Volkskrant wil op opiniepagina’s wel debat maar geen tegenspraak

image1Op zaterdag 4 oktober stond op de opiniepagina’s de Volkskrant een ‘Vrij zicht’ over Almere – “krimpend Almere bewijst hoe moeilijk omgaan met een ongewisse toekomst is” – van columnist Martin Sommer, met als titel ‘Requiem voor het plan’. In reactie daarop stuurde ik onderstaand opinieverhaal naar de Volkskrant, waarin ik beoog aan te geven dat de schrijver in kwestie de plannen van Almere 2.0  niet (of nauwelijks) tot zich heeft genomen, en daardoor veronderstellingen uit die volstrekt voorbij gaan aan de essentie van het plan. Helaas voorziet de rubriek Opinie & Debat van de Volkskrant wel in opinie’s en debat, maar niet in tegenspraak; de redactie liet weten “de bijdrage niet te kunnen plaatsen. Omdat we dagelijks talrijke bijdragen ontvangen, zijn we niet in staat om in elk geval onze beslissing inhoudelijk toe te lichten.”

Hierbij – integraal – mijn reactie op het ‘Vrij zicht’ van Martin Sommer:

Als openbaar bestuurder zie ik het als een democratische plicht om mij telkens weer opnieuw te verantwoorden voor de plannen die ik heb gepresenteerd. Dat verantwoorden is belangrijk, omdat een openbaar bestuurder vorm geeft aan ons dagelijks leven en daarover dient ten alle tijden een open discours te zijn. Heel soms betrap ik mijzelf echter op een zekere weerzin, omdat het verantwoorden moet plaatsvinden tegen te gemakkelijk ingenomen standpunten die in het geheel niet raken aan het wezen van je plan. Dat overkwam mij afgelopen zaterdag toen ik het ‘Vrij zicht’ van Martin Sommer las, met de titel ‘Requiem voor het plan’. Die weerzin had geen betrekking op het verantwoorden – ik doe dat graag -, maar kwam voort het feit dat Martin Sommer zich er dit keer wel heel gemakkelijk vanaf heeft gemaakt in zijn column. Rijdend over de A1 verbaast hij zich over de verbreding ervan, herinnert zich een recent rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving waarin terecht wordt gewaarschuwd voor teveel bouwen, praat met een corporatiedirecteur die het voelbaar moeilijk heeft en ziet zijn wekelijkse column in beeld komen. De essentie van zijn verhaal komt neer op de stellingname dat “plansocialisten – niet noodzakelijk van socialistische huize trouwens” nu eens moeten ophouden met een planningscultuur in ons land waarin “iedere  fietstegel in Nederland veertig jaar vooruit is bedacht en gewogen”. Hij roept in zijn column de sfeer op van een machine – “in Trouw kun je lezen hoe de gemeenten maar doorbouwen, in de ijdele hoop de lege gemeentekas nog een beetje te spekken” – die maar niet te stoppen is. De huidige terugval in de bouwproductie doet hem verzuchten: “weg van de grote ideeën, aanpassen is het parool; wat niet meer werkt, is het idee van een berekenbare toekomst tot pakweg 2040.”

Dat hetzelfde Planbureau aangeeft dat er in de Noordvleugel nog enkele honderdduizenden woningen gebouwd zullen moeten gaan worden, laat Sommer onvermeld. Enkel Almere heeft al een natuurlijke bevolkingsaanwas die vraagt om gemiddeld duizend woningen per jaar. Maar wat echt jammer is, is dat uit niets blijkt of Sommer ook maar iets van de plannen van Almere 2.0 heeft verinnerlijkt. Sterker nog: ik betwijfel ten zeerste of hij er wel bekend mee is, en of de column niet wat al te gemakkelijk uit de losse pols is geschreven. Het fascinerende is namelijk dat de gemeente Almere in haar structuurvisie tot 2040 weliswaar een mogelijke uitbreiding van zestigduizend woningen en een veelvoud van arbeidsplaatsen – met bijbehorende ontsluiting naar Amsterdam, met een verbinding door het IJmeer – mogelijk maakt, maar dat zij nergens opgeschreven dan wel heeft vastgesteld dat dit ook daadwerkelijk coute que coute volgens het door de columnist veronderstelde blauwdruk-denken gerealiseerd zal gaan worden. Nee, het plan Almere 2.0 heeft juist als principieel uitgangspunt de organische groei van de stad. Dat wil zeggen dat alleen de behoefte uitgangspunt is bij de uitbreiding van diezelfde stad, niets meer en niets minder. En Almere kan dat ook waarmaken omdat het, conform een schitterend Rijksplan en met een oppervlakte vergelijkbaar met dat van de gemeente Amsterdam, als meerkernenstad is ontwikkeld.

Die stad is op dit moment – als woonstad – in zichzelf al redelijk krachtig. De verschillende kernen zijn gelegen in een riant groen casco, waarbij de afzonderlijke bossen vaak groter zijn dan de groene scheggen van Amsterdam. En daar waar er geen bos is, zijn het de weilanden waarop de boer nog iedere dag actief is. Dat betekent dat het huidige Almere de uitzonderlijke luxepositie heeft om te kunnen doorgroeien, maar dat het wezen van de stad in het geheel niet wordt aangetast wanneer dat niet gebeurt. Wat niet bebouwd wordt blijft weiland, en er is echt niemand die zich stoort aan dit soort ‘braakliggende terreinen’. Integendeel: die worden zelfs zeer gewaardeerd. Ik wil het nog wel sterker stellen; het Almere dat zal gaan groeien zal eerder selectief moeten zijn met wat zij in de toekomst wil accommoderen, om daarmee als stad meer kwaliteit te krijgen en diverser te worden.

Het is, het is niet anders, wel onvermijdelijk dat een gemeentebestuur een visie heeft op de toekomstige ontwikkeling van de stad. De burger verwacht dat ook van haar bestuur. De vraag is volgens mij ook niet of er een plan is, maar wélk plan er ligt. Gaat het over een blauwdruk zonder flexibiliteit, of om een adaptief plan; een plan dat kan reageren op de ontwikkelingen van deze en de komende tijd. Het is daarom dat de Structuurvisie Almere 2.0, weliswaar een visie die loopt tot 2040, de realisering principieel koppelt aan een organische groei van de stad. Daarbij zijn het primair de eindgebruikers (burgers, woningcorporaties, wooncoöperaties, beleggers en ondernemers) die worden uitgedaagd om zelf, in de meest initiële fase, te komen met zelf ontwikkelde plannen – in plaats van verder te gaan met de voorgekookte herhalingsplannen van de ‘hit en run’ projectontwikkelaars. Die initiatieven uit de samenleving zijn bepalend voor de snelheid van de groei van Almere. Door ook de gronden gefaseerd van het Rijk af te nemen wordt bovendien voorkomen dat er sprake is van renteverliezen of grondspeculatie. Dit is in de ruimtelijke ordening van ons land een planvorm die bij veel traditionele partijen en ook bestuurders nog niet algemeen geaccepteerd is, maar juist wel de essentie is van de toekomstige ontwikkeling van Almere en hopelijk van ons land. De lezer had van Martin Sommer mogen verwachten dat hij dat fundamentele verschil van een organische groei ten opzichte van de traditionele ruimtelijke ordening zou hebben opgemerkt en benoemd. Waarom is dat belangrijk? Omdat inderdaad nog velen moeite hebben met het afscheid nemen van onze, noem het Vinex-werkwijze. Omdat wij de “bestuurders, ambtenaren, architecten, bouwers en projectontwikkelaars” nog dagelijks wanhopig zien verlangen naar een terugkeer naar de oude vertrouwde werkwijze.

Juist daar waar die omslag zo principieel is gemaakt gaat het niet aan om de nieuwe plannen op nonchalante wijze te bekritiseren met oude beelden. Daarmee plak je op Almere een cliché dat niet meer op deze stad van toepassing is. Nee, ik ben er juist trots op dat Almere, dat veertig jaar geleden planmatig tot stand is gekomen, deze volstrekt nieuwe werkwijze heeft weten te verankeren in haar planvorming. Als wij toch een parallel maken met de muziek is hier niet een “requiem” op zijn plaats, maar is er sprake van een symfonie voor de stad waarin alle verschillende tempi voorkomen, maar wel gekoppeld aan de werkelijke ervaring van een  specifieke tijdsperiode. Alles bij elkaar wordt daarmee de stad een stuk minder voorspelbaar. Ik hoop dat dit ook opgaat voor de kritiek.

Adri Duivesteijn, oud-wethouder van Almere (2006-2013)