellingname van  Attje Kuiken, de nieuwe PvdA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer: ‘De sociaal democratie beschouw ik niet als nostalgie’. Sterker nog is haar antwoord: ‘Door met GroenLinks? Dat is aan de leden’. En dat is een meer dan terechte constatering. Hier ligt een taak voor het partijbestuur. Want hoe doordacht zijn nu eigenlijk de recente opinies over, ik citeer Paul Tang,  een ‘samensmelting’ tussen de PvdA en GroenLinks? Progressieve samenwerking, laat staan een fusie, vraagt meer overweging. Waarom gaat de Wiardi Beckman Stichting niet met verwante wetenschappelijke instellingen de kansen op een brede progressieve samenwerking in beeld brengen? Schrijf dan als partijbestuur een mooi inhoudelijk verhaal over hoe wij als partij inhoud kunnen geven aan een brede progressieve samenwerking. En, als we dan toch bezig zijn, vraag jezelf ook eens af waarom de Tweede Kamer inmiddels uit 20 fracties bestaat. Ons kiesstelsel kent geen serieuze kiesdrempel. En ik weet één ding zeker, dat bij een ondoordachte fusie veel leden zich zullen vervreemden van zo’n nieuwe partij. Zij zullen terecht waarde hechten aan het behoud van het sociaal democratisch gedachtengoed. Kortom, een ondoordachte verbinding, laat staan een fusie zal waarschijnlijk ook inhouden de komst van nieuwe – al dan niet sociaal democratische – partijen. Een met een beetje aansprekende leider hebben wij weer een nieuwe loot aan de stam van de parlementaire versplintering. Nee, bundeling van het progressieve gedachtengoed zit in ons land niet primair in formele structuren, maar in een intensieve en open samenwerking tussen alle progressieve partijen in de Tweede Kamer, de provincies en de gemeenteraden. Daarbij brengen juist de verschillen tussen de progressieve partijen een verrijking in een progressieve samenwerking. Ik zou zeggen breng dat nu juist samen in een kernpuntenakkoord.

Anders gezegd, en ik citeer zonder enige vorm van nostalgie de Zweedse Sociaal democraat Olof Palme: ‘Politiek dat is een kwestie van willen. Sociaal democratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren.’ En laten het nou juist Frans Timmermans en Marjolein Moorman zijn, die dat weer aan de kiezers van de PvdA hebben laten zien. Ik zou zeggen wacht nog even en pak dan de volgende uitdaging op; het herstel van de sociaal democratie op nationaal niveau.

Adri Duivesteijn, oud lid van de Eerste en Tweede Kamer voor de PvdA

29 april, op weg naar 1 mei 2022

Olof Palme, een sociaal democraat die nog altijd inspireert.

Share and Enjoy !

Shares

Terugblik: Hoe in 2005 Ab Klink met zijn ideologische herijking van het CDA de basis legde voor de toeslagenmaatschappij

Het blijft fascinerend om het eigen archief op te ruimen. Het stelt je in de gelegenheid om weer even terug te kijken, in de ontwikkeling van de eigen ideeën wereld. Zo kwam ik een opmerkelijke opinie van mijzelf tegen over een onderwerp wat nu alom bekend staat als ‘de toeslagenaffaire’.

Het was eind 2005 toen ik een concept-opinie verhaal schreef voor Forum, de opiniepagina van de Volkskrant. Mijn verhaal was een reactie op een geplaatste opinie van de toenmalige directeur van het wetenschappelijk instituut van het CDA, Ab Klink. In zijn opinie ging hij in op het voornemen dat het CDA de macht wilde herverdelen. Centraal in zijn betoog staat de herdefiniëring van de rol van de overheid, de positionering van het middenveld en de burger die in de toekomst als koning klant door het leven kan gaan. Het is deze visie die uiteindelijk zou uitmonden in wat nu bekend staat als de toeslagenaffaire.

In mijn opinie analyseerde ik wat de effecten zouden zijn van de door het CDA bepleitte introductie van de toeslagenmaatschappij. Het is – zeker achteraf bezien – een verhelderend stuk dat ik wel degelijk had moeten publiceren. Waarom het niet zover is gekomen vindt waarschijnlijk zijn oorzaak in mijn overstap van de Tweede Kamer naar het wethouderschap in Almere. Tja, zo gaat dat.

Hoe het ook zij, ik publiceer het verhaal alsnog, niet om mijn gelijk te halen, maar omdat het een bijdrage zou kunnen zijn bij de werkzaamheden van de nog in te stellen parlementaire enquêtecommissie die onderzoek zal gaan doen naar de toeslagenaffaire. Een conclusie is voor mij wel duidelijk. Er is heel wat reparatiewerk nodig. Daarin is vooral de rol van de overheid en die van het middenveld aan een grondige revisie toe.

Hieronder volgt mijn oorspronkelijke opinie – beperkt redactioneel gecorrigeerd – uit 2005 voor de Forum pagina van de Volkskrant. Ik heb tevens een PDF opgenomen van de originele tekst.

1224 woorden

DE TOESLAGENMAATSCHAPPIJ, mooier wil het CDA het niet maken.

Het CDA bestaat 25 jaar en dat is in vele terugblikken herdacht. Interessanter is de vooruitblik, die Ab Klink, CDA-senator en directeur van het wetenschappelijk instituut, in deze krant schetst. In het artikel ‘Het CDA wil de macht herverdelen’ zegt hij ‘de ideologische kleurdie het CDA wil aannemen: verantwoordelijkheden spreiden, maar ook (de burger) toerusten’.[1] Klink citeert Habermas en meent dat ‘de systeemwereld de leefwereld (is) gaan verdringen’. Dat klinkt aardig: de professional moet minder last hebben van ‘de storende leemlaag van het management’ en de ‘mensen (moeten) de dienst uitmaken ‘. De manier waarop het CDA de macht wil herverdelen komt echter de burger niet of nauwelijks ten goede. Het CDA wil van Nederland een ’toeslagenmaatschappij ‘maken, waarin burgers meer dan ooit afhankelijk zijn van de overheid.

Het CDA is de grote motor achter de introductie van marktwerking in sectoren die traditioneel ‘not for profit’ waren als de zorg, de kinderopvang, de volkshuisvesting en het onderwijs. Dat leidt niet automatisch tot meer invloed van de burger. Deze nieuwe ondernemingen proberen door overnames en fusies niet alleen schaalvoordelen te bereiken, maar vooral hun markt zo goed mogelijk te beschermen. Grote anonieme bedrijven laten de traditionele maatschappelijke taken van ‘voorheen het 1niddenveld’ liggen en denken vooral vanuit bedrijfseconomisch perspectief en aan de ‘marktconforme ‘hoogte van de salarissen van het management. Het CDA is, in de woorden van Klink, niet blind voor deze neveneffecten:

‘Zorg- en onderwijsinstellingen opereren gaandeweg in een maatschappelijk vacuüm. Zij zijn ondernemend geworden, genereren soms eigen geldstromen, maar de verantwoording schiet te kort, omdat die alleen op Den Haag is gericht. Maar intussen is de kritische betrokken achterban verdwenen door schaalvergroting.’

Het CDA wil de macht ten gunste van de burger/consument herverdelen door middel van vraagsturing’. De vraag van de burger bepaalt het aanbod van de dienstverlenende instantie. De consument heeft optimale keuzevrijheid en de resulterende onderlinge concurrentie om de consument houdt de dienstenaanbieders scherper. Idealiter ontstaat er zo een zelfregulerende maatschappij en kan de overheid zich, als arbiter, op de achtergrond terugtrekken. Maar kan de burger, gereduceerd tot eenzame consument, de nieuwe commerciële conglomeraten die ‘voorheen het maatschappelijk middenveld’ vervangen hebben het hoofd bieden?

Volgens het CDA zal de burger hier uiteindelijk – toegerust door de overheid? – ‘zijn eigen verantwoordelijkheid nemen’ en via patiëntenorganisaties e.d. de macht van de zorgconsument tegenover de zorgverleners borgen. De overheid kijkt toe of dat proces netjes verloopt.

In de theoretische modellen van Bovenberg, Eijffinger en andere CDA-economen zal dat wellicht kunnen werken. Ik neem aan dat zij er in die modellen vanuit gaan dat er sprake is van een overvloedig en gevarieerd aanbod. In de echte wereld heerst echter schaarste. Of het nu om de zorg of om de volkshuisvesting gaat: het zijn verkopersmarkten, waar de consument al blij is als hij iets kan bemachtigen.

Wat ook niet, of vrijwel nooit, gebeurt is dat de afgedwongen marktwerking leidt tot lagere prijzen. Instellingen zijn gedwongen om minstens een ‘kostprijs plus’ te hanteren, bijvoorbeeld in de kinderopvang. In de huursector worden zelfs steeds vaker marktprijzen gehanteerd. Dat komt neer op ‘wat de gek er voor geeft’ en dat is veel in deze tijden van een schaars woningaanbod.

Het CDA heeft ook hier het antwoord op: vraagfinanciering! Mensen die een bepaalde vitale dienst niet 1anger kunnen betalen worden tegemoetgekomen door middel van een fiscale toeslag. Hoe ziet dat eruit in de praktijk?

Neem de kinderopvang. Het kabinet besloot de tarieven te koppelen aan de reële kosten en maakte een einde aan subsidieregelingen. Het gevolg was dat kinderopvang, juist voor de middengroepen, meer ging kosten dan één van de werkende ouders, meestal moeders, verdienden. Er ontstond een enorme vraaguitval. Kinderopvang werd weer een kwestie van vrij improviseren in de privésfeer, of de vrouw keerde terug naar het aanrecht. CDA opzet geslaagd? Nee men schrok er zelf van en verzon de Kinderopvangtoeslag.

De gezondheidszorg is natuurlijk helemaal een mooi voorbeeld. De beoogde marktwerking in de Zorgsector dwingt patiënten, op last van de zorgverzekeraar, om te zoeken naar scherp geprijsde hulp. Als die zorg (dichtbij) duurder is moet je zelf het verschil bijbetalen. Dit is niets anders dan een stijging van de ziektekosten, vermomd als een maatregel om patiënten te stimuleren om als kritische consumenten de aanbieders scherp te houden.

Nog afgezien van de geringe macht van patiënten, al dan niet verenigd in een collectief, is er bovendien alle reden om te veronderstellen dat patiënten en zorgverleners niet met elkaar in de slag gaan, maar één front zullen vormen en de overheid op ‘zijn verantwoordelijkheid’ aanspreekt. Denk aan de discussie over IVF, denk aan de steeds terugkerende discussie over medicijnverstrekking! Hoe reageert de regering hierop? Met de zorgtoeslag, een fiscale maatregel om de kosten van de zorg dragelijk te maken voor het leeuwendeel van de Nederlanders.

Ook het wonen komt onder het toeslagenregime. De huurmarkt wordt stapsgewijs ‘marktconform’ en dat is vrijwel altijd duurder. Het effect hiervan is dat er ieder jaar meer mensen hun hand moeten ophouden bij de overheid. ‘Krijg ik mijn toeslag wel? Kan ik hier blijven wonen, moet ik verhuizen?’

Studiekosten. De kosten van de leermiddelen stijgen. Scholen hebben geen boekenfondsen dus worden meer en meer mensen afhankelijk van alweer een toeslag. Dit keer op basis van de Wet Tegemoetkoming Studiekosten.

Zelfs de stijgende energieprijzen worden momenteel door een toeslag gecompenseerd.

De rol van de overheid is dus in de toeslagenmaatschappij van het CDA alles behalve uitgespeeld. Zij laat, aldus Klink, ‘mensen (niet) aan hun lot over’ en ‘kiepert niet allerlei ballast over de schutting naar de burgers’. Dat doet zij overigens wel, maar ze stelt voor ieder probleem dat zo ontstaat ter compensatie een ’toeslag’ in het vooruitzicht.

De CDA- hervormingen zorgen er op een perverse manier voor dat de politiek er inderdaad weer toe doet. Het merendeel van de burgers wordt voor zijn welzijn afhankelijk van de goedheid van de overheid. ‘Zullen mijn toeslagen wel op peil blijven?’ zal de leidende vraag in de meeste huishoudens worden. Ieder jaar zal er in de Tweede Kamer over hun welzijn worden gediscussieerd aan de hand van koopkrachtplaatjes. Caritas langs de lijn van de Staat.

Het neveneffect van deze hervormingen is dus dat steeds meer mensen ’toeslagafhankelijk’ worden. De vraag naar de betaalbaarheid van primaire voorzieningen kan daardoor een obsessie worden. ‘Welke zekerheid krijgen we het komende jaar?’

Stap voor stap wordt op deze manier het publieke domein overgeleverd aan de markt. De zorgzame overheid beperkt zich tot het uitdelen van fiscale toeslagen om de ergste sociale misstanden te verzachten. Het CDA hoopt en bidt ondertussen dat een nieuw middenveld, bestaande uit patiënten-, leerlingen-, ouder- en andere ‘consumenten’- collectieven, zal ontstaan om het geprivatiseerde middenveld scherp te houden.

De VVD kan heel goed leven met deze hervormingen omdat deze dienstbaar zijn aan hen primaire doelen: kleine overheid, meer markt. De teloorgang van het publieke domein is niet hun probleem, maar zou wel een probleem voor het CDA moeten zijn. Hopelijk komt het CDA er tijdig achter dat door hun maatregelen de systeemwereld juist de leefwereld volledig zal koloniseren, in plaats van andersom. In de toeslagen maatschappij zijn politiek en burger volledig overgeleverd aan de dynamiek van het, als ondersteunend bedoelde, systeemdenken van het voormalige middenveld.

Adri Duivesteijn – Tekst dateert van eind 2005


[1] Ab Klink, ‘CDA wil macht herverdelen’, Volkskrant Forum, Zaterdag, 08-10-2005

Share and Enjoy !

Shares

Ron Meyer: De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse. Een must-read voor progressief Nederland

Soms overkomt het je, dat je een boek leest en je terugkeert naar alles wat in je hele leven vanzelfsprekend was, maar wat toch – even – buiten beeld is geraakt. Mij overkwam dat toen ik het boek De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse las van Ron Meyer. In zijn boek, opgedragen aan zijn ouders, staan de ‘zorgverleners, politieagenten, supermarktmedewerkers, pakketbezorgers, vuilnisophalers, distributiewerkers, schoonmakers, juffen en meesters in de kinderopvang of het onderwijs’ centraal. Het is deze groep die onzichtbaar is, terwijl zij in de woorden van Ron Meyer onmisbaar zijn. Juist zij zijn het die in de samenleving essentiële functies vervullen. Onzichtbaar onmisbaar veranderde toen in de afgelopen twee coronajaren deze ‘frontsoldaten in spijkerbroek’ onze samenleving, die verstrikt was geraakt in een virus, overeind hielden. Ineens stonden wij allen te klappen voor de zorgverleners die op de intensive care ware heldendaden bleken te verrichten. Zichtbaar werden ook de pakketbezorgers die maakten dat wij door konden gaan met consumeren. Ook zagen wij hoe onmisbaar de juffen en de meesters zijn die, met risico’s voor de eigen gezondheid, voor de klassen bleven staan dan wel online aan de slag gingen om de schoolachterstand zo minimaal mogelijk te laten worden.

Het is in dezelfde tijd dat de miljardairs, ze zijn met ‘tweeduizend en bezitten samen zo’n 10.000 miljard’, zich oneindig verrijken. ‘Waarom, vraag Ron Meyer zich af, bezit je één, tien of zelfs honderd miljard? Wat is er dan in hemelsnaam mis met je? Waarom heb je daarvan niet allang een werelddeel, een land of alle ziekenhuizen van de wereld gefinancierd? Waarom red je in je uppie niet alle verhongerde kinderen, aan medicijngebrek stervende baby’s of andere ‘Angreifbaren’? Waarom doe je niet het goede? Of, veel beter, waarom zet je je macht niet in voor een ander belastingstelsel? Waarom pleit je niet voor waardigheid boven liefdadigheid?’.

Maar net zo’n relevante vraag, is waarom wij, politici, de onmisbaren niet de waarde hebben gegeven waar ze recht op hebben? Hoe zorgvuldig gaan wij eigenlijk om met die grote groep die onze samenleving draaiende houdt? En dat terwijl het juist deze groep is die minder lang leeft en moet knokken om het hoofd boven water te houden. Die in de afgelopen decennia veel vanzelfsprekende rechten verloren heeft, omdat hij of zij de vaste baan kwijtraakte en noodgedwongen als zzp’er aan de kost moest komen. Hoe kan het, dat de twee werelden van rijkdom en armoede zo tegenover elkaar staan en in deze bizarre tijd nog verder uit elkaar groeien? Waarom is er geen vanzelfsprekende solidariteit?

Op zoek naar deze antwoorden, beschrijft Ron Meyer ook zijn eigen worsteling. Zelf groeide hij op achter het spoor in Heerlen en kent de armoede van binnenuit. Dankzij de inspanningen van zijn ouders, kreeg hij wél de kans om te studeren. Dankbaar beschrijft hij de waarde van thuis zijn, thuis voelen: ‘Heem is waar niemand vergeten wordt. Heem is erkenning. Heem is waardigheid’. Maar met de kansen die hij van zijn ouders kreeg kwam Ron Meyer onvermijdelijk in twee werelden terecht: ‘Ik ben verliefd op de kwaliteit van de elite én hou van de oprechtheid van de volksbuurt; Ik ben verslaafd aan de fijnheid van het filmhuis én ik geniet intens van popcorn in de bioscoop (…) Ik kijk verrukt naar de mogelijkheden van oneindige rijkdom én ben gevormd door de weinige pretenties van armoede. En heel soms, erken ik dat het allemaal niet zo zwart-wit is. Dan zie ik vele tinten grijs. Maar meestal is het een grote worsteling. Waarom is het zo moeilijk om van twee sociale klassen te houden? Waarom lijkt het onmogelijk om me op twee plekken thuis te voelen? Waarom voelt genieten van intellectuele uitdagingen als verraad?’

En hier raakt Ron Meyer ook bij mij een gevoelige snaar. Want is het niet juist dit, waardoor er een vervreemding is ontstaan tussen de voorhoede van de progressieve beweging en de onzichtbaren? En, niet onbelangrijk, is deze voorhoede niet steeds gevoeliger geworden voor de verleidingen van de leefwereld van ‘de elite’? Want feit is, dat in de dagelijkse politiek de primaire leefwereld van de onmisbaren steeds minder de kern vormen van het debat. Sociaal- culturele identiteitskwesties krijgen bij zowel rechts als links meer en meer de aandacht. Het lijkt wel of de bestaans(on)zekerheid van grote groepen onmisbaren van de politieke agenda verdrongen is. Waarom? Met een zekere wanhoop merkt Ron Meyer op dat ‘Mensen die nooit armoede hebben gekend, realiseren zich zelden hoe duur al die houtje-touwtje oplossingen zijn. Of wat één van de grootste dagelijkse kwalen van armoede is: nooit vooruit kunnen plannen. Nooit met morgen bezig kúnnen zijn omdat het heden alle aandacht vergt door de uitgestelde rekeningen van gisteren’.

Het boek De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse van Ron Meyer helpt om weer de kern van de sociaaldemocratie te raken en die ligt in het centraal stellen van de bestaanszekerheid van groepen die minder kansen hebben. In essentie gaat het, zoals Ron Meyer het uitdrukt om, ‘KLAS-SUH! Verdomme’. Met alle verscheidenheid die onze tegenwoordige maatschappij ook kent, is er een hele grote groep aan de onderkant, die het raderwerk vormt van het welbevinden van onze gehele samenleving. Juist deze groep moet nog steeds knokken voor haar eigen bestaanszekerheid. En dus ligt hier nog steeds een klassieke taak voor progressieve partijen om dit vraagstuk te politiseren.

Daarom is het boek van Ron Meyer wat mij betreft vooral een must-read voor progressief Nederland.

Adri Duivesteijn

Ron Meyer: De Onmisbaren, een ode aan mijn sociale klasse 2021 – ISBN 978 90 446 4883 6 – Bestellen bij: https://uitgeverijprometheus.nl/catalogus/de-onmisbaren.html

Ron Meyer: ‘Een land veranderen vergt strijd, om ideeën, belangen en macht.’
Foto: De Onmisbaren FNV

Share and Enjoy !

Shares

20 januari 2022: Minister Hugo de Jonge belooft steun aan wooncoöperaties

operatie wooncoöperatie

Ik keer even terug naar de debatten over het woonakkoord van Rutte 2 in de Eerste Kamer in 2014. Het is het moment waarop ik de toezegging kreeg dat de wooncoöperatie zou worden opgenomen in Woningwet 2015. Eindelijk zou er een wettelijke basis zijn voor sociale burgerinitiatieven in het eigen wonen.

De nieuwe woningwet zou het einde moeten zijn van het exclusieve recht op het bouwen van sociale huur- en koopwoningen. Zelforganisatie, zelfbeheer en zelfbeschikking van bewoners zou nu eindelijk ook een recht worden in hun wonen.

Maar helaas kreeg de wooncoöperatie van de sociale huursector geen reële kans. Stilzwijgend negeerde de professionals al die burgers die bij hen aanklopte met hun initiatieven. Slechts twee keer lukte het huurders om hun woningen om te zetten in een eigen wooncoöperatie. Wel verkochte de woningcorporaties duizenden sociale huurwoningen op de commerciële woningmarkt. Wat een gemiste kans om in ons land een sociale woonsector op te bouwen die echt van burgers is!

Met de komst van een nieuwe minister Volkshuisvesting lijkt er een echte verandering op komst . Bij de presentatie van het boek Operatie Wooncoöperatie toonde de minister zich heel positief over de wooncoöperatie binnen ons woonstelsel. Hij was ronduit enthousiast om burgers de kans geven om een eigen wooncoöperatie te vormen. Hij zegde nieuwe regelgeving toe waardoor het gemakkelijker wordt voor burgers om hun eigen wooncoöperatie op te richten.

114 jaar heeft het geduurd voordat er in de Woningwet ruimte ontstond voor burgerinitiatieven. Zou het jaar 2022, met de komst van de nieuwe minister voor Volkshuisvesting Hugo de Jonge, de doorbraak worden voor burgers om zelf inhoud te mogen geven aan hun eigen wonen. Dat zou een feest zijn.

Ik ben optimistisch en denk dat het nu echt zal gaan lukken!

Share and Enjoy !

Shares

Op de valreep nog even terugkijken naar 2021 en vooral ook naar de nieuwe kansen in 2022

Ter toelichting: De kop in dit eindejaarsbericht in het Algemeen Dagblad begint een beetje macho maar deze komt voort uit mijn overtuiging dat politici zich vooral om de kwaliteit van hun stad of dorp moeten bekommeren. Die kwaliteit uit zich niet per se in, wat ik noem, een kwantitatieve benadering. In deze debatten staan vaak de bezwaren van de achterban centraal en de behoefte om die te bevredigen. De compromissen die hierdoor worden ‘afgedwongen’ zeggen vaak weinig over de uiteindelijke uitkomst van een plan.

In Den Haag spelen een paar kwesties (inrichting Spuiplein en verdichting bij de stations) die een fundamenteler debat vragen dan de compromissen die nu, net voor de valreep van de gemeenteraadsverkiezingen, door de Raad zijn vastgesteld. Met alle waardering voor compromissen en voortvarendheid ultiem moet het gaan om een visie op de stad en daarmee verbonden om de kwaliteit van een plan.

In mijn interview geef ik aan ‘dat het anders kan’.

Een mooie jaarwisseling en een gezond 2022 wens ik u allen toe

Share and Enjoy !

Shares

l’histoire se répète, een brief voor de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer

Wie lang de politiek volgt, weet dat woorden niet per se daden worden. Dat is ook het geval wanneer het de politiek zelf betreft. We maken meer en meer mee dat de Tweede Kamer gebruik maakt van haar recht op het doen van onderzoek. Recent nog bij de toeslagenaffaire. En er staan nog drie onderzoeken op stapel. Dat is een goede zaak. De Tweede Kamer geeft op deze wijze inhoud aan haar controlerende taak. En nu even niet langs de lijn van twintig fracties (brr) die elkaar de maat nemen, maar als commissie die de Kamer als geheel vertegenwoordigt. Het onderzoekswerk is misschien wel het meest gewaardeerde werk van de Kamer. In ieder geval is het voor mij de meest bevredigende tijd geweest in de 13 jaar dat ik actief mocht zijn in de Tweede Kamer. Het zet echt zoden aan de dijk.

Maar, en dat is pijnlijker, vaak komt een parlementaire commissie ook tot de conclusie dat de Tweede Kamer mede schuldig is aan het ontstaan van het falen van de overheid. Zo’n zelfreflectie is op zich goed. Daardoor gaat een deel van de conclusies van zo’n parlementair onderzoek ook over het verbeteren van de werkwijze van de Tweede Kamer.

Dat was ook de strekking van het advies van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI), waarvan ik destijds voorzitter was. Wij onderzochten in 2004 het wel en wee van de overschrijdingen bij de aanleg van de Betuwelijn en de HSL-Zuid. Al snel kwamen wij er achter dat de kern van het probleem vooral ook te maken had met de wijze waarop de Kamer de parlementaire controle inhoud geeft. Die faalde volstrekt. En niet alleen dat. We ontdekten ook dat het falen niet exclusief een kwestie van de grote projecten was, maar dat de Kamer als geheel de ondersteuning niet had geprofessionaliseerd.

Hoe vreemd het ook klinkt, maar veel leden koesteren een romantisch beeld van het Kamerlidmaatschap; het Kamerlid als eenling met de ondersteuning van een of twee medewerkers, die ten strijde trekt tegen de regering. Een tegenpartij die op haar beurt beschikt over zo’n 10.000 beleidsambtenaren. Don Quichot in het kwadraat wordt dan ook met regelmaat overruled.

De TCI kwam tot de conclusie dat het tijd werd om in te zien dat een andere bewerktuiging van de Kamer noodzakelijk was. Niet de versterking van de ondersteuning van individuele leden, maar van de Kamer als instituut. Wij hielden dan ook een pleidooi om een staatscommissie in te stellen om het artikel 68 over de informatieplicht van de regering aan het parlement meer inhoud te geven. En we deden de aanbeveling om een parlementair kennis- en controlecentrum op te richten. Dit zou betekenen dat de Kamer zou kunnen gaan beschikken over een deskundig en professional apparaat dat op tal van kwesties de Kamer zou kunnen ondersteunen. Op die manier zou de Kamer zelf voldoende kennis kunnen genereren, verwerken en verifiëren om haar controletaak waar te kunnen maken.

Het zal u, na mijn inleiding, niet verwonderen dat met de aanbevelingen (zie hieronder) weinig is gedaan. Maar nog merkwaardiger is dat keer op keer parlementaire onderzoekscommissies tot vergelijkbare noties zijn gekomen. En opnieuw genoegen nemen met het feit dat er maar marginale wijzigingen optraden in de wijze waarop ons parlement functioneert. Ook nu roept een onderzoekscommissie op tot versterking van de positie van de Tweede Kamer.

Ik zeg het de voorzitter van de Kamer na: Begin met te kijken wat er al is bedacht en uitgewerkt. Dit was aanleiding voor mij om het geheugen van de Kamer op te frissen en onze aanbevelingen opnieuw onder de aandacht te brengen. Ik heb dat geformuleerd, met de steun van onze vroegere griffier Vries Kool, in een brief op persoonlijke titel. Want een ding is wel duidelijk: de tijd lijkt rijp. De werkgroep van Kees van der Staaij die deze zomer is ingesteld heeft een historische kans om nu echt de bewerktuiging van de Tweede Kamer te professionaliseren. Dat gaat zeker extra geld kosten, maar het zal de kwaliteit van de Kamer als geheel verbeteren. En dat is in het belang van onze democratie. Dat is heel wat waard.

Voor wie meer wil weten vindt u hieronder de aanbevelingen van de TCI uit 2004 . Daaronder mijn aanbiedingsbrief aan de voorzitter van de Tweede Kamer met de vraag om mijn brief ter kennisneming te sturen aan het presidium van de Kamer en tevens de brief officieel door te geleiden aan de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer.

Ik wens u veel leesplezier en spreek de hoop uit dat er nu ook echt spijkers met koppen worden geslagen.

15 december 2004, aanbieding rapport van de Tijdelijke commissie Infrastructuurprojecten (TCI)

De aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI)

Eisen ten aanzien informatievoorziening (hoofdstuk 4):

f. de Tweede Kamer moet op informatie, die cruciaal is voor het uitvoeren van haar taken op het gebied van sturing en controle, op systematische wijze onafhankelijke toetsen kunnen (laten) verrichten;

g. voor haar informatievoorziening mag de Tweede Kamer niet slechts afhankelijk zijn van de regering;

h. de Tweede Kamer dient helder te zijn over de informatie die ze wil ontvangen;

i. alle beleidsinformatie dient in beginsel openbaar toegankelijk te zijn. In publieke onderhandelingsprocessen, zoals rond PPS en aanbestedingen, kan vertrouwelijk informeren van de Tweede Kamer een optie zijn.

Eisen ten aanzien informatieverwerking door de Tweede Kamer (hoofdstuk 5):

j. er moet een adequate kennisinfrastructuur worden opgebouwd als instrument voor de Tweede Kamer;

k. de Tweede Kamer moet zelf voldoende kennis kunnen genereren, verwerken en verifiëren om haar controletaak waar te kunnen maken;

l. de Tweede Kamer moet rechtstreeks contact met uitvoerende ambtenaren kunnen onderhouden;

m. de Tweede Kamer moet best practices voor parlementaire informatievoorziening uit het buitenland bestuderen en bij gebleken succes deze vertalen naar de Nederlandse situatie.

15-12-04- Aanbieding rapport commissie Duivesteijn, Tweede Kamer. Foto Hans Kouwenhoven

Geachte Voorzitter van de Tweede Kamer, beste Vera,

Op uw initiatief is de werkgroep Versterking positie Tweede Kamer in het leven geroepen, die op 8 juli is geïnstalleerd. De werkgroep  is gevraagd voorstellen te ontwikkelen die ervoor zorgen dat de Kamer de controlerende en medewetgevende taken beter kan uitvoeren en de informatievoorziening kan versterken. 

De Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI), waarvan ik destijds voorzitter was, deed in 2004 op basis van een brede probleemanalyse een aantal aanbevelingen die gingen over een vergelijkbare vraagstelling. In haar aanbevelingen heeft de commissie specifiek aandacht besteed aan een tweetal aangelegenheden:

– praktische en concrete regels om beter uitvoering te geven aan de informatieplicht van de regering die voortvloeit uit artikel 68 Grondwet; en 

– zorgen dat de Kamer als instituut goed geëquipeerd is om ten behoeve van controle en medewetgeving binnengekomen informatie te verwerken.

In onze aanbevelingen hebben wij op deze onderwerpen gepleit voor een structurele oplossing. Wij hebben echter moeten constateren dat de Kamer zelf terughoudend was haar eigen positie te versterken. 

En, het moet ook worden gezegd: l’histoire se répète. Bij ieder onderzoek van een parlementaire commissie zien wij een terugkerende onvrede van de Tweede Kamer over het eigen functioneren. De meest recente zijn de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie die de toeslagenaffaire heeft onderzocht. Ook deze ging uitvoerig in op het niet functioneren van de kamer zelf. En keer op keer neemt de Kamer zich voor haar functioneren te verbeteren. Zo ook deze keer, en dus is de instelling van een werkgroep Versterking functies Tweede Kamer alleszins begrijpelijk. Echter de vraag die zich opdringt, hoe het kan dat diezelfde Kamer telkenmale eerdere aanbevelingen over de verbetering van haar functioneren niet of nauwelijks serieus tot uitvoering heeft laten komen? Wat is het toch dat de Kamer zoveel van haar eigen aanbevelingen, gedaan door parlementaire commissies die zij zelf heeft ingesteld, niet vertaald in daden?  Wat is het mechanisme daarachter? 


Voor ons als TCI was het in 2004 al evident dat de informatievoorziening aan de Kamer moest worden verbeterd en dat de Kamer als instituut zich moet voorzien van een meer professionele ondersteuning. Zoals ook in onze rapportage is opgenomen zijn andere landen ons daarin voorgegaan. Terecht dat u de werkgroep in deze om een verkenning vraag. Maar het bijzondere is dat het materiaal er allang is. Geplaatst in het licht van de huidige actualiteit neem ik daarom de vrijheid  om het werk van de TCI nog eens bij u en de werkgroep onder de aandacht te brengen aangezien wij de vergelijkbare vragen een inhoudelijk antwoord hebben gegeven. Wellicht dat het kan bijdrage aan het werk van de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer. 

Ik heb dat gedaan in de vorm van bijgevoegde brief, die ik persoonlijke titel schrijf. Ik zou het op prijs stellen indien u de brief wil doorgeleiden aan de werkgroep en ter kennisneming aan de leden van het presidium van de Tweede Kamer wil doen toekomen. 


Ten alle tijde bereid tot een toelichting.  
Met vriendelijke groet,

Adri Duivesteijn

Download hier de brief aan de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer: https://www.adriduivesteijn.nl/wp-content/uploads/2021-11-10-Brief-aan-de-werkgroep-versterking-functies-Tweede-Kamer-AD-1.pdf

Share and Enjoy !

Shares