“Verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat” II

Aan de leden van de PvdA,

Het is alweer bijna twee jaar geleden, toen ik na de dramatische verkiezingsuitslag in maart 2015 mijn opinie schreef over ‘verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat’. Deze titel ontleende ik aan de brief, die de voorzitter van de PvdA in reactie op de uitslag aan de leden had verzonden. Hij ging daarmee in op de verkiezingsnederlaag, de derde op rij (Europa, Provincie en Gemeenteraad) die voor de PvdA vernietigend was. Hoe kan het, vroeg ik mijzelf af, dat wij na drie dramatische nederlagen niet komen tot een vorm van zelfreflectie? Tenminste het instellen van een onafhankelijke commissie, die op zoek zou gaan naar de oorzaken en zou adviseren hoe de koers eventueel zou moeten worden bijgesteld. Dat was toch wel het minimum dat wij konden en moesten doen. Het partijbestuur, onze bewindspersonen, de partijleider en (de ruime meerderheid van) de fractie waren echter van mening dat een onderzoek nu niet het juiste antwoord zou zijn. Nee, wij moesten nu (toen in 2015) onze verantwoordelijkheid nemen en het land besturen. Dat het afgesloten regeerakkoord en de wijze waarop ons land (van bovenaf) werd bestuurd, mogelijk een oorzaak zou kunnen zijn van de vernietigende uitslagen, mocht blijkbaar geen onderwerp van onafhankelijk onderzoek worden. Helaas volgde de ledenraad de lijn van het partijtop. Geen tussentijds onderzoek, geen echte zelfreflectie. Nee, de strategie was duidelijk. Naar analogie van de methode van de oud-minister van financiën Zalm, was het bestuurscredo ‘eerst het zuur en dan het zoet’. Bij onze partijleider en zijn gevolg, was er het rotsvaste vertrouwen dat de kiezer uiteindelijk wel zou begrijpen waarom wij met de VVD dit regeerakkoord hadden afgesloten. Een overtuiging die men heeft volgehouden tot aan de publicatie van het verkiezingsprogramma en de verkiezing van de lijsttrekker. Eenieder die een andere kijk had op een mogelijke herhaling van de drie achtereenvolgende nederlagen had het echt niet goed begrepen. Of in de woorden van, Diederik Samsom; die hadden geen oog voor het ‘ontluikende  optimisme in de samenleving’. En daarbij had onze voorhoede, zoals Jeroen Dijsselbloem het steevast uitdrukte, een rotsvast vertrouwen in de ‘PvdA als campagne-machine’.  ‘Het zou echt goed komen’ was de boodschap. Onderzoek, zelfreflectie, het waren in hun ogen vooral uitdrukkingen van zwakte in plaats van kracht. En het zou ‘de missie’ die men zichzelf had opgelegd ondergraven en juist dat zou voor de partij een negatief effect gaan sorteren. Het eindresultaat is sinds woensdag 16 maart j.l. bekend. De PvdA heeft haar vierde verkiezingsnederlaag, sinds het afsluiten van een regeerakkoord met de VVD, op rij binnen en deze overtreft alle records. Niet eerder heeft een politieke partij in ons land in een keer zoveel zetels verloren.

Partijcultuur, tegenspraak en zelfreflectie

Er zijn vele oorzaken aan te wijzen voor deze nederlaag. Het is mij te eenvoudig om dat nu direct te koppelen aan een persoon of personen. Maar er is wel een (mede)oorzaak die ik wil benoemen en dat is de cultuur die de PvdA steeds meer is gaan kenmerken en dat is het vrijwel ontbreken van tegenspraak binnen onze fracties, en ja helaas ook van onze ledenraad. Wij zijn steeds meer een partij geworden waar de (fractie)leden de leider volgen. Het open debat is doodgeslagen. Sterker; wij zijn steeds angstiger geworden om een open debat aan te gaan over onze koers. Binnenkamers gonst het, al vanaf de samenwerking met de VVD, van de kritiek en onvrede maar de leider wordt er niet meer op aangesproken. Tegenspraak is er niet of nauwelijks meer! Door de jaren heen heb ik mij steeds meer verbaasd over dit steeds verder afnemen van de autonomie van de individuele fractieleden. Waar zij eigenlijk de denkkracht van de sociaal democratie zouden moeten voeden, de vertegenwoordigers van een veranderingsbeweging zijn, zien wij dat de meesten van onze gekozen vertegenwoordigers nauwelijks nog zichtbare en markante opinieleiders zijn. Nee, sterker nog, meer en meer is er binnen de PvdA een cultuur ontstaan alsof onze volksvertegenwoordigers ‘werknemers’ zijn in het bedrijf van de PvdA (keurig georganiseerd tot en met ‘functioneringsgesprekken’ en ‘verslagen’). Maar er is meer dan ‘besturen’, en het trouw ‘volgen van de agenda’ van de regering, Het gaat in het parlement ook en vooral om het zijn van volksvertegenwoordiger en dat begint binnen de partij en de fractie die men vertegenwoordigt. Met alle respect voor de goede intenties van de individuele personen, maar democratie begint bij de open dialoog, bij het hebben van samenspraak. Maar het komt niet tot samenspraak als er geen tegenspraak is dan wel indien men niet meer zijn of haar opvattingen ook echt uitspreekt. Goede leiders verdragen tegenspraak en worden daar zelfs sterker van. Het ontbreken van voldoende tegenspraak, van het echt zeggen wat je vindt, het opkomen voor je eigen inhoudelijke opvatting en het daarover met elkaar in debat gaan, is misschien wel de kern van het probleem van de PvdA.

Ik heb het een paar keer opgeschreven. En ik kan niet nalaten om verschillende van deze stukken weer even in het vizier te brengen. Niet om mijn gelijk te halen maar om te illustreren dat wij het steeds minder gewoon zijn gaan vinden om met elkaar het gesprek aan te gaan over de koers die onze leiders uitzetten. Wat heeft gemaakt dat onze partij en fracties zo volgend zijn geworden? Dat wij met elkaar zo volgend zijn?

  1. Het was op 14 juni 2014 dat ik aan de leden van de PvdA – op persoonlijke titel – een essay stuurde dat voortkwam uit de behoefte te doorgronden waarom de PvdA al weer geruime tijd ups-and-downs kende en zich maar niet herstelde. In het essay ‘PvdA staat met transactie-denken haar eigen waarden in de weg, Adri Duivesteijn PDF‘ wordt geanalyseerd wat de mogelijke oorzaken zouden kunnen zijn. Het was een uitnodiging tot een debat hierover.
  2. Na de dramatische verkiezingsuitslag van de gemeenteraad, waar wij o.a. na 100 jaar deelname in het College van B&W van Amsterdam werden weggevaagd, schreef ik op 30 maart 2015 mijn oproep: ‘De verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat‘. Ik deed dit omdat het toch niet zo kon zijn dat de PvdA de ogen bleef sluiten voor de vervreemding die er inmiddels was ontstaan met haar eigen electoraat. Helaas het mocht niet tot enige vorm van zelfreflectie komen.

Kern van mijn gedachte nu, is dat wij bij alle stappen die de PvdA moet gaan zetten, wij ook bij ons zelf moeten afvragen hoe het komt dat wij de kracht van het open debat, van tegenspraak en zelfreflectie zijn kwijtgeraakt. Het is een vraag aan ieder van ons.

Hoe het ook zij. Na deze vernietigende uitslag, de vierde op rij, kan het niet meer zo zijn dat wij nog langer de ogen sluiten. De PvdA heeft haar plicht verzaakt. Zij was niet de vertegenwoordiger die zij tijdens de verkiezingen van 2012 vertelde dat zij zou zijn. Onze kiezers zijn diep teleurgesteld en ik begrijp dat maar al te goed. Er is maar één weg terug en dat is back to the roots van de sociaal democratie, afstand nemen van de invloed van het neo-liberale of progressief liberaal gedachtegoed binnen de PvdA en wegblijven van technocratische oplossingen (ruiltransacties als middel). Wij zijn primair volksvertegenwoordigers die er namens hun achterban zitten en dat ook beschouwen als hun centrum van de wereld. Het inbrengen van dat belang in de dynamiek van het parlement en in het beleid van de regering daar gaat het om. Een veranderingsbeweging als de PvdA, is inhoud geven aan een strijd die verder gaat dan het dagelijks bestuur (hoe verstrekkend dat ook kan zijn)!

Hoe nu verder?

De weg omhoog, veranderingsteam gewenst

De Tweede Kamerfractie moet vanaf nu haar eigen verkiezingsprogramma in haar handelen betekenis geven. Ik denk dat wij dat heel goed aan Lodewijk Asscher over kunnen laten.

Maar het echte herstel van de sociaal democratische beweging zal binnen de vereniging moeten gaan plaatsvinden.

Beter dan te praten over individuele personen (voorzitter wel of niet weg) is het gesprek op gang te brengen in de richting van hoe het herstel direct en positief kan worden opgepakt.

Hoe en wie?

De neergang van onze partij is inmiddels zo groot en het verlies zo dramatisch dat echte radicale stappen nodig zijn. Een veranderingsteam, een driemanschap of een kwartet, zou een eerste stap kunnen zijn naar herstel van onze vereniging en het sluiten van de rijen.

Zij zouden een inspirerende motor kunnen vormen die de partij weer van onderop betekenis kan gaan geven. Dit veranderingsteam zou de speciale  opdracht moeten krijgen om de PvdA als sociaal democratische politieke vereniging op onorthodoxe wijze weer ideologische diepgang en dynamiek te geven, de banden aan te halen met de vele veranderings- en vernieuwingsbewegingen in onze samenleving en samen met andere linkse partijen te werken aan een progressief bondgenootschap.

De beste proeftuin voor een terugkeer van de PvdA in het centrum van de politiek is het lokale niveau. Daar, van onderop, moet de PvdA zich opnieuw gaan uitvinden. Hoe? Door ons te verbinden met, en herkenbaar van betekenis te zijn voor, onze achterban. Onze inzet? Een verbonden samenleving! Alleen daarin ligt de weg naar herstel van de sociaal democratie open.

Adri Duivesteijn – 17-03-2017

 

 

 

Copekcabana: De wooncoöperatie, dat zijn wij zelf

Stap voor stap zien wij binnen huurdersland een emancipatie naar vormen van zelfbeheer op gang komen.  Een uniek voorbeeld van emancipatie van huurders van navolging verdient is Copekcabana. Het laat zien dat het mogelijk om tussen koop en huur een nieuw woonstelsel te bouwen van de huurders zelf.

2016-07-05 – Kamerbrief over experiment verkoopregels voor Wooncoöperaties

Voor meer informatie kunt u zich wenden tot platform 31

Platform 31 start experimentenprogramma wooncoöperaties

Grachtenhuis Omroep West

Bron: Grachtenhuis Omroep West

Particulier opdrachtgeverschap blijft een van mijn fascinaties. In de Spoorzone van Delft krijgen burgers de kans om hun eigen huis te bouwen. In dit project, dat onder de naam Nieuw Delft furore maakt, zijn er CPO-projecten en eengezinswoningen van particuliere opdrachtgevers alsook projectbouw van de bekende projectontwikkelaars in de maak. Het eerste project dat is opgeleverd is van Studio Huijgens en betreft een bijzonder CPO project van vijf opdrachtgevers, namelijk het Grachtenhuis Nieuw Delft. De andere zelfbouwers zijn volop actief en nu al zijn daarvan de eerste resultaten te zien. De projectbouw in de Coendersbuurt is – deels- gestart en de verwachting is dat de eerste grondgebonden woningen voor de zomer zullen worden opgeleverd.

Voor iedereen die geïnteresseerd is in het maken van de stad zijn er meerdere redenen om af te reizen naar de Coendersbuurt in Nieuw Delft. Maar misschien is de belangrijkste reden wel omdat het laat zien wat architectonische kwaliteit is of zou kunnen zijn. Hoe maken wij onze steden? Een vraag die hier volop aan de orde is. De Coendersbuurt is bij uitstek geschikt om hierover een discussie te gaan organiseren. Voor de vele architectuurstudenten op de TU-Delft levert de spoorzone een mooie casus op voor nadere studie. Voor de BNA zou het aanleiding kunnen zijn om de positie van de architect opnieuw te bezien. De stad zou zich de principiële vraag kunnen stellen hoe en door wie de stad gemaakt wordt. Voor welke kwaliteit tekent het stadsbestuur. Kortom een gesprek dat mogelijk is nu het eerste project is opgeleverd, de eerste bewoners zijn gearriveerd. De volgende projecten komen vanaf nu in de oplevering. Een unieke kans dus om dat gesprek over de gebiedsontwikkeling van de toekomst midden in deze praktijkcasus te bespreken.

Met de oplevering van het Grachtenhuis Nieuw Delft en de eerste bewoners is de kop eraf. Tijd voor een bezoek aan de Coendersbuurt.

Wilt u alvast een eerste indruk krijgen? Kijk dan naar een uitzending van Omroep West die op 29 januari jl. een trotse architect en bewoners aan het woord laten.

Enkele feiten over het Grachtenhuis Nieuw Delft:

Particuliere opdrachtgevers: vijf huishoudens (leeftijd van 53 tot 73 jaar)
Architect: Studio Huijgens, Den Haag
Aannemer: Capelse Streekbouw bv
Woonoppervlak: 100 tot 150 m2
Hoogte: 4 bouwlagen. 13 meter hoog, gevelbreedte 20 meter
Bouwbudget: ca. 1,6 miljoen. euro incl. btw
Locatie: voormalige spoorzone, Coendersbuurt.
Bereikbaarheid: 100 meter afstand Station Delft, tram en regionale buslijnen
Adres: Keizer Karelstraat 23 t/m 31, Delft

De Koepel In Haarlem: Misschien toch nog even de volgende regering afwachten…

De gemeenteraad van Haarlem zal vanavond (26-01-2017) een beslissing nemen over de vrije verkoop van “De Koepel”. Wij hebben het hier over een ‘openbaar’ gebouw van historische waarde voor de stad en het gevangeniswezen. De Koepel ( Panopticon ) is een voormalige gevangenis die alles heeft wat je je bij een feodale gevangenis voorstelt.  De gevangenen werden keurig in cellen opgesloten en een bewaker kon vanuit het midden in de grote open koepel het wel en wee in de gaten houden.

2014-12-23 – Op bezoek bij Covent Garden in London

De tijd dat De Koepel een gevangenis was is gelukkig voorbij . En zoals altijd rest dan de vraag wat doen wij met een gebouw dat zijn functie heeft verloren? Vroeger was dat een vrijwel uitgemaakte zaak. De moderne tijd drong zich op en dus ging de sloophamer erin. Terecht kwamen daartegen de bewoners in de directe omgeving in opstand. Zo herinner ik mijzelf nog het debat over de Hallen van Parijs en van de groente en vleesmarkt op het Convent Garden in het centrum van Londen. Het waren de jaren zeventig, begin tachtig. Beide gebouwen hadden een sterke publieksfunctie die bepalend was voor de identiteit van de buurt. U weet het resultaat. De Hallen, het hart van Parijs genoemd, zijn allang gesloopt. In Londen hebben de buurtbewoners hun strijd gewonnen en het huidige Covent Garden is nu het glanzende middelpunt van de wijk West End geworden. Het succes werd zo groot dat het herstel (gentrification) het einde betekende voor de huisvestingskansen voor de lagere inkomens. De commerciële krachten werden sturend voor de mogelijkheid om nog in de wijk te kunnen gaan wonen. Maar los hiervan is het behoud van grote betekenis voor de identiteit van dit deel van de buurt en de stad London als geheel. Het borgt het historisch karakter van de stad maar tegelijkertijd kregen nieuwe functies een kans.

De hallen in Oud West in Amsterdam

Op kleinere schaal zien wij een vergelijkbare ontwikkeling in Amsterdam. Dat zijn de Hallen, de voormalige tramremise, omgetoverd tot een plek waar culturele en maatschappelijke activiteiten centraal staan. De wijk (Kinkerstraat en omgeving) ondergaat nu een vergelijkbare vernieuwing als Covent Garden. Het is inmiddels wel bekend, de oude gebouwen die hun vroegere functies verloren hebben, herbergen tegenwoordig geweldige broedplaatsen. Deze plekken zijn een verrijking voor de stad. En dat is van een nog hogere betekenis wanneer deze plekken hun kracht kunnen ontlenen aan het feit dat de functies er in niet primair commercieel gedreven zijn. Het is een van de zwakke kanten van Covent Garden dat daar vooral de commerciële functies domineren en de maatschappelijke functie voor de bewoners van de stad heeft verdrongen. Maar gelukkig zijn er voldoende voorbeelden die laten zien dat het anders, en vooral beter kan.

De uitdaging om een bijzondere plek te creëren doet zich nu ook voor in Haarlem. Juist nu de gevangenis De Koepel een nieuw leven kan gaan beginnen is het van belang voor de stad om daar voorrang te geven aan een culturele en maatschappelijk functie. Een die ten goede komt aan alle bewoners van de stad en die ook voor mensen erbuiten reden zijn om de stad Haarlem te gaan bezoeken. De Koepel is zo’n identiteitsbepalend gebouw. Iedereen kent het vanuit de trein. Het is een beeldmerk van de stad. Wat zou het niet mooi zijn als dat ene gesloten gebouw, waarvan je je altijd afvroeg hoe het er binnenin zou zijn, nu een publiek gebouw zou kunnen gaan worden? Zou het niet geweldig zijn wanneer deze plek, waar wij als keurige en brave burgers, nooit binnen konden komen, nu ineens de deuren voor ons zou kunnen gaan open zetten?

Het burgerinitiatief Panopticon voor een levenlang leren

In de stad bestaan er gelukkig mooie initiatieven om daaraan betekenis te geven. Het meest bekende plan is Panopticon beoogt om er een ‘university college’ in te huisvesten. Het gebouw zou daarmee een symbool kunnen worden voor nieuwe generaties die nu eens, stuk voor stuk, een positieve recidive zouden kunnen gaan worden; terug naar de Koepel voor een gewenste permanente educatie. Plannen met idealen zijn, weet ik uit ervaring, zijn altijd kwetsbaar. Het is niet eenvoudig om de ‘businesscase’ rond te krijgen. Teveel krachten spelen daarin een rol en krijg al die actoren maar eens op een lijn. Dat kost tijd en vraagt commitment van het Rijk en het gemeentebestuur.

Hoe zit het nu met dat commitment? Dat leek aanvankelijk wel positief. Ook het gemeentebestuur ziet in dat het in het belang is van de stad Haarlem om De Koepel te behouden. De vraag is dan ook niet of er sprake moet zijn van behoud van de Koepel maar wel hoe te komen tot een herontwikkeling. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft hierover de meest uitgesproken opvattingen. Dat moet een tender worden met een open inschrijving. En het lijkt er op dat vanavond de gemeenteraad mee zal gaan met deze opvatting. Echter is het wel zo vanzelfsprekend dat het beleid van het Rijksvastgoedbedrijf (lees: de Minister) hier doorslaggevend is? Wij weten uit ervaring dat in het vrije spel van de markt vaak het hoogste bod, en dus ook de meest commerciële functie,  als winnaar uit de bus komt. Dat hoeft nog niet het meest kwalitatieve plan te zijn. Het gaat hier echter om een stedelijke ontwikkeling, op een plek waar een publiek gebouw staat dat ooit met publiek geld is gefinancierd. Dus juist waar het gaat om zo’n cruciaal gebouw en gebied, heeft het college gelijk wanneer zij zou vasthouden aan een eigen ontwikkeling. En als dat niet kan is tenminste een voorkeurrecht gewenst. En blijkbaar is juist daarin het College van B&W van Haarlem, anders dan het College van Amsterdam, niet geslaagd.  De PvdA Haarlem formuleert dat op haar website nog het meest krachtig:

 “Op de door ons ingebrachte wensen voor de verkoopprocedure gaf het Rijksvastgoedbedrijf helaas geen ruimte. Jammer en frustrerend, zeker nu blijkt dat die ruimte recent wel gegeven is aan Amsterdam bij de ontwikkeling van de Bijlmerbajes. Daar is in de laatste selectieronde uiteindelijk wel de kwaliteit doorslaggevend en niet alleen de hoogste prijs! De wethouder en de burgemeester hebben het Rijksvastgoedbedrijf helaas niet kunnen overtuigen dit Haarlem ook te gunnen.” 

Het is meer dan redelijk dat de ontwikkeling van zo’n historische plek gegund wordt aan de gemeente zelf. Deze kan in alle rust, en in overleg met haar eigen bevolking, gaan uitmaken wat hier de meeste gewenste ontwikkeling is. Dat kan, indien door Raad en bevolking gesteund, het plan Panoticon zijn. Als er wordt gekozen voor een ander besluit, en blijkbaar is dat een risico,

Nu ben ik geen raadslid in Haarlem maar voor mij zou de stellingname van de Rijksvastgoedbedrijf reden genoeg zijn om de herontwikkeling van het gebied aan  de gemeente te houden. Dan wel een definitief besluit over de procedure voor de herontwikkeling van De Koepel op dit moment uit te stellen. Er zijn immers over zo’n zes weken verkiezingen en waarom zou een nieuwe regering Haarlem niet gunnen wat het gemeentebestuur van Amsterdam blijkbaar nu al wel is gegund bij de herontwikkeling van de Bijlmerbajes? Bij dit soort beeldbepalende ontwikkelingen van de stad, moet niet het platte marktmechanisme, maar het algemeen belang de doorslaggevende stem geven.

Adri Duivesteijn – 26-01-2017

Prorail, het publiek domein en de terugkeer van politieke verantwoordelijkheid

Het gaat alweer terug naar de jaren negentig, dat er in de politiek steeds meer afstand werd genomen van een overheid, die zelf ook in de politieke betekenis in de meest directe zin verantwoordelijk was voor de uitvoering van haar publieke taken. Het werd bon ton om de overheid terug te brengen naar wat haar kerntaken werden genoemd. Achter deze hoofdstroom zat tenminste één begrijpelijke onvrede: met het soms wel heel erg bureaucratische karakter van veel overheidsdiensten. Klantvriendelijkheid stond daar bepaald niet op de eerste plaats. Wel was er vaak sprake van een oerdegelijke houding, waarmee publieke taken betrouwbaar werden uitgevoerd. Achter de behoefte aan verandering, zat echter niet alleen onvrede, maar eronder lagen ook ideologische overwegingen. Het is de periode van de opkomst van het neoliberalisme. De oplossingsvermogen van de overheid werd meer en meer in twijfel getrokken en de markt werd de panacee voor alle problemen. De uitvoering van publieke taken zou er efficiënter, goedkoper en doelmatiger van worden waneer de politiek, en in het kielzog daarvan de overheid, op afstand zouden worden gezet. En van die omslag zou vooral de burger profiteren. Het geloof in een kleine overheid, gecombineerd met een bewondering voor het mechanisme van de markt van vraag en aanbod, heeft gemaakt dat veel publieke taken werden geprivatiseerd, dan wel op afstand van de politiek werden geplaatst. Zo werden de private woningcorporaties verzelfstandigd, private zorgverzekeraars kregen de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de ziektekostenverzekering, veel door de overheid uitgevoerde taken, zoals de energievoorziening, werden afgestoten en veel publieke diensten, zoals de Nederlandse Spoorwegen en ProRail werden ondergebracht in organisaties die ver van de verantwoordelijke politieke bestuurders stonden.

Rapport van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI) – 2005

Nu, toch alweer zo’n vijfentwintig jaar verder, moeten wij constateren dat de verwachtingen over het terugbrengen van een directe invloed van de overheid op haar eigen publieke taken niet zijn uitgekomen. Vaak is er sprake van onvrede bij de burgers over de wijze waarop deze publieke taken worden uitgevoerd. Zij spreekt daar terecht haar politieke vertegenwoordigers op aan. Wij kunnen wat dat betreft, naast het vele goede werk dat ook wordt verricht, een reeks voorbeelden geven van mismanagement, van geldverspilling en van ongekend hoge beloningen die men zichzelf heeft toegekend. Het kernprobleem is misschien nog niet eens dat er sprake is van incidenten, deze zullen zich altijd wel in meer of minder mate voordoen, maar vooral dat de mogelijkheden voor publieke correctie zijn uitgehold. Door het op afstand plaatsen van veel activiteiten die een publiek belang dienen, heeft de politiek haar taak gemarginaliseerd tot het stellen van budgettaire en juridische kaders en randvoorwaarden, waarbinnen de publieke taken moeten worden uitgevoerd. De overheid zelf is daarbij in de rol van de toezichthouder gekomen. En zelfs deze verantwoordelijkheid is vaak ondergebracht in een reeks van onafhankelijke en op afstand van de politiek functionerende instituten.

Het zozeer op afstand plaatsen van de sturing van het publieke belang en de daarmee samenhangende taken heeft er toe bijgedragen dat de politiek haar rol fundamenteel heeft zien veranderen. Waar zij nog steeds, en terecht, door de burger wordt aangesproken op het functioneren en de resultaten van deze organisatie die een publiek belang dienen, zien wij dat zij niet of nauwelijks nog in staat is, om in de directe zin van het woord te interveniëren. De verantwoordelijk bestuurder, al of niet opgejaagd door de volksvertegenwoordiging, kan haar eigenlijke taak, het dragen van een politieke verantwoording niet of nauwelijks nog waarmaken. Vaak rest de politiek bestuurder niet veel meer dan een sturing langs de lijn van ‘management by speech’. Een omvangrijker interventie is vaak lange termijn werk en kan op tal van manieren worden tegengegaan door de uitvoerders van deze publieke taken. Een schrijnend voorbeeld laten de woningcorporaties zien. Sinds de invoering van de verhuurderhefing, zien wij dat zij niet of nauwelijks nog investeren in de nieuwbouw van woningen. Hoewel niet expliciet uitgesproken, lijkt er sprake van een stille staking omdat men onvrede heeft over het gevoerde politieke beleid. De woningnood loopt echter op en de minister kan slechts verontwaardigd in de microfoon blijk geven van zijn onvrede. In de zorg zien wij dat het onder brengen van de basisverzekering bij private verzekeraars een woud van schijnpolissen heeft opgeroepen en ieder jaar vindt er weer een slag plaats om de grip op de markt. Van een aantoonbare verbetering van de kwaliteit van de directe zorg is geen aantoonbaar bewijs. De fantasie dat de uitvoering van publieke taken er bij gediend is dat de politiek en vooral ook de verantwoordelijke bestuurder op afstand wordt geplaatst, heeft zich zo langzamerhand tegen de politiek zelf gekeerd. Sterker: deze uitholling van de politiek heeft zelfs ernstige consequenties voor onze democratie. Waar de burger de verantwoordelijk bestuurder nog wel ter verantwoording roept heeft deze niet of nauwelijks nog de middelen heeft om het door het parlement voorgestane beleid voorspoedig te implementeren. Het heeft de bestuurder tot een lame duck binnen de eigen portefeuille. Iemand die vooral vragende partij is in plaats van de daadwerkelijke bestuurder.

Het is dan ook terecht, dat er weer een herbezinning op gang komt ten aanzien van de aansturing van die organisaties die een publieke taak verrichten. Dat geldt al helemaal wanneer er in het geheel geen sprake is van een open markt waarin verschillende partijen de publieke taak zouden kunnen uitvoeren en waar concurrentie wellicht behulpzaam zou kunnen zijn voor het verkrijgen van een betere prijs en snellere uitvoering. ProRail is zo’n dienst die belast is met een publieke taak die als dienst niet in de markt kan worden weggezet. Hoogstens is de uitvoering van een klus binnen het taakgebied van aan te besteden, maar de dienst zelf is uniek en heeft per definitie een monopoly op haar taakstelling. Om deze bij uitstek publieke diensten efficiënter, goedkoper en doelmatiger te doen functioneren zullen dus andere ritmes noodzakelijk zijn dan de oplossing van marktwerking. Dat vraagt om de eerste plaats de erkenning dat publieke taken een ander ritme, een andere snelheid kennen dan die van de markt. Daarbij gaat het eerder om de herwaardering van betrouwbaarheid, degelijkheid en dienstbaarheid. Om in de politiek aansturing van deze publieke taken meer kracht te krijgen is het nodig dat de politiek haar verantwoordelijkheid herpakt en op essentiële momenten bestuurlijk kan sturen dan wel interveniëren. Daarbij gaat het om het stellen van prioriteiten, waar gebeurt wat en wanneer, en om zeggenschap over een adequaat management. Maar belangrijker nog is dat de overheid meer is dan slechts politieagent. De overheid is en moet zich ook inhoudelijk verantwoordelijk voelen voor een gedegen uitvoering van onze publieke taken. Het feit dat de regering, onder aanvoering van de staatssecretaris van infrastructuur en milieu, Sharon Dijksma, ervoor kiest om de huidige rechtsvorm van ProRail van een BV te veranderen in een publiekrechtelijke organisatie is dan ook een belangrijke stap in de goede richting. Het maakt dat de politiek, en in het bijzonder de verantwoordelijk bestuurder, haar taak beter kan invullen. Het zal zeker bijdragen aan een verbeterde relatie van de burger, de politiek en de overheid. En waar die relatie niet goed is kan diezelfde burger terecht bij haar eigen gekozen volksvertegenwoordiger. Die kan, wanneer de organisatie faalt in de uitvoering van haar publieke taak, de verantwoordelijk bewindspersoon daar ten volle op aanspreken.  Ik zie de stap van staatssecretaris Sharon Dijksma dan ook als een begin van een rehabilitatie van ons politieke bestel, waarin de politiek en een goed toegeruste overheid, in kwesties die ons allemaal aangaan, en dat is het publiek domein, haar verantwoordelijk voor ons allen weer ten volle kan waarmaken.

Adri Duivesteijn – 2016-12-20

Uit de beleidsnota van de staatssecretaris: De Tweede Kamer vraagt mij om verantwoording af te leggen over ProRail aangezien het gaat om publieke taken en middelen. De huidige rechtsvorm, een BV, sluit hier niet optimaal bij aan. Mede om de verantwoording richting de Tweede Kamer en de sturing te verbeteren heeft het kabinet op 29 april jl.1 zijn voornemen geuit om van ProRail een publiekrechtelijke organisatie te maken. Dit past bij het kabinetsbeleid om de uitvoering van publieke taken, bekostigd door de overheid, ook publiekrechtelijk vorm te geven2 . In het geval van ProRail gaat het om taken die de markt niet in concurrentie kan uitvoeren en om jaarlijkse uitgaven van ca. € 2 miljard die grotendeels door het Rijk worden gefinancierd.”

 

Oh, Oh, Den Haag,  laat de CARNIVALE niet los

 

De man van 1,5 miljoen volt aan het werk op de Carnivale van 2015

De man van 1,5 miljoen volt aan het werk op de Carnivale van 2015

Het is weer bijna het einde van 2016. Het is al een beetje traditie geworden. Uitkijken naar de laatste dagen van het jaar betekent uitkijken naar een uniek evenement, de Carnivale in het Huijgenspark in Den Haag. Een fantastisch volksevenement waarin niet de geldklopperij centraal staat, maar het echte ouderwetse vermaak van ‘de man van 1,5 miljoen volt’, ‘de sterkste man van Friesland’, ‘het anatomisch Kabinet van prof dr. George Maat’, ‘de waarzegger en de toekomstvoorspeller’, de ‘Acrobaten’, ‘de bokstent van de wereldberoemde Frits Parlando’ en niet te vergeten de ‘Kop van Jut’ die zijn macabere daad pleegde in een huis aan de Bogt van Guinea, het huidige Huijgenspark in Den Haag. Even, heel even, staat alles stil. De Carnivale zorgt dan voor een fenomenale afsluiting van het jaar en biedt eenieder heel even die dromerige wereld van vermaak, vertier en magie die de Stationsbuurt optilt naar een plek waar je geweest moet zijn. Plotseling is de Stationsbuurt van iedereen. Meer dan 17.000 bezoekers bezochten de laatste keer dit niet-commerciële evenement. Steeds vaker ook komen ze van heinde en verre. In Den Haag, daar in de Stationsbuurt gebeurt het! Dat is de plek om in die laatste dagen van het jaar te zijn.

Hoe bijzonder is het eigenlijk dat in Den Haag in dit deel van de stad een wijk uitstijgt boven haar eigen functie van wonen en werken? Hoe uniek is het voor Den Haag dat aan deze kant van de stad iets onderscheidends gebeurt, dat alle Hagenaars en Hagenezen bij elkaar brengt.

Even een korte duiding.

Den Haag is de stad van het zand en het veen. Nog steeds zijn het twee werelden die slechts heel langzaam naar elkaar toe groeien. De oorsprong hiervan is in de kern heel eenvoudig. Toen de bevolking toenam, startte het stadsbestuur in 1862 met – toen ook al – ambitieuze nieuwbouwplannen voor de Stationstraat (waaronder de aanleg van het huidige Huijgenspark) en het Oranjeplein in de Schilderswijk. Het waren twee prestigieuze locaties in het veen, waar particuliere bouwers heuse herenhuizen lieten verschijnen voor wat in die tijd nog de ‘gegoede burgerstand’ werd genoemd. De toekomst zou er weldadig zijn. Helaas mocht het niet zo zijn. De verkoop van de huizen wilde niet vlotten, omdat de gegoede burgers de omgeving te drassig vonden en ze bang waren om ziek te worden door het vocht. Zij weken dan ook uit naar de ruimere wijken die werden gebouwd op het droge zand. Archipel, Statenkwartier en Duinoord komen uit deze rijke periode. In dit deel van de stad werden de werkplaatsen en de woningen voor de arbeiders gebouwd. De Stationsbuurt, Schilderswijk, Laakkwartier, Schipperskwartier en Transvaal vormen een aaneengesloten gebied waar lagere inkomensgroepen hun plek kregen toebedeeld. Het zou het begin zijn in wat letterlijk een waterscheiding in de stad is geworden. Zand en veen stonden voor een klasse-indeling.  Er ontstonden twee steden, ‘s-Gravenhage en Den Haag: rijk en arm, hoog en laag, geschoold en ongeschoold. Er is in ons land geen stad te vinden waarin de verschillen zo groot waren en nog steeds zo zijn. Wie die verschillen wil ervaren kan dat door met de tramlijn 11 een ritje van het station Holland Spoor naar Scheveningen te maken. De stad in al zijn sociale verschillen trekt in nog geen dertig minuten aan u voorbij. Maar u kunt het ook wandelend ondervinden. Loop vanaf het station Holland Spoor door de Stationsweg, Wagenstraat, Spuistraat, Noordeinde (langs het koninklijk paleis) naar de Zeestraat, de Scheveningseweg en de Keizerstraat. Het is de hiërarchie van een stad, de tweedeling in levende lijve vervat in steen en bevolking.

Vanaf de stadsvernieuwing in de jaren tachtig is er een gemeentelijk beleid in gang gezet, dat beoogt die fysieke scheiding in de stad te verkleinen. Maar 100 jaar bouwgeschiedenis maak je niet zomaar ongedaan. Toch kan je vaststellen dat Den Haag onderweg is om een meer gedifferentieerde stad te worden. Het centrum heeft zich spectaculair hersteld, de oude wijken zijn allang geen no-go areas meer. Zelf mocht ik als inwoner van de Stationsbuurt meemaken hoe stap voor stap dit stadsdeel aan het opknappen is. Maar wat is zo’n vernieuwingsproces weerbarstig! Al in 1981 nam het gemeentebestuur een bestemmingplan aan, om de buurt weer in ere te herstellen. Heel, heel langzaam zien wij, en dat is nu al zo’n vijf en dertig jaar stap voor stap gaande,  dat de Stationsbuurt bezig is om ook echt een wijk van en voor de gehele stad te worden.  Maar wat een gevecht is het om die historische achterstand in te lopen.

En dan komt er zomaar uit het niets de Carnivale. Uit het niets? Nee, uit de buurt! Het gaat hier om een uniek burgerinitiatief dat de bewoners van het Huijgenspark en veel vrijwilligers in de de stad jaarlijks vormgeven en dat inmiddels is uitgegroeid tot een fenomeen voor de stad. In de laatste week van het jaar mag  je jezelf wanen in de wereld van magie, betovering en verwondering. Een echt feest voor een volkswijk, dat inmiddels haar bezoekers uit de hele stad trekt en ieder jaar komen er meer van ver daarbuiten. De Carnivale heeft ons gebracht wat wij met de stadsvernieuwing nog niet konden bereiken, namelijk dat de wijk boven zichzelf uitsteeg en van betekenis werd voor de gehele stad. Juist niet commercieel maar cultureel, sociaal en maatschappelijk. Waarden die zich niet in geld laten uitdrukken. Maar plotseling is in Den Haag de tweedeling niet meer van belang. De Carnivale is van iedereen. En de Carnivale staat nog maar aan het begin van wat zij aan de stad kan brengen en vooral geven. En dat is iets wat je niet in stenen kunt vangen, namelijk dat mensen van de gehele stad elkaar ontmoeten op het veen. Een keer per jaar, op die mooie laatste dagen van december, komt de stad daar bij elkaar.

Het gemeentebestuur van Den Haag vraagt zich af of zij nog wel steun moet geven aan de Carnivale. De bijdrage waar het om gaat is niet echt heel erg groot. Het gaat geloof ik om de gemiddelde kostprijs van een formatieplaats, of om de onrendabele top van een sociale huurwoning, of … tja wat zal ik zeggen. Ik geloof niet eens dat het gemeentebestuur de Carnivale niet een goed hart toedraagt. Dat is zeker wel het geval, maar er is geen potje waar in formele zin de steun voor de Carnivale onder zou kunnen vallen. Dat wil in de praktijk zeggen dat er geen titel is om geld uit te geven. Zelfs niet als iedereen van mening is dat het eigenlijk wel zou moeten. Maar wie maakt die potjes en geeft die titels? Toch ons eigen stadsbestuur, hoop ik? Ik zou zeggen dat het mijn stad toch heel wat waard zou moeten zijn, om dit deel van de stad nu eens niet meer alleen als ziek, zwak en misselijk te beschouwen en slechts op die ‘titel’ te investeren. Nee, juist het feit dat, mede door de Carnivale, de Stationsbuurt zich ontworstelt aan haar ongelukkige start in 1862, en nu eindelijk ook aantrekkelijk wordt voor de ‘gegoede burger’ om er te komen en er zelfs te gaan wonen, verdiend het de volle de steun van haar eigen stadsbestuur. Voor mij, als oud wethouder van deze stad, is de koestering van een traditie dat de Carnivale jaarlijks Den Haag bezoekt de finishing touch van de stadsvernieuwing. De waarde is zo veel groter dan het toch zo overzichtelijke bedrag dat nodig is om dit unieke evenement, geheel gebouwd op burgerkracht, voor heel Den Haag te behouden.

Ik zou zeggen: gemeentebestuur u bent nog wat schatplichtig aan het veen in deze stad.

Steun de Carnivale! U doet er echt iets goeds mee!

LAATSTE NIEUWS OVER  DE CARNIVALE:

GELUKKIG HEEFT DE GEMEENTERAAD, MET EEN MOTIE VAN DE VVD-FRACTIE, BESLOTEN OM IN 2017 DE CARNIVALE WEER MOGELIJK TE MAKEN.

COMPLIMENTEN AAN DE FRACTIE VAN DE HAAGSE VVD.

ADRI DUIVESTEIJN

NOVEMBER 2016

Meer informatie over de Carnivale 

Carnivale 2015

Diederik Samsom ontdekt op de valreep de coöperatie

In de reeks persoonlijke initiatieven die de PvdA leider Diederik Samsom op de valreep van deze kabinetsperiode publiceert verscheen gisteren (24 augustus 2016) de Initiatiefnota Initiatiefnota “De herovering van de publieke samenleving. Naar coöperatief bestuur ““De herovering van de publieke samenleving. Naar coöperatief overheidsbestuur”. Hij schreef deze nota samen met zijn CU-collega Gert Jan Segers. De nota laat zien dat de samenleving vol zit met burgerinitiatieven die in onze samenlevingsstructuur in de overheid en het publieke middenveld niet of onvoldoende de kans krijgen om echt tot bloei te komen. Om dat te veranderen pleiten zij gezamenlijk voor “een overheid dus die dit soort initiatieven niet van bovenaf beknot, zoals nu te vaak gebeurt, maar juist aansluit bij ontwikkelingen van onderop; ruimte geeft, ondersteunt, stimuleert. Een overheid als partner. Dat is wat we willen.

Zelf kan ik de lijn van de initiatiefnota alleen maar toejuichen. Als fervent aanhanger van het coöperatieve model schreef ik al in 1996, samen met Rick van der Ploeg, de nota “De Koopwoning bereikbaar”. Het was een pleidooi voor een verregaande vorm van zelfbeschikking van huurders door middel van zelfbeheer via een wooncoöperatie. Binnen de sociale huursector werd zeer terughoudend gereageerd op deze vorm van zelforganisatie. Zoals we wel vaker zien zijn de professionals in de verzorgingsstaat te zeer gaan hechten aan hun eigen rol en taak. De gedachte dat burgers, in dit geval huurders, zelf het heft in eigen hand nemen is voor hen helemaal niet vanzelfsprekend. Veel verder dan de wet Bevordering Eigen Woningbezit voor lagere inkomens zat er, in die tijd, politiek niet in. Maar het was wel een eerste stap in de vorming van een eigendomsneutrale volkshuisvesting, waarbij lagere inkomens een min of meer gelijkwaardige keus kregen tussen het kopen of huren van een woning.

In Almere kon ik als wethouder laten zien dat burgers echt graag zelf inhoud willen geven aan hun eigen wonen. Via het particulier opdrachtgeverschap zien wij dat daar meer dan 2500 huishoudens in de afgelopen zeven jaar hun eigen woningen hebben gebouwd. Zo’n 600 huishoudens zijn deel van de doelgroep van de sociale huursector. Deze lage inkomens hebben, zonder subsidie, voor zichzelf in Almere een betaalbare nieuwbouwwoning gebouwd.  Deze voorbeelden van burgerinitiatieven laten zien dat er in onze streng georganiseerde verzorgingsstaat, waarin goed georganiseerde professionele instituties het monopoly hebben op de ‘verzorging’ van lagere inkomens, ruimte is voor een stelsel waarin burgers zelf de ruimte krijgen voor vormen van zelfbeheer in de eigen woon- en leefomgeving. In een essay Essay “De Wooncoöperatie, op weg naar een zichzelf regulerende samenleving”, beschreef ik mijn ervaringen en deed bij de aanvang van dit nieuwe kabinet opnieuw een pleidooi voor zelforganisatie in het wonen.

Er was uiteindelijk een keiharde confrontatie in de Senaat voor nodig om bij het Woonakkoord, dat het kabinet had gesloten met D66, CU en de SGP, af te dwingen dat in de nieuwe Woningwet van 2015, naast de positie van de woningcorporatie, er ook ruimte zou komen voor de wooncoöperatie. Het leverde mij een groot conflict op met het zittende kabinet en helaas ook met mijn eigen – woedende – partijleider. Dat was niet fijn. Congres De Wooncooperatie 2Maar ik had het ervoor over omdat, met de komst van de wooncoöperatie, de schade van dit dubieuze woonakkoord voor de huurder nog enigszins zou kunnen worden verzacht, wanneer deze op termijn de mogelijkheid zou gaan krijgen om zichzelf te verzelfstandigen in een heuse eigen coöperatieve woonsector waarin lagere inkomens zelf inhoud geven aan hun eigen wonen. En, overwoog ik, ook voor de zittende huurders zou de komst van de woningcoöperatie heilzaam kunnen werken. Immers het doorbreken van het monopolie van de sociale huursector op de huisvesting van lagere inkomens zal zeker een positieve invloed kunnen gaan uitoefenen op de onderhandelingsposities van huurdersverenigingen. ( De wereld achter 38/37 of 37/38; een verantwoording )

Nu met de initiatiefnota “De herovering van de publieke samenleving. Naar coöperatief overheidsbestuur” wordt in de Tweede Kamer aandacht gevraagd voor een verdere versterking van het coöperatieve gedachtegoed. Dat kan zeker ook leiden tot een versterking van de opkomst van de Wooncoöperatie. Ik kan daarom het initiatief van de beide politici alleen maar toejuichen. Maar, zeg ik maar in de meest vriendelijke bewoordingen, van mij had mijn partijleider deze gedachten al ten tijde van het Woonakkoord ten volle mogen steunen.  En ik had het ook niet erg gevonden als dat zijn vorm had gekregen in een heuse paarse synthese tussen sociaaldemocratisch en liberaal gedachtegoed. Het zou dit kabinet, maar vooral de samenwerking tussen VVD en PvdA een stukje geloofwaardiger hebben gemaakt.

Adri Duivesteijn

Den Haag, 30 augustus 2016

Een eerdere versie verscheen op 25 augustus in de digitale krant Cobouw