Schilderswijk, de spiegel van ons bestaan

1Het was november 1980. Ik stond op het punt mijn dagboek uit te brengen, over de ontberingen die onderdeel waren van het dagelijks leven van de bewoners van de Haagse Schilderswijk. Grote delen van de wijk verkeerden in een erbarmelijke staat, en de (on)leefbaarheid was schrijnend. Het leidde tot heftige discussies en tal van conflicten tussen de bewoners en het gemeentebestuur. Toch leek de noodzaak van een vernieuwing van de Schilderswijk maar niet ten volle tot het stadsbestuur door te dringen. Om mijn argumenten – als actieve bewoner en als gemeenteraadslid voor de PvdA – kracht bij te zetten, was ik begonnen met het bijhouden van een dagboek. In dit dagboek beschreef ik gedetailleerd wat wij als bewoners van een heuse krottenwijk allemaal moesten ondergaan; hoe abnormaal ons dagelijks leven eigenlijk was. In die tijd woonde ik in de Van Dijckstraat, in het hart van de Schilderswijk. De woning zelf was ruim en prettig. Oud en versleten uiteraard, maar van binnen – zoals men dat in die tijd uitdrukte – een ‘paleisje’. Maar vanaf het moment dat ik mijn voordeur uitstapte, kwam ik in een andere wereld terecht. Daar was de verpaupering alom vertegenwoordigd, met dichtgespijkerde panden en braakliggende terreinen waar allerhande vuil werd gestort en er tegelijkertijd kinderen speelden. Op enkele bomen op het binnenterrein van het fameuze Oranjeplein na, was groen geen onderdeel van de publieke ruimte. Samenvattend kon je de Schilderswijk omschrijven als vervallen, vervuild en vooral: zonder waardigheid.

En omdat woorden, zoals ik eerder had gemerkt, blijkbaar niet genoeg tot de verbeelding spraken, was ik naast het schrijven ook begonnen met het fotograferen van mijn directe woon- en leefomgeving. Mijn dagboek zou, zo nam ik mijzelf voor, niet alleen in woord maar vooral ook in beeld een niet te ontkennen bewijs van de chaos vormen, die een groot deel van de Schilderswijk op dat moment was.

‘Mensen van goede wil’

Het kon niet anders dan dat de cumulatie van fysieke problemen leidde tot conflicten. Soms waren dat protesten, vaak ook uitbarstingen van onvrede. De nieuwjaarsrellen in (‘mijn’ deel van) de Schilderswijk werden berucht in Nederland. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de Schilderswijk met een zekere regelmaat negatief in het nieuws kwam. Eén van de uitbarstingen vond plaats in 1969, toen de KRO op 11 mei de film ‘Mensen van goede wil’ uitzond. Documentairemaker Hans Koekoek had het dagelijks leven gefilmd van een gezin van zeven kinderen, dat op een kleine driekamerverdieping in de Schilderswijk woonde. Hij had het vertrouwen gewonnen van de bewoners die hem – en daarmee heel Nederland – het onvervalste en rauwe leven van binnenuit lieten zien. De film veroorzaakte een enorme rel. Direct na de uitzending stroomde de straat waar het gezin woonde vol, en werd het gezin de wijk uit gedreven. De woonomstandigheden mochten dan erbarmelijk zijn, dan nóg gedraag je je naar buiten toe. De collectieve trots was aangetast. De bewoners van de Schilderswijk voelden zich voor schut gezet en pikten dat niet. Het was een Schilderswijker onwaardig om ‘de vuile was buiten te hangen’. Wat klein begon – verweer tegen één gezin – mondde uit in een grootschalig protest over de werkelijke oorzaken van de misstanden. En die lagen niet zozeer in of bij de mensen zelf, maar primair bij de woonomstandigheden in de wijk. Het incident resulteerde in een mooie combinatie van eergevoel en strijd voor een betere leefomgeving.

Maar wat de rel en het protest ook duidelijk maakten, is dat de Schilderswijk maar in beperkte mate over haar eigen imago gaat. Daar waar problemen samenkomen is er tevens een dynamiek die buiten de wijkbewoners omgaat. Het zijn krachten in de politiek en in de media, die er – soms zorgvuldig, soms ook niet – mee op de loop gaan en daarmee een eigen wereld creëren. In die wereld gaat het erom de boodschap, liefst als primeur, te versimpelen. En in dergelijke gevallen wordt de Schilderswijk vooral object; object in een verhaal dat niet per se overeen hoeft te komen met de werkelijkheid van diezelfde Schilderswijk, en waarin het niet per se gaat om de onderlinge oorzaken van de rellen en protesten.

Stadsvernieuwing, een nationale opgave

Tot een publicatie van mijn geïllustreerde dagboek is het niet gekomen. Net in die maand trad de zittende wethouder Ruimtelijke Ordening en Stadsvernieuwing, Michiel Hardon, af. Hoewel Hardon een uiterst beminnelijke man was, werd steeds duidelijker dat hij niet de veranderingen zou brengen die nodig waren. Na jaren van actie en kritiek op een PvdA-wethouder (vanuit mijn rol als PvdA-raadslid) was er ook een sfeer ontstaan dat ‘zij die bekritiseren het dan ook maar zelf moeten gaan waarmaken’ en werd ik, ook tot mijn verrassing, op 3 november tot wethouder gekozen. De redengeving achter mijn dagboek verdween; vanaf dat moment bestond mijn leven volledig uit het bestrijden van de krankzinnige achterstanden in de oude Haagse wijken, en maakte ik een begin met het herstel van de binnenstad, die na de Tweede Wereldoorlog door planologisch wanbeleid onvoorstelbaar was beschadigd. Bijna tien jaar lang mocht ik mijn stempel drukken op het beleid, totdat een intern PvdA-conflict over de bouw van het Stadhuis in 1989 een einde maakte aan mijn wethouderschap. Het was een bijzondere tijd waarin ik deel uitmaakte van een generatie wethouders, vaak van PvdA-huize, die ‘schwung’ gaf aan de vernieuwing van onze steden. Ik kijk nog steeds met tevredenheid terug op deze tijd, omdat ons land zich er collectief  bewust van werd dat er een einde moest komen aan de wantoestanden in wijken als de Schilderswijk. Nederland wilde investeren in oude wijken, wilde een einde maken aan de verpaupering van wijken waar ‘mensen van goede wil’ moesten leven. De grootschalige stadsvernieuwing stond niet alleen voor de rehabilitatie van de oude wijken, maar vooral ook voor het herstel van de waardigheid van mensen – vaak waren dat mensen die in een kwetsbare positie verkeerden. We mogen trots zijn op het brede politieke en maatschappelijke draagvlak dat toen in de samenleving aanwezig was, om te werken aan het herstel van onze steden. Nee, niet alles is geslaagd en ja, het had op plekken (veel) beter gekund, maar feit is dat het eergevoel van mensen werd teruggewonnen. In fysieke termen werden de wijken van binnenuit vernieuwd. De volgende stap zou moeilijker worden, namelijk het inhoud geven aan een beleid waarin de samenlevingsopbouw centraal zou komen te staan.

Opnieuw in de nationale schijnwerpers

In de afgelopen weken kwam de Schilderswijk opnieuw in de nationale schijnwerpers. Dit keer kwamen de demonstraties nadrukkelijk niet voort uit een gebrek aan kwaliteit van de woon- en leefomgeving van nu 30.000 inwoners. Het ging zelfs niet om de relatief hoge werkloosheid van veel jongeren in de wijk. Nee, opnieuw ging het over een geraakt eergevoel. Niet zozeer als Schilderswijker, maar als (vaak in Nederland geboren) moslim met een Iraakse, Syrische of Koerdische achtergrond. Veel moslims zagen – en zien – met lede ogen aan hoe de spanningen in hun ‘moederland’ oplopen en cumuleren in een verschrikkelijke terreur, waarbij al vele duizenden doden zijn gevallen.

Is het toeval dat de demonstraties zich manifesteerden in de Schilderswijk? Ik denk het wel, want het protest hoort niet (meer) specifiek bij de Schilderswijk. Al eerder zagen wij het in bijvoorbeeld het Haagse Laakkwartier met de Hofstadgroep, en ook in andere steden zien wij dat er sprake is van een radicalisering bij vooral allochtone jongeren. Zij leven in Nederland en tegelijkertijd zijn zij tenminste verwant aan of met de landen waar hun ouders vandaan komen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat nieuws uit de verschillende conflicthaarden voor hen ook een vorm van binnenlands nieuws is; nieuws dat iedere dag op alle mogelijke manieren bij hen binnenkomt, via de televisie of sociale media, of omdat familie in het buitenland slachtoffer van geweld is geworden. Dat is niet langer vrijblijvend. Het geweld is geen ‘ver van mijn bed show’ meer, maar is direct van invloed op het welbevinden van mensen die weliswaar in Nederland wonen, maar die zich historisch, cultureel en sociaal ook verbonden voelen met de mensen in conflictgebieden elders in de wereld. En de oplopende conflicten in het Midden-Oosten staan niet op zichzelf. De stabiliteit in de wereld wordt op dit moment op meerdere manier bedreigd. De verschillen tussen rijk en arm nemen toe, net als de migratie van het zuiden naar het westen, en in Oost-Europa nemen de conflicten weer ‘ouderwetse’ vormen aan. Al deze conflicten komen ons land binnen. Wij kunnen ons er niet aan onttrekken. Hoe gaan wij, de politiek en de media, daarmee om?

In de golf van publiciteit die in de afgelopen weken losbarstte werd in de meeste media alles opnieuw op één hoop gegooid. Hoewel ik me er eigenlijk niet over zou moeten verbazen, doe ik dat toch nog steeds. Natuurlijk waren de Islamitische jongeren onderwerp van gesprek, maar ook het fenomeen Schilderswijk gaf een diepere lading aan het protest. Plotseling kwam de hele film weer voorbij. De recente demonstraties werden verbonden met de vroegere rellen en protesten, met de achterstandssituatie van toen. Maar is dat een juiste analyse? Is er een relatie tussen de vroegere Schilderswijk en de wijk die het nu is? En als die relatie er is, gaat het dan om fysieke structuren of om immateriële zaken? Is het de sociale structuur, de werkloosheid of gaat het om iets dat buíten de Schilderswijk staat, en misschien wel van veel algemenere aard is? Iets wat zich vandaag in de Schilderswijk voordoet, maar wat overmorgen in een andere wijk, in een andere stad zou kunnen gebeuren – op plekken waar niemand ooit ook maar op de gedachte was gekomen dat dergelijke demonstraties deel zouden worden van het dagelijks leven?

De Schilderswijk van nu, niet de Schilderswijk van toen

54Hoe belangrijk het is om de werkelijke oorzaken van de onrust te analyseren, werd mij indringend duidelijk toen ik – juist ook deze week – mijn fotoarchief digitaliseerde. Ineens was ik terug in november 1980, het moment waarop ik mijn dagboek over de (on)leefbaarheid van de Schilderswijk wilde publiceren. Ik zag de tientallen zwart/wit foto’s, die samen een keihard beeld geven van wat of hoe deze wijk ooit was. En hoewel ik alles van dichtbij heb meegemaakt en dacht het in mijn geheugen te hebben opgeslagen, schrok ik zó van de door mij gemaakte foto’s dat ik besloot om deze alsnog te publiceren. Het maakt duidelijk dat de Schilderswijk in die tijd een rampgebied was. Met terugwerkende kracht vind ik het onvoorstelbaar dat wij het in ons land zover hebben laten komen. Hoe konden wij zo lang toezien en toestaan dat duizenden mensen onder zulke onwaardige omstandigheden moesten leven? Zoals gezegd: we mogen er trots op zijn dat we ons in die tijd hebben hervonden en de oude wijken – en daarmee de steden – hebben hersteld. Het heeft ertoe bijgedragen dat onze steden zich meer en meer hebben kunnen ontwikkelen als motor van onze economie.

Mijn foto’s, zo realiseerde ik mij deze week, staan in schril contrast met de clichébeelden die nu door een aantal media worden verspreid. Want eigenlijk gaat het niet meer om ruimtelijke aspecten. We zien hier een wezenlijk ander vraagstuk, dat zich sinds de jaren ’60 in veel westerse landen heeft voltrokken, namelijk de verkleuring van de samenleving door de instroom van arbeiders uit lage-lonen-landen en de gezinsherenigingen die daarop volgden. De oude Schilderswijk, met 45.000 inwoners toen groter dan Gouda, was vroeger een eendimensionaal witte arbeiderswijk waar de lagere inkomensgroepen woonden. Vandaag de dag bestaat deze wijk, met 30.000 inwoners nog altijd groter dan veel steden, maar liefst voor 93% uit Nederlanders met een andere culturele achtergrond en een veelvoud van religies. De wijk kent weliswaar nog altijd een concentratie van lagere inkomens, maar is in bevolkingssamenstelling gedifferentieerder dan ze ooit is geweest. De nieuwe generaties vertegenwoordigen een enorm potentieel; hoewel de groep jongeren met weinig toekomstperspectief op dit moment groot lijkt, is er een grotere groep die krachtig en ondernemend is. De focus zou niet zozeer moeten liggen op de fysieke kant van de wijk, maar op de integratie van jongeren in de samenleving, op participatie in het arbeidsproces. Het grootste risico dat deze jongeren bedreigt, is dat ze in onze samenleving onvoldoende toekomst hebben en daardoor structureel langs de kant komen te staan.

Mijn stelling is dat problemen in onze steden in de toekomst niet primair zullen worden veroorzaakt door de omstandigheden in een wijk, stad of land, maar vooral door de (in)stabiliteit in de wereld. Welk beleid biedt daarvoor een oplossing? Wie heeft daar al écht over durven nadenken? Is er enige kans dat wij met elkaar een beleid kunnen ontwikkelen, gericht op het tot stand brengen van gezonde samenlevingsstructuren waarbinnen de vele verschillende culturen vreedzaam en respectvol met elkaar omgaan? Is er werkelijk een gedeelde bereidheid om te zoeken naar een dergelijk beleid? Of gaan wij een periode tegemoet waarin de conflicten in ons land, mede door de internationale instabiliteit en de radicalisering van Nederlanders met een andere culturele achtergrond, zullen toenemen?

De dialoog, het meest vreedzame wapen

De vraag is niet of maar hoe wij hier in de toekomst mee omgaan. Nederland is te klein om elkaar niet tegen te komen. En dus zullen wij vormen moeten vinden om om te gaan met internationale spanningen die lokaal gevoeld en geuit worden. Naar mijn idee zou dát de centrale vraag moeten zijn in de politiek. Helaas (b)lijkt dat nu niet het geval. Veel nationalisten hebben slechts één antwoord, dat er materieel op neerkomt dat er sprake moet zijn van assimilatie. Zo niet, dan moeten mensen het land uit. Integratie en emancipatie dwing je echter niet met straffe hand af, laat staan met een stapeling van sancties. Wij zien de spanningen in deze spiraal van repressieve maatregelen eerder toe- dan afnemen. Voor mij is de kernvraag hoe wij kunnen omgaan met een multiculturele samenleving. Of, beter gezegd: of wij het zouden kunnen opbrengen om, juist vanuit het gegeven dat wij onderdeel zijn van een multi-etnische samenleving, samen méér zijn dan een optelsom van afzonderlijke groepen en culturen. Hoe zo’n samengaan vorm te geven? Van de stadsvernieuwing kunnen wij leren dat wij een groot vraagstuk gezamenlijk te lijf kunnen gaan en ook daadwerkelijk onder controle kunnen krijgen. Met het verschil dat het nu niet om tastbare, fysieke maatregelen gaat, maar om een beleid dat het maatschappelijk, sociaal en cultureel welbevinden van de samenleving positief beïnvloedt en erop gericht is dat de verschillende culturen samenleven in plaats van dat ze tegenover elkaar staan. Dit betekent dat de politiek haar morele en vaak nationalistisch getinte verontwaardiging zal moeten inruilen voor een actieve rol; we zullen moeten gaan investeren in het creëren van collectieve structuren waarbinnen verschillende gemeenschappen én hun eigen leven vorm en inhoud kunnen geven én met elkaar werken aan de opbouw van een open samenleving. Naar mijn idee begint dat met respect voor elkaar en de bereidheid om met elkaar in gesprek te gaan. De dialoog is uiteindelijk het beste en meest vreedzame wapen dat wij kunnen inzetten om conflicten te bestrijden. Door dat te doen, nemen we in ons eigen land in ieder geval de voedingsbodem voor onvrede of extremisme weg.

De Schilderswijk kan overigens wel een voorbeeldrol vervullen voor de ontwikkeling van nieuw beleid. De Schilderswijk is eigenlijk de spiegel van ons toekomstig bestaan. Wat we in deze wijk zien, zijn processen die in onze samenleving meer en meer gewoon zullen worden. Het is zaak dat daar de vooringenomen posities worden losgelaten. Een verbetering van de sociale structuur van de wijk begint bij de mensen die er nu wonen. Zij moeten het met elkaar doen. De landelijke overheid en het gemeentebestuur spelen uiteraard hun rol, maar dat gaat dan vooral over de metavraagstukken, zoals het creëren van arbeidsplaatsen in de wijk. En daarbij zou het stimuleren van het ondernemerschap dat intrinsiek in de multiculturele samenleving en dus ook in de Schilderswijk aanwezig is weleens dé oplossing kunnen zijn. Daar liggen kansen voor nieuwe vormen in het midden- en kleinbedrijf.  Om dat te bereiken, zal de overheid – paradoxaal genoeg – juist moeten dereguleren. Het huidige woud aan regels, aan institutionele oplossingen belemmert tal van initiatieven. Dat geldt ook voor het beheer van de Schilderswijk. Het is echt een misvatting dat slechts drie woningcorporaties – waarvan de grootste, Vestia, materieel failliet is – het grootste deel van de woningen fatsoenlijk moet of kan blijven beheren. Al langer zijn er allerlei vormen van institutionele verwaarlozing vast te stellen in de wijk. Te grote corporaties zijn meer en meer technisch opererende en sterk verbureaucratiseerde instellingen geworden, die nauwelijks in staat zijn om écht tot in de haarvaten van de wijk door te dringen. Opnieuw houd ik een pleidooi voor een andere organisatie van ons woonstelsel. In dat nieuwe stelsel moet het wonen heel dicht bij de burger zélf worden gebracht. Die burger moet zichzelf kunnen organiseren (dat kan bijvoorbeeld in een wooncoöperatie) om verantwoordelijkheid te nemen voor het vormgeven van de eigen woon- en leefomgeving. In onze steden is daar nog maar nauwelijks een begin mee gemaakt. Ik vind dat onbegrijpelijk, want we weten dat betrokkenheid van onderop het beste medicijn is voor meer leefbare wijken. Mensen moet je met elkaar laten praten, je moet ze verantwoordelijkheid geven en laten investeren in dat wat zíj belangrijk vinden in hun wijk. Wat de Schilderswijk mist is… een beleid gericht op binding, op samenlevingsopbouw, ja ook wel een beetje op mensen die geloven in het ideaal van een multiculturele samenleving, waarin mensen met verschillende etnische achtergronden vreedzaam en open samenleven. Gebeurt dat niet, dan moeten wij ook niet verbaasd zijn dat de polarisatie van de afgelopen jaren – buiten en dus ook binnen Nederland – een hoge prijs zal gaan vragen. Je hoeft niet bijster intelligent te zijn om te zien dat actie reactie oproept. In buitenland hebben veel onschuldige mensen hiervoor de hoogste prijs betaald. Ik zou willen dat we het als een nationale opgave zouden zien om dat in Nederland te voorkomen.

Bekijk hier de volledige reportage.