Het nieuwe rijkskantoor Rijnstraat 8: Anonimiteit als identiteit

door Adri Duivesteijn – 31 oktober 2017

Woensdag 1 november 2017 opent de eerste burger van Nederland, Koning Willem Alexander, het nieuwe Rijkskantoor Rijnstraat 8 te Den Haag. Voor de ouderen onder ons, wij hebben het over het voormalige gebouw van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). Het gebouw waar maar liefst 6000 ambtenaren hun werk kunnen gaan doen is afwijkend in vergelijking met de gangbare huisvesting van departementen en ministeries. De vraag is of wij met deze nieuwe trend in de huisvesting van onze publieke diensten blij moeten zijn.

Even terug in de tijd. Het was in mijn wethouderstijd (1980-1989) dat er, mogelijk gemaakt door een omvangrijke ruiltransactie van braakliggende terreinen en voormalige woonpanden, tussen het Rijk en de gemeente, twee grote ministeries konden worden gebouwd. Dit waren het, toen nog belangrijke departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) aan de Rijnstraat en het Ministerie van Sociale Zaken (SOZA) aan de Laan van Nieuw Oost-Indië. Beide ministeries zouden innovatief moeten zijn. Dat betrof zowel de presentatie van de Rijksoverheid naar haar burgers, de kwaliteit van de werkplek voor onze ambtenaren, alsook de technische kwaliteit van het gebouw. Het was een tijd waarin wij barstten van de ambities. Voor beide gebouwen waren toonaangevende architecten aangezocht, te weten Jan Hoogstad voor het VROM-gebouw en Herman Hertzberger voor SOZA.

Ministerie van Sociale Zaken in goede tijden

Jan Hoogstad zocht de betekenis van het VROM-departement vooral in een introvert gebouw dat in het oorspronkelijke concept op de vierde en vijfde verdieping een omvangrijke publieksstraat zou moeten krijgen, die verbonden was met het Station CS en de langzaam verkeersroute die in het hart van de stad op de Nieuwe Kerk (gebouwd: 1649-1656) uitkomt. Helaas is al tijdens het ontwerpproces een deel van deze ambitie geërodeerd, doordat de publieke straat in het ministerie benut werd voor het realiseren van een extra programma. (eufemisme voor bezuinigen). Met deze ingreep verdween helaas ook de geplande passerel, een directe verbinding met het busstation bovenop het emplacement van het Centraal Station Den Haag. Toch was het VROM-gebouw een humaan en bovenal publiek werkgebouw. Door de kamstructuur van het gebouw ontstonden er grote atria met een plezierig binnenklimaat. Dat maakte dat er geen airconditioning noodzakelijk was en de ambtenaren de ramen van hun kantoor open konden zetten. Hertzberger was veel radicaler. Hij borduurde met zijn ministerie voor Sociale Zaken voort op zijn eerder gebouwde kantoor voor Centraal Beheer in Apeldoorn. Dit gebouw was in zichzelf een stad met een volstrekt open structuur, waarbij er letterlijk straten en pleinen waren. Plek voor een veelvoud van informele ontmoetingen die het werken meer spontaniteit zouden moeten geven. Met alle kritiek op de afzonderlijke gebouwen was iedereen het erover eens, dat dit twee karaktervolle ministeries waren, die identiteit gaven aan de  publieke betekenis van de beide departementen als ook garant stonden voor een humane werkplek voor de betrokken ambtenaren.

Rijnstraat 8 op zijn best?

Beide gebouwen, het gaat hier over een investering van honderden miljoenen euro’s, hebben het nauwelijks dertig jaar uitgehouden. Door de komst van nieuwe technologie is de werkplaats van de ambtenaar fundamenteel veranderd. Flexibiliteit in het werken is het centrale begrip geworden. De werktijden zijn veranderd. Thuiswerken lijkt normaal te zijn geworden en een vaste werkplek is met de digitale opslag niet meer noodzakelijk. Het tegenwoordige werken vraagt veel minder fysieke werkruimte en, misschien nog wel belangrijker met veel minder vaste werkplekken. Het Masterplan kantoorhuisvesting Den Haag van de Rijksoverheid gaat dan ook uit van een grondige verandering in de wijze waarop de rijksoverheid werkt, en vertaalt dat in een andere vorm voor de huisvesting van haar ambtenaren. Met een ogenschijnlijk groot gemak worden omvangrijke rijkskantoren afgestoten en andere grondig verbouwd. Het meest open en qua opzet democratische gebouw, het ministerie van Sociale Zaken, werd bij opbod verkocht. Wat in mijn wethoudersperiode nog als een voorbeeld gold van een humane werkplek, staat alweer enige tijd leeg en verlaten te wachten op haar nieuwe bestemming. Sloop van dit 25 jaar oude karakteristieke gebouw wordt nadrukkelijk niet uitgesloten (Hoe duurzaam zijn wij eigenlijk?). De nieuwe eigenaar, een projectontwikkelaar, lijkt het gebouw om markttechnische overwegingen vooralsnog in stand te houden. Tijdelijk zit daar nu de Horeca Academie en komen er tijdelijk statushouders te wonen. Persoonlijk vind ik het een gemiste kans dat de Rijksoverheid, dan wel de gemeente Den Haag niet de gelegenheid hebben aangegrepen om het SOZA-gebouw om te toveren tot de grootste starterswerkplaats van ons land. De structuur van het gebouw is uniek en staat juist de huisvesting van een veelvoud van kleine bedrijven – al dan niet met werkplaatsen – toe. Juist door de openheid van de architectuur kunnen er een veelvoud van natuurlijke netwerken ontstaan tussen deze nieuwe gebruikers. De nieuwe economie had hier bij uitstek zijn kans kunnen krijgen. Het zit er – voorlopig – niet in.

Met het VROM-gebouw leek het aanvankelijk veel positiever gesteld. Dit gebouw bleef behouden en zou geschikt worden gemaakt voor de huisvesting van meerdere ministeries. Opnieuw waren de ambities hoog. Nu zou het duurzaam renoveren en het nieuwe werken centraal komen te staan. Na aanvankelijke sloopplannen werd de kans aangegrepen het gebouw duurzaam te renoveren. Het moest ook een schoolvoorbeeld worden van het moderne werken. De combinatie PoortCentraal met O.M.A. uit Rotterdam als architect verwierf deze prestigieuze opdracht. Juist omdat ik het begin van het voormalige VROM-gebouw zo van nabij had meegemaakt en ik er in verschillende rollen bezoeker mocht zijn van het gebouw was ik nieuwsgierig naar dit nieuwe rijkskantoor. Enige weken terug kreeg ik van een medewerker een rondleiding door het nieuwe departement van …., ja van wie eigenlijk?

Het werd, met alle waardering voor tal van onderdelen, een teleurstelling. Wat ik nooit had verwacht dat wat ooit een specifiek gebouw was en identiteit gaf aan een op dat moment toonaangevend departement, nu haar kwaliteit lijkt te vinden in een ver doorgevoerde vorm van anonimiteit. De bezoeker, maar ook de ambtenaar (6000!!) zelf komt, in tegenstelling tot vroeger, niet binnen in een grote representatieve hal, maar in iets wat meer wegheeft van een secundaire achteringang. Een relatief kleine hal met een rij balies waar je jezelf moet aanmelden om vervolgens aan te sluiten bij de rijen ambtenaren en bezoekers die voor de tourniquets staan die de gecontroleerde toegang moeten waarborgen. De bagagecontrole op Schiphol, waar ik niet veel later gebruik van maakte, was in haar opzet ruimtelijker en plezieriger dan dit net verbouwde rijkskantoor. Eenmaal binnengekomen, gaan wij met de smalle roltrappen naar wat ooit de verdeelstraat was van het VROM-gebouw op de vierde verdieping. Hier heeft de oorspronkelijke open publieke ruimte plaats gemaakt voor een wachtruimte, waaraan enkele vergaderkamers zijn gesitueerd. Deze zijn nog kleurrijk maar verder overheerst het zwart en het grijs (over smaak en kleur valt uiteraard niet te twisten). Het geheel geeft een sobere, bijna calvinistische, indruk. Een vaste werkplek voor ambtenaren bestaat er niet meer. Een vaste plek is er ook niet meer voor een departement. In de woorden van het Rijksvastgoedbedrijf: ‘De vernieuwing van Rijnstraat 8 is exemplarisch voor de veranderde visie op huisvesting binnen het rijk. Het moderne rijkskantoor is een flexibel verzamelgebouw waarin meerdere organisaties samenwonen en basisvoorzieningen delen’. 

De vertaling ervan is met de oplevering van dit rijkskantoor inmiddels bekend. Anonimiteit lijkt de identiteit van het gebouw te zijn geworden. Of je nu werkzaam bent bij het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), het hoofdkantoor en loket Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of bij de dienst Terugkeer & Vertrek (DT7V) het maakt voor de huisvesting niet meer uit. Hoe divers de functies ook zijn hier geldt blijkbaar het gelijkheidsbeginsel die hier in de vorm van uniformiteit in overdaad is toegepast. Nee, dit nieuwe rijkskantoor ontleent haar identiteit juist aan de anonimiteit ervan. Materieel vertaalt dat zich in een rijkskantoor dat inderdaad vooral een kantoorverzamelgebouw is. Een functionele aaneenschakelijking van universele werkplekken. De ambtenaar kan op iedere willekeurige werkplek de eigen laptop aansluiten en aan de slag gaan. Papieren bestaan er niet meer. Alles gaat digitaal. Tijdelijk kan je je tas (en pakje boterhammen) opbergen in de kluisjes die ik in mijn zwembad Overbosch ook mag gebruiken. De kleine uitzonderingen zijn uiteraard de bestuursafdelingen, waar net iets meer representatieve ruimte wordt gedoogd. Juist hier, kwam ik, licht ironisch bedoeld waarschijnlijk, nog een boekenkastje tegen dat opgevat kon worden als een stille verwijzing naar het vroegere papieren tijdperk. Het is bijna pijnlijk om te zien hoe radicaal juist de werkplek van het gewone werken is teruggebracht tot een bijna steriele anonimiteit. Het is letterlijk het tegenovergestelde van de, vaak te knusse, geïndividualiseerde kamertjes in het voormalige VROM-gebouw. Ik kan mij goed verplaatsen in het ontheemde gevoel dat veel van de ambtenaren hebben in dit nieuwe rijkskantoor. Wat hun basis ook is, welk een opdracht zij in het algemeen belang moeten uitvoeren, de werkplek is daarvan op geen enkele manier meer een uitdrukking. De benaming van de Rijnstraat 8 roept beelden op van een architectuur waarin de gebouwen zich nog slechts onderscheiden door de verschillende nummers die aan de gebouwen zijn meegegeven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel ambtenaren ‘hun’ werkgebouw beschouwen als ‘een crime’.  In hun woorden is het een werkplaats die vooral het karakter heeft gekregen van ‘een legbatterij’ als onderdeel van een intensieve-menshouderij. In hun opvatting hebben zij nu vooral werkplekken waar het nog maar heel moeizaam is om geconcentreerd je werk te doen met als gevolg een afnemende productiviteit. Blijkbaar zijn de klachten zo ernstig dat inmiddels een officieel onderzoek is gestart naar het functioneren van de gewone werkvloer.

Laten wij voor het gemak eens aannemen dat deze vorm de huisvesting van onze publieke functies het nieuwe normaal gaat worden. In dat geval zou je, juist waar anonimiteit op de werkplek zelf zo structureel is geïnstitutionaliseerd, tenminste verwachten dat in het nieuwe gebouw er een compensatie is in de vorm van open, kleurrijke en vooral ook ruime publieke plekken waar het ontmoeten centraal staat. Juist van het architectenbureau OMA mag je verwachten dat zij met nieuwe en onverwachte publieke identiteiten de nieuwe rijkshuisvesting en dus ook het nieuwe werken zouden gaan vormgeven. Het tegendeel is hier waar. En zelfs op die ene plek waar wel sterk architectonisch is ingegrepen, waar aan de oostzijde (zijde: Prins Bernardviaduct) de Kam-structuur is doorbroken waardoor het atrium naar het midden is geplaatst, is het gebruik van de twee verdiepingen hoge werkvloer gelijk aan de rest van het gebouw. De werktafels staan er eenzaam verloren in de ruimte. Wanneer de opdracht ‘het moderne rijkskantoor is een flexibel verzamelgebouw waarin meerdere organisaties samenwonen en basisvoorzieningen delen’ letterlijk wordt genomen zijn de opdrachtgever en de architect misschien geslaagd. Maar het gebouw is dan vooral een uitdrukking van een overheid die zichzelf steeds minder een eigen identiteit aanmeet. Waar zijzelf haar rol vooral mitigeert. En blijkbaar past het ook in de tijdgeest om het nieuwe rijkskantoor Rijnstraat 8 daarbij te voorzien van een architectuur die anonimiteit als identiteitsdrager beschouwt. Ja, het nieuwe VROM-gebouw is zeker een voorbeeld van het moderne werken – en het zal technisch ook wel heel duurzaam zijn – maar zeg niet dat deze manier van werken, waarin je geen deel meer bent van een specifieke identiteit, een aantrekkelijk vooruitzicht is.

Ikzelf geloof zonder twijfel in nieuwe werkvormen en dus ook in een architectuur die juist het publieke karakter van onze overheid zou kunnen onderstrepen. Maar zoals dat nu zijn vorm heeft gekregen in de Rijnstraat lijkt mij niet de juiste weg. Dat een publiek gebouw ook anders kan, wat dat betreft val ik niet van mijn geloof, is gelukkig op loopafstand te bezichtigen. Aan het eind van de langzaam verkeersroute staat het Haagse Stadhuis, een publiek gebouw gecombineerd met een openbare bibliotheek en een openbaar atrium,  dat nu alweer 25 jaar  onomstreden en goed functioneert, voor de stad, haar bestuur, haar ambtenaren, maar bovenal voor haar bewoners en bezoekers. En laat het ook eens tijdloos zijn in haar gebruiksmogelijkheden.

 

 

Het herstel van de PvdA begint van onderop, een stemverklaring voor Nelleke Vedelaar

De verkiezing voor een voorzitter van de PvdA is opengesteld. De leden van de PvdA hebben tot en met 4 oktober de tijd om hun keuze te bepalen. Deze keuze beperkt zich tot een tweetal kandidaten. Dat is voor een grote partij als de PvdA schraal. Het is ook niet zo dat er hele schokkende ideologische verschillen bestaan tussen de beide kandidaten. Nelleke Vedelaar is een voorbeeld van het wethouderssocialisme wat lang de basis van PvdA is geweest. Het duo Astrid Oosenburg en Gerard Oosterwijk hebben vooral ervaring op het parlementaire niveau. Het gaat nu dus niet primair om een keuze voor een politieke richting. Veel belangrijker is de vraag hoe de PvdA, na een jarenlange dramatische vervreemding van haar eigen kiezers, haar eigen geloofwaardigheid als veranderingsbeweging weer kan terugverdienen? Dat is nog niet zo’n eenvoudige opgave. Met Lodewijk Asscher hebben de leden zich – gelukkig – al uitgesproken voor een ander politiek leiderschap. Bij deze verkiezing gaat het vooral om de vraag wie als voorzitter de PvdA als politieke vereniging weer betekenis kan geven? Wat is de weg hier naartoe?

Nelleke Vedelaar, wethouder in Zwolle

Voor mij begint het herstel van de PvdA bij de herwaardering dat de PvdA primair een, breed in de samenleving gedragen, veranderingsbeweging is. Alleen vandaar uit kan de PvdA haar inhoudelijke betekenis terugkrijgen in het Parlement, de Provinciale Staten en de Gemeenteraden. In die veranderingsbeweging moeten de sociaaldemocratische idealen weer centraal komen te staan. De PvdA zal zich dus, een parallel met Labour dringt zich op, moeten vrijmaken van de omhelzing van het neoliberale gedachtengoed. En in haar werkwijze zullen onze volksvertegenwoordigers moeten afzien van de apolitieke werkwijze waarin door middel van het uitruilen van politieke speerpunten bestuurd wordt (‘strafbaarstelling van illegalen versus kinderpardon’). Het Van Waarde project van de Wiardi Beckmanstichting (WBS) en het verkiezingsprogramma ‘Een verbonden samenleving’ bieden een basis voor het herstel van onze sociaaldemocratische waarden. Maar dat is nog maar een begin. Een nieuwe voorzitter zal leiding moeten geven aan een verdere verdieping en uitwerking in handzame ideeën en plannen voor een meer sociale en rechtvaardiger samenleving. Dat is een enorme klus.

Het vertrouwen in de PvdA zal vooral van onderop hersteld moeten worden. Dat begint op lokaal niveau. Heel goed weten wat daar speelt is een eerste vereiste. Juist daar de PvdA weer sterk maken zal ertoe bijdragen dat het contact met onze achterban weer hersteld wordt en wij weer geloofwaardig worden. Ik geloof dat Nelleke Vedelaar met haar lokale ervaring daarop het beste is voorbereid. Zij kan verbindingen leggen met al die mensen die ook geloven dat een werkelijk sociale samenleving mogelijk is. Zij weet dat dit een belangenstrijd is die ook in de kern moet worden aangegaan. Als bestuurder is zij een klassieke vertegenwoordiger van het wethouderssocialisme. Of het nu gaat over zorg, opvang van vluchtelingen of huisvesting; telkens zoekt zij bondgenoten om samen sterker te staan in de strijd voor al die mensen die op de PvdA rekenen.

Ik mocht met Nelleke Vedelaar samenwerken in de programcommissie voor het nieuwe verkiezingsprogramma. In de politiek gaat het om karakter. Nelleke heb ik daarin leren kennen als een van die personen, die op het juiste moment de wenkbrauwen fronst en het op zo’n moment niet nalaat haar vinger op te steken om een sociaaldemocratische koers veilig te stellen. Zij doet dat volstrekt autonoom, of dat nu gewaardeerd wordt of niet, en is daarin koersvast. Het is dan ook mede door haar dat dit verkiezingsprogramma vooral ook een herwaardering van onze sociaaldemocratische uitgangspunten is geworden. Het programma is daarom een niet mis te verstane breuk geworden met de politieke inzet van de PvdA in de afgelopen jaren. Het zal voor de nieuwe voorzitter niet gemakkelijk worden. Maar als er een kans is om weer als volkspartij geloofwaardig te worden dan is voor mij Nelleke Vedelaar daarvoor de beste persoon. Een voorzitter bovendien, die voor iedereen ook herkenbaar zal zijn aan haar gulle lach en fantastische zangstem.

REKENEN AAN DE STAD van Jan Brouwer is aanrader voor bouwgroepen!

‘Verschillende partijen hebben verschillende redenen’

Investeren in de stad kan over veel gaan. De schrijver Jan Brouwer begint zijn boek ‘Rekenen aan de stad’ met een feitelijke constatering die niet zonder lading is.

‘Kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid, energiezuinigheid of financieel rendement….verschillende partijen hebben verschillende redenen om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’.

Dat het in de woningbouw om groot geld, en dus om uitzonderlijk grote belangen gaat, laat Jan Brouwer zien wanneer hij becijfert en beschrijft hoezeer ons gewone wonen ook een dans om miljarden euro’s is. Hoe al dat geld precies besteed wordt en waar het terecht komt is minder inzichtelijk dan het – met alle kostendeskundigen in het veld – ogenschijnlijk lijkt. Deze ontoegankelijkheid aan informatie roept vragen op, wat de verhouding kosten-kwaliteit nu eigenlijk is. Vooral ook omdat in het boek ‘rekenen aan de stad’ wordt aangetoond, dat wij – door de tijd heen – met elkaar steeds meer geld investeren in onze woningbouw, maar dat er tegelijkertijd sprake is van een kwantitatief afnemende woningbouwproductie. Wat voor waar krijgen wij eigenlijk voor ons geld?

Investeringen versus productie

Deze vraag wordt juist daarom relevanter, omdat er ‘in de dans om de miljarden’ die nu eenmaal vooraf gaat aan het realiseren van onze woningen, er geen sprake is van gelijke posities tussen de ‘verschillende partijen’. En in het bijzonder betreft dat alles wat te maken heeft met de loop van de geldstromen in de bouwnijverheid. In de woorden van Jan Brouwer:

‘zowel de ontwerpers als de gebruikers van gebouwen en infrastructuur werden vaak buiten de financiële afrekening gehouden’

Het is deze ongelijkheid in posities, die Jan Brouwer ertoe heeft gebracht om zijn boek Rekenen aan de stad te schrijven. En ja, omdat de institutionele wereld van de uitgeverij – waaronder helaas ook nai010 – zich kenmerkt door het mijden van risico’s, heeft hij zijn boek in eigen beheer uitgegeven. In zijn opvatting hebben ‘ontwerpers en gebruikers’ recht op inzicht in de rekensommen achter het product dat zij maken, dan wel gaan bewonen. Het lezen van het boek laat opnieuw zien dat het bouwen vooral ook een activiteit is waarin sprake is van een omvangrijke verdiencapaciteit voor een veelvoud van professionals op een veelvoud van manieren. Het is telkens weer ‘the same old story’ waarbij het vooral schrijnend is, dat ontwerpers en gebruikers geen gelijkwaardige rol hebben in de totstandkoming van hun eigen producten.

Mijn eerste kennismaking met dit thema komt uit de tijd dat ik hoofdredacteur was van de wijkkrant ‘de Schilderswijker’. Het was in 1974, nog steeds de tijd van de grote woningnood en de sterk verpauperde oude wijken in onze steden. Voor ons was de vernieuwing van de Schilderswijk en het verkrijgen van ‘betaalbare huren’ een levensvoorwaarde. In de strijd voor een leefbare wijk richtten wij ons vooral op de lokale politiek. Dat het veel complexer was, werd mij duidelijk toen ik van het Landelijk Werkverband Huisvestingsnood een boekje kreeg dat de titel had:

De bouwbazen : de machtsstrijd rond het structuuronderzoek bouwnijverheid : bouw doel of middel? Redaktie Paul Bulterman (1974)

Dit was een zeer gedetailleerde verslaglegging van een onderzoek naar een machtsstrijd tussen – om Jan Brouwer te citeren – ‘verschillende partijen’ dieverschillende redenen hebben om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’. In deze tijd was er – ook – een toenemende onvrede over wie nu eigenlijk het bouwbeleid in ons land bepaalde en vooral op basis waarvan dit gebeurde. De critici waren van mening dat er, door de ‘overheersende beïnvloeding van bepaalde belangengroepen’ eigenlijk geen echt inzicht bestond in de ‘behoeften en wensen van de bewoners (gebruikers)’. Een gevolg hiervan was, dat de bouwproductie geen directe relatie had met de vraag hoe wij met elkaar willen wonen.  Het was

het Tweede Kamerlid Erwin Nypels van D66 die hierin verandering wilde aanbrengen. Een voorwaarde voor meer openheid zou kunnen worden bewerkstelligd, doordat ‘voldoende gecoördineerd, onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek wordt verricht ten aanzien van de vele factoren die van betekenis zijn voor de bouw’. De motie die hij in 1970 hiervoor indiende werd gesteund door de fracties van D’66, PvdA, PSP, Boerenpartij, DS’70. Rechts, die de meerderheid had, verwierp de motie. Blijkbaar kwam de boodschap wel over, omdat in 1971 de regering in de regeringsverklaring officieel melding maakte, dat er ‘een onderzoek naar de structuur van de bouwnijverheid’ zou worden ingesteld. Voor de werkgeversorganisaties in de bouw was dit aanleiding om het initiatief voor het onderzoek naar zich toe te halen. De werknemersorganisaties besluiten mee te doen aan dit onderzoek onder de voorwaarde dat het onderzoek wordt opgedragen aan het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (E.I.B.). Het is een begin van een machtsstrijd over hoe het onderzoek zijn vorm zou moeten krijgen. Het is duidelijk dat de werkgevers in de bouw niet wezenlijk geïnteresseerd zijn in de rol van de ontwerpers dan wel de gebruikers. Voor hen staat centraal de vraagstelling ‘de middelen, die ertoe kunnen leiden dat de stijging van de productiviteit in de bouwnijverheid meer in overeenstemming wordt gebracht met de gemiddelde stijging in de overige industrie en dat zo mogelijk de achterstand wordt ingehaald’. Tot een werkelijk

onafhankelijk onderzoek komt het niet hetgeen aanleiding is voor de directeur van het E.I.B. professor. dr. ing. A. Hendriks om ontslag te nemen. Het was duidelijk dat dit deel van de ‘verschillende partijen’ hun eigen belang niet willen laten verstoren door wat het Landelijk Werkverband Huisvestingsnood als ‘het algemeen belang’ (de behoefte en wensen van bewoners(gebruikers)’ benoemde.

Ik was in die tijd ‘redelijk’ naïef. Woningbouwbeleid en stadsvernieuwing waren voor mij vooral verbonden met ideële doelstellingen. Er was een immense woningnood, de oude wijken waren, wij kunnen het ons nu niet meer voorstellen, verpauperd. Dit raakte miljoenen mensen. Daar wat aan doen, was de kern van de zaak. En wat zou het dan niet mooier zijn dan gezamenlijk, en dus juist ook met de gebruikers, te werken aan de vernieuwing van de stad. Ik spiegelde mij aan de mooie nationale en internationale voorbeelden, waarbij het idealisme bepalend is geweest voor de kwaliteit. Wij herkennen ze nog in de Amsterdamse School, de Siedlungen in Frankfurt en Berlijn. De verbinding met kunststromingen als de De Stijl en de Nieuwe Zakelijkheid spraken mij daarin aan. Het zijn ook deze voorbeelden geweest, die mij in 1984 inspireerden om in Den Haag met ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Activiteit’ een einde te maken aan de dominantie van de bouwwereld op de architectuur  van de stadsvernieuwing van de woningen en de stedenbouwkundige vormgeving van de oude wijken. Kort samengevat verbaasde ik mij in die tijd over het feit dat de intrinsieke architectonische kwaliteiten van de woningen in de oude wijken die wij sloopten vervangen werden door, in architectonisch opzicht, bloedeloze nieuwbouw in een vooral door productie gedreven aanpak van de stadsvernieuwing.

De publicatie ‘De bouwbazen’ was voor mij de eerste keer dat ik zo duidelijk in beeld kreeg, dat voor ‘verschillende partijen’ het ‘bouwen en het eigen belang’ in hiërarchische zin met elkaar verbonden zijn. Dat ‘winstmaximalisatie’ boven ‘woonmaximalisatie’ gaat. Dat burgers gezien werden als een ‘woonconsument’ in plaats van een ‘woonproducent’.

Hoezeer de bouw verweven is met tal van belangen wordt in het boek ‘Rekenen aan de stad’ geïllustreerd met een verwijzing naar de vele schandalen die de bouw structureel lijken te beheersen. Jan Brouwer noemt ze bijna emotieloos op: parlementaire onderzoeken (HLS/Betuweroute), parlementaire enquêtes (bouwsubsidies, bouwfraude, woningcorporaties), de Klimopzaak van het Bouwfonds. ‘Het lijkt wel of in de jaren ‘80 en ’90 de vastgoedsector is overspoeld met graaiers, dieven en flessentrekkers’. Nog altijd kan ik mij verbazen over het feit, dat een aantal van mijn generatiegenoten – zoals Sartre het uitdrukte: ‘Tussen de Raderen’ zijn geraakt.

Eens idealisten, die streden voor ‘betaalbare huren’ verworden ze tot zonnekoningen en beloonden zij zichzelf met extreme salarissen. Waar eens de idealen domineerden heerst nu de uitgangspunten van de markt, waarbij de doelgroep – die niet kan ontsnappen – de woonconsument heet te zijn.

 Verfijnder is de constatering van Jan Brouwer, dat ‘de gelegenheid de dief maakt’, waarmee de schrijver duidt op het gevoerde rijksbeleid dat ertoe bijdroeg dat het aantal spelers in de bouw sterk verminderd werd. ‘Kapitaalkrachtige spelers waren zodoende in staat een positie te verwerven in de gebieden die ontwikkeld gingen worden.’ Een omstandigheid die maakte, dat in de VINEX er in feite sprake was van een machtspositie van marktpartijen, die in staat waren grip te krijgen op het totale bouwvolume en daarmee, op de verdiencapaciteit. Wij leven nu in 2017 en Jan Brouwer constateert materieel in zijn boek ‘Rekenen aan de stad’ dat de veel gepredikte, intrinsieke doelen zoals ‘kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid en energiezuinigheid,’ maar al te vaak overvleugeld worden door het beoogde ‘financieel rendement’ van degenen die wel betrokken zijn bij de bouw, maar niet ‘primair ontwerper of gebruikers zijn.

‘Een kleine en besloten sector waarin heel veel geld omgaat, bevordert allerlei onderlinge afspraken en zorgt ervoor dat nieuwkomers buiten de deur worden gehouden’ – ‘minder spelers en een kleiner speelveld’.

De wereld is aan het veranderen: ‘wij weten zeker dat deze niet hetzelfde zal zijn’. Jan Brouwer noemt een groot aantal trends, die zullen maken dat de huidige structuur van de bouwnijverheid hopeloos verouderd zal blijken te zijn. Niet ingesteld op de nieuwe tijd die gaat komen. Een tijd waarin ‘mensen meer dan ooit in staat zijn om zelf te bepalen hoe men wil wonen en werken’, ‘ruwweg kan met zeggen dat het nieuwe proces veel meer bottom-up zal zijn en veel minder top-down’. Voor Jan Brouwer opent dat de vraag: hoe grote investeringen dan tot stand zullen komen?

De toekomst zal anders zijn: ‘de lening wordt niet meer bij de bank afgesloten, maar bij de familie, het beheer wordt niet meer door de verhuurder gevoerd, maar door de medebewoners. Het initiatief wordt niet genomen door een ontwikkelaar, maar door een groep enthousiaste bewoners. De bouw is voor een deel in handen van de gebruikers zelf’. Feit is dat er veel veranderingen zijn die duiden op de ontwikkelingsrichting die Jan Brouwer beschrijft. Een wijk als Roombeek in Enschede, waar burgers hun eigen huis konden bouwen staat niet meer op zichzelf. Enkel al in Almere zijn er sinds 2006 honderden huishoudens die hun eigen huis hebben gebouwd. Het Homeruskwartier in Almere Poort is de moeite van een bezoek waard. De diversiteit in bevolkingssamenstelling en architectuur is spectaculair in vergelijking met de monocultuur die wij op de meeste VINEX-locaties tegenkomen. Een nog onbekend fenomeen is Almere Oosterwold. Dit gebied beslaat 4400 ha en de gemeente staat een organische ontwikkeling voor. Dat wil zeggen, dat de burgers met initiatieven kunnen komen waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de totale ontwikkeling van hun kavel, inclusief de infrastructuur, de aanleg van een riolering en de energievoorziening. Geheel nieuwe woonvormen krijgen hier een kans om zich te ontwikkelen. Inmiddels zijn er al meer dan 200 burgerinitiatieven. Sinds 2015 is, naast de woningcorporatie, ook de wooncoöporatie in de Woningwet opgenomen. Hierdoor ontstaat de kans voor burgers om gezamenlijk eigenaar te worden van hun huidige huurwoningen, dan wel initiatieven te ontplooien voor een eigen nieuwbouwproject. Steeds meer gemeenten stellen zich open voor een bouwbeleid, waarin haar eigen burgers meer kansen krijgen. Maar ook nu weer is er op achtergrond een machtsstrijd gaande. Er zijn nog steeds ‘verschillende partijen’ (projectontwikkelaars, aannemers en woningcorporaties) die ‘verschillende redenen hebben om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’. Anders gezegd, het eigen belang, oftewel het institutionele belang, zal opnieuw een dominante rol gaan spelen in de wijze waarop het bouwen in ons land zijn vorm krijgt. Voor Jan brouwer dan ook de reden om de vraag te stellen:

‘Hoe kunnen ontwerpers en gebruikers zelf rekenen of meerekenen met andere partijen, zodat hun belangen een rol spelen in de totstandkoming van gebouwen?’

Jan Brouwer gelooft heel sterk in ‘kennis maakt macht’ en het is dan ook een oprechte poging om de cirkel te doorbreken, waarin ontwerpers en burgers feitelijk dom worden gehouden. De titel ‘Rekenen aan de stad’ is dan ook eigenlijk een eufemisme voor op je hoede zijn als ontwerper en gebruiker. Maar al te vaak ben je slechts een middel en niet het werkelijke doel. Dus is de echte boodschap van het boek : wapen u, wapen u met kennis en kunde. Weet waarover uw spreekt en wat u wilt bereiken. Met meer kennis en kunde kan een betere stad worden gemaakt, komen ontwerpers meer tot hun recht en daarmee dus ook de architectuur van de stad en krijgen de gebruikers waar ze recht op hebben: een woning die echt aansluit bij hun werkelijke wensen en behoefte.

Het boek Rekenen aan de stad geeft dan ook inzicht in de verschillende rollen (De overheid, Markten, de stad). Ook maakt het inzichtelijk hoe de voorbereiding van ruimtelijke investeringen (en de feitelijke planvorming) betekenis krijgen. Jan Brouwer’s boek sluit af met een aantal burgerinitiatieven die laten zien dat anders bouwen tot voorbeeldige resultaten heeft geleid. ‘De burger als opdrachtgever’ en het adagium ‘mensen maken de stad’, zijn in ons land zeker nog geen vanzelfsprekendheid. Maar met een publicatie als Rekenen aan de stad kan de aandacht verschoven worden naar het echte belang voor de gebruiker, namelijk: ‘kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid en energiezuinigheid’. Het boek beveel ik van harte ter lezing aan.

Het boek Rekenen aan de stad is verkrijgbaar bij:

Uitgeverij JB Cultuur

info@jan.brouwer.eu

ISBN 978-90-827227-0-3,

Bovenstaande  tekst is een extract van een lezing welke ik hield op 6 september bij een bijeenkomst van TOP-Delft waar ik van Jan Brouwer het eerste exemplaar van zijn boek Rekenen aan de stad kreeg aangeboden

Copekcobana, Ymere en de (niet)kansen van een Wooncoöperatie i.o.

Steeds vaker komen huurders met de vraag om zelf hun eigen wooncoöperatie te mogen vormen. Dat de weg er naar toe nog niet vanzelfsprekend is laat het voorbeeld van de Pekbuurt in Amsterdam Noord zien. Dat Ymere niet mee wil werken is twijfelachtig maar dat zij daarvoor drogredeneringen hanteert is een woningcorporatie onwaardig. Ik schreef hierover een opinie voor het Parool. Deze opinie en een aantal andere artikelen vind u hierover. Voor verder achtergronden over de opkomst van wooncoöperaties zie mijn pagina De Wooncoöperatie

Copekcabana, de wooncoöperatie, dat zijn wij zelf

Ymere zet streep door wooncoöperatie in Noord

Parool – Opinie over Copekcabana en Ymere inzake Wooncoöperaties

Han Lammers, een genereus politicus die durfde te verliezen om te winnen

Op 5 juli 2000 overleed de politicus, oud-wethouder van Amsterdam en oud-Commissaris van de Koningin van Flevoland Han Lammers. Op 11 juli 2000, nu alweer 17 jaar geleden, vond de herdenking plaats in de Westerkerk. Ik was daarbij. Ik wilde, net als velen, op deze dag afscheid nemen van een voor mij bijzondere persoonlijkheid. Een persoon die, of je het wilde of niet, je niet onaangeraakt kon laten. Met Han Lammers ben ik opgegroeid in de politiek en zijn invloed is nog steeds aanwezig. Als bewijs van mijn waardering, maar zeker ook bewondering voor hem, heb ik naar aanleiding van het lezen van het boek ‘Han Lammers (1931-2000), Amsterdammer in de Polder’ van de historicus Herman de Liagre Böhl, enkele van mijn herinneringen aan hem opgeschreven. 

Han Lammers (1931-2000), Amsterdammer in de polder

Het lezen van een boek brengt je soms weer terug in de tijd. Dat overkwam mij toen ik, het al weer ruim twee jaar geleden door de schrijver Herman de Liagre Böhl toegestuurde boek ‘Han Lammers (1931-2000), Amsterdammer in de Polder’ ter hand nam. Ik was lange tijd terughoudend om het boek te gaan lezen. Wilde ik mijn beeld over Han Lammers wel openstellen voor de perceptie van de schrijver van zijn biografie? Han Lammers is namelijk voor mij niet zomaar een abstracte figuur uit de Nederlandse politieke geschiedenis, juist hij was een van de belangrijkste mensen in mijn eigen politieke ‘zijn’. Vorige week, toevallig de week waarin Han Lammers op 5 juli in het jaar 2000 overleed, nam ik het boek dan toch eindelijk ter hand. Vanaf dat moment heeft de schrijver mij mee terug genomen naar – wat inderdaad bleek – een niet vrijblijvende kijk in het volle persoonlijke en politieke leven van Han Lammers.

Han Lammers, als actievoerder in de Schilderswijk begin jaren zeventig was het onmogelijk om niet bekend te zijn met deze Amsterdamse wethouder, die een conflict met de oude wijken niet schuwde. Hij werd algemeen als kwade genius gezien van het van bovenaf opgelegde sloopplan voor een deel van de Nieuwmarktbuurt ten behoeve van de aanleg van een Metro. Het was ook de tijd dat bewoners van de oude wijken in Den Haag ronduit vijandig stonden tegenover het bestuur van haar eigen stad. Ook in mijn stad werden de oude wijken bedreigd met sloopvoornemens. In dit gepolariseerde klimaat was ik in februari 1975 voor de PvdA lid geworden van de Haagse gemeenteraad. Een stap die door veel van de wijkbewoners van de oude wijken met groot wantrouwen werd bekeken. Voor mij diende zich al heel snel een keuzemoment aan. Op 21 april zou de Haagse gemeenteraad, op uitnodiging van het College van Burgemeester en Wethouders, een collegiaal bezoek brengen aan onze hoofdstad. Ook ik werd geacht daaraan deel te nemen. Maar dat schuurde omdat juist in die week het verzet in de Nieuwmarktbuurt was ontaard in een heuse stadsoorlog. Ik vond het onbestaanbaar dat de Haagse Gemeenteraad zich liet fêteren en, alsof er niets aan de hand was, onschuldig met een rondvaartboot door de stad zou laten varen. In een openbare brief distantieerde ik mij dan ook van dit collegiale bezoek. Nee, met mijn aanwezigheid wilde ik de manier van besturen van Han Lammers en de zijne niet legitimeren. Hoewel mijn daad geen invloed van betekenis heeft gehad, had ik een goed gevoel bij mijn keuze. Hier ging het om een klassiek drama, waarin de stadsideologen van het ‘grootschalige’ lijnrecht tegenover de ‘kleinschalige’ stonden. En ik koos uiteraard de zijde van de laatste. Later zou ik ook de trilogie van ‘bloed, zweet en tranen’ van de oud-wethouder van de Kabouters, Roel van Duijn, met een bijna onverholen bewondering lezen. Hij blikt daarin kleurrijk terug op de stroeve samenwerking in het College en hoe hij en Han Lammers uiteindelijk het Dagelijks Bestuur van Amsterdam moesten verlaten. Het was een onvermijdelijke, maar ook dramatische afsluiting van een heftige bestuursperiode.

Fascinerend is het, terugkijkend op het conflict, dat uiteindelijk zowel de metro van Han Lammers, alsook het herstel van de Nieuwmarkt tot stand zijn gekomen. Hoe kan het, vraag je jezelf nu af, dat een topbestuurder als Han Lammers het in die tijd niet kon opbrengen om beider belangen in één plan samen te brengen? Herman de Liagre Böhl slaagt er overtuigend in, hoewel zijn persoonlijk oordeel en waardering over de bestuursstijl van Han Lammers tussen de regels door te lezen is, om een redelijk objectieve verklaring te vinden waarom een overtuigd democraat als Han Lammers tegelijkertijd ook zo’n autoritair bestuurder kon zijn. In de ogen van Nieuw Links, Han Lammers was medeoprichter van deze vernieuwingsbeweging in de PvdA en medeopsteller van het radicale manifest 10 over Rood, ‘diende de maatschappij radicaal gedemocratiseerd te worden, zodat belangrijke beslissingen voortaan aan de basis zouden worden genomen en niet door een elite van bureaucraten en managers’. Maar in de praktijk van Han Lammers vertaalde dit zich vooral in een krachtige positie voor het gekozen lokale bestuur en de positie daarin van de volksvertegenwoordiger: ‘De beslissingen omtrent de toekomstige ontwikkeling van de stad liggen bij het gekozen bestuur, dat daarvoor een verantwoordelijkheid draagt, die het met niemand kan delen. Met deze constatering is ook de grens van de inspraak exact aangegeven’. Wie beslist, daar lag voor Han Lammers de waterscheiding tussen de gekozen volksvertegenwoordiger en de zelfbenoemde leden van actiegroepen in wijken en buurten. Een rol voor krakers was daarin al helemaal niet weggelegd. ‘Van onderop’ betekende voor hem niet dat de plicht van de gemeenteraad zou komen te vervallen om vanuit een groter belang dan dat van de wijk te komen tot afwegingen, integendeel. En zo was het ook bij zijn afweging van de aanleg van een metro door de Nieuwmarktbuurt. In zijn perceptie was het niet de Nieuwmarkt die als buurt zou moeten verdwijnen, maar ging het primair om het bovenwijks belang, de aanleg van een metro voor de gehele stad. Dat rechtvaardigde voor hem de pijnlijke ingreep in dit deel van de bestaande stad. Han Lammers zou daarmee zichzelf midden in het centrum plaatsen van een van de grootste stadsconflicten die ons land heeft gekend. Maar juist dat grotere belang rechtvaardigde voor hem juist ook een standvastig stadsbestuur.

Maar was Han Lammers nu echt de vertegenwoordiger van ‘de functionele stad’, waarin de bestaande stad had afgedaan en de functies van wonen, werken en recreatie van elkaar werden gescheiden? Herman de Liagre Böhl laat tussen de regels door zien dat misschien wel het tegendeel waar is. In zijn boek zien wij dat de bestuurder Han Lammers feitelijk deel uit maakte van een overgangsperiode waarin het denken dat toen nog gedomineerd werd door grootschalige herstructureringen in de stad, geconfronteerd wordt met een steeds mondiger wordende bevolking die samen met het eigen stadsbestuur wilde gaan werken aan het herstel van de organisch gegroeide stad. Han Lammers vertegenwoordigde als bestuurder beide werelden.

Affiche Aktie-Jordaad (‘De Jordaan in puin? De afbraak is in ’t rood gekleurd!’) (Schetsplan 1970)

Zo was hij het die radicaal afscheid nam van veel van de megalomane sloopplannen van de dienst Publieke Werken die, nog onder de medeverantwoordelijkheid van Joop den Uyl, de latere minister-president van het enige progressieve kabinet dat ons land heeft gekend, tot stand waren gekomen. Het was Han Lammers die op 18 mei 1971 voor een radicale ommekeer in beleid zorgdroeg met zijn ‘Nota Voorbereiding bestemmingsplan Jordaan’. In plaats van de voorgenomen grootschalige sloop van het ‘Schetsplan 1970’ werd nu het officiële uitgangspunt van het Amsterdamse gemeentebestuur dat ‘de wijk zou worden hervormd zonder zijn karakter te verliezen. De straten zouden niet verbreed worden en verkeersdoorbraken zouden achterwege blijven. Nieuwbouw zou worden aangepast aan de fijnmazigheid van de buurt’. Wie Amsterdam kent, en vooral deze wijken rond de grachtengordel, weet dat de bestuurder Han Lammers daarmee de stad heeft behoed voor een desastreuze vernietiging van een groot deel van haar rijke stadsgeschiedenis. Waar echter het belang van de stad als geheel, het belang van de wijk oversteeg, koos Han Lammers radicaal voor de stad en miste op dat moment het vermogen om tot een synthese van verschillende belangen te komen die aan beide doelstellingen recht zouden doen. Maar het boek van Herman de Liagre Böhl mag en kan daarom wel degelijk als een herwaardering worden gelezen van een van de meest markante en omstreden bestuurders die Amsterdam heeft gekend. Hij legde op veel meer plekken, dan ‘zijn’ beeldmerk van de autoritaire en regenteske stadsbestuurder, de basis voor een echt stedelijk herstel. Zijn opvolgers, waaronder Jan Schaefer, konden misschien wel juist door de eerdere radicale besluiten van Han Lammers later tot grote resultaten komen bij de uiteindelijke revitalisering van onze hoofdstad.

Dat Han Lammers, een authentieke en linkse sociaaldemocraat in hart en nieren was, bewees hij na zijn Amsterdamse tijd op het nieuwe land, de Flevopolder. Hier kon hij met volle overgave strijden voor een volwaardige plek voor een geheel nieuwe samenleving in ons land. In alle rollen heeft hij met zijn persoonlijkheid, behendigheid en bestuurskracht de Flevopolder een eigen identiteit gegeven. Waar hij in Amsterdam de confrontatie niet uit de weg ging, zocht hij hier echter juist het harmoniemodel. Het werd een zoektocht naar de zachte krachten om met elkaar te komen tot een prestatie van formaat. Confrontaties werden bewaard voor de strijd die er met Den Haag te slechten was en waar de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) meende het bestuurlijk primaat te hebben over de polder. De nog steeds bestaande autonomie van de provincie Flevoland, de krachtige ontwikkeling van de verschillende gemeenten, waaronder Almere, de vijfde stad van Nederland, zijn op het bestuurlijk conto van Han Lammers te schrijven. Maar hij ging verder dan slechts bestuurlijke structuren. Flevoland zou ruimte moeten bieden aan een moderne samenleving. Hij bekritiseerde de opvattingen van de stedenbouwers van het RIJP. Almere Haven vond hij ‘benauwd en kneuterig’. De planologen van het RIJP keken zijns inziens te veel naar het eindbeeld: ‘kijk, zo heeft opa het allemaal bedacht’ en toonde hij zich ‘een voorstander van flexibele planologie’, in zijn woorden ‘je moet de moed hebben hele stukken oningevuld te laten’. Open en groene ruimte daar ging het Han Lammers om, zowel in een stad als Almere als ook in de polder met haar Oostvaardersplassen. Net als Han Lammers kwam ook ik in de polder terecht, als wethouder Duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Almere kreeg de verantwoordelijkheid voor de doorontwikkeling van de stad. Almere is in haar stadsconcept atypisch in vergelijking wat in ons gangbaar is. Deze meerkernenstad beschikt over een gelijk oppervlak als de gehele stad Amsterdam. In mijn eerste twee jaar heb ik mij daarom vooral ingespannen om te doorgronden wat nu eigenlijk de unieke kwaliteit is van het ruimtelijk plan van de stad Almere. Voor mij werd steeds duidelijker dat het desastreus zou zijn wanneer het werk van Han Lammers, Dirk Frieling en Teun Koolhaas door het bij de ruimtelijke ordenaars in ons land allesoverheersende dogma van de ‘compacte stad’ ongedaan zou worden gemaakt.

Structuurvisie Almere 2.0 – 26 juni 2009

Wat graag had ik hem op 26 juni 2009 bij de presentatie van onze Structuurvisie Almere 2.0 persoonlijk willen vertellen hoezeer ons plan zijn werk en inzichten beoogden te continueren. Want juist, de ruimte, het groen en het blauw zijn de kwaliteiten van het polderlandschap, van haar gemeenten en de stad Almere in het bijzonder. De stedenbouwkundige van Almere Teun Koolhaas sprak over Almere dan ook niet voor niets over ‘een landgoed voor de middenklasse’. Ik zou bijna zeggen alleen wanneer deze kwaliteiten gekoesterd worden zal de polder en de stad Almere op termijn haar toekomstwaarde kunnen gaan verzilveren. Voor de bewoners van de polder en Almere is die kwaliteit allang een vaststaand feit. Het overwinnen van de vooroordelen over polder en stad zal echter nog veel tijd vragen. Maar het zou van waarde zijn, wanneer meer algemeen, men zich in politiek Den Haag zou realiseren dat de polder en haar steden juist door haar uniciteit gaat om een te behouden waardevol landschappelijk erfgoed. Wat juist niet uit restauratieve overwegingen zou moeten worden beschermd, maar omdat het de doorontwikkeling naar een – nog – rijkere toekomst in zich herbergt. Een veelvoud van voorbeelden van de rijkdom in de polder kan dit illustreren dat is nog maar slechts een begin van wat er nog staat en kan gebeuren. De Floriade in 2022 in Almere is slechts een van die voorbeelden die de polder en de stad naar een hoger plan zal tillen.

De politieke carrière van Han Lammers begon radicaal met de oprichting van Nieuw Links binnen de PvdA. Met zijn Amsterdamse bestuursperiode, dat wil zeggen dat wat zijn imago is geworden, zou je denken hier slechts te maken te hebben met een autoritaire en regenteske bestuurder. Maar in de kern is dat niet juist. Han Lammers was, als het erop aankwam, vooral een vertegenwoordiger van de stroming binnen de PvdA die sociaaldemocratische politiek als deel van een strijdbeweging ziet. Langs de wegen van de parlementaire democratie werden immers de veranderingen bevochten en dat doe je vooral met medestanders. Een goede illustratie van dit politieke basisgevoel laat Han Lammers zien in het interview dat hij in 1993 gaf aan het televisieprogramma Capitool. Hij werd daarin door de journalist Fred Verbakel geïnterviewd over de dreiging van een mogelijke opdeling van ‘zijn’ Flevopolder. In de goed bewaard gebleven opname op You Tube zien wij een Commissaris van de Koningin die zijn polder verdedigd, daarin het spel van de politiek door en door kent en weet hoe hij daarin voor Flevoland een rol moet spelen. In het interview weet Lammers de interviewer telkens weer beleeft en vriendelijk glimlachend te corrigeren naar de onderwerpen die zijns inziens ertoe doen. Moeiteloos stapt hij daarbij over van de polder naar de grote politiek. Het is aan de vooravond van de mogelijke komst van een Paars kabinet. Een mogelijke samenwerking tussen PvdA en VVD wees hij resoluut van de hand: ‘Kijk u naar die program, hoe moet nou op het sociale vlak. Stel nou dat je wordt belast met het aan elkaar schrijven van die programma’s op het punt van sociale zekerheid. Nou, dat lukt niet. Dat wordt uiterst gekunsteld’. Voor Han Lammers is de politiek dan ook meer dan besturen alleen, het is ook het platform voor een politieke strijd: ‘Het gaat er om, ook voor beide partijen met wie kan ik het beste een aantal heel belangrijke punten uit mijn programma verwezenlijken. Dat is waar toe je verplicht bent tegenover je kiezer. Je bent tegenover de kiezer verplicht om die partner te zoeken waarmee je op grond van de ontstane krachtsverhoudingen het beste je doelstellingen kunt bereiken. Dat is je plicht’. Zijn voorspelling dat zo’n samenwerking na twee jaar zou klappen is niet uitgekomen maar dat de samenwerking door de kiezer als ‘gekunsteld’ zou worden ervaren is bewaarheid gebleken. Juist in de samenwerking met de VVD is het de PvdA, niet gelukt om haar eigen identiteit overeind te houden. Lessen uit Paars zijn er niet uitgetrokken want inmiddels heeft een vergelijkbare samenwerking van de PvdA met de VVD de PvdA als veranderingsbeweging gesloopt en gereduceerd tot de kleinste progressieve partij in ons parlement. Het is nauwelijks nog een vraag hoe Han Lammers zou aankijken tegen de generaties Bos-Samsom die met hun transactiedenken de PvdA tot slechts een bestuurderspartij hebben gereduceerd, in plaats van de veranderingsbeweging die naast strijd ook bereid is bestuursverantwoordelijkheid te nemen. Je hoort hem briesen.

Han Lammers heeft in mijn politieke bestaan meerdere malen een belangrijke, maar vooral ook een stimulerende en inspirerende rol gespeeld. Hij was echt een voorbeeld. Een keer zorgde hij ervoor dat ik echt stil en ontroert raakte. Het moment staat nu nog in mijn geheugen gegrift en voel ik nog de emotie erbij. Want net als Lammers was ook ik in een fors conflict geraakt over ‘un grand projet’ en dan ligt er al snel het verwijt dat het vooral zou gaan om het persoonlijk najagen van een megalomaan prestigeproject. Ook bij mij zou het conflict uiteindelijk leidden tot het einde van mijn Haagse wethouderschap. In Den Haag ging het om de bouw van een bibliotheek en stadhuis in de op dat moment volstrekt verpauperde Haagse binnenstad. Hier ging het niet om de sloop van woningen, Den Haag was al jaren kaalgeslagen door cityvorming van de eerdere plannenmakers en gemeentebestuurders, maar concentreerde de discussie zich op de mogelijke financiële risico’s. Voor én tegenstanders hebben lange tijd de opiniepagina’s van veel kranten mogen vullen over nut en noodzaak van het plan. Uiteindelijk is het er toch van gekomen en siert het witte stadhuis van Richard Meier de Haagse binnenstad. Daags na de aanvaarding van het besluit kreeg ik een gelukstelegram: ‘Gefeliciteerd met het stadhuis, Han Lammers’. Daar stond ik, de man die ik in 1975 niet wilde ontmoeten wegens zijn bestuurlijk optreden in de Nieuwmarkt, was nu de eerste die mij ten volle feliciteerde. Wat een klasse! Wat moet hij veel herkend hebben van wat hij zelf heeft meegemaakt. Hij kende, als geen ander, de eenzaamheid van de strijd die een bestuurder op zo’n moment ervaart. Het feit dat de Haagse gemeenteraad, tegen de stroom in, voor de stadhuisoperatie stemde deed ook hem, bijna met terugwerkende kracht, goed. Maar Han Lammers was meer voor mij. Hij steunde mijn werk voor de stadsvernieuwing en de volkshuisvesting ten volle. In mijn periode als lid van de Tweede Kamer belde hij mij regelmatig op. Hij was bezorgd over de volkshuisvesting. Het ging hem aan het hart dat onder Paars er ruimte kwam om te liberaliseren. Hij riep mij op om door te gaan met mijn verzet ertegen. Han Lammers is een kei in politiek en bestuurlijk Nederland geweest. En hoewel ik het nog steeds betreur dat Han Lammers in de Nieuwmarktbuurt niet zelf tot een bestuurlijke synthese is gekomen, is zijn doorzetten van de aanleg van de metro voor Amsterdam van grote waarde gebleken. Over het hoe kan je van mening verschillen maar een Amsterdam zonder metro, ook in de Nieuwmarkt, zou nu ondenkbaar zijn. Hij was daarin een groot visionair! Het is dan ook meer dan terecht dat er een mooi boek over Han Lammers is verschenen, en dit is zeker niet als kritiek op het boek bedoeld, maar Han Lammers mag wat mij betreft meer erkenning krijgen voor wat hij in zijn Amsterdamse bestuursperiode voor elkaar heeft gekregen.

Elandsgracht in Amsterdam, hartje Jordaan

Ik zou het meer dan passend vinden wanneer de Amsterdammers en haar bestuur hem deze waarde ook nadrukkelijker zouden toe kennen. Hij was het immers die in Amsterdam de stadsvernieuwing heeft ingeluid, te beginnen met het behoud van de Jordaan. Wat mij betreft zou een beeld van Han Lammers tussen de borstbeelden van de Johnny Jordaan en Tante Leen op de Elandsgracht dan ook geenszins misstaan.

Ik heb genoten van de biografie over Han Lammers. Toch is er na de lezing van het boek ook een schrijnend gemis. Dat is die andere kant van Han Lammers, zijn passie voor muziek, voor het orgelspel. Herman de Liagre Böhl beschrijft bijna lyrisch de kwaliteiten van Han Lammers op het orgel. Hij was daar op zijn best, een gepassioneerd vertolker van Bach, Mozart en Sweelicnk maar er was op het orgel ook ruimte voor de kwajongen die Han Lammers ook was. Zo maakte de journalist John Jansen van Galen een uitbundige Han Lammers mee achter het orgel in de basiliek van Remiremont: ‘Met verlaat het orgel nooit zonder een improvisatie: dat is stijl,’ en prompt donderde zijn variatie ‘langs de Amsterdamse grachten’ door de bisschopskerk. Hij heeft daarbij alle stemmen ingezet, zijn lange knokige handen klauwen krachtig in de toetsenborden, bij de laatste strofen zingt hij mee, ongearticuleerd keelklanken uitstotend’ (JJVG).

foto: collectie Museum Het Oude Raadhuis).

Het boek Han Lammers (1931-2000) laat zien wat een veelzijdig man ons, nu precies zeventien jaar geleden, is ontvallen. Maar soms zou je willen dat er van iemand meer zichtbaar, voelbaar en hoorbaar zou blijven voortbestaan dan wat hij fysiek voor de stad Amsterdam en de Flevopolder heeft gedaan. Op You Tube heb ik dan ook gekeken, of dat ook gold voor de improvisaties en voorstellingen die Han Lammers op de vele orgels moet hebben gespeeld. Ook in die zin zat de tijd hem tegen. Slechts een anekdote over de Zuiderkerk met Lammers op het orgel komen wij op You Tube tegen. Nu zou veel van wat hij muzikaal heeft gedaan bewaard zijn gebleven. Ik kan en wil mij ook niet voorstellen dat alles verloren is gegaan. Wat zou het een rijke herinnering aan hem zijn wanneer zijn orgelspel nog eens zou worden verzameld en zou worden uitgebracht? De volgende uitgave van het boek zou dan wat  mij betreft mogen worden aangevuld met een inleiding in de muzikale prestaties van deze bijzondere Amsterdammer.

Hoe het ook zij, het boek ‘Han Lammers, Amsterdammer in de Polder’ bracht mij weer terug bij Han Lammers maar liet mij ook weer even langs de lijnen van mijn eigen leven wandelen. En het was een aangename en leerzame wandeling. Vooral omdat het zo goed laat zien dat ook grote mensen kinderen van hun tijd zijn, dat zij meer zijn dan het etiket dat op ze is geplakt en je warm wordt van de passie waarmee deze grote Amsterdammer het leven heeft geleefd. Ja, in termen van Herman de Liagre Böhl, gedroeg hij zich daarbij misschien niet altijd even ‘fraai’, en hadden zijn vrienden ‘wel op wat meer vriendschappelijkheid en bestuurlijk medeleven van hem mogen rekenen’. Wie echter achter de coulissen keek zag, volgens zijn persoonlijke secretaresse Anneke Trieler, een ‘genereuze man: soms was hij wat norsig, maar ook dan wist hij zich koddig te gedragen zodat hij de mensen in zijn omgeving voor zich bleef innemen’. Ze heeft ongetwijfeld gelijk maar voor mij was Han Lammers, een genereus politicus die durfde te verliezen om te winnen. Nog iedere dag een een voorbeeld om te koesteren en waarvan er, wat mij betreft, wat meer in de tegenwoordige PvdA zouden mogen zijn.

Adri Duivesteijn, 11 juli 2017

Alle citaten, tenzij anders vermeld, komen uit het boek:

Han Lammers (1931-2000), Amsterdammer in de polder.

Herman de Liagre Böhl

Uitgever: Prometheus – Bert Bakker

ISBN 978 90 351 4312 8

Wagner – The Movie, een film van Marit Geluk en Joris Hentenaar

Op vrijdagavond 16 en zaterdagavond 17 juni zal het Projectorkest De Ring van Jan van Maanen in het Scheveningse Zuiderstrandtheater  – in een één uur durende voorstelling – de opera Der Ring des Nibelungen uitvoeren. Uniek is dat de opera, waarin de thema’s ‘de kracht van de macht, veerkracht en liefde’ centraal staan, deze keer zal worden gevisualiseerd met een film van Marit Geluk en Joris Hentenaar. Op indringende wijze behandelen zij de thema’s van de Ring des Nibelungen maar dan geactualiseerd naar onze tijd. Ik mocht een eerste proeve van de film zien en kon niet anders dan mijn reactie onder woorden te brengen in de vorm van een recensie.

Ik maak u er graag deelgenoot van in de hoop dat ook u kennis zult willen nemen van de film. 

De Ring des Nibelungen Wagner – The Movie

Een blik in de tijd, die in zichzelf tijdloos is geworden. Heel soms lukt dat. Een van de mooiste voorbeelden daarvan is de film Berlin, Die Sinfonie der Groszstadt (1927) van Walter Ruttman. Deze documentairefilm laat een dag in de jaren twintig zien. De beelden zijn een indrukwekkend exposé van de tijd, waarin een opeenstapeling van veranderingen de moderne wereld van vandaag vormde. Alles wordt daarin zichtbaar. De opkomst van de industrie, de rol van de arbeider als een verlengstuk van de machine, het frivole mondaine leven van de nieuwe burgerklasse verweven met de armoede die dan ook letterlijk op straat ligt. Hoewel de film bij het uitkomen al een indrukwekkend document moet zijn geweest van het actuele leven, zit de kracht van de film nog meer in de tijdloze terugblik die de kijker krijgt van het dagelijkse maar o zo adembenemende leven in de jaren twintig. Met als volstrekt uniek decor: Berlijn, de stad die achttien jaar later door de geallieerden zou worden vernietigd. Je kan de film bekijken alsof je nog deel uitmaakt van die tijd. Tegelijkertijd is er nu ook de wetenschap welk een ramp de wereld niet lang erna zou treffen. Deze film is dan ook een blijvende waarschuwing tegen het niet serieus nemen van de tegengestelde krachten in die tijd. Het frivool voorbij gaan aan de signalen van een opkomend fascisme zal, naar later blijkt, iedereen lelijk gaan opbreken.

Ik schrijf deze lange inleiding om de betekenis van de film Der Ring des Nibelungen van Marit Geluk en Joris Hentenaar te kunnen duiden. Met de operamuziek van het Magnus Opus van Richard Wagner op de achtergrond (ik kom daar zo op terug!) laat de film een aaneenschakelijking zien van momenten en gebeurtenissen uit ons tijdgewricht. Ook hier, is het materiaal van het dagelijks leven ontleend aan het indrukwekkende archief van de filmer Joris Hentenaar, the man with the movie camera, die voor televisierubrieken als Nieuwsuur al meer dan 20 jaar de actualiteit in tal van crisisgebieden voor ons in beeld brengt. Waar echter in de actualiteitenrubrieken het conflict, het incident en vooral het geweld aan de orde komen, laat de film van Marit Geluk en Joris Hentenaar het volle leven van deze tijd in conflictgebieden zien. Dat gebeurt vaak vanuit het perspectief van de betrokkenen bij de vele conflicten in dit tijdsgewricht, maar evenzeer worden de beelden verweven met de negatie ervan in het dagelijks leven buiten de conflictgebieden. En beide kunnen schrijnend samenkomen op de stranden aan de kust van Griekenland en Italië. Deze plaats van vertier bij uitstek, is tegelijkertijd het dramatische decor van de duizenden vluchtelingen die wanhopig vechten voor hun leven. Overleven om erna op zoek te gaan naar een kans op een beter leven. Een beter leven dat steeds vaker in de kiem gesmoord wordt in het vernederende regime van de treurige vluchtelingenkampen. Kampen die hoegenaamd ‘onbaatzuchtig’ zijn opgezet, door die landen die vooral ook de komst van de vluchteling als de grootste dreiging van het conflict zien.

De filmische foto van onze tijd waar het geweld op afstand steeds dichterbij aan het komen is en die de wereld in toenemende mate in haar greep lijkt te gaan krijgen wordt ondersteund door de muziek van Wagner’s Ring des Nibelungen. Waar het aanvankelijk de bedoeling was om de uitvoering van deze opera door het Projectorkest De Ring van Jan van Maanen te actualiseren met beelden van vandaag is het omgekeerde gebeurd. De filmbeelden van de thema’s van de opera, (de kracht van de macht, veerkracht en liefde) hebben het initiatief overgenomen en Wagner’s opera is, net als in de film Berlin, Die Sinfonie der Groszstadt, ondersteunend aan het verhaal geworden. Dat verhaal is een tijdloze confrontatie met de werkelijkheid van de wereld van vandaag. Een werkelijkheid, waarvoor velen van ons nog de ogen sluiten om frivool op het strand of in de draaimolen het volle leven zijn gang laten gaan.  Misschien is dat nog wel het grootste compliment aan de filmmakers, dat zij in staat zijn geweest de immer overheersende muziek van Wagner te overstijgen en deze dienstbaar te maken aan een filmische schets van de drama’s is onze tijd. Een periode waarin wij weliswaar opener dan ooit naast elkaar leven en ons nauwelijks bewust lijken te (willen) zijn van de gevaren die ook nu weer de wereldvrede gaan bedreigen. Maar wat ooit ver weg was, komt nu wel heel akelig dichterbij. Daarbij laat de film zien dat ‘ver weg’ nog altijd gaat, over mensen zoals u en ik en dus in essentie de mensheid zelf raakt. Wie zich vandaag nog gelukkig waant, kan morgen verscheurd worden door de gedragingen van hen die met weinig zorg met hun macht omgaan en daarin niets ontziend zijn.

Hoewel de film een opeenstapeling van dramatische beelden bevat, de tranen staan met regelmaat in de ogen, komt op subtiele wijze ook telkens weer de kracht van de mensen naar voren. Het verlangen naar geluk, liefde en gewoon plezier. Het geloof in een betere wereld krijgt ook zijn gezicht in de spontaniteit en de lach van kinderen, in de moed om tegen autoritaire regimes op straat in te gaan, om uiteindelijk te bereiken dat wij met elkaar naar de stembus kunnen gaan om het echte conflict met elkaar op te lossen in een dialoog tussen de verschillende betrokkenen zelf. De film is een aanklacht tegen geweld, maar -bijna stilzwijgend- vooral een hartstochtelijk pleidooi voor een terugkeer naar de koestering van genegenheid en liefde tussen mensen onderling.

Waar de film Berlin, Die Sinfonie der Groszstadt ons de tijd van toen in het nu laat herbeleven, zien wij dat deze film, Der Ring des Nibelungen, ons vandaag confronteert met onze hedendaagse werkelijkheid. Een werkelijkheid die we te vaak als min of meer vanzelfsprekend laten voortbestaan. Later, veel later, zal met deze film kunnen worden beoordeeld of wij beter, dan in de jaren twintig en dertig, in staat zijn geweest om met elkaar tot vreedzame oplossingen te komen. Wij zijn in ieder geval opnieuw gewaarschuwd.

Adri Duivesteijn

Den Haag 27 mei/15 juni 2017

NRC: Brandhaard TV als essay gemonteerd 

PvdA, 2002-2017: ‘Voorwaarts’, maar toch niet opnieuw met de kop in het zand?

Voor het schrijven van mijn ‘terugblik’ op de laatste Tweede Kamerverkiezingen en in het bijzonder de desastreuse uitslag voor de PvdA, ben ik teruggegaan naar een aantal artikelen die ik schreef over de positie van de PvdA. Deze artikelen zijn eigenlijk momentopnamen waarop ik probeer een balans op te maken van het tijdperk waarin wij politici en bestuurders dagelijks acteren. Uiteraard gaat het verder dan een analyse en stel ik mij de vraag: hoe als politicus, bestuurder en als politieke organisatie verder te gaan. Het is mijn ervaring dat binnen de PvdA, en vooral binnen de voorhoede van de partij in ons parlement, de behoefte aan reflectie niet altijd even groot is. In een continue-bedrijf, dat de politiek op Het Binnenhof nu eenmaal is, is evalueren een storende onderbreking van alle belangrijke zaken die nu eenmaal aan de orde zijn. Het land moet immers bestuurd worden. En desastreuse nederlagen zijn toch vooral een incidentele misstap van de kiezer (ja, ook die van de eigen kiezer!). Een misstap, die op zijn best nog wordt toegeschreven aan de leider (Melkert) dan wel de wijze waarop de campagne werd gevoerd. Het is maar al te vaak ‘Voorwaarts en vooral vergeten’. De verlokking van een nieuw leiderschap en een goede campagne zal alles wel weer ten goede doen keren. Niets blijkt minder waar te zijn. De vraagstukken blijken structureler, zoals ook de negatie ervan wanneer ze worden opgeschreven.

Dat overkwam ook het door mij geschreven artikel in S&D – 2002-5-6 Adri Duivesteiin – De revolutie der buitengeslotenen. Dat artikel gaat in op het waarom van de desastreuze verkiezingsuitslag in 2002. Bij herlezing blijkt de analyse nog akelig actueel te zijn. In ieder geval is het voor mij voldoende reden voor een hernieuwde publicatie op deze website. Niet om mijn gelijk te halen. Maar wel om, zij die geïnteresseerd zijn in de toekomst van de PvdA, nog eens te doordringen van het structurele karakter van de crisis waarin de politiek, maar vooral de PvdA, zit. Deze tijd vraagt om een andere PvdA en deze komt niet vanzelf. De geschiedenis van de sociaal democratie is rijk, maar het boek van de PvdA kan worden gesloten, wanneer wij opnieuw onze ogen voor de echte oorzaken sluiten.

In de komende tijd zal ik mijn geactualiseerde analyse publiceren. Maar voor nu is het terugkijken naar ‘De Dreun van 2002’ ook van betekenis voor de weging van de laatste – nog vernietigender – verkiezingsnederlaag die de PvdA heeft terugbracht tot een marginale fractie in de vertegenwoordigende lichamen van onze democratie.

Publicatie Socialisme en Democratie – 2002

Na de dreun

DE REVOLUTIE DER BUITENGESLOTENEN

Adri Duivesteijn

De afgelopen zes maanden leefden wij in het tijdperk van Pim Fortuyn. We werden aan de grond genageld, eerst door zijn komeetachtige opkomst, daarna door zijn gewelddadige dood. Bij de verkiezingen heeft de staart van de komeet in het politieke landschap huisgehouden; er zijn verschrikkelijke klappen toegebracht aan de PvdA en de VVD.

Bij het duiden van dit vreemde en ontregelde tijdsgewricht gaat, begrijpelijkerwijs, veel aandacht uit naar Fortuyn. Naar zijn politieke thema’s, zijn stijl, en de intensiteit waarmee hij in het leven van een volk wist door te dringen. ‘Fortuyn was altijd om je heen’, merkte Stephan Sanders op in De Balie, aan de vooravond van de verkiezingsdag. Anderen legden een verband met de reality-tv van Big Brother.

Toch is het grote raadsel niet Fortuyn zelf, maar zijn plotselinge alomtegenwoordigheid, na een jarenlang verblijf in de commerciële en opiniërende rafelrand van de maatschappij ‘Ik kom niet uit het niets’, zei hij tijdens het lijsttrekkersdebat op 6 maart. Inderdaad, de Fortuyn die we onlangs hebben leren kennen, met de zelf geschapen ambitie van minister-president op zoek naar ‘zijn’ land, bestond in een andere gedaante al vijf à tien jaar. Nieuw en verbijsterend was niet Fortuyn, maar die plotselinge, enorme sprong van de rafelrand naar het centrum van macht, de wereld van glamour en aanbidding.

De Paarse leegte

We moeten dus niet in de eerste plaats Fortuyn analyseren, maar de aard van de dijkdoorbraak die hij forceerde en de omstandigheden waaronder deze mogelijk was. Dat de doorbraak juist nu is gelukt, moet worden verklaard uit een combinatie van factoren die bij elkaar het gevestigde politieke stelsel op zijn zwakheden hebben gewezen. Voor een deel bestonden deze al vele jaren, zoals de afnemende maatschappelijke betekenis van politieke partijen en ‘het einde van de ideologie’ na de val van de Muur. De komst van Paars werd er door mogelijk gemaakt, maar daarmee is, zoals ik het eerder heb omschreven, tegelijkertijd een zekere ideologische leegte, een gebrek aan richting en zingeving in de politiek geslopen.1

Paars kon goed zaken doen over sociaal-economische en financiële kwesties; over immateriële zaken (CDA-taboes) zoals euthanasie, het homohuwelijk en de winkeltijden werd ruimhartig de individuele keuzevrijheid gehonoreerd. Veel fletser was de opstelling tegenover vraagstukken die het samenleven als zodanig raken: de mate van sociale cohesie, sociale stabiliteit en sociale identificatie. Bij uitstek terreinen waar de PvdA en VVD nog altijd sterk ideologisch getinte en onderscheiden visies hebben. Het veronachtzamen van die onderwerpen heeft de herkenbaarheid van politieke partijen bij hun achterban dan ook verder verminderd. Tekenend is dat de onder Lubbers/Kok (1989-1994) gestarte sociale vernieuwing bij de start van Paars I werd ‘afgeschaft’. Naarmate het aanvankelijk aanstekelijke pragmatisch elan (werk, werk en nog eens werk) van Paars verflauwde, werden de leegte en de vervreemding voelbaarder.

Ook al was er jarenlang geen werkelijke aanleiding om Paars vaarwel te zeggen, duurzame voortzetting was ook niet vanzelfsprekend voor wie verder keek dan de dingen van de dag. Zelf startte ik daarom in 2000 in S&D een discussie over de vraag welke nieuwe coalitie beter zou kunnen aanvoelen en inspelen op wat er in de samenleving gaande is. Ik zag inhoudelijke aanknopingspunten voor samenwerking tussen PvdA, CDA, GroenLinks en de ChristenUnie.2

Dat zowel de PvdA als de VVD  behoefte kregen aan ideologische herpositionering, kwam het scherpst tot uitdrukking bij de behandeling van de Voorjaarsnota 2001. Rond de kernvraag – wel of niet investeren in de publieke sector – liepen de gemoederen hoog op. Nog een laatste maal – zo zou later blijken – werd het conflict op Paarse wijze afgehandeld, c.q. afgekocht. Zo ontstond het perspectief op een open, post-paarse toekomst, met nieuwe kansen maar ook met nieuwe onzekerheden. De samenloop met het naderende afscheid van Wim Kok als markant en vertrouwd leider, kan niet toevallig geweest zijn

In zo’n kwetsbare overgangsperiode toont het politieke bestel zich niet op z’n krachtigst. Lange tijd dachten wij dat het politieke bestel die overgang wel kon dragen, blind voor de kwetsbaarheden die er al langer waren. Maar het ging toch zo goed met Nederland. De berichten uit de samenleving werden ‘verduisterd’ door de peilingen. PvdA en VVD stonden allebei hoog in de peilingen, die ook onveranderlijk een grote waardering voor de Paarse coalitie vastlegden. Zelfs het spectaculair inzakken van de ‘nieuwe economie’ deed daaraan niets af. Nog op 6 september 2001 kon het Sociaal en Cultureel Planbureau melden dat Nederland een tevreden land was.

De mokerslag die alles veranderde kwam vijf dagen later, op 11 september. De schok is tot de dag van vandaag voelbaar, direct en indirect, ook in ieders dagelijkse leven. Allerlei zekerheden zijn gaan wankelen. Veel mensen kregen behoefte aan een sterke, beschermende arm om zich heen. Die kon alleen worden gevonden bij de overheid, ook al was dezelfde overheid al jarenlang op veel terreinen aan het terugtreden.

‘De kwaliteit van ons bestaan – ook individueel – hangt in hoge mate af van collectieve arrangementen. Dat vergeten we weleens in tijden van voorspoed. Maar die notie is direct weer, indringend, terug zodra de basis van dat bestaan wordt geschokt. (…) Deze herwaardering van de overheid stelt hoge eisen en de PvdA moet zich dit in het bijzonder aantrekken. Het vertrouwen van de bevolking in de overheid, en in de politiek, staat op het spel’, schreven Bram Peper en ik hierover.3

Paars zakte voor het examen, dat verkiezingen heet. De zwakte van de coalitie, die bij moeilijkheden haar kracht vond in de uitruil van belangen, werd door de 11 september-crisis pijnlijk blootgelegd. Die crisis betrof het samenleven, de samenleving als zodanig. Het kabinet had geen vertrouwenwekkend antwoord, en droeg ook niet het elan en de innerlijke overtuiging uit om samen met de bevolking naar antwoorden op zoek te gaan. Er werd weliswaar een speciale ministeriële commissie – onder leiding van de Minister-President – ingesteld die de gevaren van terrorisme zou bestrijden, maar van een plan van actie naar de samenleving toe is het nooit gekomen. De partijen probeerden weer snel over te gaan tot de orde van de dag, dus tot vertrouwde verkiezingsthema’s zoals de WAO en de inkomenspolitieke aspecten van de gezondheidszorg. Ook de PvdA onderkende daarmee te weinig de heftige dynamiek die onderhuids de samenleving had aangevreten.

Het belangrijkste ‘antwoord’ op de septembercrisis lijkt tot dusver een verharding in de sociale verhoudingen geweest, internationaal maar ook in het binnenland. De haviken hebben het tij mee ten koste van de dialoog, de gematigdheid en de tolerantie. De afschuw van fundamentalistische terreur vloeit te vaak over in even fundamentalistische agressie tegen ‘de ander’, en vooral tegen de islam. Als symbool van het algemeen belang wordt ‘de overheid’ tot zondebok gemaakt. Angst en onzekerheid worden op de overheid afgewenteld, haar fouten worden breed uitgemeten. In het, zoals gezegd, verzwakte politieke bestel kwamen deze verwijten extra hard aan. Tegenover fanatieke standpunten en de groeiende angst stond Paars beleidsmatig en collectief-emotioneel met lege handen.

Het politieke klimaat na 11 september vormde een uitstekende voedingsbodem voor wat ik zou willen duiden als de revolutie van de buitengeslotenen. Burgers die vervreemd waren (geraakt) van de bestaande politieke zeden, begonnen hun hoop in handen te leggen van een nieuwe politieke beweging die een stem probeerde te geven aan gevoelens van uitsluiting, onbehagen en angst. Deze ‘zwijgende’ burgers hoefden alleen nog maar te worden gemobiliseerd. Het verlies aan het vanzelfsprekende gezag van politici werd zichtbaar en zichtbaar aangewakkerd. Wat zich op lokaal niveau al veel eerder in Leefbaarheidspartijen had geuit (met name ook grootstedelijk: Hilversum, Utrecht), kreeg landelijk al snel een dynamiek: organisatietalent en charisma (Westbroek, Van Kooten, Nagel, Fortuyn) vormden de energieke combinatie die uiteindelijk Fortuyn vleugels gaf.

De eerdere ‘inbraak’ van de commerciële omroepen

De doorbraak van Leefbaar Nederland en Fortuyn is weliswaar zonder politiek precedent, maar er zijn mijns inziens duidelijke overeenkomsten met de inbraak van de commerciële omroep in het omroepbestel vanaf de jaren zestig. De hoofdrolspelers droegen de nog altijd bekende namen TROS, Veronica (‘Radio 192’) en Radio Noordzee. De overeenkomst is des te indringender door de verwevenheid van media en politiek. Het gaat dan niet alleen om de macht van het beeld in de televisiedemocratie, maar vooral ook om de machten áchter de media. Denk aan Berlusconi, een van de voorbeelden van Fortuyn. Denk aan Willem van Kooten, Jan Nagel en Henk Westbroek, medeoprichters van Leefbaar Nederland. En denk ook aan de voorgestelde veiling van radiofrequenties in het afgelopen jaar, en de dreiging van een massale mediacampagne onder aanvoering van Erik de Zwart van Radio 538.

De basis van het publieke omroepbestel werd in de jaren zestig steeds meer aangetast, onder meer door de ontzuiling, de toegenomen welvaart en de invloed van buitenlandse massaculturele voorbeelden. Een steeds grotere groep kijkers en luisteraars voelde zich niet meer thuis bij de bestaande omroepen; ze stonden buiten de gevestigde culturele of levensbeschouwelijke oriëntaties en waren ook niet of nauwelijks geïnteresseerd in de pogingen van de zuilen om hen alsnog te binden, zoals de popzender Hilversum 3 die de strijd met de zeezenders moest aangaan.

Deze massaculturele aardverschuiving bood destijds gelegenheid aan zenders die zich niet richtten op levensbeschouwing of culturele ontplooiing en verheffing, maar op ondogmatische identificatie, luchtig vermaak en commercieel gewin. Zij waren de spreekbuis van de ‘buitengeslotenen’ van het publieke bestel, en boden hen een nieuw, pragmatisch onderdak. De VARA kreeg in die tijd overigens al regelmatig het verwijt dat de TROS de échte arbeidersomroep was geworden: want arbeiders hebben geen behoefte meer aan de Matinee op de Vrije Zaterdag, ze zijn tevreden met Mister Ed, het sprekende paard.

De nieuwkomers bleken in staat om ongehoorde emotie en adhesie los te maken. Een hoogtepunt was de massale demonstratie in Den Haag op 18 april 1973, niet voor hogere lonen, niet tegen een dictatuur in Latijns-Amerika, maar voor legalisering van de piratenzender Veronica.

Het was een nieuw verschijnsel: een massa die zich met graagte liet mobiliseren, niet voor belangenstrijd of ideologie maar voor een zakelijk geëxploiteerde lifestyle.

Inmiddels kijkt niemand er nog van op dat commerciële zenders de publieke omroep overklassen in aantal, zendtijd, kijkcijfers en geld. De concurrentie om prestige is nog in alle hevigheid aan de gang. De publieke omroep heeft nog steeds een redelijk prestige. Nog altijd is er bij de ‘publieken’ enig dédain te bespeuren voor de vrije jongens van de commerciëlen, die op hun beurt nog altijd met een zekere verongelijktheid reageren. Ook al zijn de scherpe kanten er inmiddels af door de vele onderlinge uitwisselingen en overlappingen, het publieke en het commerciële bestel blijven elk een eigen sfeer behouden, aan weerszijden van een voelbare culturele scheidslijn.

Zonder vaste woon- of verblijfplaats

Het parlement is in zekere zin het publieke bestel van de macht, de machtsuitoefening in het publieke domein. We gaan er in een democratie van uit dat het parlement het laatste woord heeft, het zogenaamde primaat van de politiek. In werkelijkheid is de macht in de maatschappij – ook kenmerkend voor een (sociale) democratie – veel fragmentarischer, veel diffuser verdeeld. Het parlement is slechts één van de machtsvormende en beslissende instanties, naast bijvoorbeeld de machten in en van het bedrijfsleven en het maatschappelijke middenveld. Sommigen uit die kringen: de Langendams, Van Nieuwenhuizens en Spongen van deze wereld, voelen zich, bij al hun succes, buitengesloten van het gevestigde politieke bedrijf. En dat wringt. De status van de politiek lonkt, waarbij deze elite van de buitengeslotenen niet denkt aan de nederige status van kamerlid maar meteen aan de status van politieke bovenbaas, i.c. het ministerschap. Fortuyn mikte in zijn presidentiële campagne uiteraard op het Catshuis.

Tot dusver was de politiek, anders dan de omroep, nog enigszins ontkomen aan een grootschalige ‘inbraak’, al zijn – sinds 1994 – de verschuivingen tussen de bestaande politieke partijen wel indrukwekkend.  De politieke partijen werkten – hoewel dus steeds minder – nog steeds als filter. Iedereen is welkom, maar zelfs de succesvolste zakenman of de meest geleerde professor moet zich gewoon aanmelden als lid om zich vervolgens geduldig een positie te verwerven. Wie zich niet aan de regels van de interne partijdemocratie wil conformeren, zal moeilijk een plaats in de politieke arena vinden. De partijen werken dus, per definitie, óók als een mechanisme van uitsluiting. Deze normale gang van zaken wordt een probleem als het aantal buitengeslotenen heel groot wordt. En dat is steeds meer het geval.

Het politieke bestel is namelijk heel gemakkelijk toegankelijk geworden door het maken van politieke hypes. Buiten de bestaande partijen om de politieke markt betreden, wordt steeds eenvoudiger. Wie – via de grote hoeveelheid aan communicatiemiddelen – snel de massa weet te raken, kan deze massa ook snel mobiliseren voor een idee, een persoon, een levensstijl. Vergelijkbaar met het omroepbestel 35 jaar geleden. De ontzuiling is bijna compleet. De vanzelfsprekende sociale verbanden zijn weggevallen, de politieke partijen kwamen er los van te staan. Maar ook de politieke partijen zelf erodeerden als (levendige) sociale structuur en als een vorm waarin burgers en bestuurders elkaar vinden in een belang of ideaal. Dat proces vond – nog het minst bij het CDA – plaats in de periode 1970-1990.

Steeds minder mensen vonden een vertrouwde thuisbasis in één van de politieke partijen. Steeds meer mensen trekken rond zonder vaste politieke woon- of verblijfplaats. Er zijn steeds meer politiek buitengeslotenen. Zij kiezen steeds weer opnieuw welk politiek aanbod zij aanvaardbaar vinden. Zeker in onzekere tijden.

Het gaat mij bij het verschijnsel van massale buitensluiting uiteraard niet om een duiding in termen van schuld. Het gaat ‘slechts’ om de constatering van een indringende culturele en maatschappelijke trend. Politieke partijen zijn van hun ankers los(geraakt), en hebben derhalve te maken met een wisselende schare aan – bijna altijd – tijdelijke aanhangers.

Het logo fortuyn

De politieke loopbaan van Fortuyn illustreert de mechanismen van politieke insluiting en buitensluiting. Als Pim Fortuyn probeerde hij jarenlang binnen te komen bij de grote partijen. Overal zag hij zijn ambities doodlopen op de codes van die partijen, dan wel zaten zijn eigen ego en ongeduld hem in de weg. Zolang het een eenmansactie was, beperkte zijn bekendheid zich tot een kleine kring. In het laatste jaar, nadat hij door de mensen achter Leefbaar Nederland als logo was ontdekt, bleef hij niet langer onopgemerkt. Een massa aan onderhuidse, individuele gevoelens van buitengeslotenheid bracht hij aan de oppervlakte. Fortuyn gaf de buitengeslotenen weer een herkenningspunt, en ook weer hoop. Via hem voltrok zich hun hernieuwd geloof dat de politiek er iets toe zou kunnen doen.

Ik hou het er voorlopig op dat deze doorbraak structureel zal zijn. Natuurlijk, de LPF is intern onevenwichtig, en we moeten niet raar opkijken als er ruzies, splitsingen en grote schommelingen in populariteit ontstaan. Maar dat is niet de hoofdzaak. Ook Veronica is weggeweest, teruggekomen, weer verdwenen, van naam veranderd, als merk naar de marge verhuisd maar binnenkort weer terug. Het voortbestaan van de commerciële omroep als zodanig is niet meer in het geding. We moeten er rekening mee houden dat ook de politieke ‘vrije jongens’ blijvend zullen zijn, al kan de precieze vorm nog sterk wisselen. Het zou een fundamentele vergissing zijn om niet van de (potentiële) duurzaamheid van het type politieke bewegingen als de LPF uit te gaan.

De elite van de buitengeslotenen die onder het bijzondere beschermheerschap van Fortuyn een shovel in de deur van het politieke bestel heeft geduwd, zal blijven. Zij zullen in de komende jaren deze partijorganisatie professionaliseren. De marketing zal lijken op die van de commerciële omroepen. Het merk Fortuyn wordt in de markt gezet. Een eigen blad, een eigen politieke variant op Club Veronica, een eigen bedevaartsoord, een eigen feel good-gevoel, en natuurlijk een eigen icoon, een logo, met onovertroffen naamsbekendheid, die dan ook voor allerhande gebruik is gedeponeerd. Fortuyns gedachtegoed, vele boeken bij elkaar, is intussen grillig genoeg om telkens opnieuw creatief ‘in de geest van’ Pim te kunnen worden geïnterpreteerd, bijvoorbeeld door een denktank naar conservatieve Amerikaanse snit. De mens Fortuyn is er zelf niet meer bij om van mening te veranderen, of om de exploitatie van het merk Fortuyn in de weg te zitten.

Geen woestijn, maar weldadige tuinen

Wat moet de Partij van de Arbeid in de komende tijd doen? We kunnen niet gewoon weer partijtje gaan spelen alsof er niets wezenlijks is veranderd. Het politieke bestel als zodanig is aan een grondige herziening toe. Intussen zal de PvdA zichzelf moeten hervormen om weer een vooraanstaande partij te kunnen zijn. Het verlossende antwoord is er niet in een paar maanden, maar hoeft ook weer niet jaren te duren We moeten ons wel de tijd gunnen voor een ingrijpend herstelprogramma.

Er is, ook uit de afgelopen jaren, materiaal genoeg om de discussie en het herstelprogramma mee te beginnen. We kunnen bijvoorbeeld vrijwel alle vragen die we nu moeten en willen stellen, in drie delen uiteen leggen. Ik denk dan aan de drie oriëntaties die werden onderscheiden in de interne PvdA-notitie Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit (2001).4

De PvdA moet zich: a) voortdurend oriënteren op de samenleving; b) op het sociaal-democratische gedachtegoed en c) op de bestuurlijke verantwoordelijkheid.

Het zijn wezenlijk verschillende oriëntaties, die echter alle drie onmisbaar zijn; zij moeten niet alleen, maar kunnen ook samengaan. Deze oriëntaties vallen niet vanzelfsprekend samen; zij moeten worden gezocht, en met elkaar in verband worden gebracht, zowel in de ‘theorie’ als in de praktijk voor de sociaal-democratie van-alle-dag. Nu we wel gedwongen zijn ons indringend te heroriënteren, zullen we dat ook langs elk van deze drie lijnen moeten doen.

We moeten, in de eerste plaats, opnieuw contacten leggen met de samenleving. We moeten het onszelf kwalijk nemen dat we grote groepen en hun problemen hebben genegeerd, hebben buitengesloten van onze actieve interesse. We verkeerden in de zelf geschapen illusie (arrogantie?) dat wij wel wisten wat er aan de hand was. We hebben als bestuur- en bestuurderspartij te weinig contact onderhouden met onze achterban (leden, sympathiserende kiezers, de groepen voor wie sociaal-democraten een bijzonder oog dienen te hebben). Te lang zijn we ervan uitgegaan dat iedereen die – naar onze eigen definitie bij ons ‘thuishoort’, eens per vier jaar toch wel weer langs zou komen om op de PvdA te stemmen, al waren ze in de tussenliggende jaren zwervende geraakt. Nu blijkt dat van de bijna 2,5 miljoen PvdA-kiezers uit 1998 een miljoen hun vertrouwen aan andere partijen hebben gegeven; er werd hen een ander huis geboden.

We moeten ook onderkennen hoezeer de PvdA is geëmancipeerd tot een middenklassepartij. Onder onze bestuurders en politici is die belevingswereld dominant. We wonen in een veilige sociale omgeving en verkeren vooral met mensen voor wie dat ook geldt. Ervaringskennis van het dagelijkse leven in andere sociale sferen ontbreekt vaak. We spreken veelal niet met ‘de mensen zelf’, maar met vertolkers, vertalers, smaakmakers en zaakwaarnemers, die een beperkte opening van zaken geven. De PvdA, die in voortdurend contact zou moeten staan met allerlei groepen in de samenleving, heeft zichzelf buitengesloten van de buitengesloten.

We moeten die contacten herstellen, en zorgen dat volksvertegenwoordigers weer de ervaring van de ervaringsdeskundigen (de burgers) op de politieke agenda plaatsen. Institutionele oplossingen zijn behulpzaam om de band te versterken (gekozen burgemeester, eventueel beperkt districtenstelsel) maar niet minder belangrijk is een hernieuwde politiek-culturele verankering, met sterk inhoudelijke en persoonlijk getinte dimensies. We moeten weer weten, voelen, horen, ruiken, herkennen wat er gebeurt, zodat wij op onze beurt kunnen worden herkend als we erover spreken (‘dit is mijn partij’, ‘dit is ons kamerlid’).

We moeten, in de tweede plaats, nieuwe betekenis geven aan de sociaal-democratie in een samenleving die de laatste decennia zéér is veranderd, met name sociaal en cultureel. De basiswaarden blijven dezelfde (zoals solidariteit en rechtvaardigheid), maar wat betekenen deze begrippen in de 21ste-eeuw? Een mooie en noodzakelijke manier om die vraag in brede kring aan de orde te laten komen, en met inschakeling van al het intellect dat zich door onze traditie en onze toekomst aangesproken voelt, is het maken van een nieuw beginselprogramma. Niet alleen het programma zelf is belangrijk, maar ook, en meer nog, de weg ernaartoe. Er ligt al voldoende materiaal om na veel discussie toch snel resultaten te bereiken.

Ook hier kunnen we gebruik maken van ideeën die reeds zijn ontwikkeld maar die, om welke reden ook, tot nu toe onderbelicht zijn gebleven. Ik beperk mij – als voorbeeld (omdat ik er zelf bij betrokken was) – tot de concept-nota Migratiebeleid in rede (2001). Daarin is een poging gedaan ‘(…) om de huidige lappendeken van beleidsfragmenten en ad hoc visies in te ruilen voor een coherent migratiebeleid’. In die nota wordt een realistisch én sociaal-democratisch onderscheid gemaakt tussen drie wezenlijk verschillende migratievraagstukken: het asielbeleid, de internationalisering van de arbeidsmarkt, en de morele verantwoordelijkheid van internationale solidariteit.5 Er valt veel meer over te zeggen, maar ik noem de nota omdat zij dwingt een richting aan te geven.

Tenslotte: politieke verantwoordelijkheid hebben we in de komende tijd in de eerste plaats in eigen kring te nemen. We moeten ‘investeren in een nieuwe politieke cultuur’.6 Een nieuwe, open en op discussie gerichte politieke cultuur moet ook worden gedragen door nieuwe generaties. We moeten nadenken over nieuwe samenwerkingsvormen, ook binnen de partij en de kamerfractie, met een discussie over de aard en veelvormigheid van leiderschap. Het voorbeeld van het CDA (Heerma, De Hoop Scheffer, Balkenende) leert dat nieuw en overtuigend leiderschap niet per se aan het begin van de inhoudelijke heroriëntatie van een partij staat, maar eruit kan voortvloeien.

We moeten, kortom, niet alleen reactief zijn door onze positie te bepalen ten opzichte van anderen, maar vooral ook de eigen kracht en de eigen richting van de sociaal-democratie hervinden. Ik stel voor dat we het beeld van de gewenste nieuwe PvdA-volksvertegenwoordiger voor ogen houden, zoals dat in Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit is geschetst.

‘Van volksvertegenwoordigers verwachten wij dat in hun politieke stijl tot uitdrukking komt dat je op een intelligente, gevoelige en ontspannen manier de drie genoemde oriëntaties van de PvdA kunt verbinden. Volksvertegenwoordigers ontlenen permanent kracht aan de maatschappelijke werkelijkheid, maar ook aan hun inzicht in het bestuurlijk mogelijke, en tenslotte aan het blijvende kompas van de intrinsieke sociaal-democratische waarden en attitude. Zo kunnen zij bruggen slaan tussen burger en politiek, tussen korte en lange termijn, tussen directe belangen en vergezichten. Zo kunnen ze er ook begrijpelijk over spreken, zonder gedraai, zonder het gehoor te intimideren, altijd met de wil tot communicatie zonder welke de politiek ten dode is opgeschreven. Volksvertegenwoordigers behoren de kunst te verstaan om ook ingewikkelde kwesties helder uit te leggen, zonder ze te versimpelen, en daarbij duidelijk te maken hoezeer de specifieke sociaal-democratische keuzen voor de hand liggen als de best mogelijke keuzen voor de samenleving.’

Over het artikel en de auteur:

Adri Duivesteijn was, ten tijde van het schrijven van het artikel De revolutie der buitengeslotenen, lid van de Tweede Kamer en vice-voorzitter van de Fractie van de Partij van de Arbeid. Het artikel zelf is gepubliceerd in Socialisme en democratie (S&D) van de Wiardi Beckmanstichting dat in zijn geheel was gewijd aan de gevolgen van de voor de PvdA desastreuze verkiezingsuitslag in 2002

Noten

  1. Eveline Brandt, ‘De rode bouwmeester’, in: De Groene Amsterdammer, 19-6-1996.
  2. Adri Duivesteijn, ‘De Paarse methode met meer gedrevenheid. De noodzaak van een nieuwe progressieve agenda’, in: S&D 2000 nr.11. Adri Duivesteijn en Jet Bussemaker, ‘De komst van een progressief programma is geen sprookje’, in: de Volkskrant, 21-5-2001.
  3. Bram Peper en Adri Duivesteijn, Herwaardering overheid stelt eisen aan PvdA’ in: de Volkskrant, 15-12-2001.
  4. Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit; Naar een permanente campagne van de PvdA, Den Haag, 4 juni 2001. De werkgroep bestond uit Adri Duivesteijn (voorzitter), Erik van Bruggen, Remco Dolstra, Frank Heemskerk, Peter van Heemst, Alex Klusman, Jan Middendorp en Marike Simons. De werkgroep was opgericht op verzoek van de toenmalige fractievoorzitter in de Tweede Kamer Ad Melkert en de toenmalige penningmeester van de PvdA Jan van Ingen Schenau.
  5. Migratiebeleid in rede, concept-nota van de werkgroep Migratie van de Tweede-Kamerfractie en Eurodelegatie van de Partij van de Arbeid, Den Haag, juni 2001 (concept). De werkgroep bestond uit Nebahat Albayrak, Judith Belinfante, Jet Bussemaker, Ieke van der Burg (EP) Adri Duivesteijn (voorzitter), Mariëtte Hamer, Joke Swiebel (EP), Frans Timmermans en Wouter Gortzak.
  6. Investeren in een nieuwe politieke cultuur, voorzet voor notitie over fractieoptreden en politieke strategie, t.b.v. fractieweekeinde 27-28 augustus 1999, opgesteld door Adri Duivesteijn t.b.v. het fractiebestuur, 8 juli 1999.

“Verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat” II

Aan de leden van de PvdA,

Het is alweer bijna twee jaar geleden, toen ik na de dramatische verkiezingsuitslag in maart 2015 mijn opinie schreef over ‘verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat’. Deze titel ontleende ik aan de brief, die de voorzitter van de PvdA in reactie op de uitslag aan de leden had verzonden. Hij ging daarmee in op de verkiezingsnederlaag, de derde op rij (Europa, Provincie en Gemeenteraad) die voor de PvdA vernietigend was. Hoe kan het, vroeg ik mijzelf af, dat wij na drie dramatische nederlagen niet komen tot een vorm van zelfreflectie? Tenminste het instellen van een onafhankelijke commissie, die op zoek zou gaan naar de oorzaken en zou adviseren hoe de koers eventueel zou moeten worden bijgesteld. Dat was toch wel het minimum dat wij konden en moesten doen. Het partijbestuur, onze bewindspersonen, de partijleider en (de ruime meerderheid van) de fractie waren echter van mening dat een onderzoek nu niet het juiste antwoord zou zijn. Nee, wij moesten nu (toen in 2015) onze verantwoordelijkheid nemen en het land besturen. Dat het afgesloten regeerakkoord en de wijze waarop ons land (van bovenaf) werd bestuurd, mogelijk een oorzaak zou kunnen zijn van de vernietigende uitslagen, mocht blijkbaar geen onderwerp van onafhankelijk onderzoek worden. Helaas volgde de ledenraad de lijn van het partijtop. Geen tussentijds onderzoek, geen echte zelfreflectie. Nee, de strategie was duidelijk. Naar analogie van de methode van de oud-minister van financiën Zalm, was het bestuurscredo ‘eerst het zuur en dan het zoet’. Bij onze partijleider en zijn gevolg, was er het rotsvaste vertrouwen dat de kiezer uiteindelijk wel zou begrijpen waarom wij met de VVD dit regeerakkoord hadden afgesloten. Een overtuiging die men heeft volgehouden tot aan de publicatie van het verkiezingsprogramma en de verkiezing van de lijsttrekker. Eenieder die een andere kijk had op een mogelijke herhaling van de drie achtereenvolgende nederlagen had het echt niet goed begrepen. Of in de woorden van, Diederik Samsom; die hadden geen oog voor het ‘ontluikende  optimisme in de samenleving’. En daarbij had onze voorhoede, zoals Jeroen Dijsselbloem het steevast uitdrukte, een rotsvast vertrouwen in de ‘PvdA als campagne-machine’.  ‘Het zou echt goed komen’ was de boodschap. Onderzoek, zelfreflectie, het waren in hun ogen vooral uitdrukkingen van zwakte in plaats van kracht. En het zou ‘de missie’ die men zichzelf had opgelegd ondergraven en juist dat zou voor de partij een negatief effect gaan sorteren. Het eindresultaat is sinds woensdag 16 maart j.l. bekend. De PvdA heeft haar vierde verkiezingsnederlaag, sinds het afsluiten van een regeerakkoord met de VVD, op rij binnen en deze overtreft alle records. Niet eerder heeft een politieke partij in ons land in een keer zoveel zetels verloren.

Partijcultuur, tegenspraak en zelfreflectie

Er zijn vele oorzaken aan te wijzen voor deze nederlaag. Het is mij te eenvoudig om dat nu direct te koppelen aan een persoon of personen. Maar er is wel een (mede)oorzaak die ik wil benoemen en dat is de cultuur die de PvdA steeds meer is gaan kenmerken en dat is het vrijwel ontbreken van tegenspraak binnen onze fracties, en ja helaas ook van onze ledenraad. Wij zijn steeds meer een partij geworden waar de (fractie)leden de leider volgen. Het open debat is doodgeslagen. Sterker; wij zijn steeds angstiger geworden om een open debat aan te gaan over onze koers. Binnenkamers gonst het, al vanaf de samenwerking met de VVD, van de kritiek en onvrede maar de leider wordt er niet meer op aangesproken. Tegenspraak is er niet of nauwelijks meer! Door de jaren heen heb ik mij steeds meer verbaasd over dit steeds verder afnemen van de autonomie van de individuele fractieleden. Waar zij eigenlijk de denkkracht van de sociaal democratie zouden moeten voeden, de vertegenwoordigers van een veranderingsbeweging zijn, zien wij dat de meesten van onze gekozen vertegenwoordigers nauwelijks nog zichtbare en markante opinieleiders zijn. Nee, sterker nog, meer en meer is er binnen de PvdA een cultuur ontstaan alsof onze volksvertegenwoordigers ‘werknemers’ zijn in het bedrijf van de PvdA (keurig georganiseerd tot en met ‘functioneringsgesprekken’ en ‘verslagen’). Maar er is meer dan ‘besturen’, en het trouw ‘volgen van de agenda’ van de regering, Het gaat in het parlement ook en vooral om het zijn van volksvertegenwoordiger en dat begint binnen de partij en de fractie die men vertegenwoordigt. Met alle respect voor de goede intenties van de individuele personen, maar democratie begint bij de open dialoog, bij het hebben van samenspraak. Maar het komt niet tot samenspraak als er geen tegenspraak is dan wel indien men niet meer zijn of haar opvattingen ook echt uitspreekt. Goede leiders verdragen tegenspraak en worden daar zelfs sterker van. Het ontbreken van voldoende tegenspraak, van het echt zeggen wat je vindt, het opkomen voor je eigen inhoudelijke opvatting en het daarover met elkaar in debat gaan, is misschien wel de kern van het probleem van de PvdA.

Ik heb het een paar keer opgeschreven. En ik kan niet nalaten om verschillende van deze stukken weer even in het vizier te brengen. Niet om mijn gelijk te halen maar om te illustreren dat wij het steeds minder gewoon zijn gaan vinden om met elkaar het gesprek aan te gaan over de koers die onze leiders uitzetten. Wat heeft gemaakt dat onze partij en fracties zo volgend zijn geworden? Dat wij met elkaar zo volgend zijn?

  1. Het was op 14 juni 2014 dat ik aan de leden van de PvdA – op persoonlijke titel – een essay stuurde dat voortkwam uit de behoefte te doorgronden waarom de PvdA al weer geruime tijd ups-and-downs kende en zich maar niet herstelde. In het essay ‘PvdA staat met transactie-denken haar eigen waarden in de weg, Adri Duivesteijn PDF‘ wordt geanalyseerd wat de mogelijke oorzaken zouden kunnen zijn. Het was een uitnodiging tot een debat hierover.
  2. Na de dramatische verkiezingsuitslag van de gemeenteraad, waar wij o.a. na 100 jaar deelname in het College van B&W van Amsterdam werden weggevaagd, schreef ik op 30 maart 2015 mijn oproep: ‘De verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat‘. Ik deed dit omdat het toch niet zo kon zijn dat de PvdA de ogen bleef sluiten voor de vervreemding die er inmiddels was ontstaan met haar eigen electoraat. Helaas het mocht niet tot enige vorm van zelfreflectie komen.

Kern van mijn gedachte nu, is dat wij bij alle stappen die de PvdA moet gaan zetten, wij ook bij ons zelf moeten afvragen hoe het komt dat wij de kracht van het open debat, van tegenspraak en zelfreflectie zijn kwijtgeraakt. Het is een vraag aan ieder van ons.

Hoe het ook zij. Na deze vernietigende uitslag, de vierde op rij, kan het niet meer zo zijn dat wij nog langer de ogen sluiten. De PvdA heeft haar plicht verzaakt. Zij was niet de vertegenwoordiger die zij tijdens de verkiezingen van 2012 vertelde dat zij zou zijn. Onze kiezers zijn diep teleurgesteld en ik begrijp dat maar al te goed. Er is maar één weg terug en dat is back to the roots van de sociaal democratie, afstand nemen van de invloed van het neo-liberale of progressief liberaal gedachtegoed binnen de PvdA en wegblijven van technocratische oplossingen (ruiltransacties als middel). Wij zijn primair volksvertegenwoordigers die er namens hun achterban zitten en dat ook beschouwen als hun centrum van de wereld. Het inbrengen van dat belang in de dynamiek van het parlement en in het beleid van de regering daar gaat het om. Een veranderingsbeweging als de PvdA, is inhoud geven aan een strijd die verder gaat dan het dagelijks bestuur (hoe verstrekkend dat ook kan zijn)!

Hoe nu verder?

De weg omhoog, veranderingsteam gewenst

De Tweede Kamerfractie moet vanaf nu haar eigen verkiezingsprogramma in haar handelen betekenis geven. Ik denk dat wij dat heel goed aan Lodewijk Asscher over kunnen laten.

Maar het echte herstel van de sociaal democratische beweging zal binnen de vereniging moeten gaan plaatsvinden.

Beter dan te praten over individuele personen (voorzitter wel of niet weg) is het gesprek op gang te brengen in de richting van hoe het herstel direct en positief kan worden opgepakt.

Hoe en wie?

De neergang van onze partij is inmiddels zo groot en het verlies zo dramatisch dat echte radicale stappen nodig zijn. Een veranderingsteam, een driemanschap of een kwartet, zou een eerste stap kunnen zijn naar herstel van onze vereniging en het sluiten van de rijen.

Zij zouden een inspirerende motor kunnen vormen die de partij weer van onderop betekenis kan gaan geven. Dit veranderingsteam zou de speciale  opdracht moeten krijgen om de PvdA als sociaal democratische politieke vereniging op onorthodoxe wijze weer ideologische diepgang en dynamiek te geven, de banden aan te halen met de vele veranderings- en vernieuwingsbewegingen in onze samenleving en samen met andere linkse partijen te werken aan een progressief bondgenootschap.

De beste proeftuin voor een terugkeer van de PvdA in het centrum van de politiek is het lokale niveau. Daar, van onderop, moet de PvdA zich opnieuw gaan uitvinden. Hoe? Door ons te verbinden met, en herkenbaar van betekenis te zijn voor, onze achterban. Onze inzet? Een verbonden samenleving! Alleen daarin ligt de weg naar herstel van de sociaal democratie open.

Adri Duivesteijn – 17-03-2017