Verhuurderheffing

1Op 17 december 2013 werd de Wet maatregelen woningmarkt 2014 in de Eerste Kamer behandeld. Over verschillende ingrediënten van de wet – waaronder de verhuurderheffing, een heffing die oploopt tot €1,7 miljard en die door verhuurders moet worden opgebracht – was al eerder gesproken. Zo heb ik langs de lijn van de wetsvoorstellen ‘huurverhoging op grond van inkomen’ en ‘huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudens’ (behandeld op 13 februari 2013) gereageerd op het hoofdstuk Woningmarkt in het regeerakkoord, als ook op het door het kabinet met D66, CU en SGP afgesloten woonakkoord. Namens de Eerste Kamerfractie van de PvdA concludeerde ik toen dat de PvdA geen principiële bezwaren heeft tegen een verhuurderheffing; de vraag was wel hoe één en ander op verantwoorde wijze vorm kon worden gegeven. ‘Verantwoord’ betekende voor ons primair dat er sprake moest zijn van een “visie op een sociaal woonstelsel” en een “aanpak van het herstel van de woningmarkt die breed gedragen wordt” of, preciezer gezegd: een nationaal akkoord.

Tijdens de behandeling van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 hebben wij, op basis van deze kritische kanttekeningen, de balans opgemaakt. Voor alle volledigheid citeer ik letterlijk uit mijn inbreng:

“Het mag duidelijk zijn dat er, vanuit het oogpunt van de PvdA, waardering is voor een aantal van de in de Hervormingsagenda opgenomen maatregelen, zoals bijvoorbeeld de herziening van het stelsel voor hypotheekrenteaftrek en de start van een energieaanpak (…) Maar met betrekking tot de “heuse beleidsvisie op het wonen” moeten wij constateren dat er geen sprake is van een fundamentele verandering in het stelsel zelf. De Hervormingsagenda gaat voorbij aan de intrinsieke waarden van het wonen. Wonen is een primaire levensbehoefte en is in alle opzichten voorwaardenscheppend voor de ontwikkeling van een samenleving en haar deelnemers. Juist onze huidige participatiesamenleving – met burgers die geëmancipeerder zijn dan ooit – verdient een geheel nieuwe visie op het wonen, waarin de weg moet worden geopend voor een wezenlijk andere positie van de burger. De Hervormingsagenda biedt daar echter nauwelijks ruimte voor: wanneer we kijken naar de actoren die in de toekomst een rol van betekenis zullen spelen, blijft het beleid toch primair gericht op de institutionele partijen. Zij hebben ook in het toekomstig stelsel de hoofdrol in de woningmarkt. De burger is, zoals in de Hervormingsagenda ook letterlijk wordt gezegd, geen producent maar slechts een consument van het wonen.”

En:

“Voor wat betreft het nationaal akkoord kunnen wij niet anders dan constateren dat dat niet van de grond is gekomen. In zijn Memorie van Antwoord geeft de minister weliswaar aan dat hij “met veel stakeholders” heeft gesproken, maar dit heeft niet geleid het door ons gewenste breed gedragen akkoord.”

Wij hebben, kortom, moeten vaststellen dat de minister voor Wonen en Rijksdienst slechts marginaal tegemoet is gekomen aan de door ons geformuleerde randvoorwaarden voor een verantwoorde invoering en uitvoering van de heffing.

Waarom dan toch voorstemmen?

In mijn verantwoording (gepubliceerd op 19 december 2013) heb ik – juist omdat dit voorstel maakt dat de wetten van de markt dominant worden in ons woonbeleid, en dat er wordt vastgehouden aan de traditionele spelers en rolverdeling – aangegeven dat de stemverhouding evengoed 37/38 had kunnen zijn. Dat ik uiteindelijk heb besloten om vóór het wetsvoorstel te stemmen heeft verschillende redenen, die ik aan de hand van citaten uit mijn verantwoording inzichtelijk zal maken.

“Hoe ben ik te werk gegaan? Voor mij als parlementariër was er geen andere keuze dan, binnen de grenzen die er zijn, alle mogelijkheden te benutten om de in het regeer- en woonakkoord opgenomen afspraken over de verhuurderheffing dichter bij het oorspronkelijke gedachtegoed van een zelfregulerende volkshuisvesting te brengen (…) De enige weg die ik zag, was die van de inhoud. Dus heb ik mijn kritiek onderbouwd en ben ik gekomen met concrete alternatieven, zoals de wooncoöperatie – waarmee ik voortbouw op de initiatiefnota uit ’95 – en de financiële regeling ‘Ikbouwbetaalbaar’, die huishoudens met een bruto jaarinkomen tot €36.500 in staat stelt om, zonder enige vorm van subsidie, een eigen huis te bouwen

In de laatste week voor de behandeling kwam achter de schermen het werkelijke overleg op gang (…) Ik hoopte dat het mogelijk zou zijn om te komen tot aanpassingen. En – en dat was een verademing – in bijzijn van vicepremier Lodewijk Asscher zijn inderdaad mooie en bevlogen gesprekken gevoerd. In deze gesprekken domineerde de inhoud; bij mij, bij alle deelnemers van het woonakkoord en het kabinet. Ik ben hen daar dankbaar voor. Maar wat zou het concreet opleveren? Ik heb, en daar ben ik heel eerlijk over, zeker niet bereikt waar ik op heb ingezet. Toch zijn er wel degelijk verschuivingen opgetreden. Wat zelden gebeurt, gebeurde tijdens de behandeling van het wetsvoorstel: na de eerste termijn stuurde het kabinet een brief, waarin een aantal toezeggingen wordt gedaan die op termijn hun betekenis zullen moeten bewijzen. De belangrijkste is het naar voren halen van de evaluatie van de wet, en dan met name de verhuurderheffing. Zo is het kabinet “voornemens om reeds met twee volle jaren ervaring met de verhuurderheffing een fundamentele evaluatie uit te voeren die begin 2016 gereed is ten behoeve van beleidsconclusies”. En is de minister “bereid tot de noodzakelijke en tijdige aanpassing van wet- en regelgeving om de ongewenste effecten zoveel mogelijk te beperken. Daaronder is ook begrepen eventuele verlaging van het tarief van de heffing met ingang van 2017 en verder voeding van een investeringsfonds.” Het kabinet gaat “de mogelijkheden onderzoeken voor het instellen van een investeringsfonds gericht op de woningmarkt”. En last but not least zal een kabinet serieus werk maken van de wettelijke verankering van het burgerinitiatief binnen ons woonstelsel. Letterlijk schrijft de minister “voor 2014 te komen met een uitwerking van de wooncoöperatie, een vorm van zelforganisatie van kopers en huurders gericht op gezamenlijke doelen, als nieuwe vorm van toegelaten instelling met een wettelijke basis, al dan niet binnen de structuur van de huidige sociale huursector”.”

Een andere reden heeft te maken met de motieven van de tegenstemmers:

“Legitimeerde dat niet behalen van het volledige resultaat het om als individuele senator, op dit moment, een kabinetscrisis (als uiterste consequentie) op mijn schouders te nemen? Het zou hebben gekund, als mijn inhoudelijke opvattingen tijdens het debat gelijk waren geweest aan een eensluidende, inhoudelijk gedreven opvatting van de tegenstemmers, met de partners van het woonakkoord – die nu gehouden waren aan het in stand houden van het akkoord – daarbij opgeteld. Op dat moment zou er sprake zijn geweest van een substantiële, representatieve vertegenwoordiging van de bevolking. In werkelijkheid was er echter geen gemeenschappelijkheid. In algemene termen zien wij coalitie en grote delen van de oppositie in politieke arena’s juist meer en meer tegenover elkaar staan en hun standpunten verkondigen, zonder dat er sprake is van een werkelijke dialoog. Ook nu weer vond ik het fascinerend hoe dominant toch vooral het positiespel was. Het dilemma was duidelijk; ik had op goede gronden grote bezwaren tegen de vormgeving van de verhuurderheffing, maar zou met mijn tegenstem ook een geluid versterken dat niets te maken heeft met waar ik politiek voor sta. Daarbij was het, zoals gezegd, bepaald niet zo dat de tegenstemmers gezamenlijk een breed gedragen beleidsvisie op het terrein van het toekomstig woonstelsel vertegenwoordig(d)en. Het was, zo te zeggen, geen links of rechts blok, en er was ook zeker geen synthese tussen de verschillende opvattingen. Wat vooral prevaleerde, was één ander politiek doel: de val van het kabinet. In dit licht vormde de Wet maatregelen woningmarkt 2014 vooral een kans. Op zich is dat ‘opportunisme’ volstrekt legitiem. Maar krijg ik daarmee een beter antwoord op mijn vragen? Worden mijn zorgen er door weggenomen? En belangrijker: zou mijn inzet voor een beter woonstelsel daarmee wél worden binnen gehaald? Anders gezegd: levert een stemverhouding van 37/38 op wat ik ultiem nastreef? Komt er een andere verhuurderheffing? Of is er het risico dat Nederland verder verrechtst? En word ik, en dat is het ergste wat een politicus kan overkomen, straks door de verkeerde vrienden bejubeld?”

Terugkijkend ben ik nog altijd van mening dat de heffing beter een horizonbepaling had kunnen hebben. Maar dan had er, na het wegstemmen van het wetsvoorstel, ook zicht moeten zijn op écht resultaat. Is dat niet het geval dan neem je, hoe vervelend ook, genoegen met de smalle marges van de democratie. En dan is door dit heftige debat mede bereikt dat, zoals een politiek vriend opmerkte, “de volautomatische technocratie van het regeerakkoord aan een bredere maatschappelijke afweging is gebonden (nog niet: ondergeschikt gemaakt)”.

Kortom: de wet ligt er, de toezeggingen worden uitgewerkt, de volgende ronde dient zich aan. 

Tijdlijn en publicaties

  • Op 5 maart 2013 hield ik – langs de lijn van de wetsvoorstellen ‘huurverhoging op grond van inkomen’ en ‘huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudens’ (33.129 en 33.330) – mijn maidenspeech, waarin voor het het eerst is ingegaan op het woonbeleid zoals de minister voor Wonen en Rijksdienst dat heeft gepresenteerd, met in het bijzonder de verhuurderheffing. Lees hier de volledige maidenspeech.
  • Tijdens de gezamenlijke behandeling van de Wet verhuurderheffing (33.407) op 12 maart 2013 herhaalde ik standpunten van de Eerste Kamerfractie van de PvdA. In reactie daarop zegde de minister voor Wonen en Rijksdienst toe “de samenhang te schetsen tussen de verschillende wetsvoorstellen en andere voornemens op het terrein van het wonen en een samenhangende beleidsvisie hierover (‘woonnota’) aan de Eerste Kamer aan te bieden” en “met de betrokken maatschappelijke organisaties te overleggen over de totstandkoming van een nationaal akkoord op het terrein van het wonen”. Lees hier de handelingen van de gezamenlijke behandeling.
  • Op 17 december 2013 werd de Wet maatregelen woningmarkt 2014 (33.756) behandeld in de Eerste Kamer. Lees hier mijn volledige inbreng.
  • Op 17 december 2013 stuurde het kabinet, tijdens de behandeling van de Wet maatregelen woningmarkt, een brief naar de Eerste Kamer. In de brief wordt een aantal toezeggingen gedaan, waaronder een uitwerking van de wooncoöperatie en een vervroegde, fundamentele evaluatie van de verhuurderheffing. Lees hier de volledige brief.
  • Op 19 december 2013 verantwoordde ik op deze website mijn stem vóór het wetsvoorstel. Lees hier de volledige verantwoording.
  • Op 21 december publiceerde het Financieel Dagblad een scherpe inhoudelijke analyse van Laurens Berentsen, waarin het debat in een breder perspectief wordt bezien. Kern ervan is dat het “ultieme verstandshuwelijk tussen de VVD en PvdA het grote verhaal mist om hervormingen aan de kiezer te verkopen”. Zie hier het stuk zoals het is gepubliceerd.
  • Op 23 december 2013 besteedde Nieuwsuur aandacht aan bovenstaande verantwoording:

  • Op 22 januari 2014 publiceerde Vrij Nederland ‘Senator Adri Duivesteijn over de PvdA, wonen en zijn dodelijke ziekte’, geschreven door Max van Weezel en Jaco Alberts. “Weinigen begrepen de ‘draai’ van Adri Duivesteijn”, is in de inleiding te lezen. “In sommige media werd hij weggezet als de zoveelste politicus met slappe knieën, de senator die was gezwicht voor het machtswoord van het kabinet. Maar lag het wel zo simpel?” Lees hier het volledige artikel.
  • Op 7 februari 2014 verscheen in Cobouw een interview waarin onder andere werd ingegaan op de verhuurderheffing. Lees hier de inleiding (voorpagina); lees hier het volledige interview.