Het begin van een idee

Zoals velen ben ik altijd gefascineerd geweest door de oorsprong der dingen. Dat geldt voor de natuur, waar leven vaak ontstaat uit een simpel zaadje. Op het eerste oog nauwelijks zichtbaar, maar naarmate het groeit eist het z’n plek, z’n ruimte in de omgeving op. Maar deze groei is vanuit de natuurkunde te duiden. Mijn fascinatie gaat meer uit naar de menselijke geest, die aan de basis ligt van gedachten die telkens weer worden omgezet in betekenisvolle daden. Hoe komen al die gedachten tot stand? Wat zijn de achterliggende mechanismen? Wat maakt dat mensen het vermogen hebben om creatief te zijn, en daarbij gebruik te maken van de middelen die er zijn? Voor mij blijft het een groot mysterie. Neem muzikanten: hoe lukt het hen om oneindig te variëren, om steeds nieuwe composities te maken?

Hoe ontstaat een idee?

Vaak ís het er gewoon, en gaat de bedenker er in de praktijk mee aan de slag. In de architectuur is het ontstaan van een idee soms wat beter te herleiden. Daar zien wij vaak dat kleine eerste schetsjes, met pennenstreken op een kladblok gemaakt, kunnen uitgroeien tot échte gebouwen, die weer onderdeel worden van het stedelijk leven en daarmee van ons collectieve geheugen. Vervolgens is het voor velen vanzelfsprekend dat deze gebouwen er staan of bestaan, maar ik realiseer mij altijd weer dat de stad ook een andere vorm had kunnen krijgen. Het boekje ‘Nooit gebouwd Nederland’ van Cees de Jong en Cees Nooteboom laat mooi zien hoe Nederland óók had kunnen zijn als er andere keuzes waren gemaakt, en ook de vele architectuurprijsvragen leid(d)en tot een rijkheid aan plannen die onze steden stuk voor stuk een ander uiterlijk hadden gegeven. De realiteit is dat het merendeel van de schetsen en beschrijvingen in het archief belandt, alsof ze nooit hebben bestaan.

In mijn fascinatie door de oorsprong van ideeën heb ik mij ook vaak afgevraagd hoe dat nu bij mij persoonlijk zit. Hoe kom ik zelf tot ideeën en gedachten, en hoe handel ik zodanig dat deze ideeën en gedachten uiteindelijk ook gerealiseerd worden? In deze zoektocht ben ik tot de conclusie gekomen dat het vaak een combinatie is van het (moeten) oplossen van een vraagstuk zonder dat een natuurlijke oplossing voorhanden is, en het hebben van de mogelijkheden om zelfstandig te kunnen handelen. Het is die combinatie die maakt dat er een druk ontstaat, die je als het ware dwingt om te komen tot oplossingen die misschien niet direct voor de hand liggen, maar waar tegelijkertijd een soort van vanzelfsprekendheid vanuit gaat. Op zo’n moment lijkt alles bij elkaar te komen, en is er sprake van een kantelpunt.

Het Haagse Stadhuis

Het Eerste Idee 22 23 mei 1986 (1)Voor mij was de vaak wat schertsend genoemde ‘brainwave’ om te komen tot een stadhuis in het hart van Dan Haag – op dat moment een volstrekt verpauperd gebied – zo’n kantelpunt. Het ontstaan van het idee staat beschreven op pagina 11 t/m 20 van het boek ‘Het Haagse Stadhuis, bouwen in een slangenkuil’, dat ik in 1994 in samenwerking met Fred Feddes schreef. Op deze pagina’s vertel ik hoe het Haagse College van Burgemeester en Wethouders – het eerste progressieve college, met een minimale meerderheid van één zetel – in mei 1986 pauzeerde tijdens de eerste retraite. We zaten op een terras aan zee in Kijkduin en raakten met elkaar in gesprek over hoe om te gaan met de afbouw van het stadhuis aan het toenmalige Burgemeester de Monchyplein. Als wethouder Stadsvernieuwing en Ruimtelijke Ontwikkeling was ik (nog maar net) eindverantwoordelijk voor de uitvoering van deze opgave, maar in planologisch opzicht stond ik er helemaal niet achter. De besluiten waren echter al genomen en de bouw was symbolisch al begonnen. Op het terras reageerde ik, al mopperend: “Nu moet ik verdomme dat kloteplan van Ellerman nog uitvoeren – terwijl ik er tegen ben en er in de binnenstad geen geld is om iets van de grond te krijgen, maar er wel grond braak ligt aan het Spui.” Mijn reactie bleek niet vrijblijvend. Direct na deze uitspraak voelde ik een koorts opkomen; het begin van een idee was geboren. Het zaadje voor een radicale verandering was geplant, en eiste vanaf dat moment z’n eigen plek, z’n eigen ruimte op. Vervolgens kon ik, letterlijk en figuurlijk, niet anders dan zoeken naar manieren om het onmogelijke mogelijk te maken; om het genomen raadsbesluit terug te draaien en opnieuw te beginnen met een béter stadhuisplan.

De Zweedse politicus Olof Palme zei ooit dat politiek “een kwestie van willen is”, en dat is voor mij altijd een leidraad geweest. De ideologie, de visie en opvattingen van een politicus doen ertoe. Hij of zij kán het verschil maken, als de wil er maar is. Cruciaal daarbij is dat je kansen grijpt wanneer die zich voordoen, dat je het moment beetpakt, dat je goede gedachten weet te vertalen in concrete activiteit(en). Nu was er zo’n moment waarop je als bestuurder echt het verschil kan maken. Maar zet je je gedachten dan ook in daden om? En hoe gaat dat dan? Hoe vind je nieuwe wegen die maken dat een idee ook tot actie leidt? Ik zocht naar een vorm. Nog tijdens de retraite schreef ik mijn voorstel uit om een denkpauze in te lassen; zie hier mijn eerste aantekeningen die ik toen maakte. Wat ik er in retrospectief vooral bijzonder aan vind, is dat de aantekeningen zo goed inzichtelijk maken dat op dat ene moment alles bij elkaar kwam. Het was een bijna magisch moment, een moment waarop alles zich uitkristalliseerde. Ik kreeg met mijn gemopper plotsklaps vat op een idee, dat in de uitvoering zou (kunnen) leiden tot een reeks van veranderingen in de binnenstad.

Het mooie van mijn aantekeningen – en ik probeer dat in alle bescheidenheid te zeggen – is dat de gedachten nog voor de ‘kleine eerste schetsjes’ uitgaan, in dit geval geen architectonische maar een politieke schets. Het laat zien hoe politieke keuzes tot stand kan komen, en dat de rol van een politicus scheppend kan zijn. In die zin is er wel degelijk een parallel te trekken tussen architecten en politici. De eerste geeft met z’n schetsen richting aan de ontwikkeling van een gebouw, een buurt, een wijk of een stad; de tweede geeft met z’n visie of toekomstbeelden richting aan de ontwikkeling van de samenleving. In beide gevallen begint het met de gedachte, met het uitschrijven of -tekenen van de contouren; vervolgens is er de keuze om het bij deze papieren werkelijkheid te laten, of er concreet mee aan de slag te gaan.

Met de aantekeningen die ik tijdens de retraite maakte koos ik voor het laatste; om daadwerkelijk een plek te creëren in de binnenstad, in fysieke en mentale termen, waarbij het stadhuis en de bibliotheek de middelen werden om het centrum terug te geven aan de stad en haar inwoners.

Wat ik in alle eenvoud wil zeggen is dat politiek ertoe doet, dat de keuzes van politici van invloed zijn op het dagelijks leven van zoveel mensen – nu en later. Voorwaardelijk is dat hij of zij een opvatting heeft, en de doorzettingskracht om alle oorspronkelijke ideeën ook tot uitvoering te brengen. Maar misschien is dat van later zorg. Laten we beginnen met de (h)erkenning van het idee, en het bewustzijn dat ieder idee werkelijkheid kan worden en verschil kan maken. Oefen daarmee, zou ik tegen iedere politicus willen zeggen. Het enige risico dat je loopt is dat het leuk wordt.