Ron Meyer: De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse. Een must-read voor progressief Nederland

Soms overkomt het je, dat je een boek leest en je terugkeert naar alles wat in je hele leven vanzelfsprekend was, maar wat toch – even – buiten beeld is geraakt. Mij overkwam dat toen ik het boek De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse las van Ron Meyer. In zijn boek, opgedragen aan zijn ouders, staan de ‘zorgverleners, politieagenten, supermarktmedewerkers, pakketbezorgers, vuilnisophalers, distributiewerkers, schoonmakers, juffen en meesters in de kinderopvang of het onderwijs’ centraal. Het is deze groep die onzichtbaar is, terwijl zij in de woorden van Ron Meyer onmisbaar zijn. Juist zij zijn het die in de samenleving essentiële functies vervullen. Onzichtbaar onmisbaar veranderde toen in de afgelopen twee coronajaren deze ‘frontsoldaten in spijkerbroek’ onze samenleving, die verstrikt was geraakt in een virus, overeind hielden. Ineens stonden wij allen te klappen voor de zorgverleners die op de intensive care ware heldendaden bleken te verrichten. Zichtbaar werden ook de pakketbezorgers die maakten dat wij door konden gaan met consumeren. Ook zagen wij hoe onmisbaar de juffen en de meesters zijn die, met risico’s voor de eigen gezondheid, voor de klassen bleven staan dan wel online aan de slag gingen om de schoolachterstand zo minimaal mogelijk te laten worden.

Het is in dezelfde tijd dat de miljardairs, ze zijn met ‘tweeduizend en bezitten samen zo’n 10.000 miljard’, zich oneindig verrijken. ‘Waarom, vraag Ron Meyer zich af, bezit je één, tien of zelfs honderd miljard? Wat is er dan in hemelsnaam mis met je? Waarom heb je daarvan niet allang een werelddeel, een land of alle ziekenhuizen van de wereld gefinancierd? Waarom red je in je uppie niet alle verhongerde kinderen, aan medicijngebrek stervende baby’s of andere ‘Angreifbaren’? Waarom doe je niet het goede? Of, veel beter, waarom zet je je macht niet in voor een ander belastingstelsel? Waarom pleit je niet voor waardigheid boven liefdadigheid?’.

Maar net zo’n relevante vraag, is waarom wij, politici, de onmisbaren niet de waarde hebben gegeven waar ze recht op hebben? Hoe zorgvuldig gaan wij eigenlijk om met die grote groep die onze samenleving draaiende houdt? En dat terwijl het juist deze groep is die minder lang leeft en moet knokken om het hoofd boven water te houden. Die in de afgelopen decennia veel vanzelfsprekende rechten verloren heeft, omdat hij of zij de vaste baan kwijtraakte en noodgedwongen als zzp’er aan de kost moest komen. Hoe kan het, dat de twee werelden van rijkdom en armoede zo tegenover elkaar staan en in deze bizarre tijd nog verder uit elkaar groeien? Waarom is er geen vanzelfsprekende solidariteit?

Op zoek naar deze antwoorden, beschrijft Ron Meyer ook zijn eigen worsteling. Zelf groeide hij op achter het spoor in Heerlen en kent de armoede van binnenuit. Dankzij de inspanningen van zijn ouders, kreeg hij wél de kans om te studeren. Dankbaar beschrijft hij de waarde van thuis zijn, thuis voelen: ‘Heem is waar niemand vergeten wordt. Heem is erkenning. Heem is waardigheid’. Maar met de kansen die hij van zijn ouders kreeg kwam Ron Meyer onvermijdelijk in twee werelden terecht: ‘Ik ben verliefd op de kwaliteit van de elite én hou van de oprechtheid van de volksbuurt; Ik ben verslaafd aan de fijnheid van het filmhuis én ik geniet intens van popcorn in de bioscoop (…) Ik kijk verrukt naar de mogelijkheden van oneindige rijkdom én ben gevormd door de weinige pretenties van armoede. En heel soms, erken ik dat het allemaal niet zo zwart-wit is. Dan zie ik vele tinten grijs. Maar meestal is het een grote worsteling. Waarom is het zo moeilijk om van twee sociale klassen te houden? Waarom lijkt het onmogelijk om me op twee plekken thuis te voelen? Waarom voelt genieten van intellectuele uitdagingen als verraad?’

En hier raakt Ron Meyer ook bij mij een gevoelige snaar. Want is het niet juist dit, waardoor er een vervreemding is ontstaan tussen de voorhoede van de progressieve beweging en de onzichtbaren? En, niet onbelangrijk, is deze voorhoede niet steeds gevoeliger geworden voor de verleidingen van de leefwereld van ‘de elite’? Want feit is, dat in de dagelijkse politiek de primaire leefwereld van de onmisbaren steeds minder de kern vormen van het debat. Sociaal- culturele identiteitskwesties krijgen bij zowel rechts als links meer en meer de aandacht. Het lijkt wel of de bestaans(on)zekerheid van grote groepen onmisbaren van de politieke agenda verdrongen is. Waarom? Met een zekere wanhoop merkt Ron Meyer op dat ‘Mensen die nooit armoede hebben gekend, realiseren zich zelden hoe duur al die houtje-touwtje oplossingen zijn. Of wat één van de grootste dagelijkse kwalen van armoede is: nooit vooruit kunnen plannen. Nooit met morgen bezig kúnnen zijn omdat het heden alle aandacht vergt door de uitgestelde rekeningen van gisteren’.

Het boek De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse van Ron Meyer helpt om weer de kern van de sociaaldemocratie te raken en die ligt in het centraal stellen van de bestaanszekerheid van groepen die minder kansen hebben. In essentie gaat het, zoals Ron Meyer het uitdrukt om, ‘KLAS-SUH! Verdomme’. Met alle verscheidenheid die onze tegenwoordige maatschappij ook kent, is er een hele grote groep aan de onderkant, die het raderwerk vormt van het welbevinden van onze gehele samenleving. Juist deze groep moet nog steeds knokken voor haar eigen bestaanszekerheid. En dus ligt hier nog steeds een klassieke taak voor progressieve partijen om dit vraagstuk te politiseren.

Daarom is het boek van Ron Meyer wat mij betreft vooral een must-read voor progressief Nederland.

Adri Duivesteijn

Ron Meyer: De Onmisbaren, een ode aan mijn sociale klasse 2021 – ISBN 978 90 446 4883 6 – Bestellen bij: https://uitgeverijprometheus.nl/catalogus/de-onmisbaren.html

Ron Meyer: ‘Een land veranderen vergt strijd, om ideeën, belangen en macht.’
Foto: De Onmisbaren FNV

Share and Enjoy !

Shares

20 januari 2022: Minister Hugo de Jonge belooft steun aan wooncoöperaties

operatie wooncoöperatie

Ik keer even terug naar de debatten over het woonakkoord van Rutte 2 in de Eerste Kamer in 2014. Het is het moment waarop ik de toezegging kreeg dat de wooncoöperatie zou worden opgenomen in Woningwet 2015. Eindelijk zou er een wettelijke basis zijn voor sociale burgerinitiatieven in het eigen wonen.

De nieuwe woningwet zou het einde moeten zijn van het exclusieve recht op het bouwen van sociale huur- en koopwoningen. Zelforganisatie, zelfbeheer en zelfbeschikking van bewoners zou nu eindelijk ook een recht worden in hun wonen.

Maar helaas kreeg de wooncoöperatie van de sociale huursector geen reële kans. Stilzwijgend negeerde de professionals al die burgers die bij hen aanklopte met hun initiatieven. Slechts twee keer lukte het huurders om hun woningen om te zetten in een eigen wooncoöperatie. Wel verkochte de woningcorporaties duizenden sociale huurwoningen op de commerciële woningmarkt. Wat een gemiste kans om in ons land een sociale woonsector op te bouwen die echt van burgers is!

Met de komst van een nieuwe minister Volkshuisvesting lijkt er een echte verandering op komst . Bij de presentatie van het boek Operatie Wooncoöperatie toonde de minister zich heel positief over de wooncoöperatie binnen ons woonstelsel. Hij was ronduit enthousiast om burgers de kans geven om een eigen wooncoöperatie te vormen. Hij zegde nieuwe regelgeving toe waardoor het gemakkelijker wordt voor burgers om hun eigen wooncoöperatie op te richten.

114 jaar heeft het geduurd voordat er in de Woningwet ruimte ontstond voor burgerinitiatieven. Zou het jaar 2022, met de komst van de nieuwe minister voor Volkshuisvesting Hugo de Jonge, de doorbraak worden voor burgers om zelf inhoud te mogen geven aan hun eigen wonen. Dat zou een feest zijn.

Ik ben optimistisch en denk dat het nu echt zal gaan lukken!

Share and Enjoy !

Shares

Op de valreep nog even terugkijken naar 2021 en vooral ook naar de nieuwe kansen in 2022

Ter toelichting: De kop in dit eindejaarsbericht in het Algemeen Dagblad begint een beetje macho maar deze komt voort uit mijn overtuiging dat politici zich vooral om de kwaliteit van hun stad of dorp moeten bekommeren. Die kwaliteit uit zich niet per se in, wat ik noem, een kwantitatieve benadering. In deze debatten staan vaak de bezwaren van de achterban centraal en de behoefte om die te bevredigen. De compromissen die hierdoor worden ‘afgedwongen’ zeggen vaak weinig over de uiteindelijke uitkomst van een plan.

In Den Haag spelen een paar kwesties (inrichting Spuiplein en verdichting bij de stations) die een fundamenteler debat vragen dan de compromissen die nu, net voor de valreep van de gemeenteraadsverkiezingen, door de Raad zijn vastgesteld. Met alle waardering voor compromissen en voortvarendheid ultiem moet het gaan om een visie op de stad en daarmee verbonden om de kwaliteit van een plan.

In mijn interview geef ik aan ‘dat het anders kan’.

Een mooie jaarwisseling en een gezond 2022 wens ik u allen toe

Share and Enjoy !

Shares

l’histoire se répète, een brief voor de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer

Wie lang de politiek volgt, weet dat woorden niet per se daden worden. Dat is ook het geval wanneer het de politiek zelf betreft. We maken meer en meer mee dat de Tweede Kamer gebruik maakt van haar recht op het doen van onderzoek. Recent nog bij de toeslagenaffaire. En er staan nog drie onderzoeken op stapel. Dat is een goede zaak. De Tweede Kamer geeft op deze wijze inhoud aan haar controlerende taak. En nu even niet langs de lijn van twintig fracties (brr) die elkaar de maat nemen, maar als commissie die de Kamer als geheel vertegenwoordigt. Het onderzoekswerk is misschien wel het meest gewaardeerde werk van de Kamer. In ieder geval is het voor mij de meest bevredigende tijd geweest in de 13 jaar dat ik actief mocht zijn in de Tweede Kamer. Het zet echt zoden aan de dijk.

Maar, en dat is pijnlijker, vaak komt een parlementaire commissie ook tot de conclusie dat de Tweede Kamer mede schuldig is aan het ontstaan van het falen van de overheid. Zo’n zelfreflectie is op zich goed. Daardoor gaat een deel van de conclusies van zo’n parlementair onderzoek ook over het verbeteren van de werkwijze van de Tweede Kamer.

Dat was ook de strekking van het advies van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI), waarvan ik destijds voorzitter was. Wij onderzochten in 2004 het wel en wee van de overschrijdingen bij de aanleg van de Betuwelijn en de HSL-Zuid. Al snel kwamen wij er achter dat de kern van het probleem vooral ook te maken had met de wijze waarop de Kamer de parlementaire controle inhoud geeft. Die faalde volstrekt. En niet alleen dat. We ontdekten ook dat het falen niet exclusief een kwestie van de grote projecten was, maar dat de Kamer als geheel de ondersteuning niet had geprofessionaliseerd.

Hoe vreemd het ook klinkt, maar veel leden koesteren een romantisch beeld van het Kamerlidmaatschap; het Kamerlid als eenling met de ondersteuning van een of twee medewerkers, die ten strijde trekt tegen de regering. Een tegenpartij die op haar beurt beschikt over zo’n 10.000 beleidsambtenaren. Don Quichot in het kwadraat wordt dan ook met regelmaat overruled.

De TCI kwam tot de conclusie dat het tijd werd om in te zien dat een andere bewerktuiging van de Kamer noodzakelijk was. Niet de versterking van de ondersteuning van individuele leden, maar van de Kamer als instituut. Wij hielden dan ook een pleidooi om een staatscommissie in te stellen om het artikel 68 over de informatieplicht van de regering aan het parlement meer inhoud te geven. En we deden de aanbeveling om een parlementair kennis- en controlecentrum op te richten. Dit zou betekenen dat de Kamer zou kunnen gaan beschikken over een deskundig en professional apparaat dat op tal van kwesties de Kamer zou kunnen ondersteunen. Op die manier zou de Kamer zelf voldoende kennis kunnen genereren, verwerken en verifiëren om haar controletaak waar te kunnen maken.

Het zal u, na mijn inleiding, niet verwonderen dat met de aanbevelingen (zie hieronder) weinig is gedaan. Maar nog merkwaardiger is dat keer op keer parlementaire onderzoekscommissies tot vergelijkbare noties zijn gekomen. En opnieuw genoegen nemen met het feit dat er maar marginale wijzigingen optraden in de wijze waarop ons parlement functioneert. Ook nu roept een onderzoekscommissie op tot versterking van de positie van de Tweede Kamer.

Ik zeg het de voorzitter van de Kamer na: Begin met te kijken wat er al is bedacht en uitgewerkt. Dit was aanleiding voor mij om het geheugen van de Kamer op te frissen en onze aanbevelingen opnieuw onder de aandacht te brengen. Ik heb dat geformuleerd, met de steun van onze vroegere griffier Vries Kool, in een brief op persoonlijke titel. Want een ding is wel duidelijk: de tijd lijkt rijp. De werkgroep van Kees van der Staaij die deze zomer is ingesteld heeft een historische kans om nu echt de bewerktuiging van de Tweede Kamer te professionaliseren. Dat gaat zeker extra geld kosten, maar het zal de kwaliteit van de Kamer als geheel verbeteren. En dat is in het belang van onze democratie. Dat is heel wat waard.

Voor wie meer wil weten vindt u hieronder de aanbevelingen van de TCI uit 2004 . Daaronder mijn aanbiedingsbrief aan de voorzitter van de Tweede Kamer met de vraag om mijn brief ter kennisneming te sturen aan het presidium van de Kamer en tevens de brief officieel door te geleiden aan de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer.

Ik wens u veel leesplezier en spreek de hoop uit dat er nu ook echt spijkers met koppen worden geslagen.

15 december 2004, aanbieding rapport van de Tijdelijke commissie Infrastructuurprojecten (TCI)

De aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI)

Eisen ten aanzien informatievoorziening (hoofdstuk 4):

f. de Tweede Kamer moet op informatie, die cruciaal is voor het uitvoeren van haar taken op het gebied van sturing en controle, op systematische wijze onafhankelijke toetsen kunnen (laten) verrichten;

g. voor haar informatievoorziening mag de Tweede Kamer niet slechts afhankelijk zijn van de regering;

h. de Tweede Kamer dient helder te zijn over de informatie die ze wil ontvangen;

i. alle beleidsinformatie dient in beginsel openbaar toegankelijk te zijn. In publieke onderhandelingsprocessen, zoals rond PPS en aanbestedingen, kan vertrouwelijk informeren van de Tweede Kamer een optie zijn.

Eisen ten aanzien informatieverwerking door de Tweede Kamer (hoofdstuk 5):

j. er moet een adequate kennisinfrastructuur worden opgebouwd als instrument voor de Tweede Kamer;

k. de Tweede Kamer moet zelf voldoende kennis kunnen genereren, verwerken en verifiëren om haar controletaak waar te kunnen maken;

l. de Tweede Kamer moet rechtstreeks contact met uitvoerende ambtenaren kunnen onderhouden;

m. de Tweede Kamer moet best practices voor parlementaire informatievoorziening uit het buitenland bestuderen en bij gebleken succes deze vertalen naar de Nederlandse situatie.

15-12-04- Aanbieding rapport commissie Duivesteijn, Tweede Kamer. Foto Hans Kouwenhoven

Geachte Voorzitter van de Tweede Kamer, beste Vera,

Op uw initiatief is de werkgroep Versterking positie Tweede Kamer in het leven geroepen, die op 8 juli is geïnstalleerd. De werkgroep  is gevraagd voorstellen te ontwikkelen die ervoor zorgen dat de Kamer de controlerende en medewetgevende taken beter kan uitvoeren en de informatievoorziening kan versterken. 

De Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI), waarvan ik destijds voorzitter was, deed in 2004 op basis van een brede probleemanalyse een aantal aanbevelingen die gingen over een vergelijkbare vraagstelling. In haar aanbevelingen heeft de commissie specifiek aandacht besteed aan een tweetal aangelegenheden:

– praktische en concrete regels om beter uitvoering te geven aan de informatieplicht van de regering die voortvloeit uit artikel 68 Grondwet; en 

– zorgen dat de Kamer als instituut goed geëquipeerd is om ten behoeve van controle en medewetgeving binnengekomen informatie te verwerken.

In onze aanbevelingen hebben wij op deze onderwerpen gepleit voor een structurele oplossing. Wij hebben echter moeten constateren dat de Kamer zelf terughoudend was haar eigen positie te versterken. 

En, het moet ook worden gezegd: l’histoire se répète. Bij ieder onderzoek van een parlementaire commissie zien wij een terugkerende onvrede van de Tweede Kamer over het eigen functioneren. De meest recente zijn de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie die de toeslagenaffaire heeft onderzocht. Ook deze ging uitvoerig in op het niet functioneren van de kamer zelf. En keer op keer neemt de Kamer zich voor haar functioneren te verbeteren. Zo ook deze keer, en dus is de instelling van een werkgroep Versterking functies Tweede Kamer alleszins begrijpelijk. Echter de vraag die zich opdringt, hoe het kan dat diezelfde Kamer telkenmale eerdere aanbevelingen over de verbetering van haar functioneren niet of nauwelijks serieus tot uitvoering heeft laten komen? Wat is het toch dat de Kamer zoveel van haar eigen aanbevelingen, gedaan door parlementaire commissies die zij zelf heeft ingesteld, niet vertaald in daden?  Wat is het mechanisme daarachter? 


Voor ons als TCI was het in 2004 al evident dat de informatievoorziening aan de Kamer moest worden verbeterd en dat de Kamer als instituut zich moet voorzien van een meer professionele ondersteuning. Zoals ook in onze rapportage is opgenomen zijn andere landen ons daarin voorgegaan. Terecht dat u de werkgroep in deze om een verkenning vraag. Maar het bijzondere is dat het materiaal er allang is. Geplaatst in het licht van de huidige actualiteit neem ik daarom de vrijheid  om het werk van de TCI nog eens bij u en de werkgroep onder de aandacht te brengen aangezien wij de vergelijkbare vragen een inhoudelijk antwoord hebben gegeven. Wellicht dat het kan bijdrage aan het werk van de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer. 

Ik heb dat gedaan in de vorm van bijgevoegde brief, die ik persoonlijke titel schrijf. Ik zou het op prijs stellen indien u de brief wil doorgeleiden aan de werkgroep en ter kennisneming aan de leden van het presidium van de Tweede Kamer wil doen toekomen. 


Ten alle tijde bereid tot een toelichting.  
Met vriendelijke groet,

Adri Duivesteijn

Download hier de brief aan de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer: https://www.adriduivesteijn.nl/wp-content/uploads/2021-11-10-Brief-aan-de-werkgroep-versterking-functies-Tweede-Kamer-AD-1.pdf

Share and Enjoy !

Shares

Acht jaar Acht uur. Leven op het Binnenhof

Recensie 

2021, Uitgeverij Balans, Amsterdam

acht jaar verzorgt Ron Fresen op acht uur in het NOS-journaal de duiding van het politieke wel en wee van het hoogste orgaan binnen onze democratie, de Tweede Kamer. In zijn boek Acht Jaar Acht Uur openbaart hij hoe ‘zijn’ dagelijks leven er als parlementair journalist uitziet. Op 26 oktober jl. werd zijn boek[1] in het Haagse museum Beeld en Geluid gepresenteerd. 

In Acht jaar Acht uur wordt op een ontspannen manier inzichtelijk, dat er achter ieder contact tussen journalist en politicus een wederzijds belang schuilgaat. Niets is vrijblijvend. De journalist is uit op het nieuws, het liefst natuurlijk een echte primeur, maar minimaal wil hij begrijpen wat de achtergronden zijn van tal van bewegingen. De politicus, en hier maakt het niet uit in welke rol, realiseert zich dat de journalist de toegang is tot de publieke opinie. En als echte volksvertegenwoordiger heeft deze er belang bij om zichtbaar te zijn.

Zelf kom ik uit de generatie van de jaren zeventig. Het was de tijd waarin het nieuws werd gedomineerd door de verzuiling. Het medialandschap was er een verlengstuk van. De kranten hadden elk hun eigen herkenbare identiteit: het Vaderland voor de liberalen, Het Binnenhof was katholiek, de Nieuwe Haagse Courant (Trouw) was het ‘christelijk nationaal dagblad voor Den Haag en omgeving’, het vrije Volk diende zowel socialisten als sociaaldemocraten terwijl De Waarheid op de mat van de communisten belandde. Mijn ouders lazen de Haagsche Courant die zich ideologisch tussen alles in bewoog.

In dit ideologische geweld van de jaren zeventig en tachtig was het televisieprogramma Den Haag Vandaag van de NOS met presentator Ton Planken een ware verademing[2]. In tegenstelling tot de genoemde media, beoogde het actualiteitenprogramma geen verlengstuk te zijn van een van de politieke zuilen. Den Haag Vandaag concentreerde zich op de duiding van het politieke nieuws. Aan de kijker werd overgelaten hoe deze het zou beoordelen.

1980, uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam

In dit gedachtengoed heeft Ron Fresen de afgelopen acht jaar op het NOS-journaal een vergelijkbare rol vervuld. Ron Fresen ziet zich als ‘duider’ van het nieuws: ‘Een commentator oordeelt, een duider analyseert. Een commentator vertelt wat-ie-ziet, een duider vertelt wat je niet ziet, maar wel moet weten om te begrijpen wat er speelt’. En als Ton Planken in 1980 nog verzucht dat de ‘tientallen journalisten die over de besluitvorming in Den Haag praten en schrijven, zich daar zelden of nooit laten zien’ laat Ron Fresen precies het tegendeel zien. Hij moet in al die jaren duizenden kilometers door de wandelgangen van het Binnenhof hebben afgelegd. En in dat alles tekent zich een vast patroon af, zoals het hangen bij de patat-balie, het wekelijkse bezoek op dinsdag in de Eerste Kamer en – niet onbelangrijk – het ensceneren van toevallige ontmoetingen met een potentiële bron naar het nieuws. Vaak op zoek naar een heuse primeur, maar veel vaker om inzicht te krijgen in de achtergronden van het nieuws.

Acht jaar Acht uur laat met vele – herkenbare – voorbeelden zien hoe besluitvorming in de politiek tot stand komt. Eén wil ik er uitlichten. En dat is het moment dat Ron Fresen en zijn collega Joost Vulling tijdens de formatie van het Kabinet Rutte 3, opvangen dat er een besluit is genomen tot het schrappen van een D-belasting. De ‘D’ oogt op het eerste gezicht technisch, maar zal gaan uitgroeien tot een heuse politieke rel. ‘D’ staat namelijk voor het schrappen van de belasting op het dividend (winstuitkering) op de aandelen van multinationals. Materieel gaat het over een 1.4 miljard dat de Staat zal verliezen aan belastinginkomsten. Dat roept bij beide journalisten vragen op: ‘Waar komt dit plan ineens vandaan? In de verkiezingscampagne speelde het geen enkele rol. Hoe is het dan toch in het regeerakkoord terechtgekomen? Is het soms met de top van de grote bedrijven bedisseld, onder het genot van een goed glas champagne?’ Veel speculaties, weinig concrete antwoorden.

Ron Fresen en Dominique van der Heyde gaat op zoek naar een verklaring: ‘het is donker, er is bijna niemand te bekennen en we zijn op weg naar de uitgang. Plotseling staan wij tegenover iemand die ongevraagd begint over de dividendbelasting. Het is niet de eerste de beste en de persoon heeft belangwekkende informatie’. Het is deze achtergrondinformatie die het NOS-journaal zal gaan domineren. Het is het begin van een grote politieke rel, waarbij uiteindelijk minister-president Rutte bakzeil haalt en af moet zien van zijn het plan tot afschaffing van de D-belasting. Weg is het douceurtje aan de aandeelhouders van het grote bedrijfsleven. In zijn boek geniet de journalist Ron Fresen nog zichtbaar van het moment dat zij greep kregen op de achtergronden van dit curieuze voornemen, dat in de krochten van een formatie werd geritseld.

In het boek maakt Ron Fresen geen geheim van zijn werkwijze en hoe hij in overleg met de redactie tot zijn onderwerpkeuze komt. Voor hem staat centraal dat de NOS geen eigen belang heeft in het politieke spel. Het is dienstbaar aan een goede en vrije nieuwsgaring, waarbij bij de duiding van het nieuws eerder de verschillende tegengestelde belangen zichtbaar worden. Het is aan de kijker hoe dit inhoudelijk te beoordelen. Toch levert ook deze ‘neutrale’ houding weerstand op.

Dominique van der Heyde ontvangt het eerste exemplaar

In een tijd van toenemende polarisatie, vechten de verschillende tegengestelde partijen ook om het eigen gelijk in het nieuws. Niets in onze tijd blijkt vrijblijvend te zijn. Zo willen Geert Wilders (‘Wilders heeft zeker ook een aardige en zachte kant. Het publiek krijgt die zelden of nooit te zien’) en Thierry Baudet (‘de enige politicus met wie ik niet goed overweg kan’) nog wel eens meegaan met de bewering dat de duiding ‘NOS Fake nieuws is’. Ron Fresen is daar klip en klaar over: ‘Wij horen niet te kiezen, wij blijven in het neutrale midden. Wij nemen hun waarheid niet over, maar vertellen alle kanten van de waarheid, uitgaande van algemeen geaccepteerde feiten. Met andere woorden: dat ‘NOS Fake nieuws’ is er niet omdat wij iets fout doen, het is er omdat wij iets goed doen.’ (…) ‘Kritiek op de NOS mag, nee dat moet zelfs, daar word je zelfs beter van. Maar stop met schelden, bedreigen, intimideren en demoniseren. #stopdaarmee.’

Acht Jaar Acht uur laat een echte ambachtsman zien die met liefde zijn vak uitoefent. En dat nu opgeschreven krijgt bijzondere betekenis omdat hij als het gezicht van het NOS-Journaal transparant maakt hoe hij en de redactie komen tot de ‘duiding’ van het politieke nieuws. Door dat te doen heeft Ron Fresen de media, de politiek en haar kijkers een dienst bewezen.

Adri Duivesteijn, oud lid van de Eerste en Tweede Kamer.

Den haag, 4 november 2021


[1] Acht Jaar Acht uur, Leven op het Binnenhof. Ron Fresen 2021, Uitgeverij Balans Amsterdam

[2] Den Haag Vandaag, televisie en de zekerheid van een scheef beeld. Ton Planken, 1980, Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam.

Share and Enjoy !

Shares

IM – John Lennon als inspiratiebron (1980-2020)

Foto: Bob Gruen

'Nederland werd 9 december 1980 wakker met het bericht dat John Lennon was doodgeschoten. Enkele uren voordat de ‘Radionieuwsdienst verzorgd door het ANP’ om zeven uur zijn journaal ermee opende, was de ex-Beatle voor zijn huis in het Dakota Building aan de New Yorkse Upper-West Side door de 25-jarige Mark Chapman vermoord.' (...) 'Wie het die dinsdagochtend in 1980 meemaakte, zal het nooit vergeten. Er was ongeloof, woede en verdriet; iedereen leek er kapot van.'  Volkskrant, 7 december 2020

Kapot, voor mij gold dat ook. Ik werd, wonend aan het Huijgenspark 54a in Den Haag, door de wekkerradio gewekt. Tot mijn ongeloof (wie niet?) hoorde ik het verbijsterende bericht over de moord van John Lennon. Het was de tijd waarin ik nog aan het wennen was aan mijn nieuwe positie. Ik was namelijk, vier weken ervoor, op 3 november 1980 door de gemeenteraad gekozen tot wethouder Ruimtelijke ordening en Stadsvernieuwing van Den Haag. Op deze ochtend had ik de reguliere vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders in de deftige bestuurskamer van het stadhuis aan het Burgemeester de Monchyplein. Er lag een omvangrijke agenda, ook met mijn stukken, maar die ochtend kon ik eigenlijk aan niets anders meer denken dan aan de ‘Radionieuwsdienst verzorgd door het ANP’  met de bizarre mededeling over de dood van John Lennon.

Ik ben opgegroeid met de Beatles. ik kan mij nog herinneren dat de The Beatles eind 1963, begin 1964 doorbraken. Ik was veertien jaar. The Beatles waren in die tijd een muzikale revolutie en zijn dat nog steeds. Heel bijzonder, hoe een muziekgroep in staat is om een tijdperk te veranderen, het leven van miljoenen mensen op een positieve manier te beinvloeden. Ook ik keek uit naar ieder moment dat er een nieuw albuw van de The Beatles zou gaan verschijnen. Nog steeds verzamel ik muziek van de Beatles, kan ik het keer op keer opnieuw beluisteren en ben telkens weer onder de indruk. Ja, misschien nog wel het meest van de witte lp’s. Deze illegale studioopnamen, ik heb er een paar gekocht op een markt in Londen, heb ik door de jaren heen grijs gedraaid (en natuurlijk gedigitaliseerd en verspreid :-). Daar naar luisteren gaf mij het gepriviligieerde gevoel dat ik even in de studio mocht meekijken en vooral meeluisteren. Ik heb er geweldige herinneringen aan. Het meest bijzondere is, te mogen (nou ja, ‘mogen’) luisteren naar de vier bandleden die met elkaar al repeterend werkten aan hun legendarische muziek. Op een van die platen is bijna een hele kant gewijd aan een muziekstuk (Two of Us). Telkens weer die ene zin om de juiste klank en toonhoogte te vatten. Hun oefeningen rolden door mijn werkruimte. Ik kon er, terwijl ik zelf aan het schrijven was, uren naar luisteren.

Manuscript 1984 van George Orwell

Het bracht mij ook terug naar een facsimile van het boek 1984 van George Orwell. In zijn manuscript staan honderden doorhalingen en verbeteringen. Het illustreert de worsteling, die je moet doormaken om tot een meesterwerk te kunnen komen. Net als de The Beatles, was hij bezig met het oneindig optimaliseren van wat begon als een idee. The Beatles gingen dezelfde weg om tot hun klassiekers te komen. Juist die worsteling heeft mij het vertrouwen gegeven, dat uniciteit nooit zomaar onstaat. Er moet hard voor gewerkt worden, je moet het idee doorleven om het opnieuw te kunnen verbeteren. Voor mij een wijze levensles.

Terug naar 8 december 1980. Ik zat dus in het College, vol van het bericht over de dood van John Lennon. ‘Ik moet hier iets mee doen. Ik moet hier iets over zeggen’. Althans dat nam ik mij voor. Ja, ik moest het in het College van B&W opmerken, zodat wij erover konden praten, ja, dat het als feit werd besproken en dus zou worden vastgelegd in de notulen. Bij wijze van spreken, als het vastleggen van onze verontwaardiging, als een soort eerbetoon, als een feit dat wij niet wilden laten passeren.

Maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik was nieuw en jong in een College dat, zo keek ik er toen nog naar, bestond uit leden van een oudere generatie. Al grijs, zou je ook kunnen zeggen. En, nog steeds tot mijn verbazing, durfde ik niet harop te zeggen dat ik geschokt was door het bericht van het ANP over de dood van John Lennon. Dat het ervoor zorgde, dat ik niet met mijn hoofd bij reguliere zaken kon blijven. Er was namelijk iets gebeurd, dat groter was dan de vele problemen die de stad Den Haag, toen nog met haar Oude Wijken, kende. Hier was iemand vermoord die – tegen wil en dank – de morele leider was geworden van allen die tegen de Vietnam oorlog waren. John Lennon, die zong over Revolution maar die ook zei ‘But when you talk about destruction, Don’t you know you can count me out’. De man die samen Yoko Ono het universele vredeslied Imagine schreef. Juist deze man was vermoord! Ik moest iets doen met dit moment.

Tot mijn verbazing heb ik het niet aangedurfd. Blijkbaar nog geimponeerd door de gewichtige en serieuze sfeer, die het college domineerde, kon ik het niet aan om ‘onze’ reguliere vergadering te verstoren met de mededeling dat John Lennon was vermoord. Dat dit mij schokte en dat het ons allemaal zou moeten schokken en wij dus niet konden overgaan tot de orde van de dag. Niet aanvaardbaar.

Het is merkwaardig hoe momenten je leven kunnen bepalen. Al veertig jaar draag ik een gevoel van lichte lafheid met me mee. Ik had in dat College, waar ik toen nog maar vier werken lid van was, de moed moeten opbrengen om te zeggen dat wij nu even moesten stoppen met de reguliere vergadering. Dat wij onze gevoelens over deze verschrikkkelijke moord zouden delen. Dat was wel het minste geweest. Helaas, ik liet het moment bij de rondvraag voorbij gaan, en nog altijd draag ik de onvrede hierover met mij mee. Het voelt nog steeds als laf.

'Niet alleen de popwereld raakte in diepe rouw. Lennon leek groter dan een popmuzikant. Iedereen kende The Beatles, iedereen kende John Lennon. Dagenlang hoorde je op de radio Lennon-liedjes, zijn platen waren niet aan te slepen.' Volkskrant, 7 december 2020

Een Beatle gaat niet geruisloos dood. En zeker John Lennon, als leider van de band en als toonaangevende soloartiest met een boodschap, niet. Dus ‘Dagenlang hoorde je op de radio Lennon-liedjes'. Omdat ik nog in de beginweken van mijn wethouderschap zal was ik blijkbaar extra gevoelig voor invloeden van buitenaf. En zo ontdekte ik dat, van alle Beatles-muziek, ik toch vooral een Lennon liefhebber ben. Zijn muziek, zo vaak ook gekoppeld aan zijn persoonlijke ervaringen, bleken voor mij ook de vragen te zijn die mij bezig hielden. Dat werd nog sterker met de solo-albums van John Lennon en Yoko Ono. Veel van Lennon’s composities (Help, I’m a Lozer, Women, Jalours Guy, Imagine) raken in de meest directe zin het leven zelf. het onttrekt zich aan het muziek die vooral het pleasen van de luisteraar tot doel heeft. Bij John Lennon is het jouw keus om er naar te luisteren. Het is niet gemaakt om behaagd te worden. Nee, John Lennon, daar kwam ik toen achter, wist je te raken met de levensvragen die ook deel van jezelf zijn. Een geweten dus, maar dan niet van een prediker, maar van iemand die in staat is om jou de woorden te geven die het mogelijk maken om vragen bij jezelf te stellen.

Voor mij is dat de legacy van John Lennon. Iemand die met zijn muziek en teksten mij – en miljoenen anderen- een permanente inspiratie heeft gegeven. Zowel in mijn privéleven, als in mijn (politieke) werk. Niet dat het mij gelukt is daarin altijd voorbeeldig te zijn, maar het gaf mij wel een gewenste richting. Heel nadrukkelijk niet religieus, niet van bovenaf geprojecteerd, maar als een referentiekader dat dagelijks opnieuw inspireert.

https://www.volkskrant.nl/editie/20211003/john-lennon-shot-dead-8-december-1980-was-een-dag-vol-woede-ongeloof-en-verdriet~b6091b4d/

En nog altijd leren wij niets.

Share and Enjoy !

Shares

IM – Hans van Dijk, architectuurcriticus, bescheiden op de voorgrond (1948-2021)

Hans van Dijk

En weer kwam de dood onverwacht. Bij het ontvangen van de rouwkaart keek ik verbijsterd in de guitige ogen van Hans van Dijk: ‘Hans schrijft niet meer’ luidde het opschrift. Met Hans van Dijk, prominent architectuurcriticus die het tijdschrift Archis de Nederlandse architectuurkritiek nationaal en internationaal een eigen gezicht heeft gegeven, verliest de architectuurgemeenschap een belangrijk opinieleider.

Het was nog niet zo lang geleden dat wij elkaar – corona-proof – aan de telefoon hadden en ons eigen wel en wee bespraken (zie noot 1) om daarna moeiteloos onze wederzijdse gedachten te laten gaan over de ontmanteling van het Nederlandse architectuurbeleid. Hans toonde zich strijdbaar als vanouds. Zijn ziekte leek onder controle en dus was er weer ruimte voor architectuur. Daarop anticiperend had ik Hans gevraagd of hij zou willen meedenken over de toekomst van de IABR. In een whatsapp-bericht schreef hij mij ‘wat betreft de Rotterdamse Biënnale ga ik je teleurstellen. Ik ga alle energie en tijd die mij nog gegeven is gebruiken om een project af te maken waar ik al enkele jaren mee bezig ben: de rol die 5 à 7 architectuurcritici (mensen als Pevsner, Giedion, Row/Frampton) hebben gespeeld op het architectuurdebat van de afgelopen 100 jaar. Zo kan ik dingen blijven doen waar ik goed in ben en waar anderen misschien nog iets aan hebben.’

Hans Van Dijk leerde ik kennen voordat ik hem kende. Hans was in de jaren tachtig hoofdredacteur van Archis. Het tijdschrift werd algemeen beschouwd als gezaghebbend, onafhankelijk, betrokken, informerend maar bovenal opiniërend. Als hoofdredacteur was hij erin geslaagd om het tijdschrift Wonen/TABK, dat zich onderscheidde in de hoogtijdagen van de stadsvernieuwing en het pad effende voor nieuwe generaties jonge architecten, om te vormen tot een nieuw en aansprekend tijdschrift voor ‘architectuur, stedebouw en beeldende kunst’. Hans zelf was binnen Archis een van de opinieleiders over de ontwikkelingen in de architectuur en stedenbouw. Meer dan eens doorgrondde hij de vaak onnavolgbare besluitvormingsprocessen, waarmee stedenbouwers en architecten te maken kregen.

Ik ondervond zijn scherpe pen in mijn Haagse periode als wethouder Ruimtelijke ordening en Stadsvernieuwing. Wij, in het Haagse, waren aan het eind van de jaren tachtig verstrikt geraakt in het krappe pak (23-22 zetels!) van een progressief College. De interne verschillen van inzicht brakken ons ‘progressieven’ op bij de besluitvorming voor een nieuw stadhuis. Hans van Dijk schreef daarover in een editorial met de titel: ‘Het benodigd draagvlak voor bestuurlijke visie’. In een kraakheldere analyse ging hij in op de wenselijkheid van de combinatie van ‘ontwerptalent en politieke daadkracht’. Maar ‘De Haagse affaire leert echter dat een dergelijke verbinding pas succes oogst als aan twee voorwaarden is voldaan’. Dat hield voor Hans van Dijk in, dat naast het ‘steun en rugdekking geven aan architecten en stedenbouwers’, een bestuurder zich dient te verzekeren van ‘een brede politieke basis’. De boodschap was duidelijk. Stedenbouw en architectuur vergen een lange adem en dienen uit te stijgen boven de politieke conjunctuur van de dag. En ‘deze kunnen het beste gedijen in een homogeen en stabiel afspiegelingscollege’.

In hetzelfde nummer van Archis schreef Hans van Dijk een beschouwing over het werk van Jo Coenen onder de titel ‘Geografie en eclecticisme’. Het vraaggesprek met Jo Coenen, onder de titel; ’ik ben nu voornamelijk bezig de zwaarte uit het werk te halen. En dat lukt’. Het interview trok meer dan mijn gewone aandacht. Het ontwerp voor het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) van Jo Coenen was in september 1988 gekozen om gerealiseerd te worden en ik zat in de procedure om een rol te gaan spelen in dit nieuwe prestigieuze instituut. Nog in hetzelfde jaar volgde mijn benoeming als de eerste directeur van het NAi. Twee taken gaf het bestuur mij mee. Het realiseren van het bouwplan van Jo Coenen in het Rotterdamse Museumpark en de dragers van het NAi, de Stichting Wonen TA/BK (waaronder Archis), het Nederlands Documentatiecentrum voor Stedenbouw en Architectuur en de Stichting Architectuurmuseum, om te vormen tot één samenhangend architectuurinstituut. Zelf gaf ik mij nog een extra opdracht mee. Want naast de traditionele taken als tentoonstellingen, publicaties en de documentatie van archieven van vnl. architecten, wilde ik dat het instituut inhoud zou gaan geven, aan wat Hans van Dijk ‘draagvlak’ had genoemd bij het publieke opdrachtgeverschap in de stedenbouw en de architectuur. Maar zelf niet komend vanuit de binnenste cirkel van het vakgebied, was de hoe vraag nog niet zo eenvoudig.

NAi, Stafbijeenkomst in Den Treek :
Ruud Brouwers (links) en Hans van Dijk (rechts)

Hans van Dijk geloofde hartstochtelijk in de komst van het NAi. Bundeling van het versplinterde landschap in de architectuur zou het draagvlak doen toenemen. En aan dat ideaal wilde hij dienstbaar zijn. Hij hechtte – en dat is een zeldzaamheid – niet aan functies of status. In ons eerste gesprek liet hij mij weten ook inzetbaar te zijn op andere plekken in het instituut. Ik kon mij geen betere medewerker wensen. Met Hans in de staf kon het NAi zich verbredend in de door mij gewenste richting. Hans van Dijk kreeg als hoofdtaak Programmaontwikkeling. Voor Archis was dit ook een kans op doorontwikkeling. Met het vrijkomen van de functie van hoofdredacteur en de benoeming van Geert Bekaert, vermaard Belgisch kunst- en architectuurcriticus, kon Archis een nieuwe dimensie krijgen.

Hans van Dijk was, als oud-hoofdredacteur, gewend om te denken in concepten en ontpopte zich als een denktank in zichzelf. Hij bleek goud waard te zijn bij het opzetten van tal van maatschappelijk georiënteerde programma’s die erop gericht waren om het draagvlak voor de stedenbouw en architectuur bij opdrachtgevers te vergroten. Maar ook was hij de man die het vakgebied uitdaagde om te komen tot inhoudelijke verdieping. Hans, die beschikte over een oneindige bron van kennis en contacten, maakte het mogelijk, om naast de klassieke basistaken als tentoonstellingen, publicaties en het beheer van de collectie, nieuwe groepen aan te boren. Het NAi werd daarmee een plek die meer was dan de optelsom van de drie Founding Fathers.

1992: Japanreis (NAI Fonds voor Beeldende Kunst en Bouwkunst – Hans van Dijk – derde van rechts

Het is niet echt nodig om alle wapenfeiten van Hans van Dijk op te sommen in de tijd dat ik met hem mocht samenwerken. Maar enkele wil ik toch even noemen. Hans van Dijk was mijn sparringpartner bij het Beleidsplan 1991-1960 van het NAi waarmee zowel de diepte als de breedte verdiepte van het architectuurinstituut. Met het programma ‘Architectonische kwaliteit als opdracht voor openbaar bestuur’ (1991) werden tientallen gemeentebestuurders bewust gemaakt van hun rol in het keuzeproces van de stedenbouw en architectuur. Een vergelijkbaar programma zette hij op in de Praagse Burcht nadat de schrijver Václav Havel met zijn fluwelen revolutie een einde had gemaakt aan het communistisch bewind. Hans van Dijk bleek bij uitstek de persoon die beschikte over het vermogen om zijn vrijwel oneindige kennis van het vakgebied en de vele persoonlijke contacten in de (inter-)nationale architectuurgemeenschap in te zetten om het nieuwe NAi midden in de samenleving te plaatsten. Daarbij ging hij ook op het vakgebied zelf geen uitdaging uit de weg, Met de studiereis van 18 jonge Nederlandse architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten naar Japan (1992), georganiseerd door het van het NAi en het Fonds voor Beelden Kunst en Bouwkunst, werd gebroken met het fenomeen van individuele reissubsidies en werd er voor het eerst gekozen voor samen leren en ontdekken. Met zijn project ‘Architecture and Legitimacy’, (1995) stelde hij vragen over het vakgebied zelf. Dat alles is niet altijd eenvoudig geweest, maar dat was nooit ook zijn doel.

Hans van Dijk (links) In Praag met de toen nog jonge architecten Kees Christiaanse, Arne van Herk en Margreet Duinker

Hans van Dijk, het is gek om over hem te schrijven in de verleden tijd, was onomstreden gezaghebbend maar in al zijn activiteiten stond hij bescheiden op de voorgrond. Voor hem ging het niet om zijn persoon. Zijn succes was er wanneer hij erin was geslaagd om ‘steun en rugdekking te geven aan architecten en stedenbouwers’ in hun dagelijkse strijd om hun ontwerp betekenis te geven en weerbaar te zijn in het krachtenspel die de bouwmachine ook is. Centraal stond een goed klimaat voor architectuur en Stedenbouw. Archis en later het NAi was nooit doel maar middel. Hij kon dan ook niet begrijpen dat met zo’n groot gemak de Nederlandse politiek het liet gebeuren dat men afscheid nam van het NAi en dit omvormde tot Het Nieuwe Instituut.

In ons laatste contact vroeg Hans van Dijk zich openlijk af; is er nog ‘enig draagvlak voor welke culturele dimensie dan ook?’. Maar, strijdbaar als altijd, was het stellen van de vraag, voor Hans van Dijk, ook het geven van een antwoord. Centraal in dat antwoord de rehabilitatie van ‘zijn’ NAi. Of, zoals hij mij schreef, ‘als ik het nog eens mocht meemaken: het HNI wordt ontvlochten, de kosten van de architectuur collectie bij de overheid laten, (‘goede huisvader’) en de culturele activiteiten financieren door een soort Maaskantfonds gevormd door een miljoenen-beginkapitaal gevormd door een aantal legaten en (institutionele) sponsors kunnen bijdrage.  Bondgenoten zoeken bij mensen die geld over hebben. Saskia van Stein tot eerste directeur benoemen.’ (18 november 2020). Of het op korte termijn zover zal komen denk ik niet maar een wens van Hans in al wel vervulling gegaan. Met ingang van oktober zal Saskia van Stein het directoraat van de IABR op zich nemen. Saskia kan het zien als een gunstig voorteken. Zij had geen  betere referentie kunnen krijgen.

Hans van Dijk is, was een zeldzaam innemende persoonlijkheid. Een mens die de totale architectuurgemeenschap: bestuurders, stedenbouwers, architecten, historici en critici, met zijn onafgebroken en onbaatzuchtige inzet ‘Voorbij het Gangbare’ ( 2) heeft uitgetild.

Dankbaarheid is hier op zijn plaats.

Adri Duivesteijn. Eerste directeur van het Nederlands Architectuurinstituut. (1989-1994)

8 september 2021


  1. Op dinsdag 20 april j.l. stuurde Hans mij nog de publicatie van Susan Sontag, Ziekte als Metafoor – Amsterdam de Arbeiderspers, 2019, 20,99 euro (oorspr: Illness as metaphor, 1978). Het is een indringend relaas over de beelden waar kankerpatienten mee te maken hebben. In October of 1977, Susan Sontag delivered one of the institute’s five James Lectures for that year. Her topic was “Illness as Metaphor”. She explored the truth that it was no longer possible, as she wrote, “to take up one’s residence in the kingdom of the ill unprejudiced by the lurid metaphors with which it has been landscaped.” Though she did not directly reference it, she herself was being treated for breast cancer at the time. The lecture was published in 1978, first as three essays in the New York Review of Books, and then as a book. It went on to become one of Sontag’s best-known pieces of writing.
  2. Voorbij het Gangbare. Publicatie van de Werkgroep 5×5 (1991)

Share and Enjoy !

Shares

1+1 wordt 1 Verdwijnt met ‘GrootLinks’ ook het sociaal democratische gedachtengoed?

Ruim zes maanden na de verkiezingen lijkt de formatie maar over één ding te gaan, namelijk: wie wil er met wie in zee?. Rutte en Hoekstra willen niet met twee linkse partijen in zee. D66 wil niet verder de ChristenUnie. En de PvdA en GroenLinks hebben een ‘samen uit, samen thuis’ opstelling gekozen. En zowaar, de afgelopen week kwam er een opening. Nee, niet van rechts, maar van links. De leiders van GroenLinks en de PvdA hadden een slim plan bedacht op het veto van Rutte en Hoekstra, namelijk 1 + 1 wordt 1. Samen in één enkele fractie met één links geluid. En weg was de grondslag van het bezwaar van VVD en CDA. En open is de weg naar regeren. Toch?

Ik heb niet vaak zo’n inhoudelijk lege en ondoordachte zet gezien op het schaakbord van een kabinetsformatie. Ik kon dan ook niet nalaten mijn commentaar in een tweet onder woorden te brengen, te weten:

VVD en CDA eisen blokvorming van TK- fracties @PvdA @GroenLinks in een nieuwe coalitie. En de fracties lijken daarin mee te gaan. Kortom het einde van de PvdA is ingezet. Weg geschiedenis, traditie en sociaal democratie. Politiek wordt gewoon links of rechts-liberalisme. Jammer!

En wat een respons. In korte tijd liep het aantal weergaven op tot boven de 89.000 met wel zo’n 3.800 interacties. Nu zie ik heel goed de betrekkelijkheid van de snel oplopende emoties via de snelweg op onze tegenwoordige sociale media. Maar een indicatie van de verbazing – zeker bij veel PvdA-kiezers! – laat het wel degelijk zien.

En die onrust is begrijpelijk. Want wat op het eerste gezicht zo slim lijkt, namelijk: we doen net alsof wij één fractie zijn, kan materieel grote gevolgen hebben voor links. Waar straks Rutte en Hoekstra elk afzonderlijk aan tafel zitten tegenover ‘GrootRood’, komt deze stap neer op een versterking van de positie van rechts. D66 krijgt een hoofdrol in het midden en wordt keer op keer gedwongen om ‘redelijk’ te zijn. Maar wat is redelijk bij een progressief-liberale partij, waar links wellicht radicaal wil zijn? Dat wordt voor hen dus telkens kiezen.

Waarom laat links zich op deze wijze in de onderhandelingen al marginaliseren? Het kan bijna niet anders worden uitgelegd, dan dat de drang van beide fractievoorzitters om te gaan regeren domineert. Voor hen, het lijkt wel nu of nooit, is de drang groot om hun partij een rol te geven in de uitvoerende landelijke politiek. Maar waar is de inhoud en tegen welke prijs? Politiek gaat niet alleen over macht maar vindt zijn kracht in de inhoud. Ik verbaas mij erover dat bijna zes maanden na de verkiezingen, de onderhandelaars – op ‘Omtzigt, functie elders’, en het ‘Voltooid leven’, na – hun inhoudelijke inzet nog steeds niet hebben prijsgegeven? Hoezo transparante politiek? Je hoeft niet terug te verlangen naar de tijden dat Jaap Burger informateur was, die gaf met zijn – grotendeels – openbare brieven het formatieproces wel een uitzonderlijke transparantie. In die tijd was politiek was niet slechts voorbehouden aan enkelen, maar iedere kiezer kon – al dan niet genietend – meekijken wat Den Haag met haar of zijn stem aan het bekokstoven was. Het was een openbaar schouwspel dat uitmondde in het eerste progressieve kabinet met Joop Den Uyl als premier. Vandaag is het alsof we weer zijn teruggekeerd naar de tradities die de formaties in de zestiger jaren kenmerken. Van rechts tot links is er nu een grote zwijgzaamheid, met telkens weer dezelfde lachende gezichten van de onderhandelaars op het Binnenhof vol met nietszeggende antwoorden. De kiezers, die staan in de wachtstand, net als de leden van de afzonderlijke partijen. Het Binnenhof, straalt op deze momenten met in het middelpunt het zichzelf gegeven mandaat, om vooral achter de schermen met het schaakspel bezig te zijn. Het is dus stilte alom over de inhoudelijke inzet van de partijen en een mogelijke coalitieprogramma. Maar nu is dan deze, geheel onverhoedse, strategische zet die de vorming inluidt tot één progressieve fractie van GroenLinks en PvdA.

Dus terug naar de opgeworpen blokkade van VVD en CDA. Voor mij kwam deze linkse samenzang als een konijn uit de hoge hoed. Door van tweeën één, te maken wordt de prijs van twee afzonderlijke partijen ingeleverd. In dit stadium een hele hoge en onverstandige prijs. Want, deze door rechts afgedwongen ‘linkse’ samenwerking, maakt dat wij bij een toetreding tot Rutte IV, ook onvoorwaardelijk als één fractie en dus als een politieke entiteit verder moeten! Dat is een knieval, die naar mijn idee volstrekt overbodig is. Immers het adagium ‘samen uit, samen thuis’ is genoeg om effectief een vuist te maken. En als de twee rechtse partijen niet met twee linkse partijen willen praten, dan staat het hun vrij om op bezoek gaan bij de PVV en FvD. Ik zou ze daarmee veel succes toewensen. Maar, nee hoor, blijkbaar is ook voor links politiek succes synoniem aan ‘deelnemen aan een kabinet’. De redenering lijkt ‘er is veertig miljard te verdelen en daar willen wij bij de verdeling ervan deel uitmaken’. Alsof de kern van de parlementaire democratie – met haar budgetrecht – niet het parlement zelf is. In onze democratie zit daar de macht waarmee zeker ook eclatante resultaten bereikt kunnen worden. Hoe dan? Kijk heel even mee naar de inzet van Pieter Omtzigt (voorheen CDA) en Renske Leijten (SP). Wat zij vanuit hun rol als parlementariërs hebben bereikt is fenomenaal. Zij lieten het ware parlementaire vakmanschap zien van de klassieke volksvertegenwoordiger. Even eerlijk, wie van de huidige 150 leden heeft een vergelijkbare staat van dienst, dan wel bezit de kracht, om op gelijke wijze woorden om te zetten in daden?

Politiek moet en kan in het Parlement zijn betekenis krijgen. In een grote mate van geestelijke vrijheid en los van belangenverstrengeling. Het ontbreken daarvan in de periode Rutte II, heeft de politieke positie van de PvdA dramatisch opgebroken. Het is de tijd dat de fractieleiding meende van bovenaf ieder detail aan haar kamerleden te kunnen voorschrijven. Hierdoor moesten veel van de door de PvdA gedane beloften aan de eigen kiezers wijken voor een hoger doel, waarbij sanering van de staatsschuld leidmotief was. Dat kwam de PvdA te staan op een genadeloze afstraffing: van 38 naar 9 zetels! Tot aan de dag van vandaag draagt de PvdA dit verlies aan kiezers met zich mee. Zelfs een, naar mijn mening, zeer overtuigend optredende Lodewijk Asscher kon bij een deel van de eigen partij deze erfenis niet ongedaan maken. En kijk nog even naar naar GroenLinks: een veelbelovende Jesse Klaver, in de oppositie, was zowel verantwoordelijk voor de grootste overwinning (2017: 14 zetels) als voor het grootste verlies (2021: 8 zetels). Nu zijn het twee politieke leiders van partijen die smachten naar regeringsdeelname in de hoop op eerherstel. Het zal ongetwijfeld allemaal goed bedoeld zijn, maar waar zijn zij mee bezig? Wat is nu eigenlijk hun inzet? Voorlopig zijn Rutte en Hoekstra de spelbepalers in de formatie. Voor hen geldt dat twee linkse partijen met een eigen partijpolitieke identiteit te veel is. De oplossing om dan maar van twee één te maken, getuigt van van naïviteit en is op termijn vooral desastreus voor de houdbaarheidsdatum van de PvdA. Sterker, op deze wijze wordt in stilte afscheid genomen van de PvdA als autonome sociaaldemocratische partij. ‘Laten wij ons verenigen. Samen staan wij sterk, want wij zijn toch allemaal links’ is het adagium. Maar zo is het niet. De traditie van de PvdA, is een fundamenteel andere dan die van GroenLinks. De PvdA is deel van een arbeidersstrijd die ruim 100 jaar beslaat. Haar ideologisch gedachtegoed raakt de verhouding van kapitaal en arbeid. En dat is bij uitstek een internationale strijd, die in het geheel nog niet is gestreden. Onze principiële gedachten over de inrichting van de Overheid en de Verzorgingsstaat zijn radicaler dan die van GroenLinks. Het zijn maar enkele van de sociaaldemocratische waarden, die via de PvdA – maar, eerlijk is eerlijk, zeker ook door de SP – binnen het Parlement zelf een eigen geluid en kleur krijgen en daarmee het debat verdiepen.

Natuurlijk heeft de PvdA veel gemeenschappelijk met GroenLinks. En zeker is het zo, dat GroenLinks het voortouw heeft genomen in het grote vraagstuk van het klimaat van onze aarde en hebben zij, meer dan de PvdA, het thema van de duurzaamheid inhoud en betekenis gegeven. Juist die verschillen maken dat wij elkaar aanvullen. Maar dan nog, zijn er tussen beide partijen grote cultuurverschillen. En beiden zijn ze de moeite waard. Vaak vullen zij elkaar aan, maar de twee zijn nadrukkelijk niet één partij met een gelijk gedachtengoed. Ja, ik was en ben voor linkse samenwerking. Als mede-initiatiefnemer in 2001 van Een Ander Nederland probeerde ik de PvdA, GroenLinks en de SP bijeen te brengen. De Fortuyn-revolutie veranderde in 2002 echter het politiek landschap. En wat mij betreft zoeken wij nu vooral op kernpunten de meerwaarde van de drie linkse partijen. Verder zou ik zeggen ‘schoenmaker blijf bij je leest’. Twee – liever drie – autonome linkse partijen, twee – liever drie – politieke identiteiten, twee liever drie – energiebronnen: in een goede dialoog zijn beiden – liever alle drie – sterker.

Tot slot, en dat is niet het het minste blijkbaar hebben de twee fractievoorzitters over het hoofd gezien, dat ons kiesstelsel is ingericht als een representatieve democratie met een lage kiesdrempel. Anders gezegd, de toegang tot een zetel in de Tweede Kamer is laag. Zie ook de recente verkiezingsuitslag. Ons kiesstelsel stimuleert helemaal geen blokvorming, niet van rechts of links. Het is een rudiment uit de tijd dat elke christelijke partij de ‘soevereiniteit in eigen kring’ opeiste en dus ook recht kreeg op hun vertegenwoordiging in het parlement. We zagen al een explosieve versplintering op rechts. Er is inmiddels een veelvoud aan ‘liberale’ smaken. Maar ook links is geërodeerd (om van het autonome verlies maar niet te spreken). Slechts de VVD heeft nu nog een forse uitgangspositie (2021: 34!) maar kent zo haar afsplitsingen die respectabele vormen aannemen, (2021: PVV 17 zetels). Enkel al deze afsplitsingen zijn in zetelaantal groter dan de twee linkse partijen tezamen. Zolang er geen kiesdrempel is zullen de eenlingen nieuwe partijen kunnen stichten en ook uitgroeien tot grote partijen. Het is niet moeilijk te voorspellen dat bij GroenLinks en de PvdA nieuwe kansrijke afsplitsingen zullen ontstaan als gevolg van het verlies aan eigen identiteit. Links onderschat de waarde – en dat is verbazend in deze tijd – van het behouden van de eigen politieke identiteit, en dus ook de schade bij het verlies ervan. Deze strategische zet in deze formatie zal – naar mijn gevoel – vooral de PvdA gaan opbreken. En dat alles om deel uit te maken van Rutte VI. PvdA en GroenLinks hadden een klip en klare streep getrokken. Die was en is helder. Samen Uit, Samen Thuis of anders doen wij niet mee. Het is een eenvoudige keuze. De achterliggende politieke vraag is natuurlijk of wij, op deze manier wel met de VVD en CDA willen samenwerken? Of dat zo langzamerhand nieuwe verkiezingen niet een betere optie zijn.

‘Politiek – dat is kwestie van willen, van iets willen. Sociaal democratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren’, aldus mijn grote inspirator de Zweedse sociaal democraat Olof Palme. Voor mij gaat politiek primair om de inhoud en de kansen die er zijn tot fundamentele veranderingen. Ik heb nog geen stuk gezien. Wat is die gezamenlijke inzet? Voorlopig staat vooral de VVD in de formatie op winst. Sinds Paars hebben zij hun organiserende principes van een neoliberale samenleving tot in de haarvaten van ons samenleven weten te verankeren. De toeslagen-maatschappij is daarvan misschien de meest schokkende en schrijnende illustratie. En dat is nog maar één illustratie van een steeds verdergaande repressieve overheid. En zolang dat nog het geval is vormt het gedachtegoed van de sociaaldemocratische beweging binnen de PvdA voor mij nog het beste uitgangspunt voor het bestrijden van de neoliberale inrichting van onze samenleving. En laat duidelijk, zijn daarin samen optrekken, een vuist maken in het parlement is ook voor mij een vanzelfsprekendheid. Samen sterk!

Adri Duivesteijn

Share and Enjoy !

Shares