Wagner – The Movie, een film van Marit Geluk en Joris Hentenaar

Op vrijdagavond 16 en zaterdagavond 17 juni zal het Projectorkest De Ring van Jan van Maanen in het Scheveningse Zuiderstrandtheater  – in een één uur durende voorstelling – de opera Der Ring des Nibelungen uitvoeren. Uniek is dat de opera, waarin de thema’s ‘de kracht van de macht, veerkracht en liefde’ centraal staan, deze keer zal worden gevisualiseerd met een film van Marit Geluk en Joris Hentenaar. Op indringende wijze behandelen zij de thema’s van de Ring des Nibelungen maar dan geactualiseerd naar onze tijd. Ik mocht een eerste proeve van de film zien en kon niet anders dan mijn reactie onder woorden te brengen in de vorm van een recensie.

Ik maak u er graag deelgenoot van in de hoop dat ook u kennis zult willen nemen van de film. 

De Ring des Nibelungen Wagner – The Movie

Een blik in de tijd, die in zichzelf tijdloos is geworden. Heel soms lukt dat. Een van de mooiste voorbeelden daarvan is de film Berlin, Die Sinfonie der Groszstadt (1927) van Walter Ruttman. Deze documentairefilm laat een dag in de jaren twintig zien. De beelden zijn een indrukwekkend exposé van de tijd, waarin een opeenstapeling van veranderingen de moderne wereld van vandaag vormde. Alles wordt daarin zichtbaar. De opkomst van de industrie, de rol van de arbeider als een verlengstuk van de machine, het frivole mondaine leven van de nieuwe burgerklasse verweven met de armoede die dan ook letterlijk op straat ligt. Hoewel de film bij het uitkomen al een indrukwekkend document moet zijn geweest van het actuele leven, zit de kracht van de film nog meer in de tijdloze terugblik die de kijker krijgt van het dagelijkse maar o zo adembenemende leven in de jaren twintig. Met als volstrekt uniek decor: Berlijn, de stad die achttien jaar later door de geallieerden zou worden vernietigd. Je kan de film bekijken alsof je nog deel uitmaakt van die tijd. Tegelijkertijd is er nu ook de wetenschap welk een ramp de wereld niet lang erna zou treffen. Deze film is dan ook een blijvende waarschuwing tegen het niet serieus nemen van de tegengestelde krachten in die tijd. Het frivool voorbij gaan aan de signalen van een opkomend fascisme zal, naar later blijkt, iedereen lelijk gaan opbreken.

Ik schrijf deze lange inleiding om de betekenis van de film Der Ring des Nibelungen van Marit Geluk en Joris Hentenaar te kunnen duiden. Met de operamuziek van het Magnus Opus van Richard Wagner op de achtergrond (ik kom daar zo op terug!) laat de film een aaneenschakelijking zien van momenten en gebeurtenissen uit ons tijdgewricht. Ook hier, is het materiaal van het dagelijks leven ontleend aan het indrukwekkende archief van de filmer Joris Hentenaar, the man with the movie camera, die voor televisierubrieken als Nieuwsuur al meer dan 20 jaar de actualiteit in tal van crisisgebieden voor ons in beeld brengt. Waar echter in de actualiteitenrubrieken het conflict, het incident en vooral het geweld aan de orde komen, laat de film van Marit Geluk en Joris Hentenaar het volle leven van deze tijd in conflictgebieden zien. Dat gebeurt vaak vanuit het perspectief van de betrokkenen bij de vele conflicten in dit tijdsgewricht, maar evenzeer worden de beelden verweven met de negatie ervan in het dagelijks leven buiten de conflictgebieden. En beide kunnen schrijnend samenkomen op de stranden aan de kust van Griekenland en Italië. Deze plaats van vertier bij uitstek, is tegelijkertijd het dramatische decor van de duizenden vluchtelingen die wanhopig vechten voor hun leven. Overleven om erna op zoek te gaan naar een kans op een beter leven. Een beter leven dat steeds vaker in de kiem gesmoord wordt in het vernederende regime van de treurige vluchtelingenkampen. Kampen die hoegenaamd ‘onbaatzuchtig’ zijn opgezet, door die landen die vooral ook de komst van de vluchteling als de grootste dreiging van het conflict zien.

De filmische foto van onze tijd waar het geweld op afstand steeds dichterbij aan het komen is en die de wereld in toenemende mate in haar greep lijkt te gaan krijgen wordt ondersteund door de muziek van Wagner’s Ring des Nibelungen. Waar het aanvankelijk de bedoeling was om de uitvoering van deze opera door het Projectorkest De Ring van Jan van Maanen te actualiseren met beelden van vandaag is het omgekeerde gebeurd. De filmbeelden van de thema’s van de opera, (de kracht van de macht, veerkracht en liefde) hebben het initiatief overgenomen en Wagner’s opera is, net als in de film Berlin, Die Sinfonie der Groszstadt, ondersteunend aan het verhaal geworden. Dat verhaal is een tijdloze confrontatie met de werkelijkheid van de wereld van vandaag. Een werkelijkheid, waarvoor velen van ons nog de ogen sluiten om frivool op het strand of in de draaimolen het volle leven zijn gang laten gaan.  Misschien is dat nog wel het grootste compliment aan de filmmakers, dat zij in staat zijn geweest de immer overheersende muziek van Wagner te overstijgen en deze dienstbaar te maken aan een filmische schets van de drama’s is onze tijd. Een periode waarin wij weliswaar opener dan ooit naast elkaar leven en ons nauwelijks bewust lijken te (willen) zijn van de gevaren die ook nu weer de wereldvrede gaan bedreigen. Maar wat ooit ver weg was, komt nu wel heel akelig dichterbij. Daarbij laat de film zien dat ‘ver weg’ nog altijd gaat, over mensen zoals u en ik en dus in essentie de mensheid zelf raakt. Wie zich vandaag nog gelukkig waant, kan morgen verscheurd worden door de gedragingen van hen die met weinig zorg met hun macht omgaan en daarin niets ontziend zijn.

Hoewel de film een opeenstapeling van dramatische beelden bevat, de tranen staan met regelmaat in de ogen, komt op subtiele wijze ook telkens weer de kracht van de mensen naar voren. Het verlangen naar geluk, liefde en gewoon plezier. Het geloof in een betere wereld krijgt ook zijn gezicht in de spontaniteit en de lach van kinderen, in de moed om tegen autoritaire regimes op straat in te gaan, om uiteindelijk te bereiken dat wij met elkaar naar de stembus kunnen gaan om het echte conflict met elkaar op te lossen in een dialoog tussen de verschillende betrokkenen zelf. De film is een aanklacht tegen geweld, maar -bijna stilzwijgend- vooral een hartstochtelijk pleidooi voor een terugkeer naar de koestering van genegenheid en liefde tussen mensen onderling.

Waar de film Berlin, Die Sinfonie der Groszstadt ons de tijd van toen in het nu laat herbeleven, zien wij dat deze film, Der Ring des Nibelungen, ons vandaag confronteert met onze hedendaagse werkelijkheid. Een werkelijkheid die we te vaak als min of meer vanzelfsprekend laten voortbestaan. Later, veel later, zal met deze film kunnen worden beoordeeld of wij beter, dan in de jaren twintig en dertig, in staat zijn geweest om met elkaar tot vreedzame oplossingen te komen. Wij zijn in ieder geval opnieuw gewaarschuwd.

Adri Duivesteijn

Den Haag 27 mei/15 juni 2017

NRC: Brandhaard TV als essay gemonteerd 

Share and Enjoy !

0Shares
0 0 0

PvdA, 2002-2017: ‘Voorwaarts’, maar toch niet opnieuw met de kop in het zand?

Voor het schrijven van mijn ‘terugblik’ op de laatste Tweede Kamerverkiezingen en in het bijzonder de desastreuse uitslag voor de PvdA, ben ik teruggegaan naar een aantal artikelen die ik schreef over de positie van de PvdA. Deze artikelen zijn eigenlijk momentopnamen waarop ik probeer een balans op te maken van het tijdperk waarin wij politici en bestuurders dagelijks acteren. Uiteraard gaat het verder dan een analyse en stel ik mij de vraag: hoe als politicus, bestuurder en als politieke organisatie verder te gaan. Het is mijn ervaring dat binnen de PvdA, en vooral binnen de voorhoede van de partij in ons parlement, de behoefte aan reflectie niet altijd even groot is. In een continue-bedrijf, dat de politiek op Het Binnenhof nu eenmaal is, is evalueren een storende onderbreking van alle belangrijke zaken die nu eenmaal aan de orde zijn. Het land moet immers bestuurd worden. En desastreuse nederlagen zijn toch vooral een incidentele misstap van de kiezer (ja, ook die van de eigen kiezer!). Een misstap, die op zijn best nog wordt toegeschreven aan de leider (Melkert) dan wel de wijze waarop de campagne werd gevoerd. Het is maar al te vaak ‘Voorwaarts en vooral vergeten’. De verlokking van een nieuw leiderschap en een goede campagne zal alles wel weer ten goede doen keren. Niets blijkt minder waar te zijn. De vraagstukken blijken structureler, zoals ook de negatie ervan wanneer ze worden opgeschreven.

Dat overkwam ook het door mij geschreven artikel in S&D – 2002-5-6 Adri Duivesteiin – De revolutie der buitengeslotenen. Dat artikel gaat in op het waarom van de desastreuze verkiezingsuitslag in 2002. Bij herlezing blijkt de analyse nog akelig actueel te zijn. In ieder geval is het voor mij voldoende reden voor een hernieuwde publicatie op deze website. Niet om mijn gelijk te halen. Maar wel om, zij die geïnteresseerd zijn in de toekomst van de PvdA, nog eens te doordringen van het structurele karakter van de crisis waarin de politiek, maar vooral de PvdA, zit. Deze tijd vraagt om een andere PvdA en deze komt niet vanzelf. De geschiedenis van de sociaal democratie is rijk, maar het boek van de PvdA kan worden gesloten, wanneer wij opnieuw onze ogen voor de echte oorzaken sluiten.

In de komende tijd zal ik mijn geactualiseerde analyse publiceren. Maar voor nu is het terugkijken naar ‘De Dreun van 2002’ ook van betekenis voor de weging van de laatste – nog vernietigender – verkiezingsnederlaag die de PvdA heeft terugbracht tot een marginale fractie in de vertegenwoordigende lichamen van onze democratie.

Publicatie Socialisme en Democratie – 2002

Na de dreun

DE REVOLUTIE DER BUITENGESLOTENEN

Adri Duivesteijn

De afgelopen zes maanden leefden wij in het tijdperk van Pim Fortuyn. We werden aan de grond genageld, eerst door zijn komeetachtige opkomst, daarna door zijn gewelddadige dood. Bij de verkiezingen heeft de staart van de komeet in het politieke landschap huisgehouden; er zijn verschrikkelijke klappen toegebracht aan de PvdA en de VVD.

Bij het duiden van dit vreemde en ontregelde tijdsgewricht gaat, begrijpelijkerwijs, veel aandacht uit naar Fortuyn. Naar zijn politieke thema’s, zijn stijl, en de intensiteit waarmee hij in het leven van een volk wist door te dringen. ‘Fortuyn was altijd om je heen’, merkte Stephan Sanders op in De Balie, aan de vooravond van de verkiezingsdag. Anderen legden een verband met de reality-tv van Big Brother.

Toch is het grote raadsel niet Fortuyn zelf, maar zijn plotselinge alomtegenwoordigheid, na een jarenlang verblijf in de commerciële en opiniërende rafelrand van de maatschappij ‘Ik kom niet uit het niets’, zei hij tijdens het lijsttrekkersdebat op 6 maart. Inderdaad, de Fortuyn die we onlangs hebben leren kennen, met de zelf geschapen ambitie van minister-president op zoek naar ‘zijn’ land, bestond in een andere gedaante al vijf à tien jaar. Nieuw en verbijsterend was niet Fortuyn, maar die plotselinge, enorme sprong van de rafelrand naar het centrum van macht, de wereld van glamour en aanbidding.

De Paarse leegte

We moeten dus niet in de eerste plaats Fortuyn analyseren, maar de aard van de dijkdoorbraak die hij forceerde en de omstandigheden waaronder deze mogelijk was. Dat de doorbraak juist nu is gelukt, moet worden verklaard uit een combinatie van factoren die bij elkaar het gevestigde politieke stelsel op zijn zwakheden hebben gewezen. Voor een deel bestonden deze al vele jaren, zoals de afnemende maatschappelijke betekenis van politieke partijen en ‘het einde van de ideologie’ na de val van de Muur. De komst van Paars werd er door mogelijk gemaakt, maar daarmee is, zoals ik het eerder heb omschreven, tegelijkertijd een zekere ideologische leegte, een gebrek aan richting en zingeving in de politiek geslopen.1

Paars kon goed zaken doen over sociaal-economische en financiële kwesties; over immateriële zaken (CDA-taboes) zoals euthanasie, het homohuwelijk en de winkeltijden werd ruimhartig de individuele keuzevrijheid gehonoreerd. Veel fletser was de opstelling tegenover vraagstukken die het samenleven als zodanig raken: de mate van sociale cohesie, sociale stabiliteit en sociale identificatie. Bij uitstek terreinen waar de PvdA en VVD nog altijd sterk ideologisch getinte en onderscheiden visies hebben. Het veronachtzamen van die onderwerpen heeft de herkenbaarheid van politieke partijen bij hun achterban dan ook verder verminderd. Tekenend is dat de onder Lubbers/Kok (1989-1994) gestarte sociale vernieuwing bij de start van Paars I werd ‘afgeschaft’. Naarmate het aanvankelijk aanstekelijke pragmatisch elan (werk, werk en nog eens werk) van Paars verflauwde, werden de leegte en de vervreemding voelbaarder.

Ook al was er jarenlang geen werkelijke aanleiding om Paars vaarwel te zeggen, duurzame voortzetting was ook niet vanzelfsprekend voor wie verder keek dan de dingen van de dag. Zelf startte ik daarom in 2000 in S&D een discussie over de vraag welke nieuwe coalitie beter zou kunnen aanvoelen en inspelen op wat er in de samenleving gaande is. Ik zag inhoudelijke aanknopingspunten voor samenwerking tussen PvdA, CDA, GroenLinks en de ChristenUnie.2

Dat zowel de PvdA als de VVD  behoefte kregen aan ideologische herpositionering, kwam het scherpst tot uitdrukking bij de behandeling van de Voorjaarsnota 2001. Rond de kernvraag – wel of niet investeren in de publieke sector – liepen de gemoederen hoog op. Nog een laatste maal – zo zou later blijken – werd het conflict op Paarse wijze afgehandeld, c.q. afgekocht. Zo ontstond het perspectief op een open, post-paarse toekomst, met nieuwe kansen maar ook met nieuwe onzekerheden. De samenloop met het naderende afscheid van Wim Kok als markant en vertrouwd leider, kan niet toevallig geweest zijn

In zo’n kwetsbare overgangsperiode toont het politieke bestel zich niet op z’n krachtigst. Lange tijd dachten wij dat het politieke bestel die overgang wel kon dragen, blind voor de kwetsbaarheden die er al langer waren. Maar het ging toch zo goed met Nederland. De berichten uit de samenleving werden ‘verduisterd’ door de peilingen. PvdA en VVD stonden allebei hoog in de peilingen, die ook onveranderlijk een grote waardering voor de Paarse coalitie vastlegden. Zelfs het spectaculair inzakken van de ‘nieuwe economie’ deed daaraan niets af. Nog op 6 september 2001 kon het Sociaal en Cultureel Planbureau melden dat Nederland een tevreden land was.

De mokerslag die alles veranderde kwam vijf dagen later, op 11 september. De schok is tot de dag van vandaag voelbaar, direct en indirect, ook in ieders dagelijkse leven. Allerlei zekerheden zijn gaan wankelen. Veel mensen kregen behoefte aan een sterke, beschermende arm om zich heen. Die kon alleen worden gevonden bij de overheid, ook al was dezelfde overheid al jarenlang op veel terreinen aan het terugtreden.

‘De kwaliteit van ons bestaan – ook individueel – hangt in hoge mate af van collectieve arrangementen. Dat vergeten we weleens in tijden van voorspoed. Maar die notie is direct weer, indringend, terug zodra de basis van dat bestaan wordt geschokt. (…) Deze herwaardering van de overheid stelt hoge eisen en de PvdA moet zich dit in het bijzonder aantrekken. Het vertrouwen van de bevolking in de overheid, en in de politiek, staat op het spel’, schreven Bram Peper en ik hierover.3

Paars zakte voor het examen, dat verkiezingen heet. De zwakte van de coalitie, die bij moeilijkheden haar kracht vond in de uitruil van belangen, werd door de 11 september-crisis pijnlijk blootgelegd. Die crisis betrof het samenleven, de samenleving als zodanig. Het kabinet had geen vertrouwenwekkend antwoord, en droeg ook niet het elan en de innerlijke overtuiging uit om samen met de bevolking naar antwoorden op zoek te gaan. Er werd weliswaar een speciale ministeriële commissie – onder leiding van de Minister-President – ingesteld die de gevaren van terrorisme zou bestrijden, maar van een plan van actie naar de samenleving toe is het nooit gekomen. De partijen probeerden weer snel over te gaan tot de orde van de dag, dus tot vertrouwde verkiezingsthema’s zoals de WAO en de inkomenspolitieke aspecten van de gezondheidszorg. Ook de PvdA onderkende daarmee te weinig de heftige dynamiek die onderhuids de samenleving had aangevreten.

Het belangrijkste ‘antwoord’ op de septembercrisis lijkt tot dusver een verharding in de sociale verhoudingen geweest, internationaal maar ook in het binnenland. De haviken hebben het tij mee ten koste van de dialoog, de gematigdheid en de tolerantie. De afschuw van fundamentalistische terreur vloeit te vaak over in even fundamentalistische agressie tegen ‘de ander’, en vooral tegen de islam. Als symbool van het algemeen belang wordt ‘de overheid’ tot zondebok gemaakt. Angst en onzekerheid worden op de overheid afgewenteld, haar fouten worden breed uitgemeten. In het, zoals gezegd, verzwakte politieke bestel kwamen deze verwijten extra hard aan. Tegenover fanatieke standpunten en de groeiende angst stond Paars beleidsmatig en collectief-emotioneel met lege handen.

Het politieke klimaat na 11 september vormde een uitstekende voedingsbodem voor wat ik zou willen duiden als de revolutie van de buitengeslotenen. Burgers die vervreemd waren (geraakt) van de bestaande politieke zeden, begonnen hun hoop in handen te leggen van een nieuwe politieke beweging die een stem probeerde te geven aan gevoelens van uitsluiting, onbehagen en angst. Deze ‘zwijgende’ burgers hoefden alleen nog maar te worden gemobiliseerd. Het verlies aan het vanzelfsprekende gezag van politici werd zichtbaar en zichtbaar aangewakkerd. Wat zich op lokaal niveau al veel eerder in Leefbaarheidspartijen had geuit (met name ook grootstedelijk: Hilversum, Utrecht), kreeg landelijk al snel een dynamiek: organisatietalent en charisma (Westbroek, Van Kooten, Nagel, Fortuyn) vormden de energieke combinatie die uiteindelijk Fortuyn vleugels gaf.

De eerdere ‘inbraak’ van de commerciële omroepen

De doorbraak van Leefbaar Nederland en Fortuyn is weliswaar zonder politiek precedent, maar er zijn mijns inziens duidelijke overeenkomsten met de inbraak van de commerciële omroep in het omroepbestel vanaf de jaren zestig. De hoofdrolspelers droegen de nog altijd bekende namen TROS, Veronica (‘Radio 192’) en Radio Noordzee. De overeenkomst is des te indringender door de verwevenheid van media en politiek. Het gaat dan niet alleen om de macht van het beeld in de televisiedemocratie, maar vooral ook om de machten áchter de media. Denk aan Berlusconi, een van de voorbeelden van Fortuyn. Denk aan Willem van Kooten, Jan Nagel en Henk Westbroek, medeoprichters van Leefbaar Nederland. En denk ook aan de voorgestelde veiling van radiofrequenties in het afgelopen jaar, en de dreiging van een massale mediacampagne onder aanvoering van Erik de Zwart van Radio 538.

De basis van het publieke omroepbestel werd in de jaren zestig steeds meer aangetast, onder meer door de ontzuiling, de toegenomen welvaart en de invloed van buitenlandse massaculturele voorbeelden. Een steeds grotere groep kijkers en luisteraars voelde zich niet meer thuis bij de bestaande omroepen; ze stonden buiten de gevestigde culturele of levensbeschouwelijke oriëntaties en waren ook niet of nauwelijks geïnteresseerd in de pogingen van de zuilen om hen alsnog te binden, zoals de popzender Hilversum 3 die de strijd met de zeezenders moest aangaan.

Deze massaculturele aardverschuiving bood destijds gelegenheid aan zenders die zich niet richtten op levensbeschouwing of culturele ontplooiing en verheffing, maar op ondogmatische identificatie, luchtig vermaak en commercieel gewin. Zij waren de spreekbuis van de ‘buitengeslotenen’ van het publieke bestel, en boden hen een nieuw, pragmatisch onderdak. De VARA kreeg in die tijd overigens al regelmatig het verwijt dat de TROS de échte arbeidersomroep was geworden: want arbeiders hebben geen behoefte meer aan de Matinee op de Vrije Zaterdag, ze zijn tevreden met Mister Ed, het sprekende paard.

De nieuwkomers bleken in staat om ongehoorde emotie en adhesie los te maken. Een hoogtepunt was de massale demonstratie in Den Haag op 18 april 1973, niet voor hogere lonen, niet tegen een dictatuur in Latijns-Amerika, maar voor legalisering van de piratenzender Veronica.

Het was een nieuw verschijnsel: een massa die zich met graagte liet mobiliseren, niet voor belangenstrijd of ideologie maar voor een zakelijk geëxploiteerde lifestyle.

Inmiddels kijkt niemand er nog van op dat commerciële zenders de publieke omroep overklassen in aantal, zendtijd, kijkcijfers en geld. De concurrentie om prestige is nog in alle hevigheid aan de gang. De publieke omroep heeft nog steeds een redelijk prestige. Nog altijd is er bij de ‘publieken’ enig dédain te bespeuren voor de vrije jongens van de commerciëlen, die op hun beurt nog altijd met een zekere verongelijktheid reageren. Ook al zijn de scherpe kanten er inmiddels af door de vele onderlinge uitwisselingen en overlappingen, het publieke en het commerciële bestel blijven elk een eigen sfeer behouden, aan weerszijden van een voelbare culturele scheidslijn.

Zonder vaste woon- of verblijfplaats

Het parlement is in zekere zin het publieke bestel van de macht, de machtsuitoefening in het publieke domein. We gaan er in een democratie van uit dat het parlement het laatste woord heeft, het zogenaamde primaat van de politiek. In werkelijkheid is de macht in de maatschappij – ook kenmerkend voor een (sociale) democratie – veel fragmentarischer, veel diffuser verdeeld. Het parlement is slechts één van de machtsvormende en beslissende instanties, naast bijvoorbeeld de machten in en van het bedrijfsleven en het maatschappelijke middenveld. Sommigen uit die kringen: de Langendams, Van Nieuwenhuizens en Spongen van deze wereld, voelen zich, bij al hun succes, buitengesloten van het gevestigde politieke bedrijf. En dat wringt. De status van de politiek lonkt, waarbij deze elite van de buitengeslotenen niet denkt aan de nederige status van kamerlid maar meteen aan de status van politieke bovenbaas, i.c. het ministerschap. Fortuyn mikte in zijn presidentiële campagne uiteraard op het Catshuis.

Tot dusver was de politiek, anders dan de omroep, nog enigszins ontkomen aan een grootschalige ‘inbraak’, al zijn – sinds 1994 – de verschuivingen tussen de bestaande politieke partijen wel indrukwekkend.  De politieke partijen werkten – hoewel dus steeds minder – nog steeds als filter. Iedereen is welkom, maar zelfs de succesvolste zakenman of de meest geleerde professor moet zich gewoon aanmelden als lid om zich vervolgens geduldig een positie te verwerven. Wie zich niet aan de regels van de interne partijdemocratie wil conformeren, zal moeilijk een plaats in de politieke arena vinden. De partijen werken dus, per definitie, óók als een mechanisme van uitsluiting. Deze normale gang van zaken wordt een probleem als het aantal buitengeslotenen heel groot wordt. En dat is steeds meer het geval.

Het politieke bestel is namelijk heel gemakkelijk toegankelijk geworden door het maken van politieke hypes. Buiten de bestaande partijen om de politieke markt betreden, wordt steeds eenvoudiger. Wie – via de grote hoeveelheid aan communicatiemiddelen – snel de massa weet te raken, kan deze massa ook snel mobiliseren voor een idee, een persoon, een levensstijl. Vergelijkbaar met het omroepbestel 35 jaar geleden. De ontzuiling is bijna compleet. De vanzelfsprekende sociale verbanden zijn weggevallen, de politieke partijen kwamen er los van te staan. Maar ook de politieke partijen zelf erodeerden als (levendige) sociale structuur en als een vorm waarin burgers en bestuurders elkaar vinden in een belang of ideaal. Dat proces vond – nog het minst bij het CDA – plaats in de periode 1970-1990.

Steeds minder mensen vonden een vertrouwde thuisbasis in één van de politieke partijen. Steeds meer mensen trekken rond zonder vaste politieke woon- of verblijfplaats. Er zijn steeds meer politiek buitengeslotenen. Zij kiezen steeds weer opnieuw welk politiek aanbod zij aanvaardbaar vinden. Zeker in onzekere tijden.

Het gaat mij bij het verschijnsel van massale buitensluiting uiteraard niet om een duiding in termen van schuld. Het gaat ‘slechts’ om de constatering van een indringende culturele en maatschappelijke trend. Politieke partijen zijn van hun ankers los(geraakt), en hebben derhalve te maken met een wisselende schare aan – bijna altijd – tijdelijke aanhangers.

Het logo fortuyn

De politieke loopbaan van Fortuyn illustreert de mechanismen van politieke insluiting en buitensluiting. Als Pim Fortuyn probeerde hij jarenlang binnen te komen bij de grote partijen. Overal zag hij zijn ambities doodlopen op de codes van die partijen, dan wel zaten zijn eigen ego en ongeduld hem in de weg. Zolang het een eenmansactie was, beperkte zijn bekendheid zich tot een kleine kring. In het laatste jaar, nadat hij door de mensen achter Leefbaar Nederland als logo was ontdekt, bleef hij niet langer onopgemerkt. Een massa aan onderhuidse, individuele gevoelens van buitengeslotenheid bracht hij aan de oppervlakte. Fortuyn gaf de buitengeslotenen weer een herkenningspunt, en ook weer hoop. Via hem voltrok zich hun hernieuwd geloof dat de politiek er iets toe zou kunnen doen.

Ik hou het er voorlopig op dat deze doorbraak structureel zal zijn. Natuurlijk, de LPF is intern onevenwichtig, en we moeten niet raar opkijken als er ruzies, splitsingen en grote schommelingen in populariteit ontstaan. Maar dat is niet de hoofdzaak. Ook Veronica is weggeweest, teruggekomen, weer verdwenen, van naam veranderd, als merk naar de marge verhuisd maar binnenkort weer terug. Het voortbestaan van de commerciële omroep als zodanig is niet meer in het geding. We moeten er rekening mee houden dat ook de politieke ‘vrije jongens’ blijvend zullen zijn, al kan de precieze vorm nog sterk wisselen. Het zou een fundamentele vergissing zijn om niet van de (potentiële) duurzaamheid van het type politieke bewegingen als de LPF uit te gaan.

De elite van de buitengeslotenen die onder het bijzondere beschermheerschap van Fortuyn een shovel in de deur van het politieke bestel heeft geduwd, zal blijven. Zij zullen in de komende jaren deze partijorganisatie professionaliseren. De marketing zal lijken op die van de commerciële omroepen. Het merk Fortuyn wordt in de markt gezet. Een eigen blad, een eigen politieke variant op Club Veronica, een eigen bedevaartsoord, een eigen feel good-gevoel, en natuurlijk een eigen icoon, een logo, met onovertroffen naamsbekendheid, die dan ook voor allerhande gebruik is gedeponeerd. Fortuyns gedachtegoed, vele boeken bij elkaar, is intussen grillig genoeg om telkens opnieuw creatief ‘in de geest van’ Pim te kunnen worden geïnterpreteerd, bijvoorbeeld door een denktank naar conservatieve Amerikaanse snit. De mens Fortuyn is er zelf niet meer bij om van mening te veranderen, of om de exploitatie van het merk Fortuyn in de weg te zitten.

Geen woestijn, maar weldadige tuinen

Wat moet de Partij van de Arbeid in de komende tijd doen? We kunnen niet gewoon weer partijtje gaan spelen alsof er niets wezenlijks is veranderd. Het politieke bestel als zodanig is aan een grondige herziening toe. Intussen zal de PvdA zichzelf moeten hervormen om weer een vooraanstaande partij te kunnen zijn. Het verlossende antwoord is er niet in een paar maanden, maar hoeft ook weer niet jaren te duren We moeten ons wel de tijd gunnen voor een ingrijpend herstelprogramma.

Er is, ook uit de afgelopen jaren, materiaal genoeg om de discussie en het herstelprogramma mee te beginnen. We kunnen bijvoorbeeld vrijwel alle vragen die we nu moeten en willen stellen, in drie delen uiteen leggen. Ik denk dan aan de drie oriëntaties die werden onderscheiden in de interne PvdA-notitie Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit (2001).4

De PvdA moet zich: a) voortdurend oriënteren op de samenleving; b) op het sociaal-democratische gedachtegoed en c) op de bestuurlijke verantwoordelijkheid.

Het zijn wezenlijk verschillende oriëntaties, die echter alle drie onmisbaar zijn; zij moeten niet alleen, maar kunnen ook samengaan. Deze oriëntaties vallen niet vanzelfsprekend samen; zij moeten worden gezocht, en met elkaar in verband worden gebracht, zowel in de ‘theorie’ als in de praktijk voor de sociaal-democratie van-alle-dag. Nu we wel gedwongen zijn ons indringend te heroriënteren, zullen we dat ook langs elk van deze drie lijnen moeten doen.

We moeten, in de eerste plaats, opnieuw contacten leggen met de samenleving. We moeten het onszelf kwalijk nemen dat we grote groepen en hun problemen hebben genegeerd, hebben buitengesloten van onze actieve interesse. We verkeerden in de zelf geschapen illusie (arrogantie?) dat wij wel wisten wat er aan de hand was. We hebben als bestuur- en bestuurderspartij te weinig contact onderhouden met onze achterban (leden, sympathiserende kiezers, de groepen voor wie sociaal-democraten een bijzonder oog dienen te hebben). Te lang zijn we ervan uitgegaan dat iedereen die – naar onze eigen definitie bij ons ‘thuishoort’, eens per vier jaar toch wel weer langs zou komen om op de PvdA te stemmen, al waren ze in de tussenliggende jaren zwervende geraakt. Nu blijkt dat van de bijna 2,5 miljoen PvdA-kiezers uit 1998 een miljoen hun vertrouwen aan andere partijen hebben gegeven; er werd hen een ander huis geboden.

We moeten ook onderkennen hoezeer de PvdA is geëmancipeerd tot een middenklassepartij. Onder onze bestuurders en politici is die belevingswereld dominant. We wonen in een veilige sociale omgeving en verkeren vooral met mensen voor wie dat ook geldt. Ervaringskennis van het dagelijkse leven in andere sociale sferen ontbreekt vaak. We spreken veelal niet met ‘de mensen zelf’, maar met vertolkers, vertalers, smaakmakers en zaakwaarnemers, die een beperkte opening van zaken geven. De PvdA, die in voortdurend contact zou moeten staan met allerlei groepen in de samenleving, heeft zichzelf buitengesloten van de buitengesloten.

We moeten die contacten herstellen, en zorgen dat volksvertegenwoordigers weer de ervaring van de ervaringsdeskundigen (de burgers) op de politieke agenda plaatsen. Institutionele oplossingen zijn behulpzaam om de band te versterken (gekozen burgemeester, eventueel beperkt districtenstelsel) maar niet minder belangrijk is een hernieuwde politiek-culturele verankering, met sterk inhoudelijke en persoonlijk getinte dimensies. We moeten weer weten, voelen, horen, ruiken, herkennen wat er gebeurt, zodat wij op onze beurt kunnen worden herkend als we erover spreken (‘dit is mijn partij’, ‘dit is ons kamerlid’).

We moeten, in de tweede plaats, nieuwe betekenis geven aan de sociaal-democratie in een samenleving die de laatste decennia zéér is veranderd, met name sociaal en cultureel. De basiswaarden blijven dezelfde (zoals solidariteit en rechtvaardigheid), maar wat betekenen deze begrippen in de 21ste-eeuw? Een mooie en noodzakelijke manier om die vraag in brede kring aan de orde te laten komen, en met inschakeling van al het intellect dat zich door onze traditie en onze toekomst aangesproken voelt, is het maken van een nieuw beginselprogramma. Niet alleen het programma zelf is belangrijk, maar ook, en meer nog, de weg ernaartoe. Er ligt al voldoende materiaal om na veel discussie toch snel resultaten te bereiken.

Ook hier kunnen we gebruik maken van ideeën die reeds zijn ontwikkeld maar die, om welke reden ook, tot nu toe onderbelicht zijn gebleven. Ik beperk mij – als voorbeeld (omdat ik er zelf bij betrokken was) – tot de concept-nota Migratiebeleid in rede (2001). Daarin is een poging gedaan ‘(…) om de huidige lappendeken van beleidsfragmenten en ad hoc visies in te ruilen voor een coherent migratiebeleid’. In die nota wordt een realistisch én sociaal-democratisch onderscheid gemaakt tussen drie wezenlijk verschillende migratievraagstukken: het asielbeleid, de internationalisering van de arbeidsmarkt, en de morele verantwoordelijkheid van internationale solidariteit.5 Er valt veel meer over te zeggen, maar ik noem de nota omdat zij dwingt een richting aan te geven.

Tenslotte: politieke verantwoordelijkheid hebben we in de komende tijd in de eerste plaats in eigen kring te nemen. We moeten ‘investeren in een nieuwe politieke cultuur’.6 Een nieuwe, open en op discussie gerichte politieke cultuur moet ook worden gedragen door nieuwe generaties. We moeten nadenken over nieuwe samenwerkingsvormen, ook binnen de partij en de kamerfractie, met een discussie over de aard en veelvormigheid van leiderschap. Het voorbeeld van het CDA (Heerma, De Hoop Scheffer, Balkenende) leert dat nieuw en overtuigend leiderschap niet per se aan het begin van de inhoudelijke heroriëntatie van een partij staat, maar eruit kan voortvloeien.

We moeten, kortom, niet alleen reactief zijn door onze positie te bepalen ten opzichte van anderen, maar vooral ook de eigen kracht en de eigen richting van de sociaal-democratie hervinden. Ik stel voor dat we het beeld van de gewenste nieuwe PvdA-volksvertegenwoordiger voor ogen houden, zoals dat in Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit is geschetst.

‘Van volksvertegenwoordigers verwachten wij dat in hun politieke stijl tot uitdrukking komt dat je op een intelligente, gevoelige en ontspannen manier de drie genoemde oriëntaties van de PvdA kunt verbinden. Volksvertegenwoordigers ontlenen permanent kracht aan de maatschappelijke werkelijkheid, maar ook aan hun inzicht in het bestuurlijk mogelijke, en tenslotte aan het blijvende kompas van de intrinsieke sociaal-democratische waarden en attitude. Zo kunnen zij bruggen slaan tussen burger en politiek, tussen korte en lange termijn, tussen directe belangen en vergezichten. Zo kunnen ze er ook begrijpelijk over spreken, zonder gedraai, zonder het gehoor te intimideren, altijd met de wil tot communicatie zonder welke de politiek ten dode is opgeschreven. Volksvertegenwoordigers behoren de kunst te verstaan om ook ingewikkelde kwesties helder uit te leggen, zonder ze te versimpelen, en daarbij duidelijk te maken hoezeer de specifieke sociaal-democratische keuzen voor de hand liggen als de best mogelijke keuzen voor de samenleving.’

Over het artikel en de auteur:

Adri Duivesteijn was, ten tijde van het schrijven van het artikel De revolutie der buitengeslotenen, lid van de Tweede Kamer en vice-voorzitter van de Fractie van de Partij van de Arbeid. Het artikel zelf is gepubliceerd in Socialisme en democratie (S&D) van de Wiardi Beckmanstichting dat in zijn geheel was gewijd aan de gevolgen van de voor de PvdA desastreuze verkiezingsuitslag in 2002

Noten

  1. Eveline Brandt, ‘De rode bouwmeester’, in: De Groene Amsterdammer, 19-6-1996.
  2. Adri Duivesteijn, ‘De Paarse methode met meer gedrevenheid. De noodzaak van een nieuwe progressieve agenda’, in: S&D 2000 nr.11. Adri Duivesteijn en Jet Bussemaker, ‘De komst van een progressief programma is geen sprookje’, in: de Volkskrant, 21-5-2001.
  3. Bram Peper en Adri Duivesteijn, Herwaardering overheid stelt eisen aan PvdA’ in: de Volkskrant, 15-12-2001.
  4. Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit; Naar een permanente campagne van de PvdA, Den Haag, 4 juni 2001. De werkgroep bestond uit Adri Duivesteijn (voorzitter), Erik van Bruggen, Remco Dolstra, Frank Heemskerk, Peter van Heemst, Alex Klusman, Jan Middendorp en Marike Simons. De werkgroep was opgericht op verzoek van de toenmalige fractievoorzitter in de Tweede Kamer Ad Melkert en de toenmalige penningmeester van de PvdA Jan van Ingen Schenau.
  5. Migratiebeleid in rede, concept-nota van de werkgroep Migratie van de Tweede-Kamerfractie en Eurodelegatie van de Partij van de Arbeid, Den Haag, juni 2001 (concept). De werkgroep bestond uit Nebahat Albayrak, Judith Belinfante, Jet Bussemaker, Ieke van der Burg (EP) Adri Duivesteijn (voorzitter), Mariëtte Hamer, Joke Swiebel (EP), Frans Timmermans en Wouter Gortzak.
  6. Investeren in een nieuwe politieke cultuur, voorzet voor notitie over fractieoptreden en politieke strategie, t.b.v. fractieweekeinde 27-28 augustus 1999, opgesteld door Adri Duivesteijn t.b.v. het fractiebestuur, 8 juli 1999.

Share and Enjoy !

0Shares
0 0 0

“Verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat” II

Aan de leden van de PvdA,

Het is alweer bijna twee jaar geleden, toen ik na de dramatische verkiezingsuitslag in maart 2015 mijn opinie schreef over ‘verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat’. Deze titel ontleende ik aan de brief, die de voorzitter van de PvdA in reactie op de uitslag aan de leden had verzonden. Hij ging daarmee in op de verkiezingsnederlaag, de derde op rij (Europa, Provincie en Gemeenteraad) die voor de PvdA vernietigend was. Hoe kan het, vroeg ik mijzelf af, dat wij na drie dramatische nederlagen niet komen tot een vorm van zelfreflectie? Tenminste het instellen van een onafhankelijke commissie, die op zoek zou gaan naar de oorzaken en zou adviseren hoe de koers eventueel zou moeten worden bijgesteld. Dat was toch wel het minimum dat wij konden en moesten doen. Het partijbestuur, onze bewindspersonen, de partijleider en (de ruime meerderheid van) de fractie waren echter van mening dat een onderzoek nu niet het juiste antwoord zou zijn. Nee, wij moesten nu (toen in 2015) onze verantwoordelijkheid nemen en het land besturen. Dat het afgesloten regeerakkoord en de wijze waarop ons land (van bovenaf) werd bestuurd, mogelijk een oorzaak zou kunnen zijn van de vernietigende uitslagen, mocht blijkbaar geen onderwerp van onafhankelijk onderzoek worden. Helaas volgde de ledenraad de lijn van het partijtop. Geen tussentijds onderzoek, geen echte zelfreflectie. Nee, de strategie was duidelijk. Naar analogie van de methode van de oud-minister van financiën Zalm, was het bestuurscredo ‘eerst het zuur en dan het zoet’. Bij onze partijleider en zijn gevolg, was er het rotsvaste vertrouwen dat de kiezer uiteindelijk wel zou begrijpen waarom wij met de VVD dit regeerakkoord hadden afgesloten. Een overtuiging die men heeft volgehouden tot aan de publicatie van het verkiezingsprogramma en de verkiezing van de lijsttrekker. Eenieder die een andere kijk had op een mogelijke herhaling van de drie achtereenvolgende nederlagen had het echt niet goed begrepen. Of in de woorden van, Diederik Samsom; die hadden geen oog voor het ‘ontluikende  optimisme in de samenleving’. En daarbij had onze voorhoede, zoals Jeroen Dijsselbloem het steevast uitdrukte, een rotsvast vertrouwen in de ‘PvdA als campagne-machine’.  ‘Het zou echt goed komen’ was de boodschap. Onderzoek, zelfreflectie, het waren in hun ogen vooral uitdrukkingen van zwakte in plaats van kracht. En het zou ‘de missie’ die men zichzelf had opgelegd ondergraven en juist dat zou voor de partij een negatief effect gaan sorteren. Het eindresultaat is sinds woensdag 16 maart j.l. bekend. De PvdA heeft haar vierde verkiezingsnederlaag, sinds het afsluiten van een regeerakkoord met de VVD, op rij binnen en deze overtreft alle records. Niet eerder heeft een politieke partij in ons land in een keer zoveel zetels verloren.

Partijcultuur, tegenspraak en zelfreflectie

Er zijn vele oorzaken aan te wijzen voor deze nederlaag. Het is mij te eenvoudig om dat nu direct te koppelen aan een persoon of personen. Maar er is wel een (mede)oorzaak die ik wil benoemen en dat is de cultuur die de PvdA steeds meer is gaan kenmerken en dat is het vrijwel ontbreken van tegenspraak binnen onze fracties, en ja helaas ook van onze ledenraad. Wij zijn steeds meer een partij geworden waar de (fractie)leden de leider volgen. Het open debat is doodgeslagen. Sterker; wij zijn steeds angstiger geworden om een open debat aan te gaan over onze koers. Binnenkamers gonst het, al vanaf de samenwerking met de VVD, van de kritiek en onvrede maar de leider wordt er niet meer op aangesproken. Tegenspraak is er niet of nauwelijks meer! Door de jaren heen heb ik mij steeds meer verbaasd over dit steeds verder afnemen van de autonomie van de individuele fractieleden. Waar zij eigenlijk de denkkracht van de sociaal democratie zouden moeten voeden, de vertegenwoordigers van een veranderingsbeweging zijn, zien wij dat de meesten van onze gekozen vertegenwoordigers nauwelijks nog zichtbare en markante opinieleiders zijn. Nee, sterker nog, meer en meer is er binnen de PvdA een cultuur ontstaan alsof onze volksvertegenwoordigers ‘werknemers’ zijn in het bedrijf van de PvdA (keurig georganiseerd tot en met ‘functioneringsgesprekken’ en ‘verslagen’). Maar er is meer dan ‘besturen’, en het trouw ‘volgen van de agenda’ van de regering, Het gaat in het parlement ook en vooral om het zijn van volksvertegenwoordiger en dat begint binnen de partij en de fractie die men vertegenwoordigt. Met alle respect voor de goede intenties van de individuele personen, maar democratie begint bij de open dialoog, bij het hebben van samenspraak. Maar het komt niet tot samenspraak als er geen tegenspraak is dan wel indien men niet meer zijn of haar opvattingen ook echt uitspreekt. Goede leiders verdragen tegenspraak en worden daar zelfs sterker van. Het ontbreken van voldoende tegenspraak, van het echt zeggen wat je vindt, het opkomen voor je eigen inhoudelijke opvatting en het daarover met elkaar in debat gaan, is misschien wel de kern van het probleem van de PvdA.

Ik heb het een paar keer opgeschreven. En ik kan niet nalaten om verschillende van deze stukken weer even in het vizier te brengen. Niet om mijn gelijk te halen maar om te illustreren dat wij het steeds minder gewoon zijn gaan vinden om met elkaar het gesprek aan te gaan over de koers die onze leiders uitzetten. Wat heeft gemaakt dat onze partij en fracties zo volgend zijn geworden? Dat wij met elkaar zo volgend zijn?

  1. Het was op 14 juni 2014 dat ik aan de leden van de PvdA – op persoonlijke titel – een essay stuurde dat voortkwam uit de behoefte te doorgronden waarom de PvdA al weer geruime tijd ups-and-downs kende en zich maar niet herstelde. In het essay ‘PvdA staat met transactie-denken haar eigen waarden in de weg, Adri Duivesteijn PDF‘ wordt geanalyseerd wat de mogelijke oorzaken zouden kunnen zijn. Het was een uitnodiging tot een debat hierover.
  2. Na de dramatische verkiezingsuitslag van de gemeenteraad, waar wij o.a. na 100 jaar deelname in het College van B&W van Amsterdam werden weggevaagd, schreef ik op 30 maart 2015 mijn oproep: ‘De verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat‘. Ik deed dit omdat het toch niet zo kon zijn dat de PvdA de ogen bleef sluiten voor de vervreemding die er inmiddels was ontstaan met haar eigen electoraat. Helaas het mocht niet tot enige vorm van zelfreflectie komen.

Kern van mijn gedachte nu, is dat wij bij alle stappen die de PvdA moet gaan zetten, wij ook bij ons zelf moeten afvragen hoe het komt dat wij de kracht van het open debat, van tegenspraak en zelfreflectie zijn kwijtgeraakt. Het is een vraag aan ieder van ons.

Hoe het ook zij. Na deze vernietigende uitslag, de vierde op rij, kan het niet meer zo zijn dat wij nog langer de ogen sluiten. De PvdA heeft haar plicht verzaakt. Zij was niet de vertegenwoordiger die zij tijdens de verkiezingen van 2012 vertelde dat zij zou zijn. Onze kiezers zijn diep teleurgesteld en ik begrijp dat maar al te goed. Er is maar één weg terug en dat is back to the roots van de sociaal democratie, afstand nemen van de invloed van het neo-liberale of progressief liberaal gedachtegoed binnen de PvdA en wegblijven van technocratische oplossingen (ruiltransacties als middel). Wij zijn primair volksvertegenwoordigers die er namens hun achterban zitten en dat ook beschouwen als hun centrum van de wereld. Het inbrengen van dat belang in de dynamiek van het parlement en in het beleid van de regering daar gaat het om. Een veranderingsbeweging als de PvdA, is inhoud geven aan een strijd die verder gaat dan het dagelijks bestuur (hoe verstrekkend dat ook kan zijn)!

Hoe nu verder?

De weg omhoog, veranderingsteam gewenst

De Tweede Kamerfractie moet vanaf nu haar eigen verkiezingsprogramma in haar handelen betekenis geven. Ik denk dat wij dat heel goed aan Lodewijk Asscher over kunnen laten.

Maar het echte herstel van de sociaal democratische beweging zal binnen de vereniging moeten gaan plaatsvinden.

Beter dan te praten over individuele personen (voorzitter wel of niet weg) is het gesprek op gang te brengen in de richting van hoe het herstel direct en positief kan worden opgepakt.

Hoe en wie?

De neergang van onze partij is inmiddels zo groot en het verlies zo dramatisch dat echte radicale stappen nodig zijn. Een veranderingsteam, een driemanschap of een kwartet, zou een eerste stap kunnen zijn naar herstel van onze vereniging en het sluiten van de rijen.

Zij zouden een inspirerende motor kunnen vormen die de partij weer van onderop betekenis kan gaan geven. Dit veranderingsteam zou de speciale  opdracht moeten krijgen om de PvdA als sociaal democratische politieke vereniging op onorthodoxe wijze weer ideologische diepgang en dynamiek te geven, de banden aan te halen met de vele veranderings- en vernieuwingsbewegingen in onze samenleving en samen met andere linkse partijen te werken aan een progressief bondgenootschap.

De beste proeftuin voor een terugkeer van de PvdA in het centrum van de politiek is het lokale niveau. Daar, van onderop, moet de PvdA zich opnieuw gaan uitvinden. Hoe? Door ons te verbinden met, en herkenbaar van betekenis te zijn voor, onze achterban. Onze inzet? Een verbonden samenleving! Alleen daarin ligt de weg naar herstel van de sociaal democratie open.

Adri Duivesteijn – 17-03-2017

 

 

 

Share and Enjoy !

0Shares
0 0 0

Copekcabana: De wooncoöperatie, dat zijn wij zelf

Stap voor stap zien wij binnen huurdersland een emancipatie naar vormen van zelfbeheer op gang komen.  Een uniek voorbeeld van emancipatie van huurders van navolging verdient is Copekcabana. Het laat zien dat het mogelijk om tussen koop en huur een nieuw woonstelsel te bouwen van de huurders zelf.

2016-07-05 – Kamerbrief over experiment verkoopregels voor Wooncoöperaties

Voor meer informatie kunt u zich wenden tot platform 31

Platform 31 start experimentenprogramma wooncoöperaties

Share and Enjoy !

0Shares
0 0 0

Grachtenhuis Omroep West

Bron: Grachtenhuis Omroep West

Particulier opdrachtgeverschap blijft een van mijn fascinaties. In de Spoorzone van Delft krijgen burgers de kans om hun eigen huis te bouwen. In dit project, dat onder de naam Nieuw Delft furore maakt, zijn er CPO-projecten en eengezinswoningen van particuliere opdrachtgevers alsook projectbouw van de bekende projectontwikkelaars in de maak. Het eerste project dat is opgeleverd is van Studio Huijgens en betreft een bijzonder CPO project van vijf opdrachtgevers, namelijk het Grachtenhuis Nieuw Delft. De andere zelfbouwers zijn volop actief en nu al zijn daarvan de eerste resultaten te zien. De projectbouw in de Coendersbuurt is – deels- gestart en de verwachting is dat de eerste grondgebonden woningen voor de zomer zullen worden opgeleverd.

Voor iedereen die geïnteresseerd is in het maken van de stad zijn er meerdere redenen om af te reizen naar de Coendersbuurt in Nieuw Delft. Maar misschien is de belangrijkste reden wel omdat het laat zien wat architectonische kwaliteit is of zou kunnen zijn. Hoe maken wij onze steden? Een vraag die hier volop aan de orde is. De Coendersbuurt is bij uitstek geschikt om hierover een discussie te gaan organiseren. Voor de vele architectuurstudenten op de TU-Delft levert de spoorzone een mooie casus op voor nadere studie. Voor de BNA zou het aanleiding kunnen zijn om de positie van de architect opnieuw te bezien. De stad zou zich de principiële vraag kunnen stellen hoe en door wie de stad gemaakt wordt. Voor welke kwaliteit tekent het stadsbestuur. Kortom een gesprek dat mogelijk is nu het eerste project is opgeleverd, de eerste bewoners zijn gearriveerd. De volgende projecten komen vanaf nu in de oplevering. Een unieke kans dus om dat gesprek over de gebiedsontwikkeling van de toekomst midden in deze praktijkcasus te bespreken.

Met de oplevering van het Grachtenhuis Nieuw Delft en de eerste bewoners is de kop eraf. Tijd voor een bezoek aan de Coendersbuurt.

Wilt u alvast een eerste indruk krijgen? Kijk dan naar een uitzending van Omroep West die op 29 januari jl. een trotse architect en bewoners aan het woord laten.

Enkele feiten over het Grachtenhuis Nieuw Delft:

Particuliere opdrachtgevers: vijf huishoudens (leeftijd van 53 tot 73 jaar)
Architect: Studio Huijgens, Den Haag
Aannemer: Capelse Streekbouw bv
Woonoppervlak: 100 tot 150 m2
Hoogte: 4 bouwlagen. 13 meter hoog, gevelbreedte 20 meter
Bouwbudget: ca. 1,6 miljoen. euro incl. btw
Locatie: voormalige spoorzone, Coendersbuurt.
Bereikbaarheid: 100 meter afstand Station Delft, tram en regionale buslijnen
Adres: Keizer Karelstraat 23 t/m 31, Delft

Share and Enjoy !

0Shares
0 0 0

De Koepel In Haarlem: Misschien toch nog even de volgende regering afwachten…

De gemeenteraad van Haarlem zal vanavond (26-01-2017) een beslissing nemen over de vrije verkoop van “De Koepel”. Wij hebben het hier over een ‘openbaar’ gebouw van historische waarde voor de stad en het gevangeniswezen. De Koepel ( Panopticon ) is een voormalige gevangenis die alles heeft wat je je bij een feodale gevangenis voorstelt.  De gevangenen werden keurig in cellen opgesloten en een bewaker kon vanuit het midden in de grote open koepel het wel en wee in de gaten houden.

2014-12-23 – Op bezoek bij Covent Garden in London

De tijd dat De Koepel een gevangenis was is gelukkig voorbij . En zoals altijd rest dan de vraag wat doen wij met een gebouw dat zijn functie heeft verloren? Vroeger was dat een vrijwel uitgemaakte zaak. De moderne tijd drong zich op en dus ging de sloophamer erin. Terecht kwamen daartegen de bewoners in de directe omgeving in opstand. Zo herinner ik mijzelf nog het debat over de Hallen van Parijs en van de groente en vleesmarkt op het Convent Garden in het centrum van Londen. Het waren de jaren zeventig, begin tachtig. Beide gebouwen hadden een sterke publieksfunctie die bepalend was voor de identiteit van de buurt. U weet het resultaat. De Hallen, het hart van Parijs genoemd, zijn allang gesloopt. In Londen hebben de buurtbewoners hun strijd gewonnen en het huidige Covent Garden is nu het glanzende middelpunt van de wijk West End geworden. Het succes werd zo groot dat het herstel (gentrification) het einde betekende voor de huisvestingskansen voor de lagere inkomens. De commerciële krachten werden sturend voor de mogelijkheid om nog in de wijk te kunnen gaan wonen. Maar los hiervan is het behoud van grote betekenis voor de identiteit van dit deel van de buurt en de stad London als geheel. Het borgt het historisch karakter van de stad maar tegelijkertijd kregen nieuwe functies een kans.

De hallen in Oud West in Amsterdam

Op kleinere schaal zien wij een vergelijkbare ontwikkeling in Amsterdam. Dat zijn de Hallen, de voormalige tramremise, omgetoverd tot een plek waar culturele en maatschappelijke activiteiten centraal staan. De wijk (Kinkerstraat en omgeving) ondergaat nu een vergelijkbare vernieuwing als Covent Garden. Het is inmiddels wel bekend, de oude gebouwen die hun vroegere functies verloren hebben, herbergen tegenwoordig geweldige broedplaatsen. Deze plekken zijn een verrijking voor de stad. En dat is van een nog hogere betekenis wanneer deze plekken hun kracht kunnen ontlenen aan het feit dat de functies er in niet primair commercieel gedreven zijn. Het is een van de zwakke kanten van Covent Garden dat daar vooral de commerciële functies domineren en de maatschappelijke functie voor de bewoners van de stad heeft verdrongen. Maar gelukkig zijn er voldoende voorbeelden die laten zien dat het anders, en vooral beter kan.

De uitdaging om een bijzondere plek te creëren doet zich nu ook voor in Haarlem. Juist nu de gevangenis De Koepel een nieuw leven kan gaan beginnen is het van belang voor de stad om daar voorrang te geven aan een culturele en maatschappelijk functie. Een die ten goede komt aan alle bewoners van de stad en die ook voor mensen erbuiten reden zijn om de stad Haarlem te gaan bezoeken. De Koepel is zo’n identiteitsbepalend gebouw. Iedereen kent het vanuit de trein. Het is een beeldmerk van de stad. Wat zou het niet mooi zijn als dat ene gesloten gebouw, waarvan je je altijd afvroeg hoe het er binnenin zou zijn, nu een publiek gebouw zou kunnen gaan worden? Zou het niet geweldig zijn wanneer deze plek, waar wij als keurige en brave burgers, nooit binnen konden komen, nu ineens de deuren voor ons zou kunnen gaan open zetten?

Het burgerinitiatief Panopticon voor een levenlang leren

In de stad bestaan er gelukkig mooie initiatieven om daaraan betekenis te geven. Het meest bekende plan is Panopticon beoogt om er een ‘university college’ in te huisvesten. Het gebouw zou daarmee een symbool kunnen worden voor nieuwe generaties die nu eens, stuk voor stuk, een positieve recidive zouden kunnen gaan worden; terug naar de Koepel voor een gewenste permanente educatie. Plannen met idealen zijn, weet ik uit ervaring, zijn altijd kwetsbaar. Het is niet eenvoudig om de ‘businesscase’ rond te krijgen. Teveel krachten spelen daarin een rol en krijg al die actoren maar eens op een lijn. Dat kost tijd en vraagt commitment van het Rijk en het gemeentebestuur.

Hoe zit het nu met dat commitment? Dat leek aanvankelijk wel positief. Ook het gemeentebestuur ziet in dat het in het belang is van de stad Haarlem om De Koepel te behouden. De vraag is dan ook niet of er sprake moet zijn van behoud van de Koepel maar wel hoe te komen tot een herontwikkeling. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft hierover de meest uitgesproken opvattingen. Dat moet een tender worden met een open inschrijving. En het lijkt er op dat vanavond de gemeenteraad mee zal gaan met deze opvatting. Echter is het wel zo vanzelfsprekend dat het beleid van het Rijksvastgoedbedrijf (lees: de Minister) hier doorslaggevend is? Wij weten uit ervaring dat in het vrije spel van de markt vaak het hoogste bod, en dus ook de meest commerciële functie,  als winnaar uit de bus komt. Dat hoeft nog niet het meest kwalitatieve plan te zijn. Het gaat hier echter om een stedelijke ontwikkeling, op een plek waar een publiek gebouw staat dat ooit met publiek geld is gefinancierd. Dus juist waar het gaat om zo’n cruciaal gebouw en gebied, heeft het college gelijk wanneer zij zou vasthouden aan een eigen ontwikkeling. En als dat niet kan is tenminste een voorkeurrecht gewenst. En blijkbaar is juist daarin het College van B&W van Haarlem, anders dan het College van Amsterdam, niet geslaagd.  De PvdA Haarlem formuleert dat op haar website nog het meest krachtig:

 “Op de door ons ingebrachte wensen voor de verkoopprocedure gaf het Rijksvastgoedbedrijf helaas geen ruimte. Jammer en frustrerend, zeker nu blijkt dat die ruimte recent wel gegeven is aan Amsterdam bij de ontwikkeling van de Bijlmerbajes. Daar is in de laatste selectieronde uiteindelijk wel de kwaliteit doorslaggevend en niet alleen de hoogste prijs! De wethouder en de burgemeester hebben het Rijksvastgoedbedrijf helaas niet kunnen overtuigen dit Haarlem ook te gunnen.” 

Het is meer dan redelijk dat de ontwikkeling van zo’n historische plek gegund wordt aan de gemeente zelf. Deze kan in alle rust, en in overleg met haar eigen bevolking, gaan uitmaken wat hier de meeste gewenste ontwikkeling is. Dat kan, indien door Raad en bevolking gesteund, het plan Panoticon zijn. Als er wordt gekozen voor een ander besluit, en blijkbaar is dat een risico,

Nu ben ik geen raadslid in Haarlem maar voor mij zou de stellingname van de Rijksvastgoedbedrijf reden genoeg zijn om de herontwikkeling van het gebied aan  de gemeente te houden. Dan wel een definitief besluit over de procedure voor de herontwikkeling van De Koepel op dit moment uit te stellen. Er zijn immers over zo’n zes weken verkiezingen en waarom zou een nieuwe regering Haarlem niet gunnen wat het gemeentebestuur van Amsterdam blijkbaar nu al wel is gegund bij de herontwikkeling van de Bijlmerbajes? Bij dit soort beeldbepalende ontwikkelingen van de stad, moet niet het platte marktmechanisme, maar het algemeen belang de doorslaggevende stem geven.

Adri Duivesteijn – 26-01-2017

Share and Enjoy !

0Shares
0 0 0

Prorail, het publiek domein en de terugkeer van politieke verantwoordelijkheid

Het gaat alweer terug naar de jaren negentig, dat er in de politiek steeds meer afstand werd genomen van een overheid, die zelf ook in de politieke betekenis in de meest directe zin verantwoordelijk was voor de uitvoering van haar publieke taken. Het werd bon ton om de overheid terug te brengen naar wat haar kerntaken werden genoemd. Achter deze hoofdstroom zat tenminste één begrijpelijke onvrede: met het soms wel heel erg bureaucratische karakter van veel overheidsdiensten. Klantvriendelijkheid stond daar bepaald niet op de eerste plaats. Wel was er vaak sprake van een oerdegelijke houding, waarmee publieke taken betrouwbaar werden uitgevoerd. Achter de behoefte aan verandering, zat echter niet alleen onvrede, maar eronder lagen ook ideologische overwegingen. Het is de periode van de opkomst van het neoliberalisme. De oplossingsvermogen van de overheid werd meer en meer in twijfel getrokken en de markt werd de panacee voor alle problemen. De uitvoering van publieke taken zou er efficiënter, goedkoper en doelmatiger van worden waneer de politiek, en in het kielzog daarvan de overheid, op afstand zouden worden gezet. En van die omslag zou vooral de burger profiteren. Het geloof in een kleine overheid, gecombineerd met een bewondering voor het mechanisme van de markt van vraag en aanbod, heeft gemaakt dat veel publieke taken werden geprivatiseerd, dan wel op afstand van de politiek werden geplaatst. Zo werden de private woningcorporaties verzelfstandigd, private zorgverzekeraars kregen de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de ziektekostenverzekering, veel door de overheid uitgevoerde taken, zoals de energievoorziening, werden afgestoten en veel publieke diensten, zoals de Nederlandse Spoorwegen en ProRail werden ondergebracht in organisaties die ver van de verantwoordelijke politieke bestuurders stonden.

Rapport van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (TCI) – 2005

Nu, toch alweer zo’n vijfentwintig jaar verder, moeten wij constateren dat de verwachtingen over het terugbrengen van een directe invloed van de overheid op haar eigen publieke taken niet zijn uitgekomen. Vaak is er sprake van onvrede bij de burgers over de wijze waarop deze publieke taken worden uitgevoerd. Zij spreekt daar terecht haar politieke vertegenwoordigers op aan. Wij kunnen wat dat betreft, naast het vele goede werk dat ook wordt verricht, een reeks voorbeelden geven van mismanagement, van geldverspilling en van ongekend hoge beloningen die men zichzelf heeft toegekend. Het kernprobleem is misschien nog niet eens dat er sprake is van incidenten, deze zullen zich altijd wel in meer of minder mate voordoen, maar vooral dat de mogelijkheden voor publieke correctie zijn uitgehold. Door het op afstand plaatsen van veel activiteiten die een publiek belang dienen, heeft de politiek haar taak gemarginaliseerd tot het stellen van budgettaire en juridische kaders en randvoorwaarden, waarbinnen de publieke taken moeten worden uitgevoerd. De overheid zelf is daarbij in de rol van de toezichthouder gekomen. En zelfs deze verantwoordelijkheid is vaak ondergebracht in een reeks van onafhankelijke en op afstand van de politiek functionerende instituten.

Het zozeer op afstand plaatsen van de sturing van het publieke belang en de daarmee samenhangende taken heeft er toe bijgedragen dat de politiek haar rol fundamenteel heeft zien veranderen. Waar zij nog steeds, en terecht, door de burger wordt aangesproken op het functioneren en de resultaten van deze organisatie die een publiek belang dienen, zien wij dat zij niet of nauwelijks nog in staat is, om in de directe zin van het woord te interveniëren. De verantwoordelijk bestuurder, al of niet opgejaagd door de volksvertegenwoordiging, kan haar eigenlijke taak, het dragen van een politieke verantwoording niet of nauwelijks nog waarmaken. Vaak rest de politiek bestuurder niet veel meer dan een sturing langs de lijn van ‘management by speech’. Een omvangrijker interventie is vaak lange termijn werk en kan op tal van manieren worden tegengegaan door de uitvoerders van deze publieke taken. Een schrijnend voorbeeld laten de woningcorporaties zien. Sinds de invoering van de verhuurderhefing, zien wij dat zij niet of nauwelijks nog investeren in de nieuwbouw van woningen. Hoewel niet expliciet uitgesproken, lijkt er sprake van een stille staking omdat men onvrede heeft over het gevoerde politieke beleid. De woningnood loopt echter op en de minister kan slechts verontwaardigd in de microfoon blijk geven van zijn onvrede. In de zorg zien wij dat het onder brengen van de basisverzekering bij private verzekeraars een woud van schijnpolissen heeft opgeroepen en ieder jaar vindt er weer een slag plaats om de grip op de markt. Van een aantoonbare verbetering van de kwaliteit van de directe zorg is geen aantoonbaar bewijs. De fantasie dat de uitvoering van publieke taken er bij gediend is dat de politiek en vooral ook de verantwoordelijke bestuurder op afstand wordt geplaatst, heeft zich zo langzamerhand tegen de politiek zelf gekeerd. Sterker: deze uitholling van de politiek heeft zelfs ernstige consequenties voor onze democratie. Waar de burger de verantwoordelijk bestuurder nog wel ter verantwoording roept heeft deze niet of nauwelijks nog de middelen heeft om het door het parlement voorgestane beleid voorspoedig te implementeren. Het heeft de bestuurder tot een lame duck binnen de eigen portefeuille. Iemand die vooral vragende partij is in plaats van de daadwerkelijke bestuurder.

Het is dan ook terecht, dat er weer een herbezinning op gang komt ten aanzien van de aansturing van die organisaties die een publieke taak verrichten. Dat geldt al helemaal wanneer er in het geheel geen sprake is van een open markt waarin verschillende partijen de publieke taak zouden kunnen uitvoeren en waar concurrentie wellicht behulpzaam zou kunnen zijn voor het verkrijgen van een betere prijs en snellere uitvoering. ProRail is zo’n dienst die belast is met een publieke taak die als dienst niet in de markt kan worden weggezet. Hoogstens is de uitvoering van een klus binnen het taakgebied van aan te besteden, maar de dienst zelf is uniek en heeft per definitie een monopoly op haar taakstelling. Om deze bij uitstek publieke diensten efficiënter, goedkoper en doelmatiger te doen functioneren zullen dus andere ritmes noodzakelijk zijn dan de oplossing van marktwerking. Dat vraagt om de eerste plaats de erkenning dat publieke taken een ander ritme, een andere snelheid kennen dan die van de markt. Daarbij gaat het eerder om de herwaardering van betrouwbaarheid, degelijkheid en dienstbaarheid. Om in de politiek aansturing van deze publieke taken meer kracht te krijgen is het nodig dat de politiek haar verantwoordelijkheid herpakt en op essentiële momenten bestuurlijk kan sturen dan wel interveniëren. Daarbij gaat het om het stellen van prioriteiten, waar gebeurt wat en wanneer, en om zeggenschap over een adequaat management. Maar belangrijker nog is dat de overheid meer is dan slechts politieagent. De overheid is en moet zich ook inhoudelijk verantwoordelijk voelen voor een gedegen uitvoering van onze publieke taken. Het feit dat de regering, onder aanvoering van de staatssecretaris van infrastructuur en milieu, Sharon Dijksma, ervoor kiest om de huidige rechtsvorm van ProRail van een BV te veranderen in een publiekrechtelijke organisatie is dan ook een belangrijke stap in de goede richting. Het maakt dat de politiek, en in het bijzonder de verantwoordelijk bestuurder, haar taak beter kan invullen. Het zal zeker bijdragen aan een verbeterde relatie van de burger, de politiek en de overheid. En waar die relatie niet goed is kan diezelfde burger terecht bij haar eigen gekozen volksvertegenwoordiger. Die kan, wanneer de organisatie faalt in de uitvoering van haar publieke taak, de verantwoordelijk bewindspersoon daar ten volle op aanspreken.  Ik zie de stap van staatssecretaris Sharon Dijksma dan ook als een begin van een rehabilitatie van ons politieke bestel, waarin de politiek en een goed toegeruste overheid, in kwesties die ons allemaal aangaan, en dat is het publiek domein, haar verantwoordelijk voor ons allen weer ten volle kan waarmaken.

Adri Duivesteijn – 2016-12-20

Uit de beleidsnota van de staatssecretaris: De Tweede Kamer vraagt mij om verantwoording af te leggen over ProRail aangezien het gaat om publieke taken en middelen. De huidige rechtsvorm, een BV, sluit hier niet optimaal bij aan. Mede om de verantwoording richting de Tweede Kamer en de sturing te verbeteren heeft het kabinet op 29 april jl.1 zijn voornemen geuit om van ProRail een publiekrechtelijke organisatie te maken. Dit past bij het kabinetsbeleid om de uitvoering van publieke taken, bekostigd door de overheid, ook publiekrechtelijk vorm te geven2 . In het geval van ProRail gaat het om taken die de markt niet in concurrentie kan uitvoeren en om jaarlijkse uitgaven van ca. € 2 miljard die grotendeels door het Rijk worden gefinancierd.”

 

Share and Enjoy !

0Shares
0 0 0