Een eerste reactie op het eindrapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties

B1NLuaMIIAEkAZ5Veel vertegenwoordigers van woningcorporaties en huurdersorganisaties zullen hebben uitgekeken naar de presentatie van het eindrapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties. Dit rapport is immers medebepalend voor de toekomst van deze sector. Hoe groot is de aanklacht, wie zullen er verantwoordelijk worden gehouden, wat zal de toekomst zijn? Is dat een kleine sociale huursector, die is teruggebracht tot sec de doelgroep? Komt er een democratisering van de sociale huursector, waardoor de huurders écht in beeld komen of zal de marktwerking nog verder worden doorgevoerd? Het zijn vragen die de sociale huursector nu al lange tijd bezig houden, en op 30 oktober was het dan zover.

Voor sommigen is het niet alleen een actueel maatschappelijk vraagstuk, maar betreft het de eigen existentie. Dit zijn personen die, in de afgelopen twintig jaar, veel invloed hebben gehad op de structuur van de sociale huursector, en ze zijn er (mede)verantwoordelijk voor dat deze sector het draagvlak binnen de Nederlandse politiek is kwijtgeraakt. Zelf heb ik één van de personen die een dominante rol heeft gespeeld in het publieke debat over de volkshuisvesting. Voor mij vertegenwoordigt de presentatie van het rapport van de Enquêtecommissie dan ook een terugblik op mijn eigen inbreng; het is als een spiegel van mijn eigen inzet, en roept voor mij de vraag of ik mijn tijd – in mijn werkzame leven – wel goed heb besteed.

B1NLuZyIAAAwR4nIk moet zeggen dat de commissie een buitengewoon leesbaar eindrapport heeft afgeleverd, met hele scherpe en helder geformuleerde conclusies. Hoewel ik van mening ben dat de toon en vraagstelling van de commissie tijdens de verhoren vaak te moralistisch is geweest – zelf zou ik waarheidsvinding een meer centrale rol hebben gegeven – moet ik zeggen dat het rapport weliswaar hard is in z’n oordelen, maar heel nadrukkelijk niet over the top is. De harde conclusies lezen eerder als een nuchtere vaststelling van wat zo’n beetje iedereen inmiddels heeft verinnerlijkt: dat de corporatiesector zich heeft vervreemd van haar publieke taak, en haar eigen huurders daarmee in feite in de steek heeft gelaten. Waar de relatie tussen politieke partijen en de sociale huursector vroeger (te) innig was, is die vervreemding nu zo groot geworden dat niet één politieke fractie zich nog met deze sector identificeert. Dat op zich is al een dramatische conclusie; wij praten immers wel over een publieke sector, die het welzijn van de lagere inkomensgroepen beslissend kan beïnvloeden.

Het rapport is politiek gesproken buitengewoon intelligent en realistisch. Naast het snoeiharde oordeel en het feit dat – natuurlijk – iedereen de schuld krijgt, manoeuvreert het op een vernuftige manier door het politieke mijnenveld. In grote lijnen komt het op het volgende neer: iedereen krijgt de schuld, de commissie constateert dat het gehele woonstelsel aan een vernieuwing toe is en geeft daarvoor drie richtingen aan, erkent dat dit te gecompliceerd is en beperkt zich tot het aanscherpen van het bestaande stelsel door een reeks van straffe maatregelen – om met experimenten vervolgens de deur weer open te zetten voor experimenten met een nieuw stelsel. De kritische lezer kan daaruit opmaken dat de commissie de echte discussie – de ideologische herpositionering van het woonstelsel – voorlopig heeft geparkeerd. Dat maakte voor ieder individueel commissielid de weg vrij om het huidige stelsel heel pragmatisch aan te scherpen. Dat deze correcties dienend kunnen zijn aan een meer fundamentele verandering van de corporatiesector, maakt het nog wat pikanter. Bijvoorbeeld door te benadrukken dat de sociale huursector zich moet beperken tot haar kerntaken en de doelgroep van beleid, zegt de commissie eigenlijk: ‘doe een fors deel van de sociale huurwoningen de deur uit’. Door het werkgebied van de sociale huursector te beperken, wordt er feitelijk ruimte gecreëerd voor een dominante rol van de markt. Anders gezegd: de discussie waar ik in de afgelopen decennia onderdeel van ben geweest is niet ten einde. Nee, met dit rapport krijgt het discours juist een nieuwe impuls. En dat is goed. Want hoewel geen enkele politieke partij zich meer met de sociale huursector identificeert, is de toekomst ervan maatgevend voor de inrichting van onze samenleving. Is dat een woonstelsel dat door de markt wordt gedomineerd, blijft de sturing bij het middenveld, of krijgen de burgers zelf meer zeggenschap? Het zijn verschillende concepten van de ideale samenleving. Ik voorspel dat het komt tot een sterk ideologisch debat tussen de sociaaldemocraten en liberalen, die hierover echt tegengestelde opvattingen hebben, over de toekomst van ons wonen. Die strijd zal z’n weerslag krijgen in de politieke programma’s. Maar in the meantime heeft de politiek zich – door het aantrekken van de kaders van het bestaande stelsel, en het zo onder controle krijgen van een publieke sector die politiek was ontsnapt – de rust gegeven in het dagelijkse parlementaire werk.

Het rapport heeft voor mij ook een wat bittere, misschien zelfs wat cynische kant. Vanaf het moment van het voornemen tot verzelfstandiging, heb ik in tal van debatten immers aangedrongen op een verantwoording van de sociale huursector in een uitgebalanceerd woonstelsel. De koepelorganisaties waren hier fel op tegen. Eindelijk konden zij onder het juk van de overheid uit, en het ideaal werd het fenomeen van de zelfregulering. Het CDA, in die tijd dominant in het politieke veld, had als principiële opvatting dat het maatschappelijk middenveld zich als geëngageerd ondernemer moesten ontwikkelen; de overheid behoorde daarbij op afstand te staan. Veel van de voorstellen heb ik zelfs letterlijk gedaan. Zo werd in 1994 in een reeks van moties vastgelegd dat er een stelsel zou worden geïntroduceerd, dat moest leiden tot werkelijk controleerbare prestatieafspraken tussen gemeenten en woningcorporaties. Daarnaast sprak de Tweede Kamer zich uit voor de oprichting van een ‘onafhankelijk instituut voor het financieel toezicht op de woningcorporaties’. Maar de praktijk was weerbarstig. De invloed van de toenmalige koepels van de woningcorporatie was zo verweven met de verschillende politieke partijen, dat een werkelijk gemeenschappelijk optreden vanuit de Kamer niet echt van de grond kwam. Het meest extreem kwam dat tot uitdrukking toen ik in februari 1995, net na de goedkeuring van de verzelfstandiging, mijn initiatiefvoorstel voor een Wet op het overleg huurders/verhuurder indiende – geënt op de wet op de ondernemingsraden. Het was alsof ik een revolutie voorstelde. De tegenstand vanuit de woningcorporaties was zo massaal, en de invloed van de huurders – die alleen maar oog zouden hebben voor het eigen belang , te weten lage huren – werd tot op grote hoogte gedramatiseerd. De werkelijke reden was dat de sector geen controle van onderop wilde; de eigen huurders waren niet langer bondgenoot, maar vijand. Vrijwel ieder politiek debat werd op de achtergrond sterk beïnvloed door de lobby van de sociale huursector. En door de zeer sterke personele verwevenheid was deze lobby in ieder geval in staat de politiek verdeeld te houden. Uiteindelijk lukte het mij om een sterk vereenvoudigde Wet op het overleg huurders/verhuurder door de Eerste Kamer te halen. Succes, maar het resultaat was dat de bottom-up controle beperkt bleef.

In het eindrapport van de Enquêtecommissie wordt nu het voorstel gedaan om de rechten van de huurders te versterken, naar analogie van – geloof het of niet – de Wet op de ondernemingsraden. Een geweldige aanbeveling, maar er zijn t w i n t i g jaren verloren gegaan. De sociale huursector is in die tijd dramatisch ontspoort, en de prijs van het ontbreken van checks and balances loopt in de miljarden, en heeft de prestige en het imago van de sector te grabbel gegooid.

Tot slot is het merkwaardig dat iedereen, dus ook de commissie, voorbij gaat aan het feit dat wij een systeem hebben waarin het falen van de afzonderlijke woningcorporaties wordt afgewenteld op de sociale huursector als geheel. Dat lijkt rechtvaardig, maar dat is dat geenszins. De sociale huursector bestaat namelijk niet; wel zijn er 2,4 miljoen huishoudens, waarvan een zeer groot deel met een heel laag inkomen, die het miljardenverlies uit eigen zak moeten betalen. Door een opgelegde solidariteit moeten alleen de huurders boeten voor het mismanagement van de bestuurders in corporatieland. En dat terwijl zij geen enkele invloed konden en kunnen uitoefenen op de gedragingen van al deze veroorzakers.

Het kan verkeren. De veroorzakers zelf worden ongemoeid gelaten. Bestuurders van een publieke sector kunnen op een dramatische wijze falen, daar even de schouders over ophalen, en vervolgens overgaan tot de orde van de dag. Ik vind dat onvoorstelbaar. Hoe hebben wij onze rechtstaat zo kunnen inrichten?

Mij voorlopige conclusie is dat de sociale huursector eindelijk terugkeert naar waar zij thuis hoort, en dat is binnen de kaders van een publiek woonstelsel. Daarvoor wordt er een veelvoud van herstelmaatregelen getroffen, en dat heeft de Enquêtecommissie knap gedaan. Het rapport biedt werkelijk openingen om (nu wel) gezamenlijk politiek op te treden tegen een sector die is ontspoord, en te zorgen dat die sector weer bij z’n leest blijft. Maar ik voorspel tegelijkertijd dat het grote debat – de echt ándere toekomst van de sociale woningsector – nu pas gaat beginnen. De commissie heeft vandaag gesproken, morgen vormt het parlement het speelveld. De sociale huursector blijft speelbal van de politiek, is mijn stellige overtuiging, totdat het wordt opgeslokt door de markt óf er een echt wooncoöperatiestelstel komt, opgebouwd door de burgers zelf. Pas dan is er weer hetzelfde draagvlak als bij de oprichting van ons sociale woonstelsel. Het debat is begonnen; ik ben er in ieder geval klaar voor. Met de Wooncoöperatie heb ik een voorzet gedaan, gericht op het behoud van een werkelijk sociaal woonstelsel, voor en van de mensen die het aangaat.