Tagarchief: Stadsmakercsongres 2019

Het Stadmakerscongres 2019 in Rotterdam: Francine Houben schetst ‘een perspectief voor Zuid’

Foto: L.J.

Mijn fascinatie startte met: wat moet je met zo’n gigantische Maashaven, midden in je stad, zo groot, zo leeg, zo blokkerend. “

Vrijdagochtend 8 november reisde ik af naar het Stadmakerscongres 2019, een initiatief van het Architectuur Instituut Rotterdam (AIR). In dit mega-event waarin het maken van de centraal staat ging ik naar de lezing van de creatief directeur van Mecanoo architecten: Francine Houben. Zij zou, na een persoonlijke zoektocht, een ‘Perspectief op Zuid’ geven. Francine ken ik al vanuit de tachtiger jaren, waarin wij samen knokten voor een meer kwalitatieve stadsvernieuwing. Sindsdien zijn wij met elkaar in gesprek over de toekomst van onze steden. En in enkele van die gesprekken kwam ook Rotterdam Zuid in beeld. Voor mij een bekend gebied, omdat ik eind jaren zeventig les gaf op een van de scholen aan het Ericaplein in de wijk Bloemhof. Voor haar bekend, omdat Mecanoo Architecten in 1984 een opdracht kreeg voor het wooncomplex de Hillekop. Dit project, dat werd opgeleverd in 1989, zou toonaangevend worden binnen de stadsvernieuwing, omdat het een begin inluidde van de rehabilitatie van de Afrikaanderwijk, er een goederenlijn vanuit de Rijnhaven in het stedenbouwkundig plan was opgenomen en met haar moderne architectuur, Rotterdam Zuid een eigentijds beeldmerk gaf.

ca. 1985: Francine Houben

In het ontwerp van de Hillekop moesten de architecten in die tijd nog rekening houden met de wensen van het Havenbedrijf. Het waren, terugkijkend, de nadagen van de rijke industriële geschiedenis van de binnenhavens in Rotterdam. Globalisering en technologisering veranderden de mobiliteit fundamenteel. De logica dat havens en werkgelegenheid met elkaar verweven waren, nam snel af. In London had dat al aan het begin van de jaren zeventig tot het inzicht geleid, dat de binnenhavens hun oude functie zouden verliezen. In de jaren tachtig is, onder de centrale leiding van Margaret Thatcher(!), een grootscheepse stedelijke vernieuwingsoperatie begonnen, genaamd London Docklands, die dit gebied in de nieuwe economie heeft geloodst. In Rotterdam kwam dat inzicht maar beetje bij beetje op gang. Zo werden in de Noord de kleinere binnenhavens getransformeerd. Hoewel met de Erasmusbrug de sprong naar Zuid wel is gemaakt, zijn de grootste binnenhavens tot nog toe ongemoeid gelaten en liggen ze er desolaat bij.

Het was de teloorgang van de Maashaven, die Francine Houben triggerde om zich af te vragen waarom in haar woonplaats zulke omvangrijke havens en haventerreinen niet worden benut om voor Rotterdam-Zuid nieuwe kansen te creëren. Wat begon als een ergernis, werd een persoonlijke zoektocht die drie jaar zou gaan duren. Het is fascinerend hoe deze zoektocht van Francine, die in haar eigen woorden ‘intuïtief’ begon, uiteindelijk uitmondt in een messcherpe analyse van de sociaaleconomische structuur van de stad Rotterdam. Zij liet in haar lezing zien, hoe in de gloriedagen van de haven, er een mentaal evenwicht was tussen stad en havens en dus ook tussen Noord en Zuid. Dit evenwicht verdween radicaal toen de oude economie van de haven veranderde. Het maakte dat Zuid verweesd achterbleef. In Rotterdam domineert, net als in Den Haag met haar Zand en het Veen, een tweedeling in Noord en Zuid. Waar in Noord de tegenwoordige kenniseconomie garant staat voor een riant toekomstperspectief, ontbreekt in Zuid nog steeds (!) een nieuw economisch perspectief. Het scheidt Rotterdam in vermogend en minvermogend, kansrijk en kansarm en in aangesloten, dan wel het buitengesloten zijn in onze moderne samenleving.

In haar zoektocht ontdekt Francine, dat het maken van plannen voor een andere invulling van bijvoorbeeld de Maashaven geen betekenis heeft, wanneer niet ook gekeken wordt naar de redenen waarom een revitalisering zoals in de Londense Docklands, maar ook in Rotterdam Noord wel op gang is gekomenen, maar niet in Zuid. Gaandeweg wordt het haar steeds duidelijker dat onderliggende belangen een voorspoedige ontwikkeling van Zuid in een houtgreep houden en dus doen stagneren. In haar gesprekken met de gebruikers in Zuid, deze varieerden van bewoners, bedrijven, schippers en de grondeigenaren, wordt duidelijk dat het ook ontbreekt aan een gedeelde ruimtelijke visie voor Zuid. Wat domineert is de veelomvattende belangenstructuur, die historisch voortkomt uit de oude economie die rond 1900 de aanleg van de Rijn- en Maashaven legitimeerde.

Uit presentatie Francine Houben

Waar een veranderde economie de rol van de (binnen)havens ingrijpend wijzigde, bleven de grondposities onveranderd bij de vroegere centrale spelers, die er een geheel eigen invulling aangaven. En zo kan het gebeuren, dat het Havenbedrijf tegenwoordig meer een ‘verhuurder’ is van grond aan bedrijven die niet (meer) ‘havengebonden’ zijn. Nog maar een beperkt percentage van de bedrijven die gehuisvest zijn op grond van het Havenbedrijf (gemeentegrond!) is nog echt haven gerelateerd. Maar niet alleen een desolate Rijn- en Maashaven en de dominantie van bedrijventerreinen, die in ruimtelijke zin minimalistisch zijn ingericht, blokkeren een upswing van Zuid. Ook de dijken die na de watersnoodramp in 1953 werden aangelegd, hebben de wijken op Zuid letterlijk -in de woorden van Francine- ‘achter de dijken’ opgesloten. Grote stroken grond zijn hierdoor in eigendom gekomen van het Waterschap Hollandse Delta. In haar analyse openbaart Francine, dat juist deze plekken voor een herontwikkeling van Zuid van cruciaal belang zijn. Dit zijn de locaties, waar met een reeks sleutelprojecten voor Zuid het verschil zou kunnen worden gemaakt. Het zou de weg kunnen openen naar een nieuwe economie voor dit deel van Rotterdam. En, misschien nog wel belangrijker, het zou de groeiende scheiding tussen Rotterdam Noord en Zuid, kunnen verzachten en misschien zelfs doen verdwijnen.

In een ‘Perspectief voor Zuid’ schetst Francine een mogelijke weg, waarin de stad het tij voor Zuid zou kunnen keren. Niet door middel van ‘structuurplannen oude stijl’ of formele ‘omgevingsvisies’. Dat zijn nu juist de structuren, waarin het denken en het gesprek eerder worden gestold en waarin bestaande belangen worden beschermd en dus een nieuwe en noodzakelijke dynamiek wordt geblokkeerd. Centraal in haar opvatting staat, dat alleen vanuit een integrale kijk de ontwikkeling van de stad haar kracht zal kunnen krijgen. Dat proces zal met alle stakeholders moeten worden ingezet. Het is beter om met elkaar samen te werken aan een gemeenschappelijk toekomstperspectief, waarin de ruimtelijke interventies centraal staan. Alleen daarin kan ook het gemeenschappelijk belang worden ontdekt en een strategie worden ontwikkeld om deze met elkaar waar te maken.

Hoe? Francine zelf ziet in haar ‘Perspectief voor Zuid’ een reeks mogelijke interventies. Ik noem er maar een paar op. Een 10 kilometer lang Zuiderdijkpark, met daarin opgenomen collectieve voorzieningen: sport en cultuur. Goed voor de wijken, aantrekkelijk voor de werknemers van de bedrijven. Een nieuw Metrostation Waalhaven Zuid, dat met de Superbus via de Maastunnel verbonden wordt met Rotterdam Centraal, maar ook de afslag via Maashaven maakt naar Inter City Station Feyenoord City. Dit alles maakt het mogelijk om een onderwijsstrip te maken langs de Zuidzijde van de Maashaven. Want educatie: daar staat Zuid om te springen: van MBO tot HBO en Universiteit. Een uitgelezen kans om de TU Delft en de Erasmus Universiteit hier samen te laten werken op een campus aan logistiek, techniek en de zorg. En, last but not least, een recreatie pier die Zuiderpark en het Zuiderdijkpark weer verbindt met de haven: weer een plaats om te spelen en te baden, zoals die na de aanleg van de dijken in 1953 verloren is gegaan.

Uit presentatie Francine Houben

Drie jaar van zoeken en nadenken over de stad, dat begon met de verwondering waarom er toch zoveel ruimte in, rond en nabij de oude binnenhavens onbenut blijft? Gaandeweg groeit bij haar het bewustzijn, dat niet noodzakelijkerwijs de bevolkingssamenstelling, niet de lage inkomens en de werkloosheid het kernprobleem van Zuid vormen. Nee het echte probleem is, dat de belangen in Zuid zo verdeeld zijn, dat veel kansen om Zuid echt grondig te moderniseren niet van de grond komen, omdat de sectorale belangen het denken erover in de weg staan. En dat alles verhuld, in het grote stilzwijgen. Niemand brengt het onder woorden, niemand voert hierover het debat aan. Maar met het ‘Perspectief op Zuid’ van Francine zou dat anders kunnen worden. Los van enig eigen belang geformuleerd maakt dat er een kans is dat haar analyse tot de politiek doordringt. Zou het dan toch mogelijk kunnen zijn, dat nu wel de verbeelding ruimte zou kunnen krijgen? En theoretisch is dit bepaald niet. London Docklands heeft laten zien hoe dat kan. Wie pakt in Rotterdam deze uitdaging op? Is er een mentale ruimte in het College van B&W om het ‘Perspectief op Zuid’ van Francine uit te bouwen tot een stedelijk verhaal? Wie in het ambtelijk apparaat heeft de kwaliteit om inhoud te geven aan een grootser perspectief? En heeft het Havenbedrijf de geestelijke ruimte om boven haar sectorale belangen uit te stijgen? En natuurlijk is het zo dat al die afzonderlijke gesprekspartners zullen vragen, zoals een spreker tijdens het Stadmakerscongres al opmerkte; ‘what’s in it for me?’ En dat is op zijn minst een begrijpelijke vraag, maar ultiem raakt deze vraag niet aan de essentie. Die ligt in de kernvraag die Francine aan de orde stelde, namelijk: kunnen wij met een herordening van de slordig gebruikte ruimte in Zuid een perspectief scheppen dat goed is voor de bewoners van Zuid, maar ook Noord en Zuid gelijkwaardig maakt? Dus de echte vraag is dan ook: ‘What’s in it for the city as a whole?’

Adri Duivesteijn, 11 november 2019