Vrije artsenkeuze

VKOp 16 december 2014 werd de ‘Wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten’ (33 362) in de Eerste Kamer behandeld. Onderdeel van die wet is de vrije artsenkeuze. Samen met PvdA-senatoren Marijke Linthorst en Guusje ter Horst stemde ik tegen dit wetsvoorstel.

In de uitzending van Tros Kamerbreed van 20 januari over deze kwestie, verwees de fractievoorzitter van de VVD, Halbe Zijlstra, in een discussie met de fractievoorzitters van het CDA en de SP, een paar keer naar de brief van ondergetekende, die in de ochtend van 18 december 2014 mede namens de andere senatoren aan de vice-premier, Lodewijk Asscher, is aangeboden. De brief sluit af met het verzoek de inhoud van die brief “in te brengen in het overleg met Diederik en je collega’s in het kabinet”. Zijlstra verklaardat dat hij op grond van de inhoud van de brief de verwachting had dat de drie senatoren zouden instemmen met nieuwe voorstellen van het kabinet. In de brief heb ik nadrukkelijk onze inhoudelijke positie bepaald, en aangegeven dat wij niet op voorhand onze steun voor komende wetgeving kunnen uitspreken; “dat is naar onze bescheiden mening een staatsrechtelijk niet juiste gang van zaken”. Door de discussie die thans over de brief is ontstaan, en het feit dat er vanuit verschillende kanten is aangedrongen op openbaarmaking ervan, voldoe ik – om ieder misverstand te voorkomen – hierbij aan dit verzoek.

Beste Lodewijk,

Vannacht heeft mijn lichaam mij er weer aan herinnerd waar het allemaal precies om ging, en dat is dat wij graag de vrije artsenkeuze voor iedereen, ongeacht de sociale economische status, overeind willen houden.

Wij hebben als lid van de Eerste Kamer vanuit onze eigen individuele verantwoordelijkheid gekeken naar de vraag of er hier sprake is van een ‘rechtmatig, uitvoerbaar en handhaafbaar’ wetsvoorstel. Daarbij is door de Senaat expliciet gekeken of deze voldoet aan de beginselen van behoorlijke wetgeving, waarbij in het bijzonder de ‘rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en de rechtsbescherming van de burger’ aan de orde komt. Naast veel waardering voor de wet, is er ten aanzien van een enkel onderdeel twijfel gerezen of de rechtsgelijkheid tussen patiënten, op grond van hun sociaal economische positie, wel in voldoende mate verankerd is.

Dat deze zorgen er waren binnen de Eerste Kamerfractie van de PvdA is al langere tijd bekend. Sterker nog, tijdens dit beraad is expliciet het belang benadrukt om de regering hierover tijdig te informeren. De fractie is na een lange en zorgvuldige procedure, met daarbinnen een uitvoerige inhoudelijke discussie, tot een besluit over de zorgwet gekomen. De uitslag van ons fractieberaad kan dan ook geen verrassing zijn geweest. Dat daarbij een ieder zonder last zijn eigen afweging heeft gemaakt is niet alleen een volstrekte vanzelfsprekendheid, maar ook de grondwettelijke plicht van een lid van de Eerste Kamer.

Van onze zijde is eveneens afgelopen dinsdag – in het bilateraal overleg met de betrokken bewindspersonen -aangegeven dat het verstandig zou zijn wanneer de regering het wetsvoorstel zou aanhouden om daarmee haarzelf en de senaat meer tijd te geven om door te kunnen praten over de breed levende bezwaren binnen de senaat tegen een enkel onderdeel van de wet. Gelet op het tijdstip van inwerkingtreding was dit naar onze mening ook mogelijk geweest.

Als gevolg van de verwerping van de genoemde wet is er thans een proces op gang gekomen waarin er van de drie betrokken leden van de senaat gevraagd wordt te komen tot een zodanig voorstel dat op voorhand haar steun voor komende wetgeving vaststaat. Dit is naar onze bescheiden mening een staatsrechtelijk niet juiste gang van zaken. Het is echt aan de regering om te reageren op de ontstane situatie en in overleg met de Tweede Kamer te komen tot een eventuele aanpassing van het wetsvoorstel. Voor ons staat daarbij centraal dat de vrije artsenkeuze overeind dient te blijven. Hoe en binnen welke modaliteit is aan de regering. Tevens is het, zoals ook door de Eerste Kamer is uitgesproken, verstandig om de machtsbalans tussen verzekerden, zorgaanbieders en zorgverzekeraars gelijktijdig binnen de wet te verankeren. Er kan geen twijfel over bestaan dat wij, hoewel dit niet de primaire taak is van de Senaat, daaraan in een gezamenlijk overleg constructief zullen bijdragen. Echter, hoe een en ander binnen de wet kan dan wel moet worden vormgeven, is en blijft een verantwoordelijkheid van de regering zelf.

Ik ervaar de druk welke thans ontstaat op de drie senatoren van de PvdA om op voorhand in te stemmen met een mogelijke uitwerking van bovenstaande een onjuiste interpretatie van de rol van de Senaat en de individuele leden daarin. Het zou verstandig zijn om voor de in de Senaat levende bezwaren een oplossing te zoeken die kan rekenen op een breder draagvlak.

Ik verzoek je dit in te brengen in het overleg met Diederik en je collega’s in het kabinet.

Met vriendelijke groet,

Adri D

Verzonden: 18 december 2014, 7.50 uur per e-mail aan de vice-premier

Artikelen

NRC_20141220_1_001_article3Over deze tegenstem is in verschillende media gesproken en geschreven. Op 19 december verscheen in de Volkskrant het artikel “Ik ken de diepe onzekerheid van de patiënt”, geschreven door Jan Tromp, waarin ik inga op mijn persoonlijke situatie en het partijprogramma van de PvdA. Lees hier het volledige interview. Nog breder is het artikel dat op 20 december in de NRC verscheen van de hand van Coen Verbraak – titel: “Ik spreek uit ervaring” – op basis van een interview dat voor de behandeling van het wetsvoorstel plaatsvond: “Adri Duivesteijn PvdA-senator Adri Duivesteijn droeg deze week voor de tweede keer bij aan een bijna-kabinetscrisis. Hij is de ruilhandel tussen de regeringspartijen zat. Duivesteijn stemt niet zomaar mee, hij is een man van principes.” Lees hier (1) en hier (2) het volledige interview.

Gelukkig is er ook ruimte voor humor, zo blijkt uit de bijdrage van de Speld van 19 december: