Categorie archief: Publicaties

A political context: Siza and the Punt-Komma

‘Architecten die zich vriendelijk opstellen tegenover bouwteams en vooral de wensen van die bouwteams willen uitwerken, dienen gemeden te worden. Voorkeur verdient die architect die eigen opvattingen over haar/zijn vak heeft en die de discussie aangaat. Ga conflicten juist niet uit de weg, los niet alles op door onderhandelen. Kies de uitdaging!’

(Campagne Stadsvernieuwing als Kulturele activiteit, 1985)

Siza meets The Hague friends

Alvaro Siza op 12 maart in de Schilderswijk in Den Haag; eten met een filmploeg uit Portugal.

In de tweede week van maart van dit jaar bezocht Alvaro Siza zijn woningbouwprojecten die hij in 1984 in Den Haag heeft gerealiseerd. Meer dan dertig jaar geleden gebouwd en zijn projecten staan er nog steeds spic en span bij. Het bijzonder aan deze woningbouwprojecten zit hem in het feit dat Siza in Den Haag de stadsvernieuwing deed kantelen. Hij liet zien dat ook sociale woningbouw onder architectuur gebouwd kon worden, dat de plattegronden wel degelijk een specifiek antwoord kon geven op de verschillende leefstijlen (waaronder mensen met een islamitische achtergrond) die er toen al in de Schilderswijk waren. Tevens liet Siza zien dat een totale sloop van de wijk en het opnieuw beginnen een fundamentele fout was. Nee, ook bij sloop dient de bestaande structuur van de wijk gerespecteerd te worden. Siza liet ons zien dat ‘traditie en vernieuwing’ in de stadsvernieuwing essentieel zijn. Respecteer de oude wijken zoals ze zijn, borduur er op voort en moderniseer ze binnen die gegroeide context.  Met Siza heeft de nieuwe aanpak van de stadsvernieuwing als een culturele activiteit zijn betekenis gekregen. Onderstaand artikel heb ik geschreven ten behoeve van de catalogus voor een tentoonstelling die gemaakt wordt over het werk van Alvaro Siza in Berlijn, Den Haag, Porto en Venetië. Ik beschrijf erin hoe ik tot de keuze voor Alvaro Siza ben gekomen. 

A political context: Siza and the Punt-Komma

Mei 1968: op de Sorbonne, de Universiteit van Parijs brak een studentenopstand uit die al snel zou overgaan in een algemene staking over heel Frankrijk. En het was niet alleen Parijs waar in dat jaar de veranderingen zich aankondigden. Het is ook het jaar van de opkomst en de neergang van de Praagse Lente. Het jaar waarin de verdeeldheid over de zin en de onzin van de Vietnamoorlog in volle omvang de wereld zal gaan beheersen. Het jaar waarin hoop en vrees elkaar afwisselende. Hoewel ik, in die tijd nog net geen 18 jaar, niet in alle opzichten doorgrondde wat er gaande was, voelde ik wel aan, dat hierachter het verzet schuilging tegen het zittende gezag en dat dit voor een kantelpunt in de naoorlogse geschiedenis zou kunnen gaan zorgen. Hier keerden generaties, onafhankelijk van etniciteit, cultuur, klasse en leeftijd, zich meer en meer tegen de ordening van de oude, conservatieve maatschappij met haar moralistische idealen op vlak van religie, patriottisme en respect voor autoriteit. In feite was het de opkomst van de autonome burger, vrijgemaakt van de ‘ketenen, van een verzuilde samenleving’ ten gunste van een meer progressieve maatschappij die individualisme en meer sociale vrijheid voorstond. 1968 zou ook voor de Schilderswijk in Den Haag een bijzonder jaar worden. Het is de wijk waar ik ben opgegroeid. Hier werd ik mij gaandeweg steeds bewuster dat de woon- en leefomstandigheden er helemaal niet normaal waren. De Schilderswijk, bekend als de grootste arbeiderswijk van Nederland (45.000 inwoners), had zijn oorsprong in de snel toenemende vraag naar goedkope huizen. Het inwonertal van Den Haag zou tussen 1875 en 1900 van circa 100.000 oplopen tot boven de 200.000. Stadsuitbreiding was nog niet of nauwelijks een echt publieke taak, met als gevolg dat de ordening van de wijk door het gemeentebestuur vrijwel geheel werd overgelaten aan het particulier initiatief. En voor deze, vaak door speculatie gedreven investeerders, stond vooral de winstmaximalisatie centraal. De publieke ruimte beperkte zich tot een stratenpatroon, dat bestond uit een eentonige reeks smalle en langgerekte straten waarin de hoofdstraten nauwelijks onderscheidend waren en pleinen, groenvoorzieningen dan wel speelgelegenheid, vrijwel ontbraken. De ondiepe binnenterreinen werden volgebouwd met hofjeswoningen en werkplaatsen. Het is deze oorsprong die de Schilderswijk altijd heeft achtervolgd. Ik weet eigenlijk niet beter dan dat er altijd wel sprake was van verpaupering. Zo waren dichtgespijkerde onbewoonbaar verklaarde woningen geen uitzondering, werden er delen van de wijk gesloopt en lagen de daaruit volgende braakliggende terreinen er jaren achtereen verwaarloosd bij. Wat ook niet hielp, was de opvatting van het gemeentebestuur. Die had in 1953 een gemeentelijke ‘Saneringsnota’ uitgebracht, waarin grote delen van de Schilderswijk voor sloop werden aangewezen. Een direct gevolg hiervan was, dat iedere investeerder, en dat gold niet alleen de vele kleine particuliere huiseigenaren, maar ook de gemeentelijke diensten, wisten dat geld uitgeven voor onderhoud en beheer in deze volkswijk niet meer lonend was. Het zou tot 1968 duren, voordat het gemeentebestuur haar plannen voor de toekomst voor de nieuwe Schilderswijk ontvouwde met de eufemistische titel ‘Van Grijs naar Groen’. Geheel overeenkomstig de beginselen van de CIAM zou de oude Schilderswijk plaats maken voor het moderne wonen. Flats in het groen zouden het gezicht gaan bepalen. Het plan sloeg in als een bom. Van Grijs naar Groen maakte in een klap duidelijk hoe het gemeentebestuur naar haar eigen inwoners keek. Niet alleen de Schilderswijk zou grotendeels verdwijnen, maar ook de zittende bewoners waren in de nieuwe wijk niet echt welkom. Opnieuw zouden de huren zo hoog zijn dat er voor de Schilderswijkers niets anders op zat dan ‘voor de bezem van de sanering uit’ te gaan naar een volgende oude wijk. 1968 werd daardoor ook het jaar van het verzet in de Schilderswijk. De Actiegroep Betaalbare Huren zette met een ‘zwarte vlaggen dag’ de toon van het verzet. De gemeentelijke plannen moesten van tafel en de huren van de nieuw te bouwen woningen zouden betaalbaar moeten zijn. Zelf sloot ik mij dat jaar aan bij de Jongeren Aktiegroep Schilderswijk (JAS). Een groep jongeren die zich de gedragingen van de vele speculanten aan de kaak stelde die zich verrijkten aan de woningnood onder migranten. Richtte eind 1970 de wijkkrant De Schilderswijker op en melde mij aan als lid van de sociaal democratisch partij, de PvdA.

April 1974: de spanning die ik bij de ‘mei 68’ revolte Parijs en Frankrijk ervoer, werd op 25 april in Portugal overtroffen door de sensatie van een geweldloze militaire staatsgreep die een einde maakte aan de fascistische dictatuur van Marcello Caetano. Vooral politiek wilde ik doorgronden wat er in Portugal gaande was. In de zomer van 1975, ik was net lid geworden van de gemeenteraad van Den Haag, reisde ik naar Portugal af om met eigen ogen te gaan zien wat de betekenis van deze verandering in het land zelf zou zijn. Al reizend met een Citroën Deux Cheveaux ging ik door het land het gesprek aan met architecten, gemeentebestuurders en wijkbewoners van wijken die enigszins te vergelijkbaar waren met die van de Schilderswijk. Het zou voor mij een verrassende kennismaking zijn met het programma van SAAL (Local Ambulatory Support Service). Waar in Den Haag de stadsvernieuwing nog vooral een gemeentelijke activiteit was, waar de bewoners nog maar spaarzaam een echte stem in hadden, leken hier de rollen omgedraaid. Zo had the secretariat of State for Housing and Planning, led by Architect Nuno Portas via het SAAL-programma van bovenaf verordonneerd dat er een programma moest komen voor ‘the urgent housing needs of underprivileged communities across the country’.(…). and ‘that the communities for which this new housing was intended would be involved in the design process through their direct participation’. Top Down werd hier voorgeschreven dat er in het Portugese stadsvernieuwingsprogramma ‘Bottom Up’ moest worden gewerkt. Voor mij werd Portugal daardoor een inspiratiebron en het is dan ook op deze reis dat ik besloot om terug te keren naar Portugal op het moment dat de Anjerrevolutie haar tienjarig bestaan zou gaan vieren.

1984: voornemens? Hoe vaak komt het niet voor dat je jezelf iets voorneemt, maar op het moment dat het zover is de actualiteit het wint van de goede voornemens? Er was in die tijd ook alle reden om af te zien van de reis naar Portugal. Op 3 november 1980 was ik vrij onverwacht door de gemeenteraad gekozen tot lid van het College van Burgemeester en Wethouders en werd verantwoordelijk voor de stadsvernieuwing in Den Haag. Mijn benoeming was atypisch. Een wijkbewoner uit de Schilderswijk met een nadrukkelijk actieverleden kreeg nu de volle verantwoordelijkheid om de vernieuwing van de oude wijken. Zelf zag ik het als een unieke kans om mijn idealen voor een andere stadsvernieuwing, maar nu als dagelijks bestuurder, nu ook echt zelf vorm en inhoud te kunnen geven. Ik liet dan ook geen moment verloren gaan. Binnen twee maanden lag er een compromis voor een ander verkeersplan waardoor de oude wijken van doorgaand verkeer werden gevrijwaard en er een begin kon worden gemaakt met het herstel na decennia van verpaupering gekend te hebben. In diezelfde tijd werd de projectorganisatie Stadsvernieuwing opgericht en konden wij samen met de bewoners van de stadsvernieuwingswijken aan de slag. Voortaan waren de bestaande oude wijken het uitgangspunt van beleid. Van binnenuit zouden ze worden vernieuwd met als beginsel ‘het bouwen voor de buurt’. In alle wijken werd de draad weer opgepakt en met nieuw elan begonnen gemeente, wijkbewoners en woningcorporaties samen aan een nieuwe periode voor de stadsvernieuwing. Het was de tijd waarin voornemens en plannen werden omgezet in concrete bouwplannen. Er werd weer volop gebouwd. Wat kon er nu nog verkeerd gaan?
‘Schilderswijk wordt getto’
Terwijl de trein van de stadsvernieuwing volop in beweging was gekomen, de nieuwbouw als vanzelfsprekend uit de steigers kwam, de verpaupering was afgenomen en de leefbaarheid zichtbaar verbeterde, nam paradoxaal genoeg de onvrede in de ouwe wijken toe. Met name in de wijkkrant De Schilderswijker, de krant waarvan ik ooit zelf de oprichter was, wordt de kritiek op het beleid snoeihard geformuleerd. Aanvankelijk richtte de kritiek zich nog op het te radicale sloopbeleid waardoor er per saldo toch een gehele nieuwe wijk zou gaan ontstaan. Maar steeds duidelijker werd dat achter de onvrede iets fundamenteler schuilging. De wijkkrant vertolkte, misschien wel als eerste in Nederland, het gevoelen dat door de veranderingen in de bevolkingssamenstelling het oorspronkelijke karakter van de oude wijken en de daar heersende waarden en normen onder druk kwamen te staan. ‘Bedankt Duivesteijn en van Otterloo: Schilderswijk wordt getto’ kopte de wijkkrant de Schilderswijker in april 1984. Volgens de redactie kozen ‘steeds meer ‘Schilderswijkers in hart en nieren’ (…) ‘bij de keuze tussen behoud én verbetering of sloop én nieuwbouw vóór sloop van hun dierbare en bovenal goedkope woningen ‘om maar uit de rotzooi te zijn’. Sloop geeft je tenminste het recht op een woning in een andere buurt’. Plotseling kreeg het beginsel ‘bouwen voor de buurt’ ook een andere inkleuring namelijk die van een ‘ongewenste’ bevolkingssamenstelling. Zo was in de Schilderswijk het aantal migranten inmiddels naar zo’n 46% opgelopen. Nu werd duidelijk dat bij de autochtone vertegenwoordigers van de buurt er de verwachting was dat met de vernieuwing van de oude Schilderswijk de vertrouwde buurtcultuur zou worden gerehabiliteerd. Echter veel oorspronkelijke Schilderswijkers kozen echter voor een vertrek uit de wijk. Allochtonen grepen de stap naar de vernieuwde wijk juist aan als een substantiële verbetering van hun woon- en leefsituatie. De redactie van de wijkkrant vond dit een verkeerde ontwikkeling en hield een pleidooi voor een spreidingsbeleid. Persoonlijk, maar ook principieel zag ik daar helemaal niets in. Voor mij was het per definitie zo dat wanneer je uitgaat van een zittende samenleving je daarin geen onderscheid maakt in etniciteit, cultuur en klasse. Dat mensen in een wijk en buurt wonen brengt per definitie een eigen geschiedenis met zich mee. Samen vormen mensen een community, dan wel staan zij voor de taak om samen een community te vormen. En ja, ik geloofde erin dat mensen met elkaar in staat zijn om hun eigen situatie te verbeteren. Bovendien ging het hier om een migratie die los van de stadsvernieuwing overal plaatsvond in Europa en het zou het dus eerder de vraag moeten zijn hoe wij binnen de stadsvernieuwing in het beleid er ook echt rekening mee zouden kunnen houden. Dat was mijn inzet en ik had geen reden deze opvatting te herzien. Maar de kritiek ging ook niet langs mij heen. Ook ik was ontevreden over de resultaten van het toch door velen met zoveel enthousiasme uitgevoerde beleid. Mijn kritiek echter zat meer in de hardware van de stadsvernieuwing. Gaandeweg was mij duidelijk geworden dat ook de stadsvernieuwing een machine was, waarin vooral het verdienmodel centraal stond. Eigenlijk moesten wij vaststellen, dat de stadsvernieuwing vooral een kwantitatief productieproces was waarin de gevestigde belangen van woningcorporaties, aannemers en architectenbureaus diep verankerd waren. In de naoorlogse wijken hadden deze partijen een monopoly. Bewoners waren er immers nog niet. Het was dus vooral een productieproces van bovenaf. In de stadsvernieuwing was dat anders. Hier zaten de bewoners aan tafel en moest men wheelen en dealen. En dat ging eigenlijk geruisloos. Schijnbaar moeiteloos integreerde de bouwwereld het participatiemodel. Toch klopte er iets niet. En met de oplevering van de eerste concrete resultaten werd zichtbaar waarom dat zo was. Want waar in alle steden buurtbewoners met ambtenaren, woningcorporaties en architecten avondenlang gebogen zaten over de nieuwe plannen voor de wijk bleek in de harde realiteit, dat veel van de uitkomsten van dit overleg leidden tot precies dezelfde bouwplannen! Hoezo zeggenschap, hoezo aansluiten bij de buurt, hoezo rekening houden met de buurtcultuur? In hoge mate bleek het overleg fake te zijn. Het bleek een rollenspel, waarin alle actoren hun rol speelden maar het resultaat van tevoren al leek vast te staan. De werkelijk invloed van bewoners richtte zich vooral op de betaalbaarheid van het plan. En al snel werd het standaardproduct van de bouwwereld daarvoor het ‘ideale’ bouwplan. Tot mijn teleurstelling moest ik ontdekken dat wij vooral met een productieproces bezig waren maar niet of nauwelijks met de vraag wat de specifieke identiteit van buurten en wijken is en hoe wij daaraan nieuwe betekenisvolle karakteristieken konden toevoegen. Wat zou bij voorbeeld in de nieuwe Schilderswijk met de tegenwoordige bevolkingssamenstelling de nieuwe buurtcultuur moeten of kunnen zijn? Waar hadden deze bewoners echt behoefte aan en welke woningen en wat voor soort openbare ruimte hoort daar dan wel bij? Maar ook de architectuur riep vragen op. Hoe kan het toch dat de oude wijken karakteristieker en betekenisvolle waren dan de vernieuwde wijk? Ik voelde mij steeds ongelukkiger worden met mijn ‘eigen’ beleid. Meer en meer moest ik erkennen dat ik wel een machine had aangezet, maar dat die machine onafhankelijk van het beleid zijn eigen producten produceerde. Dat moest anders. Maar hoe dan? Zeker daar waar sprake is van stedenbouw, is het niet snel aan een bestuurder gegeven, wanneer hij of zij geen vakgenoot is, om daarin leidend op te treden. Vaak intervenieer je op het proces, maar hier ging het om de inhoudelijke keuzes die echt anders zouden moeten. Ik kon niet anders dan doen wat ik als methode vaker had gedaan. En dat was zelf kritiek formuleren, vragen stellen en iedereen uitnodigen met elkaar daarover in gesprek te gaan. Een openbare zoektocht over wat stadsvernieuwing nu werkelijk is, dan wel zou moeten zijn. Voor mij was het in ieder geval duidelijk dat het om een culturele opgave ging. Wanneer wij in staat zouden zijn te ontdekken wat de culturele dimensie zou kunnen zijn, wij ook in staat zouden zijn om specifieker te worden. Een collectieve herbezinning of zoektocht naar de identiteit van de stadsvernieuwing. De campagne ‘Stadsvernieuwing als kulturele activiteit’ was geboren. Ik had geen idee waar wij uit zouden komen.

1984: Porto, mijn ontmoeting met Alvaro Siza
Het was in deze stemming dat ik, samen met PvdA-gemeenteraadslid Jaap Huurman, het vliegtuig nam naar Lissabon om inhoud te geven aan mijn eerdere voornemen om deel te nemen aan de viering van de 10-jarige Anjerrevolutie. Onder mijn arm had ik het architectuurtijdschrift Wonen/TABK, waarin uitgebreid verslag werd gedaan van de resultaten van het SAAL programma. Ik was vooral geïntrigeerd door de opvattingen van Alvaro Siza over de rol van de opdrachtgever. Die opdrachtgever in de visie van Siza was de gebruiker. En die gebruiker identificeerde zich maar al te vaak met beelden die vooral door een commerciële branding waren ontstaan, in plaats dat zij een werkelijke weergave waren van de elementaire behoefte in het wonen zelf. Nee, om er echt achter te komen wat een opdrachtgever wilde moest je, vond Siza, de moed hebben zo nodig ook het conflict te aan te gaan over zijn eigen geformuleerde programma. Dat was nieuw voor mij. Ik ergerde mij vaak aan de mooie verhalen van veel architecten die werkzaam waren in de stadsvernieuwing. Vooral ook omdat zij er met hun eigen werk maar zelden in slaagden om een nieuwe en betere wereld te scheppen. In mijn verontwaardiging zag ik ze vaak als broodwerkers die kritiekloos uitvoerden wat de opdrachtgever, vaak gelieerd aan een vaste aannemer, aan programma meegaf. Zou Siza daarin andere keuzen maken? Mijn nieuwsgierigheid nam toe en ik trachtte dan ook bij mijn collega-bestuurders in Lissabon en Porto zijn adres te achterhalen. Tot mijn verbazing gaven zij niet thuis. Hoe kon het dat zij Siza niet kenden terwijl hij het SAAL-programma van Lissabon en Porto had geparticipeerd, hij in Kruezberg in Berlijn had gebouwd en in Nederland de architectuurtijdschriften over hem hadden geschreven? Met iedere afwijzing nam mijn belangstelling toe. Uiteindelijk fluisterde een mij onbekende persoon mij in dat hij mij na de officiële receptie van het gemeentebestuur naar Siza zou brengen. Bij mij riep het associaties op uit de tijd dat ik in 1969 in Tsjecho-Slowakije in gesprek was met dissidenten. Nog diezelfde dag zou Siza ontmoeten op de faculteit voor architectuur van Porto. Siza, klein, somber gestemd, moeilijk verstaanbaar en duidelijk wantrouwend vroeg waar de belangstelling vandaan kwam. Gelukkig het Wonen/TABK-tijdschrift overtuigde en hij stemde in om de volgende dag zijn projecten in Porto te laten zien. En zo geschiedde. In een klein autootje reed Siza ons die zaterdag door Porto. Hij liet ons de gehele moderne architectuurgeschiedenis zien. We hadden een lunch in Siza’s prachtige restaurant Boa Nova. Maar de woningbouwprojecten van Siza kregen wij maar niet te zien. Ik drong opnieuw aan waarop Siza zijn weerzin uitte maar vervolgens toch instemde om te gaan.

Bouca, Porto Na een dag lang allemaal keurige wijken en woningbouwprojecten in Porto te hebben gezien met een dito toelichting van Siza was ik, eerlijk gezegd, nog steeds niet erg onder de indruk geraakt. Wat ik had gezien kon ik met een beetje goodwill in Den Haag ook vinden. Het waren toch per saldo vooral de naoorlogse wijken met dito moderne woongebouwen. De een mooier dan de ander maar het verraste mij geenszins. Maar achteraf was er geen betere introductie mogelijk op de rol en de betekenis van Siza eigen project. Kennisnemen van architectuur is niet vrijblijvend. Het is net als met kunst, je wordt er wel of niet door geraakt. Maar als je geraakt wordt, dan is het ook regelrecht in het hart en ben je gewonnen zonder dat je direct onder woorden kan brengen waarom. En dat was precies wat mij overkwam toen wij met elkaar het Bouca-project binnen wandelden. Er gebeurde iets met mij. Ik ervoer het als een sensatie. Deze woonwijk, hoewel volstrekt niet af, barste van de energie. Overal was er sprake van activiteit. De trappen stonden vol met groene planten, op de galerij stonden de vrouwen te kijken naar de kinderen die op de niet-geplaveide binnenstraten aan het spelen waren. Mannen liepen heen en weer op de galerij. Hier was leven, hier voelde ik energie en mijn hele dag veranderde. Natuurlijk, ik zag dat het project niet was afgebouwd, dat de houten trappen naar de galerij op een geïmproviseerde wijze waren aangebracht. Maar het straalde optimisme uit, het was formeel maar tegelijkertijd levendig en gevarieerd. Er was sprake van een eenheid, maar ook van een sterke individualiteit. Maar bovenal was het van de mensen. En hoewel niet af, waren de mensen die er woonden trots. Het was hun woning, het was hun buurt. Dat het project om politieke redenen niet was of mocht worden afgebouwd, maakte het voor mij alleen nog maar interessanter. Het project was daarmee in zichzelf al een openbaring van een politiek strijd. En ja, daar herkende ik mijn strijd in voor een andere stadsvernieuwing in Den Haag. Ook daar ging het ook om meer dan een technische operatie. Het gaat er niet om dat oude woningen worden vervangen door nieuwe woningen. Nee, mij ging het om meer. ‘Politiek’ zei Olof Palme, de vroegere premier van Zweden, ‘dat is een kwestie van willen, van iets willen. Sociaaldemocratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren’. Hoe kon de stadsvernieuwing bijdragen aan een fundamentele verandering in de posities van mensen? Hoe kon architectuur bijdragen aan de waardigheid van het dagelijks leven van mensen met een laag inkomen? Hoe konden kinderen opgroeien in een wijk waarin de speelgelegenheid er als vanzelfsprekend was? Dat waren de vragen die mij bezighielden. En hier zag ik dat stedenbouw en architectuur wel degelijk antwoorden konden geven. Ik voelde in Bouca, hier was iets bijzonders gebeurd. Goed, het was niet af, of beter gezegd: het was nog niet af, maar de strijd was gevoerd en bij de bewoners voelde je dat die strijd zou doorgaan. Ik kon niet veel anders dan het werk en de inzet van Siza in zijn Bouca project vertalen naar de impasse in de Nederlandse stadsvernieuwing. Hier stond ik tegenover een architect, die begreep waar het om ging. Hier was ‘an architect able to run participatory experiments’, of ‘his commitment to a dialectical design mode – in which ‘the present ideas of the population’ were integrated into the architectural logic of specialists proposing to operate within the political context offered an advantage in particulary sensitive situations’. (…) Met Siza konden wij de stadsvernieuwing weer opnieuw ‘linked to its characteristics as an experiment in social emancipation en participative democracy’. Voor mij was het duidelijk. Ik zag hier een energie die wij in Den Haag ontbeerden. Die energie, die hadden wij nodig om uit onze impasse te komen. En waar ik steeds enthousiaster werd van het Bouca project, zag ik Alvaro Siza steeds gedeprimeerder worden. Voor hem was het bezoek vooral een confrontatie. Zijn project, zijn idealen, zijn energie die hier net voor de openbaring in de kiem waren gesmoord waren voor hem zichtbaar een pijnlijke herinnering. Maar ik was ervan overtuigd dat met de grondprincipes van SAAL en Alvaro Siza wij in staat moesten zijn om ons eigen stadsvernieuwingsbeleid te herdefiniëren. Hoe, ik had geen idee anders dan het formuleren van de politieke opdracht. Het samen aangaan van de zoektocht maar nu met behulp van de architect die als methode zelf per definitie die zoektocht ook echt maakt. Met Siza zouden wij ons stedenbouwkundig plan kunne herijken, met Siza zouden wij bij de bewoners, dus ook de allochtonen, kunnen nagaan wat hun echte woonwensen zijn en wij zouden met Siza onze nieuwe beginselen voor een culturele stadsvernieuwing kunnen definiëren. Ik kon niet anders dan opgewonden naar huis gaan. Het is geen totaal antwoord maar Siza vertegenwoordigde een mentaliteit, een instelling die nodig was om die zelfvoldane stadsvernieuwingsmachine in Den Haag een schop te geven in de goede richting. Precies vier weken later op 24 mei 1984 schrijf ik Siza en nodig hem officieel uit om te komen werken in de Schilderswijk.

2016: dertig jaar later, de Schilderswijk is allang geen echt stadsvernieuwingsgebied meer. Wel is het nog steeds een volkswijk. Zij het dat het volk niet meer eendimensionaal bestaat uit witte arbeiders met een laag inkomen. Nee, tegenwoordig zijn de Nederlandse steden sterk verkleurt. Zo huisvest Den Haag zo’n 120 culturen, heeft ruim 50% van de inwoners een niet-westerse achtergrond. En heeft de Schilderswijk inderdaad, wat de wijkkrant al voorspelde, maar liefst 93% niet-westerse medeburgers. In zekere zin is de vraag die ik ooit aan Siza formuleerde, om in samenspraak met de zittende bewoners woningen te ontwikkelen die geschikt zijn voor huishoudens met verschillende culturele achtergronden, actueler dan ooit. De woonblokken en woningen van Alvaro Siza staan nog steeds fier overeind en onderscheiden zich in architectuur, ontsluiting en woningplattegronden. Net als het inmiddels afgemaakte Bouca project van Alvaro Siza in Portugal zijn deze projecten in de Schilderswijk kwalitatief superieur, harmonisch ingepast en bovenal zijn zijn woningplattegronden nog steeds een adequate antwoord op de muti-etnische diversiteit van de Schilderswijk.
Wie de echte invloed van Alvaro Siza proefondervindelijk wil ontdekken zou eigenlijk een wandeling in de architectonische tijdslijn van de stadsvernieuwing in de Schilderswijk moeten maken. Zij zullen dan opmerken dat het eerste project, de 444, aan de Hoefkade eigenlijk bestaat uit een aantal CIAM-achtige flatgebouwen die het in een gemiddelde naoorlogse wijk ook heel goed zouden doen. Het tweede project aan de Falckstraat is bouwkundig gelijk aan de 444 maar hier zien wij een sentimenteel spel met bakstenen en quasi schuine daken met dakpannen. De projecten die daarop volgen, zoals Hannemanplantsoen, Van Dijckstraat en Jan de Baenstraat lijken als ufo in de wijk te zijn neergedaald en in de architectuur is er een kakofonie aan onherkenbare uitdrukkingen te zien. In alle opzichten is dit deel van de wijk stedenbouwkundig en architectonisch footlose en wat erger is ronduit armoedig. Pas in het deelgebied 5 waar Siza de supervisie had en onder andere het project De Punt en de Komma is gerealiseerd zien wij dat er weer harmonie is ontstaan. Siza weet als buitenstaander beter dan wie ook de bestaande kwaliteiten van de originele Schilderswijk te herontdekken. Feitelijk rehabiliteert Alvaro Siza hij het originele stratenplan, de strakke gevel, en de portiekontsluitingen. Door vervolgens een slag te moderniseren blijkt hij ineens in staat én het karakter van de bestaande Schilderswijk te behouden én tegelijkertijd de wijk op een zachte en milde manier te moderniseren. En vanaf dit moment zien wij dat in de stadsvernieuwing afstand wordt genomen van de gedachte dat de vernieuwing synoniem is aan opnieuw beginnen als of er in het weiland gebouwd wordt. Nee, na Siza zijn de ‘organisch’ tot stand gekomen historische structuren uitgangspunt bij de vernieuwing van de oude wijken. In het westelijk deel van de Schilderswijk is dat heel goed te zien. Daar is de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur volledig behouden gebleven en is, naar ontwerp van Alvaro Siza, een tweetal woonblokken weggenomen waardoor er leefruimte ontstond voor een ondergrondse parkeergarage, een park en een tweetal unieke Siza-woningen. Het was een enkelvoudig ingreep binnen de bestaande structuur die voldoende is om de wijk weer een nieuwe toekomst te geven. Het is niet overdreven om te stellen dat dankzij de Anjerevolutie, het SAAL-programma, het Bouca-project in Porto en de wijze waarop Alvaro Siza in The Haque inhoud gaf aan de SAAL filosofie: ‘that the communities for which this new housing was intended would be involved in the design process through their direct participation’ ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Activiteit’ vleugels heeft gegeven.

Adri Duivesteijn, Wethouder in Den Haag 1980 – 1989

Circus Marktwerking in het ‘Land van Zorg’: De schijn van keuzevrijheid

Het is weer zover. Wij mogen weer een maandje genieten van Circus Marktwerking in de gezondheidszorg. De duizelingwekkende miljoenen verslindende campagnes denderen weer als een niet te vermijden storm over ons heen. Reclames, rijkelijk betaald uit onze ziektekostenpremies, waar BN’ers die verlegen zitten om een schnabbel, kritiekloos hun medewerking aan geven. Ik zie het voor mij, al die honderden marketeers, die maanden achtereen brainstormend op zoek gaan naar de juiste insteek, wat is de gevoelige snaar?  Hoe vertalen wij dat in een aansprekende, ja aanstekende slogan? En welke BN’er zullen wij die dan doen uitspreken? En, zoals het reclame betaamd rollen de clichés over ons heen, geen kans wordt onbenut gelaten. Vaak gaan de beloften tot in de hemel. Maar ook de notoire onbetrouwbaarheid van de collega-zorgverzekeraar wordt schaamteloos geëxploiteerd. Zo werft het ONVZ met de vraag: ‘Hoe gezond is een zorgverzekering, waar u zich zorgen over moet maken?’. Om te vervolgen met de valkuilen in de polissen van de collega verzekeraars. Een beeld dat wordt bevestigd door de Nederlandse Zorgautoriteit die achterhaalde dat ‘zorgverzekeraars geregeld foute informatie geven over hun polisvoorwaarden en vergoedingen. De strijd om de klant wordt met alle middelen gevoerd. Met de tegenwoordige technologie zijn zorgverzekeraars op basis van uw eigen profiel in staat met een steeds preciezer bombardement van heel gerichte reclames op eenieder af te vuren. Op basis van eerder afgesloten verzekeringen worden op het gênante af de ‘gaten’ gezocht voor de aanbiedingen van specifieke aanvullende verzekeringen. Het wordt steeds duidelijker, wat eens begon als een bundeling van krachten van burgers om zichzelf en elkaar te verzekeren tegen de risico’s van tegenspoed, is een verzelfstandigde geldmachine geworden. Want met alle mooie reclames is het tegenwoordige verzekeringsbedrijf in de kern een beursvloer geworden waarin aan de ene kant de acquisiteurs zitten die de opdracht hebben om zoveel mogelijk klanten binnen te halen die een zorgverzekering met een waaiert aan snufjes afsluiten, terwijl aan de andere kant de onderhandelaars zitten die de zorgaanbieders onderling tot op grote hoogte laten concurreren om zodoende zo goedkoop mogelijk te kunnen inkopen. Het is de ‘markt van welzijn en geluk’ zoals de filosoof Hans Achterhuis deze gedragingen ooit typeerde. Maar welk groot publiek belang wordt er nu eigenlijk gediend met deze onstuimige marktwerking in ons publieke zorgstelsel? De marktadepten houden ons vaak voor dat het systeem efficiëntie en doelmatigheid brengt. Maar over welke efficiëntie en doelmatigheid hebben zij het eigenlijk?

Bij de invoering van de tegenwoordige Zorgverzekeringswet was er het voornemen dat er één basisverzekering zou zijn met de mogelijkheid om individueel en specifiek op de situatie toegepast enige aanvullende verzekeringen af te sluiten. Een helder en overzichtelijk systeem dat een einde zou moeten maken aan de tweedeling in de gezondheidszorg. Als het om gezondheid gaat, was de redenering, zijn mensen gelijk of hebben zij tenminste recht op een gelijke behandeling. Het is de solidariteit tussen mensen onderling, waarbij rijk en arm, waar het gaat om hun gezondheid, ultiem allemaal kwetsbaar zijn. Een publieke taak, verankerd in een privaat uitgevoerd stelsel dat, ook nog eens ingebed is in de samenleving. Kan het mooier? Inmiddels zien wij dat de kern van het systeem van verzekeren (ik heb het niet over de zorg zelf!) dramatisch aan het eroderen is en hebben de zorgverzekeraars zich volledig bekeerd tot het fenomeen van de marktwerking. Daarbij is er een keiharde onderlinge concurrentiestrijd ontstaan die zich inmiddels ten volle, met toestemming van mijn eigen partij (schandalig!) heeft uitgebreid tot de basisverzekering zelf. Daar spreken wij inmiddels van een zorgverzekering, in de vorm van een restitutie-, natura- dan wel selectief/budgetpolis. Maar liefst 71 merken concurreren ogenschijnlijk met elkaar in een wirwar van polissen met nauwelijks te doorgronden voorwaarden. In de praktijk gaat het echter om slechts vijf verzekeringsbedrijven die via een veelvoud van eigen ‘merken’ zoveel mogelijk van de verzekeringsmarkt in handen trachten te krijgen. Het circus van de grote prijsverschillen kan je sterk relativeren. Zo zien wij dat premies voor de basisverzekering variëren van 86,75 euro tot zo’n 113,25 euro per maand. Wanneer wij, volgens de Independer, naar de beste drie kijken, hebben ze alle drie een tarief van 93 euro. Anders gezegd: je reële voordeel kan oplopen tot maar liefst 6,25 euro per maand! Precies de prijs van een pakje sigaretten of twee bakken koffie. Voor zij die kunnen kiezen – mensen met een uitkering hebben met hun zorgtoeslag die keus al helemaal niet – is het de schijn van keuzevrijheid die vooral gekenmerkt wordt door het kopen van beperkingen voor de illusie van een substantieel prijsvoordeel. Want achter alle ‘kleine’ verschillen zitten grote gevolgen, die zich vaak pas zullen openbaren als het te laat is. Wanneer je, al dan niet gedwongen om financiële redenen, kiest voor de financiële voordeliger verzekering zal later blijken dat je jezelf de toegang tot veel van onze zorg hebt ontzegd. En het heeft iets cynisch dat mensen, juist op het moment dat zij ziek worden, er ten volle achter komen dat zij niet de juiste verzekering hebben genomen of konden nemen. ‘Had je maar beter moeten weten’, ‘had je maar niet voor dat kleine voordeel moeten gaan’, ‘had je je maar niet moet laten verleiden door die oh zo vertrouwenwekkende gezichten van die bekende Nederlander’. ‘Nee had je je eigen verantwoordelijkheid maar serieus moeten nemen en voor een duurdere polis moeten gaan’. Nee, in ons zorgstelsel zal blijken wanneer je overgaat van ‘klant’ naar ‘patiënt’, je jezelf niet hebt ontzorgd, maar dat je er een paar grote zorgen bij hebt gekregen.

De gelovigen van de vrije marktwerking in de zorg zeggen dat het gaat over doelmatigheid en efficiëntie, maar in de praktijk lijkt het vooral te gaan om een race om de markt zelf. En dat gaat veel verder dan de markt van de zorg. ‘Money, money, money’ zingt ABBA. En daar moet ik aan denken wanneer het contact met mijn verzekeraar over de toepassing van mijn eigen zorgverzekering steevast eindigt met een ‘uniek’ aanbod voor een nieuwe verzekering die weinig tot niets met zorg te maken heeft. Nee, ons zorgverzekeringstelsel ontpopt zich in hoog tempo tot een voertuig tot de slag om de verzekeringsmarkt. Hoe konden wij dit zo laten ontsporen? En het heeft dan toch wat cynisch wanneer Wouter Bos, de medeopsteller voor de PvdA van het huidige regeerakkoord, in zijn column in de Volkskrant[i] schrijft dat het zorgstelsel op belangrijke punten ‘niet toekomstbestendig is’. In zijn woorden ‘dreigen we tegen alle wetenschappelijke kennis in het belang van keuzevrijheid te overdrijven’, inmiddels iedere verzekeraar ‘iets anders onder kwaliteit verstaat’ en dat het voor ziekenhuizen (lees: ‘zijn’ ziekenhuis) die dankzij deze marktwerking over kwaliteit ‘met gemiddeld tenminste drie tot vier verzekeraars onderhandelen’ het toch beter is in plaats daarvan ‘de samenwerking te zoeken tussen verschillende partijen’. En als je goed samenwerkt ‘kun je net zo goed met één verzekeraar werken’. Tja, het kan verkeren.

Het is op de 16 december precies een jaar geleden dat – conform het regeerakkoord – het voorstel van wet die de vrije artsenkeuze zou gaan inperken werd verworpen in de Eerste Kamer. Een historisch moment, omdat daarmee het principiële recht op die vrije keuze niet werd ingeperkt. Die vrije keus is overeind gebleven maar de liberalisering van ons zorgstelsel wordt inmiddels tot in de haarvaten van de bestaande zorgwet opgerekt en benut. Dat de VVD die ruimte geeft begrijp ik heel goed. Maar dat mijn eigen PvdA-Tweede Kamerfractie daarin nog slechts een kritiekloze volger is vind ik onbegrijpelijk. Welke sociaaldemocratische waarden worden hier nu eigenlijk mee gediend? Wat heeft deze ratrace met ‘onderlinge solidariteit’ te maken en is dit ‘onze’ opvatting over de inrichting van een publiek zorgstelsel? Wij zijn echt de weg kwijt. Het wordt tijd dat de PvdA terugkeert naar haar eigen beginselen. Daarin past niet deze politiek van transactiedenken, waarin je beginselen tegen elkaar uitruilt. Daarin gaat het om het zoeken naar een beleidsmatige synthese die recht doet aan de beginselen van alle coalitiepartners. En als dat niet kan, past het PvdA om een politieke strijd te voeren samen met mensen, politieke partijen en maatschappelijke bewegingen die gelijk denken. De PvdA zal, wil ze nog iets van haar geloofwaardigheid kunnen herstellen, moeten terugkeren naar haar eigen sociaaldemocratische waarden en oprecht kiezen voor een publiek stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en solidariteit en niet op de schijn van keuzevrijheid die uitgroeit tot een heuse tweedeling tussen patiënten in de zorg.

Adri Duivesteijn, Oud-senator van de PvdA -16 december 2015

[i] Column Wouter Bos, Tien Jaar Zorgverzekeringswet. 10 december 2015

Stadhuis Den Haag, de muur en het commentaar (1986)

Het was in 1986 dat er in Den Haag een fors debat losbarstte over het voornemen om in het Spuikwartier, dat al decennia lang in verval was, het stadhuis en de centrale bibliotheek neer te zetten. Waar het debat aanvankelijk euforisch positief was, boog het langzaam naar een meer kritische kant. Was het hier wel zo’n zinnig project? Was hier sprake van een prestige project? Verdiende het geld daarvoor niet een beter bestemming? Meer en meer lieten ook de tegenstanders zich niet onbetuigd. Met graffiti en spreuken (overigens altijd zonder ondertekenaar) werd ondergetekende op niet mis te verstane wijze aangesproken.

Maar een debat heeft vele kanten. Zo kan iemand ook geraakt worden door de schoonheid van de graffiti, de spreuken in combinatie met de plekken in de stad. Voor Saskia Hulspas was het in ieder geval aanleiding om in juli 1987 op pad te gaan en een uitgebreide fotoreportage te maken. Van haar kreeg ik onderstaande unieke serie die behalve het overbrengen van het kritische geluid toch ook tot doel had in heftige tijden een hart onder de riem te steken. Immers ook protest kent haar eigen dynamiek. Zo was het protest “sloop de stadhuis plannen” aanleiding voor een voorstander om erachter het woordje “NIET!!!” te plaatsen. Nu bijna dertig jaar geleden en 20 jaar na de opening van het stadhuis is de discussie verstomd. De grote vraag die achterblijft is wanneer een protest nu eigenlijk conservatief dan wel progressief is?

In ieder geval geeft de fotoserie van Saskia Hulspas een authentieke aanvulling op de fototentoonstelling, die op 10 november ter gelegenheid van 20 jaar Stadhuis Den Haag, in de enige echte huiskamer van de stad Den Haag zal worden geopend.
1987 Stadhuis en een geluid uit de stad 1

1987 Stadhuis en een geluid uit de stad 2

“We houden de huurders gevangen”

Beeld AedesIn aanloop naar het afscheid van de Eerste Kamer, interviewde Hanneke Nagtzaam – Aedes Magazine – mij over de geschiedenis en de toekomst van ons wonen, met daarin een belangrijke rol voor de Wooncoöperatie. ‘”Zoals de sociale huursector nu is ingericht, houden we de mensen met lage inkomens, de huurders, gevangen. Wonen is van oudsher iets dat mensen zelf deden. Maar met de verzorgingsstaat hebben ‘we’ dat van ze afgenomen. De laatste generaties zijn opgevoed met het idee dat huren voor armen is en kopen voor mensen met geld.” Daar gelooft Duivesteijn niet in en dat laat hij ook blijken. In Almere, waar hij wethouders was, zien we een voorproefje van wat hij voor ogen heeft. Een wijk waarin mensen – ook degenen met een beperkt budget – toch zelf bepalen hoe hun woning er uitziet. Maar ook in de bestaande wijken en appartementencomplexen moeten mensen zelfbeschikkingsrecht krijgen. Dat kan met wat Duivesteijn noemt ‘de sociale variant van de Vereniging van Eigenaren’, oftewel de Wooncoöperatie. In de Eerste Kamer kreeg de senator er bij de behandeling van de nieuwe Woningwet een motie doorheen waarin staat dat Nederland meer moeite moet doen om Wooncoöperaties van de grond te krijgen.’

Lees hier het volledige artikel.

Culturele agenda

Beeld cultuur“Een film moet, net als een boek, voor mij betekenis hebben. Het moet ergens toe leiden.” Dat is de rode draad door het interview over mijn voorkeuren op het gebied van literatuur (“ik noem mezelf geen cultuurconsument, maar een cultuurproducent; als ik iets lees, moet ik er iets mee doen”), beeldende kunst (“steden, en daarbinnen architectuur”), theater (“Toon Hermans is de beste cabaretier die we in Nederland ooit hebben gehad”), muziek (“als ik moet kiezen tussen McCartney en Lennon, is het Lennon”) en film (“Clint Eastwood vind ik een briljant regisseur”).

Lees hier ‘mijn’ volledige culturele agenda, opgetekend door Nick Muller.

“Ik zit hier niet om te pleasen”

Beeld PolitiekMilja de Zwart en Gijs Korevaar interviewden mij voor de tweede editie van het nieuwe blad ‘Politiek’. Het interview vond plaats niet lang na de discussie over de vrije artsenkeuze in de Eerste Kamer, en werd ook zo geïntroduceerd: “Vanwege zijn verzet tegen het schrappen van de vrije artsenkeuze uit de basisverzekering tegen ziektekosten, werd hij publiekelijk weggezet als beroepsdwarsligger. Als iemand die de randen opzoekt, immer moeite heeft gehad in de pas van zijn partij te lopen.” Over de PvdA, de ontwikkeling van de politiek en de vermarkting van ons publieke stelsel; lees hier het volledige artikel.

The empowerment of ‘Self Power’

Volume-43-Self-Building-City-231x300De nieuwste editie van het blad Volume, uitgegeven door Archis, heet ‘Self Building CIty’  en staat in het teken van de vraag of steden (en onze samenleving) van bovenaf georganiseerd moeten worden, of dat er een andere orde mogelijk is. “This Volume issue zooms in on housing and self-building as field of (inter)action.”

Voor het blad werd ik geïnterviewd door Arjen Oosterman. Het interview gaat over eureka-momenten en inspiratiebronnen, over de geschiedenis van de Nederlandse ruimtelijke ordening, maar vooral over de bewijslast dat zelfkracht leidt tot substantieel betere resultaten. Wanneer mensen de ruimte krijgen om de stad te maken, zoals we bijvoorbeeld hebben gedaan met IkbouwmijnhuisinAlmere en IkbouwbetaalbaarinAlmere in het Homeruskwartier in Almere Poort, levert dat meer diverse, interessante, kleurrijke en ‘eigen’ wijken op.

Het volledige artikel is online te vinden.

“De verkiezingsuitslag en wat ons te doen staat”

In deze bijdrage – met als kop een citaat uit de brief van de partijvoorzitter aan de leden van de PvdA van 20 maart 2015 – pleit ik voor het instellen van een brede commissie uit de partij die, onder leiding van een onafhankelijk en gezaghebbend voorzitter, onderzoek doet naar het politiek functioneren van de PvdA, naar de oorzaken van de drie achtereenvolgende verkiezingsnederlagen, en naar de vraag hoe de sociaaldemocratische waarden beter in ons politieke handelen kunnen worden verankerd.

Ik realiseer mij dat er tussen ons veel leden zijn die zullen zeggen: ‘alweer een onderzoek’. Ik begrijp dat gevoel heel goed. We deden immers eerder onderzoek, ook na – en naar aanleiding van – nederlagen. En wat hebben wij ermee gedaan?

Maar helemaal geen evaluatie is wat mij betreft onbestaanbaar. Dat kan en mag niet gebeuren in een professionele partij als de PvdA. En wat de uitkomsten van het onderzoek ook zullen zijn; wij zullen op dit moment niet uit een kabinet stappen. Daarvoor zit de top van de partij te geharnast in de afspraken die met de VVD zijn gemaakt, in het commitment naar deze partij. Maar juist daarom is het van belang te onderzoeken hoe het komt dat de PvdA z’n positie heeft verloren, en hoe wij dat op de korte termijn kunnen keren – hoe we, vanuit een gezond perspectief, weer aan het herstel van de partij kunnen gaan werken.

Hierbij mijn integrale bijdrage (ook als pdf):

Een pleidooi voor een onafhankelijk onderzoek naar het politiek functioneren van de PvdA

Na de voor de PvdA electoraal zware jaren tijdens het kabinet Balkenende IV en – toch wel onverwachts – onder het leiderschap van Job Cohen, leek de partij zich in 2012 met Hans Spekman als voorzitter en Diederik Samsom als nieuw politiek leider te hervinden. De weg terug naar een sterke, beginselvaste, progressieve sociaal democratische volkspartij leek daarmee te zijn ingeslagen; de weg naar een PvdA die met haar binding met de samenleving, gecombineerd met een grote bestuurskracht, in staat zou moeten zijn om, samen met andere progressieve partijen, het repressieve politieke klimaat in positieve zin te keren. De eclatante verkiezingsoverwinning in 2012 deed de verwachtingen hoog oplopen. Er was weer ruimte voor optimisme. Lees verder