Categorie archief: Publicaties

Algemene Rekenkamer: Conferentie Toekomst Publiek Vastgoed – Keynote speech Adri Duivesteijn

foto: Algemene Rekenkamer

Op 16 november 2017 werd op initiatief van de Algemene Rekenkamer een conferentie gehouden over de toekomst publiek vastgoed. Met de verkoop van het voormalige ministerie van Sociale Zaken van de architect Herman Hertzberger en het ‘anonimiseren’ van wat eens het trotse departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening van de architect Jan Hoogstad was en dat nu, geheel in de vroegere Oost-Europese traditie waarin gebouwen vaak gereduceerd werden tot een nummer, nog slechts de naam Rijnstraat 8 draagt.  Met beide departementen, miljoenen investeringen overigens, lijkt het Rijksvastgoedbedrijf een weg te zijn ingeslagen die het publiek vastgoed loskoppelt van haar specifieke functie en betekenis. Rijksgebouwen lijken geen identiteit meer te mogen uitdragen. Het past in een (neo-liberale?) visie waarin de overheid zo klein mogelijk moet zijn en ook zo min mogelijk nog een eigen rol, op het terrein van toezicht en veiligheid na, mag spelen. Dat terwijl juist de overheid in heel veel opzichten een positieve en bindende actor zou kunnen zijn binnen de samenleving. Juist waar in de westerse samenleving de zuilen, lees: identiteiten, steeds verder marginaliseren zou een overheid in haar enorme verscheidenheid juist meer eigen identiteit mogen hebben. Publiek vastgoed is een uitdrukking van deze indentiteit, of sterker gesteld van de verscheidenheid aan identiteiten die een overheid heeft. Ook als zij, zoals de Rijnstraat 8, anonimiteit uitstraalt. Op dat moment is de overheid vooral de uitdrukking van een fabriek waar ‘dienstverlening’ wordt geproduceerd door mensen die inwisselbaar zijn in een fysieke ruimte die zijn bestaan vooral ontleent door er zelf niet te zijn.

Maar het is niet alleen de overheid die medebepalend is voor de indentiteit van onze gebouwde omgeving. Ook publieke instellingen zijn daarin, misschien nog wel belangrijker. De ziekenhuizen, de universiteiten en Hogescholen zijn de meest zichtbare instituten die zich via gebouwen en publiek ruimten aan ons presteren. Een ieder die wel eens een ziekenhuis bezoekt zal al snel het verschil ontdekken tussen de steeds groter wordende en de wat kleinere ziekenhuizen. Een vergelijkbaar proces zien wij in het onderwijs waar schaalvergroting vaak ook gepaard gaat met het gevoel van verloren zijn. De kunst, in beide voorbeelden, is om wel te moderniseren maar gelijktijdig de menselijke schaal vast te houden. Mensen zijn geen nummers of aantallen. De mens is uniek in zijn individualiteit. Dat betekenis geven in hoe vastgoed zich laat gebruiken maakt dat het een toegevoegde waarde kan geven aan het functioneren van een gezonde samenleving.

Kortom een hele uitdaging en terecht dat de Algemene Rekenkamer, onder leiding van haar president Arno Visser, aandacht vraagt voor de wijze waarom de overheid en de publiek instelingen inhoud geven aan haar vastgoed. Dat de zoektocht van de Algemene Rekenkamer daarbij verder reikt dan cijfers, rekenen en doelmatigheid, kan alleen gewaardeerd worden. Deze benadering is, juist in een tijd waar de korte baan redeneringen vaak meer aandacht krijgen dan de complexiteit van de hedendaagse werkelijkheid, verfrissend. Zelf mocht in de conferentie openen met een keynote speech. Het was voor mij ook een goede gelegenheid om een paar momenten in mijn ‘vastgoedcarrière’  terug te laten komen en met elkaar in verband te brengen. De moraal van mijn verhaal is duidelijk. Een overheid kan, naast een financieel verantwoord vastgoedbeleid, juist ook het maatschappelijk rendement verhogen. Maar dat is alleen dan succesvol wanneer men bereid is de overheid juist ook te zien als een actieve partner in de wereld van het maken van onze publieke ruimte, en in mijn geval, in het maken van de stad. Voor een ieder die nog eens wil teruglezen wat mijn bijdrage was hierbij een PFD van mijn presentatie en mijn uitgeschreven tekst.

Tekst bijdrage AD – Conferentie Toekomst Publiek Vastgoed -publicatietekst en foto’s

Dia Presentatie Keynote speech AD – Conferentie Algemene Rekenkamer Toekomst Publiek Vastgoed

De doorstart van de Wooncoöperatie is begonnen

Vaak heeft een gedachte tijd nodig om te beklijven. Dat is zeker het geval met de wooncoöperatie. Ons land kent al sinds 1901 in de Woningwet het fenomeen ‘toegelaten instellingen’. Dit zijn instellingen waar de uitvoering van de publieke zorg voor het wonen is neergelegd. Dit is inmiddels uitgegroeid tot wat nu heet de sociale huursector welke het bezit en beheer heeft over zo’n 2.4 miljoen huurwoningen. Anders dan in de omringende landen heeft Nederland geen sociaal woonstelsel waarin ook bewoners met een lager inkomen zelf inhoud kunnen geven aan hun wonen. In Nederland is de burger aanvankelijk ‘verzorgt’ en tegenwoordig zien wij deze  vooral als een woonconsument, of zoals de meeste woningcorporaties deze tegenwoordig noemen: klanten.

Woonproducent zijn, dat wil zeggen dat je zelf inhoud geeft aan het eigen wonen  is niet weggelegd voor al die huishoudens die zijn aangewezen op een sociale huurwoning. Zij moeten zich voegen in dat wat hen wordt aangeboden en dat zijn feitelijk alleen maar huurwoningen. In ons land zijn deze van een  redelijke tot goede kwaliteit. Dat is ook niet het vraagtuk. Wel staat, door het huurbeleid, de betaalbaarheid onder druk. Voor de meeste woningen zijn de huishoudens met een laag inkomen dan ook afhankelijk van een huurtoeslag van de rijksoverheid. Kortom voor deze groep is er altijd een afhankelijkheidsrelatie. Deze afhankelijkheid is eigenlijk niet meer van deze tijd. Burgers zijn in vergelijking  met vroeger vele malen zelfstandiger geworden. Dat geldt ook voor veel huishoudens die statistisch behoren tot de lagere inkomensgroepen. Je mag dit ook gerust zien als een emancipatie die burgers in de afgelopen veertig jaar hebben doorgemaakt. Daarom is het ook niet meer dan wenselijk dat nu ook ons woonstelsel zich gaat moderniseren. Dat kan door het sociale woonstelsel te verbreden met het recht op zelforganisatie en zelfbeschikking. Die burgers (huurders) die dat willen kunnen dan, op een verantwoorde wijze, ook zelf inhoud geven aan hun wonen.

Al jaren pleit ik daarom voor het creëren van een beschermde vorm van zelforganisatie binnen ons woonstelsel. De coöperatieve gedachte is daarvoor de meest geschikte vorm. Hoewel ik al vanaf 1996 initiatieven onderneem, onder andere met de nota ‘De Koopwoning Bereikbaar”, om deze vorm van burgerinitiatief structureel mogelijk te maken, is het pas gelukt tijdens het december-debat in 2013 toen de Eerste Kamer het Woonakkoord behandelde.  Na een heftige week werd beklonken dat de Wooncoöperatie zou worden opgenomen in de Woningwet en een volwaardige plaats zo krijgen naast de vertrouwde ‘toegelaten instellingen’. En, het mag gezegd, minister Stef Blok heeft zijn toezeggingen waargemaakt en sinds 2015 maakt de wooncoöperatie  deel uit van de Woningwet. Direct daarop volgend is er een aanzienlijk stimuleringsprogramma opgezet door het Platform 31 dat nog steeds loopt. Inmiddels wordt steeds duidelijker dat veel huurders open staan voor deze vorm van zelfbeheer in het wonen. De ervaringen uit het stimuleringsprogramma maken echter ook duidelijk dat er nog heel wat hindernissen moeten worden genomen. Niet in de laatste plaats de bijna fysieke weerzin van veel professionals bij woningcorporaties om iets van hun verkregen ‘macht’ te delen met de leden uit hun doelgroep. Liever ‘verzorgen’ zij zelf deze burgers. Gelukkig zijn er ook binnen de sociale huursector witte raven die juist vanuit het traditionele idealisme en emancipatie doelstelling van onze volkshuisvesting inhoud willen geven aan de de wooncoöperatie. Zij zijn bondgenoten en kunnen hun collega’s de voorbeelden aanreiken die laten zien dat de wens op zelfbeheer en zelfbeschikking een heel normaal menselijk trekje is.

Voor de komende jaren is een echte goede structurele inbedding noodzakelijk binnen ons woonstelsel voor de wooncoöperatie. De vraag is natuurlijk hoe dat kan worden vormgegeven en welke politieke steun er is om de Wooncoöperatie verder in ons sociale woonstelsel te verankeren? Deze steun lijkt steeds groter te worden. Want de partijen die deze nieuwe regering steunen willen de positie van de Wooncoöperatie verstevigen en hebben dat in het Regeerakkoord vastgelegd:

“een wooncoöperatie is een organisatievorm waarbij huurders gezamenlijk eigenaar zijn van de woningen. De wooncoöperatie vormt een alternatief voor twee ‘traditionele’ oplossingen die we in Nederland kennen: het op individuele basis huren van een woning van een externe partij en het individuele eigendom van een woning. In wooncoöperaties zijn mensen directer betrokken bij het beheer van hun woningen en de leefomgeving. Onderzocht zal worden hoe de mogelijkheden voor het beheer van hun woning en leefomgeving voor de leden van de wooncoöperaties om de huurwoningen over te nemen kunnen worden vergroot”

Ik zou zeggen de doorstart van de Wooncoöperatie is begonnen. Het Regeerakkoord is, naar mijn mening, de ultieme erkenning dat het woonstelsel zich zal gaan verbreden naar een recht van huurders op deze vorm van zelforganisatie. De weg er naar toe zal zeker nog heel wat hobbels kennen maar er is nu een heel goede doorstart mogelijk. Ik kijk dan verwachtingsvol uit naar de initiatieven van de voormalige oud-wethouder van Amsterdam en de huidige minister van Wonen Kajsa Ollongren (D66) . Zij kent de problematiek van de stad en vooral ook de noodzaak om meer sociale verbanden in wijken te stimuleren. En, wat nu ook kan helpen is dat zij een Scandinavische achtergrond heeft. Voor mij zijn deze landen altijd het voorbeeld geweest van het ideale woonstelsel waarin de wooncoöperatie een volstrekt normaal gegeven is. Wanner zij haar volle steun geeft aan de basisgedachte van coöperatief wonen kan zij met betrekkelijk eenvoudige maatregelen de weg effenen voor een verder uitbouw van de Wooncoöperatie. Een mogelijk voorstel zou kunnen zijn dat het huidige uitponden van sociale huurwoningen aan commerciële partijen wordt vervangen door een voorkeurrecht voor huurders die met elkaar een Wooncoöperatie willen vormen. Het definitief maken van de kortingsregeling is een volgende. En een risicofonds, bijvoorbeeld in samenwerking met de NHG, kan de financiering van de wooncoöperatie vergemakkelijken.

Hoezeer bewoners uitkijken naar deze vorm van ‘verzelfstandiging’ komt ook weer eens aan de orde in een mooi artikel van De Groene Amsterdammer, Ons Dorp, begin je eigen wooncoöperatie . Zelf heb ik deze week in het CorporatieGids magazine nog eens uiteengezet waarom ik zo hecht aan de uitbouw van de Wooncoöperatie. Ik verwijs daarvoor graag naar deze link: 2017-10 – CorporatieGids Magazine – Adri Duivesteijn over de Wooncoöperatie

Ik zou zeggen tegen de al die huurders die woonachtig zijn in de sociale huursector en die graag zelf inhoud willen geven aan hun zelfbeschikkingsrecht en dat via zelforganisatie en vormen van zelfbeheer  willen doen, oriënteer je bij het Platform 31, dan wel CoopLink. Er liggen nu kansen die het de moeite waard maken om met elkaar inhoud te geven aan een beweging van onderop die het wonen dichter bij de mensen zelf zal gaan brengen.

 

 

 

PvdA, 2002-2017: ‘Voorwaarts’, maar toch niet opnieuw met de kop in het zand?

Voor het schrijven van mijn ‘terugblik’ op de laatste Tweede Kamerverkiezingen en in het bijzonder de desastreuse uitslag voor de PvdA, ben ik teruggegaan naar een aantal artikelen die ik schreef over de positie van de PvdA. Deze artikelen zijn eigenlijk momentopnamen waarop ik probeer een balans op te maken van het tijdperk waarin wij politici en bestuurders dagelijks acteren. Uiteraard gaat het verder dan een analyse en stel ik mij de vraag: hoe als politicus, bestuurder en als politieke organisatie verder te gaan. Het is mijn ervaring dat binnen de PvdA, en vooral binnen de voorhoede van de partij in ons parlement, de behoefte aan reflectie niet altijd even groot is. In een continue-bedrijf, dat de politiek op Het Binnenhof nu eenmaal is, is evalueren een storende onderbreking van alle belangrijke zaken die nu eenmaal aan de orde zijn. Het land moet immers bestuurd worden. En desastreuse nederlagen zijn toch vooral een incidentele misstap van de kiezer (ja, ook die van de eigen kiezer!). Een misstap, die op zijn best nog wordt toegeschreven aan de leider (Melkert) dan wel de wijze waarop de campagne werd gevoerd. Het is maar al te vaak ‘Voorwaarts en vooral vergeten’. De verlokking van een nieuw leiderschap en een goede campagne zal alles wel weer ten goede doen keren. Niets blijkt minder waar te zijn. De vraagstukken blijken structureler, zoals ook de negatie ervan wanneer ze worden opgeschreven.

Dat overkwam ook het door mij geschreven artikel in S&D – 2002-5-6 Adri Duivesteiin – De revolutie der buitengeslotenen. Dat artikel gaat in op het waarom van de desastreuze verkiezingsuitslag in 2002. Bij herlezing blijkt de analyse nog akelig actueel te zijn. In ieder geval is het voor mij voldoende reden voor een hernieuwde publicatie op deze website. Niet om mijn gelijk te halen. Maar wel om, zij die geïnteresseerd zijn in de toekomst van de PvdA, nog eens te doordringen van het structurele karakter van de crisis waarin de politiek, maar vooral de PvdA, zit. Deze tijd vraagt om een andere PvdA en deze komt niet vanzelf. De geschiedenis van de sociaal democratie is rijk, maar het boek van de PvdA kan worden gesloten, wanneer wij opnieuw onze ogen voor de echte oorzaken sluiten.

In de komende tijd zal ik mijn geactualiseerde analyse publiceren. Maar voor nu is het terugkijken naar ‘De Dreun van 2002’ ook van betekenis voor de weging van de laatste – nog vernietigender – verkiezingsnederlaag die de PvdA heeft terugbracht tot een marginale fractie in de vertegenwoordigende lichamen van onze democratie.

Publicatie Socialisme en Democratie – 2002

Na de dreun

DE REVOLUTIE DER BUITENGESLOTENEN

Adri Duivesteijn

De afgelopen zes maanden leefden wij in het tijdperk van Pim Fortuyn. We werden aan de grond genageld, eerst door zijn komeetachtige opkomst, daarna door zijn gewelddadige dood. Bij de verkiezingen heeft de staart van de komeet in het politieke landschap huisgehouden; er zijn verschrikkelijke klappen toegebracht aan de PvdA en de VVD.

Bij het duiden van dit vreemde en ontregelde tijdsgewricht gaat, begrijpelijkerwijs, veel aandacht uit naar Fortuyn. Naar zijn politieke thema’s, zijn stijl, en de intensiteit waarmee hij in het leven van een volk wist door te dringen. ‘Fortuyn was altijd om je heen’, merkte Stephan Sanders op in De Balie, aan de vooravond van de verkiezingsdag. Anderen legden een verband met de reality-tv van Big Brother.

Toch is het grote raadsel niet Fortuyn zelf, maar zijn plotselinge alomtegenwoordigheid, na een jarenlang verblijf in de commerciële en opiniërende rafelrand van de maatschappij ‘Ik kom niet uit het niets’, zei hij tijdens het lijsttrekkersdebat op 6 maart. Inderdaad, de Fortuyn die we onlangs hebben leren kennen, met de zelf geschapen ambitie van minister-president op zoek naar ‘zijn’ land, bestond in een andere gedaante al vijf à tien jaar. Nieuw en verbijsterend was niet Fortuyn, maar die plotselinge, enorme sprong van de rafelrand naar het centrum van macht, de wereld van glamour en aanbidding.

De Paarse leegte

We moeten dus niet in de eerste plaats Fortuyn analyseren, maar de aard van de dijkdoorbraak die hij forceerde en de omstandigheden waaronder deze mogelijk was. Dat de doorbraak juist nu is gelukt, moet worden verklaard uit een combinatie van factoren die bij elkaar het gevestigde politieke stelsel op zijn zwakheden hebben gewezen. Voor een deel bestonden deze al vele jaren, zoals de afnemende maatschappelijke betekenis van politieke partijen en ‘het einde van de ideologie’ na de val van de Muur. De komst van Paars werd er door mogelijk gemaakt, maar daarmee is, zoals ik het eerder heb omschreven, tegelijkertijd een zekere ideologische leegte, een gebrek aan richting en zingeving in de politiek geslopen.1

Paars kon goed zaken doen over sociaal-economische en financiële kwesties; over immateriële zaken (CDA-taboes) zoals euthanasie, het homohuwelijk en de winkeltijden werd ruimhartig de individuele keuzevrijheid gehonoreerd. Veel fletser was de opstelling tegenover vraagstukken die het samenleven als zodanig raken: de mate van sociale cohesie, sociale stabiliteit en sociale identificatie. Bij uitstek terreinen waar de PvdA en VVD nog altijd sterk ideologisch getinte en onderscheiden visies hebben. Het veronachtzamen van die onderwerpen heeft de herkenbaarheid van politieke partijen bij hun achterban dan ook verder verminderd. Tekenend is dat de onder Lubbers/Kok (1989-1994) gestarte sociale vernieuwing bij de start van Paars I werd ‘afgeschaft’. Naarmate het aanvankelijk aanstekelijke pragmatisch elan (werk, werk en nog eens werk) van Paars verflauwde, werden de leegte en de vervreemding voelbaarder.

Ook al was er jarenlang geen werkelijke aanleiding om Paars vaarwel te zeggen, duurzame voortzetting was ook niet vanzelfsprekend voor wie verder keek dan de dingen van de dag. Zelf startte ik daarom in 2000 in S&D een discussie over de vraag welke nieuwe coalitie beter zou kunnen aanvoelen en inspelen op wat er in de samenleving gaande is. Ik zag inhoudelijke aanknopingspunten voor samenwerking tussen PvdA, CDA, GroenLinks en de ChristenUnie.2

Dat zowel de PvdA als de VVD  behoefte kregen aan ideologische herpositionering, kwam het scherpst tot uitdrukking bij de behandeling van de Voorjaarsnota 2001. Rond de kernvraag – wel of niet investeren in de publieke sector – liepen de gemoederen hoog op. Nog een laatste maal – zo zou later blijken – werd het conflict op Paarse wijze afgehandeld, c.q. afgekocht. Zo ontstond het perspectief op een open, post-paarse toekomst, met nieuwe kansen maar ook met nieuwe onzekerheden. De samenloop met het naderende afscheid van Wim Kok als markant en vertrouwd leider, kan niet toevallig geweest zijn

In zo’n kwetsbare overgangsperiode toont het politieke bestel zich niet op z’n krachtigst. Lange tijd dachten wij dat het politieke bestel die overgang wel kon dragen, blind voor de kwetsbaarheden die er al langer waren. Maar het ging toch zo goed met Nederland. De berichten uit de samenleving werden ‘verduisterd’ door de peilingen. PvdA en VVD stonden allebei hoog in de peilingen, die ook onveranderlijk een grote waardering voor de Paarse coalitie vastlegden. Zelfs het spectaculair inzakken van de ‘nieuwe economie’ deed daaraan niets af. Nog op 6 september 2001 kon het Sociaal en Cultureel Planbureau melden dat Nederland een tevreden land was.

De mokerslag die alles veranderde kwam vijf dagen later, op 11 september. De schok is tot de dag van vandaag voelbaar, direct en indirect, ook in ieders dagelijkse leven. Allerlei zekerheden zijn gaan wankelen. Veel mensen kregen behoefte aan een sterke, beschermende arm om zich heen. Die kon alleen worden gevonden bij de overheid, ook al was dezelfde overheid al jarenlang op veel terreinen aan het terugtreden.

‘De kwaliteit van ons bestaan – ook individueel – hangt in hoge mate af van collectieve arrangementen. Dat vergeten we weleens in tijden van voorspoed. Maar die notie is direct weer, indringend, terug zodra de basis van dat bestaan wordt geschokt. (…) Deze herwaardering van de overheid stelt hoge eisen en de PvdA moet zich dit in het bijzonder aantrekken. Het vertrouwen van de bevolking in de overheid, en in de politiek, staat op het spel’, schreven Bram Peper en ik hierover.3

Paars zakte voor het examen, dat verkiezingen heet. De zwakte van de coalitie, die bij moeilijkheden haar kracht vond in de uitruil van belangen, werd door de 11 september-crisis pijnlijk blootgelegd. Die crisis betrof het samenleven, de samenleving als zodanig. Het kabinet had geen vertrouwenwekkend antwoord, en droeg ook niet het elan en de innerlijke overtuiging uit om samen met de bevolking naar antwoorden op zoek te gaan. Er werd weliswaar een speciale ministeriële commissie – onder leiding van de Minister-President – ingesteld die de gevaren van terrorisme zou bestrijden, maar van een plan van actie naar de samenleving toe is het nooit gekomen. De partijen probeerden weer snel over te gaan tot de orde van de dag, dus tot vertrouwde verkiezingsthema’s zoals de WAO en de inkomenspolitieke aspecten van de gezondheidszorg. Ook de PvdA onderkende daarmee te weinig de heftige dynamiek die onderhuids de samenleving had aangevreten.

Het belangrijkste ‘antwoord’ op de septembercrisis lijkt tot dusver een verharding in de sociale verhoudingen geweest, internationaal maar ook in het binnenland. De haviken hebben het tij mee ten koste van de dialoog, de gematigdheid en de tolerantie. De afschuw van fundamentalistische terreur vloeit te vaak over in even fundamentalistische agressie tegen ‘de ander’, en vooral tegen de islam. Als symbool van het algemeen belang wordt ‘de overheid’ tot zondebok gemaakt. Angst en onzekerheid worden op de overheid afgewenteld, haar fouten worden breed uitgemeten. In het, zoals gezegd, verzwakte politieke bestel kwamen deze verwijten extra hard aan. Tegenover fanatieke standpunten en de groeiende angst stond Paars beleidsmatig en collectief-emotioneel met lege handen.

Het politieke klimaat na 11 september vormde een uitstekende voedingsbodem voor wat ik zou willen duiden als de revolutie van de buitengeslotenen. Burgers die vervreemd waren (geraakt) van de bestaande politieke zeden, begonnen hun hoop in handen te leggen van een nieuwe politieke beweging die een stem probeerde te geven aan gevoelens van uitsluiting, onbehagen en angst. Deze ‘zwijgende’ burgers hoefden alleen nog maar te worden gemobiliseerd. Het verlies aan het vanzelfsprekende gezag van politici werd zichtbaar en zichtbaar aangewakkerd. Wat zich op lokaal niveau al veel eerder in Leefbaarheidspartijen had geuit (met name ook grootstedelijk: Hilversum, Utrecht), kreeg landelijk al snel een dynamiek: organisatietalent en charisma (Westbroek, Van Kooten, Nagel, Fortuyn) vormden de energieke combinatie die uiteindelijk Fortuyn vleugels gaf.

De eerdere ‘inbraak’ van de commerciële omroepen

De doorbraak van Leefbaar Nederland en Fortuyn is weliswaar zonder politiek precedent, maar er zijn mijns inziens duidelijke overeenkomsten met de inbraak van de commerciële omroep in het omroepbestel vanaf de jaren zestig. De hoofdrolspelers droegen de nog altijd bekende namen TROS, Veronica (‘Radio 192’) en Radio Noordzee. De overeenkomst is des te indringender door de verwevenheid van media en politiek. Het gaat dan niet alleen om de macht van het beeld in de televisiedemocratie, maar vooral ook om de machten áchter de media. Denk aan Berlusconi, een van de voorbeelden van Fortuyn. Denk aan Willem van Kooten, Jan Nagel en Henk Westbroek, medeoprichters van Leefbaar Nederland. En denk ook aan de voorgestelde veiling van radiofrequenties in het afgelopen jaar, en de dreiging van een massale mediacampagne onder aanvoering van Erik de Zwart van Radio 538.

De basis van het publieke omroepbestel werd in de jaren zestig steeds meer aangetast, onder meer door de ontzuiling, de toegenomen welvaart en de invloed van buitenlandse massaculturele voorbeelden. Een steeds grotere groep kijkers en luisteraars voelde zich niet meer thuis bij de bestaande omroepen; ze stonden buiten de gevestigde culturele of levensbeschouwelijke oriëntaties en waren ook niet of nauwelijks geïnteresseerd in de pogingen van de zuilen om hen alsnog te binden, zoals de popzender Hilversum 3 die de strijd met de zeezenders moest aangaan.

Deze massaculturele aardverschuiving bood destijds gelegenheid aan zenders die zich niet richtten op levensbeschouwing of culturele ontplooiing en verheffing, maar op ondogmatische identificatie, luchtig vermaak en commercieel gewin. Zij waren de spreekbuis van de ‘buitengeslotenen’ van het publieke bestel, en boden hen een nieuw, pragmatisch onderdak. De VARA kreeg in die tijd overigens al regelmatig het verwijt dat de TROS de échte arbeidersomroep was geworden: want arbeiders hebben geen behoefte meer aan de Matinee op de Vrije Zaterdag, ze zijn tevreden met Mister Ed, het sprekende paard.

De nieuwkomers bleken in staat om ongehoorde emotie en adhesie los te maken. Een hoogtepunt was de massale demonstratie in Den Haag op 18 april 1973, niet voor hogere lonen, niet tegen een dictatuur in Latijns-Amerika, maar voor legalisering van de piratenzender Veronica.

Het was een nieuw verschijnsel: een massa die zich met graagte liet mobiliseren, niet voor belangenstrijd of ideologie maar voor een zakelijk geëxploiteerde lifestyle.

Inmiddels kijkt niemand er nog van op dat commerciële zenders de publieke omroep overklassen in aantal, zendtijd, kijkcijfers en geld. De concurrentie om prestige is nog in alle hevigheid aan de gang. De publieke omroep heeft nog steeds een redelijk prestige. Nog altijd is er bij de ‘publieken’ enig dédain te bespeuren voor de vrije jongens van de commerciëlen, die op hun beurt nog altijd met een zekere verongelijktheid reageren. Ook al zijn de scherpe kanten er inmiddels af door de vele onderlinge uitwisselingen en overlappingen, het publieke en het commerciële bestel blijven elk een eigen sfeer behouden, aan weerszijden van een voelbare culturele scheidslijn.

Zonder vaste woon- of verblijfplaats

Het parlement is in zekere zin het publieke bestel van de macht, de machtsuitoefening in het publieke domein. We gaan er in een democratie van uit dat het parlement het laatste woord heeft, het zogenaamde primaat van de politiek. In werkelijkheid is de macht in de maatschappij – ook kenmerkend voor een (sociale) democratie – veel fragmentarischer, veel diffuser verdeeld. Het parlement is slechts één van de machtsvormende en beslissende instanties, naast bijvoorbeeld de machten in en van het bedrijfsleven en het maatschappelijke middenveld. Sommigen uit die kringen: de Langendams, Van Nieuwenhuizens en Spongen van deze wereld, voelen zich, bij al hun succes, buitengesloten van het gevestigde politieke bedrijf. En dat wringt. De status van de politiek lonkt, waarbij deze elite van de buitengeslotenen niet denkt aan de nederige status van kamerlid maar meteen aan de status van politieke bovenbaas, i.c. het ministerschap. Fortuyn mikte in zijn presidentiële campagne uiteraard op het Catshuis.

Tot dusver was de politiek, anders dan de omroep, nog enigszins ontkomen aan een grootschalige ‘inbraak’, al zijn – sinds 1994 – de verschuivingen tussen de bestaande politieke partijen wel indrukwekkend.  De politieke partijen werkten – hoewel dus steeds minder – nog steeds als filter. Iedereen is welkom, maar zelfs de succesvolste zakenman of de meest geleerde professor moet zich gewoon aanmelden als lid om zich vervolgens geduldig een positie te verwerven. Wie zich niet aan de regels van de interne partijdemocratie wil conformeren, zal moeilijk een plaats in de politieke arena vinden. De partijen werken dus, per definitie, óók als een mechanisme van uitsluiting. Deze normale gang van zaken wordt een probleem als het aantal buitengeslotenen heel groot wordt. En dat is steeds meer het geval.

Het politieke bestel is namelijk heel gemakkelijk toegankelijk geworden door het maken van politieke hypes. Buiten de bestaande partijen om de politieke markt betreden, wordt steeds eenvoudiger. Wie – via de grote hoeveelheid aan communicatiemiddelen – snel de massa weet te raken, kan deze massa ook snel mobiliseren voor een idee, een persoon, een levensstijl. Vergelijkbaar met het omroepbestel 35 jaar geleden. De ontzuiling is bijna compleet. De vanzelfsprekende sociale verbanden zijn weggevallen, de politieke partijen kwamen er los van te staan. Maar ook de politieke partijen zelf erodeerden als (levendige) sociale structuur en als een vorm waarin burgers en bestuurders elkaar vinden in een belang of ideaal. Dat proces vond – nog het minst bij het CDA – plaats in de periode 1970-1990.

Steeds minder mensen vonden een vertrouwde thuisbasis in één van de politieke partijen. Steeds meer mensen trekken rond zonder vaste politieke woon- of verblijfplaats. Er zijn steeds meer politiek buitengeslotenen. Zij kiezen steeds weer opnieuw welk politiek aanbod zij aanvaardbaar vinden. Zeker in onzekere tijden.

Het gaat mij bij het verschijnsel van massale buitensluiting uiteraard niet om een duiding in termen van schuld. Het gaat ‘slechts’ om de constatering van een indringende culturele en maatschappelijke trend. Politieke partijen zijn van hun ankers los(geraakt), en hebben derhalve te maken met een wisselende schare aan – bijna altijd – tijdelijke aanhangers.

Het logo fortuyn

De politieke loopbaan van Fortuyn illustreert de mechanismen van politieke insluiting en buitensluiting. Als Pim Fortuyn probeerde hij jarenlang binnen te komen bij de grote partijen. Overal zag hij zijn ambities doodlopen op de codes van die partijen, dan wel zaten zijn eigen ego en ongeduld hem in de weg. Zolang het een eenmansactie was, beperkte zijn bekendheid zich tot een kleine kring. In het laatste jaar, nadat hij door de mensen achter Leefbaar Nederland als logo was ontdekt, bleef hij niet langer onopgemerkt. Een massa aan onderhuidse, individuele gevoelens van buitengeslotenheid bracht hij aan de oppervlakte. Fortuyn gaf de buitengeslotenen weer een herkenningspunt, en ook weer hoop. Via hem voltrok zich hun hernieuwd geloof dat de politiek er iets toe zou kunnen doen.

Ik hou het er voorlopig op dat deze doorbraak structureel zal zijn. Natuurlijk, de LPF is intern onevenwichtig, en we moeten niet raar opkijken als er ruzies, splitsingen en grote schommelingen in populariteit ontstaan. Maar dat is niet de hoofdzaak. Ook Veronica is weggeweest, teruggekomen, weer verdwenen, van naam veranderd, als merk naar de marge verhuisd maar binnenkort weer terug. Het voortbestaan van de commerciële omroep als zodanig is niet meer in het geding. We moeten er rekening mee houden dat ook de politieke ‘vrije jongens’ blijvend zullen zijn, al kan de precieze vorm nog sterk wisselen. Het zou een fundamentele vergissing zijn om niet van de (potentiële) duurzaamheid van het type politieke bewegingen als de LPF uit te gaan.

De elite van de buitengeslotenen die onder het bijzondere beschermheerschap van Fortuyn een shovel in de deur van het politieke bestel heeft geduwd, zal blijven. Zij zullen in de komende jaren deze partijorganisatie professionaliseren. De marketing zal lijken op die van de commerciële omroepen. Het merk Fortuyn wordt in de markt gezet. Een eigen blad, een eigen politieke variant op Club Veronica, een eigen bedevaartsoord, een eigen feel good-gevoel, en natuurlijk een eigen icoon, een logo, met onovertroffen naamsbekendheid, die dan ook voor allerhande gebruik is gedeponeerd. Fortuyns gedachtegoed, vele boeken bij elkaar, is intussen grillig genoeg om telkens opnieuw creatief ‘in de geest van’ Pim te kunnen worden geïnterpreteerd, bijvoorbeeld door een denktank naar conservatieve Amerikaanse snit. De mens Fortuyn is er zelf niet meer bij om van mening te veranderen, of om de exploitatie van het merk Fortuyn in de weg te zitten.

Geen woestijn, maar weldadige tuinen

Wat moet de Partij van de Arbeid in de komende tijd doen? We kunnen niet gewoon weer partijtje gaan spelen alsof er niets wezenlijks is veranderd. Het politieke bestel als zodanig is aan een grondige herziening toe. Intussen zal de PvdA zichzelf moeten hervormen om weer een vooraanstaande partij te kunnen zijn. Het verlossende antwoord is er niet in een paar maanden, maar hoeft ook weer niet jaren te duren We moeten ons wel de tijd gunnen voor een ingrijpend herstelprogramma.

Er is, ook uit de afgelopen jaren, materiaal genoeg om de discussie en het herstelprogramma mee te beginnen. We kunnen bijvoorbeeld vrijwel alle vragen die we nu moeten en willen stellen, in drie delen uiteen leggen. Ik denk dan aan de drie oriëntaties die werden onderscheiden in de interne PvdA-notitie Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit (2001).4

De PvdA moet zich: a) voortdurend oriënteren op de samenleving; b) op het sociaal-democratische gedachtegoed en c) op de bestuurlijke verantwoordelijkheid.

Het zijn wezenlijk verschillende oriëntaties, die echter alle drie onmisbaar zijn; zij moeten niet alleen, maar kunnen ook samengaan. Deze oriëntaties vallen niet vanzelfsprekend samen; zij moeten worden gezocht, en met elkaar in verband worden gebracht, zowel in de ‘theorie’ als in de praktijk voor de sociaal-democratie van-alle-dag. Nu we wel gedwongen zijn ons indringend te heroriënteren, zullen we dat ook langs elk van deze drie lijnen moeten doen.

We moeten, in de eerste plaats, opnieuw contacten leggen met de samenleving. We moeten het onszelf kwalijk nemen dat we grote groepen en hun problemen hebben genegeerd, hebben buitengesloten van onze actieve interesse. We verkeerden in de zelf geschapen illusie (arrogantie?) dat wij wel wisten wat er aan de hand was. We hebben als bestuur- en bestuurderspartij te weinig contact onderhouden met onze achterban (leden, sympathiserende kiezers, de groepen voor wie sociaal-democraten een bijzonder oog dienen te hebben). Te lang zijn we ervan uitgegaan dat iedereen die – naar onze eigen definitie bij ons ‘thuishoort’, eens per vier jaar toch wel weer langs zou komen om op de PvdA te stemmen, al waren ze in de tussenliggende jaren zwervende geraakt. Nu blijkt dat van de bijna 2,5 miljoen PvdA-kiezers uit 1998 een miljoen hun vertrouwen aan andere partijen hebben gegeven; er werd hen een ander huis geboden.

We moeten ook onderkennen hoezeer de PvdA is geëmancipeerd tot een middenklassepartij. Onder onze bestuurders en politici is die belevingswereld dominant. We wonen in een veilige sociale omgeving en verkeren vooral met mensen voor wie dat ook geldt. Ervaringskennis van het dagelijkse leven in andere sociale sferen ontbreekt vaak. We spreken veelal niet met ‘de mensen zelf’, maar met vertolkers, vertalers, smaakmakers en zaakwaarnemers, die een beperkte opening van zaken geven. De PvdA, die in voortdurend contact zou moeten staan met allerlei groepen in de samenleving, heeft zichzelf buitengesloten van de buitengesloten.

We moeten die contacten herstellen, en zorgen dat volksvertegenwoordigers weer de ervaring van de ervaringsdeskundigen (de burgers) op de politieke agenda plaatsen. Institutionele oplossingen zijn behulpzaam om de band te versterken (gekozen burgemeester, eventueel beperkt districtenstelsel) maar niet minder belangrijk is een hernieuwde politiek-culturele verankering, met sterk inhoudelijke en persoonlijk getinte dimensies. We moeten weer weten, voelen, horen, ruiken, herkennen wat er gebeurt, zodat wij op onze beurt kunnen worden herkend als we erover spreken (‘dit is mijn partij’, ‘dit is ons kamerlid’).

We moeten, in de tweede plaats, nieuwe betekenis geven aan de sociaal-democratie in een samenleving die de laatste decennia zéér is veranderd, met name sociaal en cultureel. De basiswaarden blijven dezelfde (zoals solidariteit en rechtvaardigheid), maar wat betekenen deze begrippen in de 21ste-eeuw? Een mooie en noodzakelijke manier om die vraag in brede kring aan de orde te laten komen, en met inschakeling van al het intellect dat zich door onze traditie en onze toekomst aangesproken voelt, is het maken van een nieuw beginselprogramma. Niet alleen het programma zelf is belangrijk, maar ook, en meer nog, de weg ernaartoe. Er ligt al voldoende materiaal om na veel discussie toch snel resultaten te bereiken.

Ook hier kunnen we gebruik maken van ideeën die reeds zijn ontwikkeld maar die, om welke reden ook, tot nu toe onderbelicht zijn gebleven. Ik beperk mij – als voorbeeld (omdat ik er zelf bij betrokken was) – tot de concept-nota Migratiebeleid in rede (2001). Daarin is een poging gedaan ‘(…) om de huidige lappendeken van beleidsfragmenten en ad hoc visies in te ruilen voor een coherent migratiebeleid’. In die nota wordt een realistisch én sociaal-democratisch onderscheid gemaakt tussen drie wezenlijk verschillende migratievraagstukken: het asielbeleid, de internationalisering van de arbeidsmarkt, en de morele verantwoordelijkheid van internationale solidariteit.5 Er valt veel meer over te zeggen, maar ik noem de nota omdat zij dwingt een richting aan te geven.

Tenslotte: politieke verantwoordelijkheid hebben we in de komende tijd in de eerste plaats in eigen kring te nemen. We moeten ‘investeren in een nieuwe politieke cultuur’.6 Een nieuwe, open en op discussie gerichte politieke cultuur moet ook worden gedragen door nieuwe generaties. We moeten nadenken over nieuwe samenwerkingsvormen, ook binnen de partij en de kamerfractie, met een discussie over de aard en veelvormigheid van leiderschap. Het voorbeeld van het CDA (Heerma, De Hoop Scheffer, Balkenende) leert dat nieuw en overtuigend leiderschap niet per se aan het begin van de inhoudelijke heroriëntatie van een partij staat, maar eruit kan voortvloeien.

We moeten, kortom, niet alleen reactief zijn door onze positie te bepalen ten opzichte van anderen, maar vooral ook de eigen kracht en de eigen richting van de sociaal-democratie hervinden. Ik stel voor dat we het beeld van de gewenste nieuwe PvdA-volksvertegenwoordiger voor ogen houden, zoals dat in Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit is geschetst.

‘Van volksvertegenwoordigers verwachten wij dat in hun politieke stijl tot uitdrukking komt dat je op een intelligente, gevoelige en ontspannen manier de drie genoemde oriëntaties van de PvdA kunt verbinden. Volksvertegenwoordigers ontlenen permanent kracht aan de maatschappelijke werkelijkheid, maar ook aan hun inzicht in het bestuurlijk mogelijke, en tenslotte aan het blijvende kompas van de intrinsieke sociaal-democratische waarden en attitude. Zo kunnen zij bruggen slaan tussen burger en politiek, tussen korte en lange termijn, tussen directe belangen en vergezichten. Zo kunnen ze er ook begrijpelijk over spreken, zonder gedraai, zonder het gehoor te intimideren, altijd met de wil tot communicatie zonder welke de politiek ten dode is opgeschreven. Volksvertegenwoordigers behoren de kunst te verstaan om ook ingewikkelde kwesties helder uit te leggen, zonder ze te versimpelen, en daarbij duidelijk te maken hoezeer de specifieke sociaal-democratische keuzen voor de hand liggen als de best mogelijke keuzen voor de samenleving.’

Over het artikel en de auteur:

Adri Duivesteijn was, ten tijde van het schrijven van het artikel De revolutie der buitengeslotenen, lid van de Tweede Kamer en vice-voorzitter van de Fractie van de Partij van de Arbeid. Het artikel zelf is gepubliceerd in Socialisme en democratie (S&D) van de Wiardi Beckmanstichting dat in zijn geheel was gewijd aan de gevolgen van de voor de PvdA desastreuze verkiezingsuitslag in 2002

Noten

  1. Eveline Brandt, ‘De rode bouwmeester’, in: De Groene Amsterdammer, 19-6-1996.
  2. Adri Duivesteijn, ‘De Paarse methode met meer gedrevenheid. De noodzaak van een nieuwe progressieve agenda’, in: S&D 2000 nr.11. Adri Duivesteijn en Jet Bussemaker, ‘De komst van een progressief programma is geen sprookje’, in: de Volkskrant, 21-5-2001.
  3. Bram Peper en Adri Duivesteijn, Herwaardering overheid stelt eisen aan PvdA’ in: de Volkskrant, 15-12-2001.
  4. Ruimte voor mensen, ruimte voor solidariteit; Naar een permanente campagne van de PvdA, Den Haag, 4 juni 2001. De werkgroep bestond uit Adri Duivesteijn (voorzitter), Erik van Bruggen, Remco Dolstra, Frank Heemskerk, Peter van Heemst, Alex Klusman, Jan Middendorp en Marike Simons. De werkgroep was opgericht op verzoek van de toenmalige fractievoorzitter in de Tweede Kamer Ad Melkert en de toenmalige penningmeester van de PvdA Jan van Ingen Schenau.
  5. Migratiebeleid in rede, concept-nota van de werkgroep Migratie van de Tweede-Kamerfractie en Eurodelegatie van de Partij van de Arbeid, Den Haag, juni 2001 (concept). De werkgroep bestond uit Nebahat Albayrak, Judith Belinfante, Jet Bussemaker, Ieke van der Burg (EP) Adri Duivesteijn (voorzitter), Mariëtte Hamer, Joke Swiebel (EP), Frans Timmermans en Wouter Gortzak.
  6. Investeren in een nieuwe politieke cultuur, voorzet voor notitie over fractieoptreden en politieke strategie, t.b.v. fractieweekeinde 27-28 augustus 1999, opgesteld door Adri Duivesteijn t.b.v. het fractiebestuur, 8 juli 1999.

De PvdA gaat in het wonen terug naar de kern: ‘toegankelijkheid, betaalbaarheid en zeggenschap’

De Werkgroep Volkshuisvesting van de PvdA, onder leiding van voorzitter Hans Spekman, heeft op 18 juni 2016 haar essay gepresenteerd waarin zij de verkiezingsprogrammacommissie van de PvdA voorstelt terug te gaan de kern van een sociaal woonbeleid.

Daarbij gaat het om de Waarden van het Wonen:

  • Toegankelijkheid: er zullen meer huizen moeten worden gebouwd, op plekken waar mensen willen wonen
  • Betaalbaarheid: iedereen moet goed kunnen wonen voor een eerlijk deel van het besteedbaar inkomen
  • Zeggenschap: bewoners moeten meer te zeggen hebben over de plek waar ze wonen

Deze waarden worden uitgewerkt in een sterke en ingrijpende correctie op het bestaande sociale woonstelsel. Daarbij wordt fundamenteel afstand genomen van de marktwerking binnen het sociaal woonstelsel. Voor zij die zijn aangewezen op een sociale huurwoning gaat het weer gewoon om een direct te betalen woonlast (huur en energie), om een reëel en betaalbaar woningaanbod, om echte zeggenschap door een schaalverkleining en democratisering van de huidige woningcorporaties en het recht op zelforganisatie via de wooncoöperaties. Daarnaast stelt de werkgroep voor de verhuurdersheffing los te laten en via een fonds te gaan investeren in een sociaal woonprogramma.

Wanneer de programmacommissie van de PvdA de voorstellen overneemt durf ik te stellen dat de PvdA voor wat betreft het wonen zich in haar fundamentele opvatting heeft gemoderniseerd en dat daarmee het sociale woonstelsel als belangrijk onderdeel van ons publiek domein kan worden gerehabiliteerd. Om dat waar te maken is er nog een hele weg te gaan. Maar die is wel ten volle de moeite waard.

Voor het gehele verhaal verwijs ik u met volle overtuiging naar ons essay

Samenvatting essay werkgroep volkshuisvesting van de PvdA

2016 – Werkgroep PvdA-Onze Waarden voor het Wonen

Eerste reactie op PvdA-Nota Wonen: Lof en cynisme
Het is niet verwonderlijk dat er gemengde reacties komen op een nota over wonen van de PvdA. In de afgelopen jaren heeft de PvdA door haar ‘samenwerking’ met de VVD, die vooral het karakter heeft van een business deal dan het zoeken naar een synthese in de verschillende politieke opvattingen, vel van har vertrouwen verloren. Het is duidelijk dat er nog heel wat zal moeten gebeuren wil de kiezer van de PvdA opnieuw haar volle vertrouwen geeft aan de PvdA. teleurstelling over de PvdA te laten verdwijnen. Toch is er voor de PvdA geen andere weg dan die van de inhoud. De Nota Wonen is daarom juiste weg, namelijk die van de terugkeer naar de sociaal democratische waarde in het te voeren beleid. En dan is het prettig om te lezen dat de inhoud van de nota daarvoor ‘lof’ krijgt. De eerste stap naar herstel van vertrouwen is daarmee gemaakt.
Parool: PvdA laat sociale huur herrijzen 
Parool: PvdA-Nota Wonen: lof en cynisme.

Peter Hendrikx, financieel-economisch journalist en consultant voor woningcorporaties, heeft de Nota Wonen met een kritische blik gelezen, is leesbaar gecharmeerd van de nota maar plaatst, net als in de nota zelf, de vraag of erin ons land een politieke meerderheid gevonden kan worden voor de samenhang van een werkelijk sociaal woonstelsel. Per saldo zeker een contructieve bijdrage om met de kanttekeningen de inhoud van de nota te verbeteren. Woonnotitie PvdA is doordrenkt van geloof in maakbaarheid

 

NRC – “Constant gaf mij een referentiekader”

NRC.ConstantOp 28 mei mocht ik de tentoonstelling Constant – New Babylon: Aan ons de vrijheid openen in het Gemeentemuseum Den Haag. Ter gelegenheid van deze tentoonstelling werd in het NRC van 4 juni een bijlage opgenomen die geheel gewijd is aan Constant en het New Babylon.

Constant – Commerciële bijlage van het Gemeentemuseum Den Haag en het Cobramuseum -NRC HANDELSBLAD

A political context: Siza and the Punt-Komma

‘Architecten die zich vriendelijk opstellen tegenover bouwteams en vooral de wensen van die bouwteams willen uitwerken, dienen gemeden te worden. Voorkeur verdient die architect die eigen opvattingen over haar/zijn vak heeft en die de discussie aangaat. Ga conflicten juist niet uit de weg, los niet alles op door onderhandelen. Kies de uitdaging!’

(Campagne Stadsvernieuwing als Kulturele activiteit, 1985)

Siza meets The Hague friends

Alvaro Siza op 12 maart in de Schilderswijk in Den Haag; eten met een filmploeg uit Portugal.

In de tweede week van maart van dit jaar bezocht Alvaro Siza zijn woningbouwprojecten die hij in 1984 in Den Haag heeft gerealiseerd. Meer dan dertig jaar geleden gebouwd en zijn projecten staan er nog steeds spic en span bij. Het bijzonder aan deze woningbouwprojecten zit hem in het feit dat Siza in Den Haag de stadsvernieuwing deed kantelen. Hij liet zien dat ook sociale woningbouw onder architectuur gebouwd kon worden, dat de plattegronden wel degelijk een specifiek antwoord kon geven op de verschillende leefstijlen (waaronder mensen met een islamitische achtergrond) die er toen al in de Schilderswijk waren. Tevens liet Siza zien dat een totale sloop van de wijk en het opnieuw beginnen een fundamentele fout was. Nee, ook bij sloop dient de bestaande structuur van de wijk gerespecteerd te worden. Siza liet ons zien dat ‘traditie en vernieuwing’ in de stadsvernieuwing essentieel zijn. Respecteer de oude wijken zoals ze zijn, borduur er op voort en moderniseer ze binnen die gegroeide context.  Met Siza heeft de nieuwe aanpak van de stadsvernieuwing als een culturele activiteit zijn betekenis gekregen. Onderstaand artikel heb ik geschreven ten behoeve van de catalogus voor een tentoonstelling die gemaakt wordt over het werk van Alvaro Siza in Berlijn, Den Haag, Porto en Venetië. Ik beschrijf erin hoe ik tot de keuze voor Alvaro Siza ben gekomen. 

A political context: Siza and the Punt-Komma

Mei 1968: op de Sorbonne, de Universiteit van Parijs brak een studentenopstand uit die al snel zou overgaan in een algemene staking over heel Frankrijk. En het was niet alleen Parijs waar in dat jaar de veranderingen zich aankondigden. Het is ook het jaar van de opkomst en de neergang van de Praagse Lente. Het jaar waarin de verdeeldheid over de zin en de onzin van de Vietnamoorlog in volle omvang de wereld zal gaan beheersen. Het jaar waarin hoop en vrees elkaar afwisselende. Hoewel ik, in die tijd nog net geen 18 jaar, niet in alle opzichten doorgrondde wat er gaande was, voelde ik wel aan, dat hierachter het verzet schuilging tegen het zittende gezag en dat dit voor een kantelpunt in de naoorlogse geschiedenis zou kunnen gaan zorgen. Hier keerden generaties, onafhankelijk van etniciteit, cultuur, klasse en leeftijd, zich meer en meer tegen de ordening van de oude, conservatieve maatschappij met haar moralistische idealen op vlak van religie, patriottisme en respect voor autoriteit. In feite was het de opkomst van de autonome burger, vrijgemaakt van de ‘ketenen, van een verzuilde samenleving’ ten gunste van een meer progressieve maatschappij die individualisme en meer sociale vrijheid voorstond. 1968 zou ook voor de Schilderswijk in Den Haag een bijzonder jaar worden. Het is de wijk waar ik ben opgegroeid. Hier werd ik mij gaandeweg steeds bewuster dat de woon- en leefomstandigheden er helemaal niet normaal waren. De Schilderswijk, bekend als de grootste arbeiderswijk van Nederland (45.000 inwoners), had zijn oorsprong in de snel toenemende vraag naar goedkope huizen. Het inwonertal van Den Haag zou tussen 1875 en 1900 van circa 100.000 oplopen tot boven de 200.000. Stadsuitbreiding was nog niet of nauwelijks een echt publieke taak, met als gevolg dat de ordening van de wijk door het gemeentebestuur vrijwel geheel werd overgelaten aan het particulier initiatief. En voor deze, vaak door speculatie gedreven investeerders, stond vooral de winstmaximalisatie centraal. De publieke ruimte beperkte zich tot een stratenpatroon, dat bestond uit een eentonige reeks smalle en langgerekte straten waarin de hoofdstraten nauwelijks onderscheidend waren en pleinen, groenvoorzieningen dan wel speelgelegenheid, vrijwel ontbraken. De ondiepe binnenterreinen werden volgebouwd met hofjeswoningen en werkplaatsen. Het is deze oorsprong die de Schilderswijk altijd heeft achtervolgd. Ik weet eigenlijk niet beter dan dat er altijd wel sprake was van verpaupering. Zo waren dichtgespijkerde onbewoonbaar verklaarde woningen geen uitzondering, werden er delen van de wijk gesloopt en lagen de daaruit volgende braakliggende terreinen er jaren achtereen verwaarloosd bij. Wat ook niet hielp, was de opvatting van het gemeentebestuur. Die had in 1953 een gemeentelijke ‘Saneringsnota’ uitgebracht, waarin grote delen van de Schilderswijk voor sloop werden aangewezen. Een direct gevolg hiervan was, dat iedere investeerder, en dat gold niet alleen de vele kleine particuliere huiseigenaren, maar ook de gemeentelijke diensten, wisten dat geld uitgeven voor onderhoud en beheer in deze volkswijk niet meer lonend was. Het zou tot 1968 duren, voordat het gemeentebestuur haar plannen voor de toekomst voor de nieuwe Schilderswijk ontvouwde met de eufemistische titel ‘Van Grijs naar Groen’. Geheel overeenkomstig de beginselen van de CIAM zou de oude Schilderswijk plaats maken voor het moderne wonen. Flats in het groen zouden het gezicht gaan bepalen. Het plan sloeg in als een bom. Van Grijs naar Groen maakte in een klap duidelijk hoe het gemeentebestuur naar haar eigen inwoners keek. Niet alleen de Schilderswijk zou grotendeels verdwijnen, maar ook de zittende bewoners waren in de nieuwe wijk niet echt welkom. Opnieuw zouden de huren zo hoog zijn dat er voor de Schilderswijkers niets anders op zat dan ‘voor de bezem van de sanering uit’ te gaan naar een volgende oude wijk. 1968 werd daardoor ook het jaar van het verzet in de Schilderswijk. De Actiegroep Betaalbare Huren zette met een ‘zwarte vlaggen dag’ de toon van het verzet. De gemeentelijke plannen moesten van tafel en de huren van de nieuw te bouwen woningen zouden betaalbaar moeten zijn. Zelf sloot ik mij dat jaar aan bij de Jongeren Aktiegroep Schilderswijk (JAS). Een groep jongeren die zich de gedragingen van de vele speculanten aan de kaak stelde die zich verrijkten aan de woningnood onder migranten. Richtte eind 1970 de wijkkrant De Schilderswijker op en melde mij aan als lid van de sociaal democratisch partij, de PvdA.

April 1974: de spanning die ik bij de ‘mei 68’ revolte Parijs en Frankrijk ervoer, werd op 25 april in Portugal overtroffen door de sensatie van een geweldloze militaire staatsgreep die een einde maakte aan de fascistische dictatuur van Marcello Caetano. Vooral politiek wilde ik doorgronden wat er in Portugal gaande was. In de zomer van 1975, ik was net lid geworden van de gemeenteraad van Den Haag, reisde ik naar Portugal af om met eigen ogen te gaan zien wat de betekenis van deze verandering in het land zelf zou zijn. Al reizend met een Citroën Deux Cheveaux ging ik door het land het gesprek aan met architecten, gemeentebestuurders en wijkbewoners van wijken die enigszins te vergelijkbaar waren met die van de Schilderswijk. Het zou voor mij een verrassende kennismaking zijn met het programma van SAAL (Local Ambulatory Support Service). Waar in Den Haag de stadsvernieuwing nog vooral een gemeentelijke activiteit was, waar de bewoners nog maar spaarzaam een echte stem in hadden, leken hier de rollen omgedraaid. Zo had the secretariat of State for Housing and Planning, led by Architect Nuno Portas via het SAAL-programma van bovenaf verordonneerd dat er een programma moest komen voor ‘the urgent housing needs of underprivileged communities across the country’.(…). and ‘that the communities for which this new housing was intended would be involved in the design process through their direct participation’. Top Down werd hier voorgeschreven dat er in het Portugese stadsvernieuwingsprogramma ‘Bottom Up’ moest worden gewerkt. Voor mij werd Portugal daardoor een inspiratiebron en het is dan ook op deze reis dat ik besloot om terug te keren naar Portugal op het moment dat de Anjerrevolutie haar tienjarig bestaan zou gaan vieren.

1984: voornemens? Hoe vaak komt het niet voor dat je jezelf iets voorneemt, maar op het moment dat het zover is de actualiteit het wint van de goede voornemens? Er was in die tijd ook alle reden om af te zien van de reis naar Portugal. Op 3 november 1980 was ik vrij onverwacht door de gemeenteraad gekozen tot lid van het College van Burgemeester en Wethouders en werd verantwoordelijk voor de stadsvernieuwing in Den Haag. Mijn benoeming was atypisch. Een wijkbewoner uit de Schilderswijk met een nadrukkelijk actieverleden kreeg nu de volle verantwoordelijkheid om de vernieuwing van de oude wijken. Zelf zag ik het als een unieke kans om mijn idealen voor een andere stadsvernieuwing, maar nu als dagelijks bestuurder, nu ook echt zelf vorm en inhoud te kunnen geven. Ik liet dan ook geen moment verloren gaan. Binnen twee maanden lag er een compromis voor een ander verkeersplan waardoor de oude wijken van doorgaand verkeer werden gevrijwaard en er een begin kon worden gemaakt met het herstel na decennia van verpaupering gekend te hebben. In diezelfde tijd werd de projectorganisatie Stadsvernieuwing opgericht en konden wij samen met de bewoners van de stadsvernieuwingswijken aan de slag. Voortaan waren de bestaande oude wijken het uitgangspunt van beleid. Van binnenuit zouden ze worden vernieuwd met als beginsel ‘het bouwen voor de buurt’. In alle wijken werd de draad weer opgepakt en met nieuw elan begonnen gemeente, wijkbewoners en woningcorporaties samen aan een nieuwe periode voor de stadsvernieuwing. Het was de tijd waarin voornemens en plannen werden omgezet in concrete bouwplannen. Er werd weer volop gebouwd. Wat kon er nu nog verkeerd gaan?
‘Schilderswijk wordt getto’
Terwijl de trein van de stadsvernieuwing volop in beweging was gekomen, de nieuwbouw als vanzelfsprekend uit de steigers kwam, de verpaupering was afgenomen en de leefbaarheid zichtbaar verbeterde, nam paradoxaal genoeg de onvrede in de ouwe wijken toe. Met name in de wijkkrant De Schilderswijker, de krant waarvan ik ooit zelf de oprichter was, wordt de kritiek op het beleid snoeihard geformuleerd. Aanvankelijk richtte de kritiek zich nog op het te radicale sloopbeleid waardoor er per saldo toch een gehele nieuwe wijk zou gaan ontstaan. Maar steeds duidelijker werd dat achter de onvrede iets fundamenteler schuilging. De wijkkrant vertolkte, misschien wel als eerste in Nederland, het gevoelen dat door de veranderingen in de bevolkingssamenstelling het oorspronkelijke karakter van de oude wijken en de daar heersende waarden en normen onder druk kwamen te staan. ‘Bedankt Duivesteijn en van Otterloo: Schilderswijk wordt getto’ kopte de wijkkrant de Schilderswijker in april 1984. Volgens de redactie kozen ‘steeds meer ‘Schilderswijkers in hart en nieren’ (…) ‘bij de keuze tussen behoud én verbetering of sloop én nieuwbouw vóór sloop van hun dierbare en bovenal goedkope woningen ‘om maar uit de rotzooi te zijn’. Sloop geeft je tenminste het recht op een woning in een andere buurt’. Plotseling kreeg het beginsel ‘bouwen voor de buurt’ ook een andere inkleuring namelijk die van een ‘ongewenste’ bevolkingssamenstelling. Zo was in de Schilderswijk het aantal migranten inmiddels naar zo’n 46% opgelopen. Nu werd duidelijk dat bij de autochtone vertegenwoordigers van de buurt er de verwachting was dat met de vernieuwing van de oude Schilderswijk de vertrouwde buurtcultuur zou worden gerehabiliteerd. Echter veel oorspronkelijke Schilderswijkers kozen echter voor een vertrek uit de wijk. Allochtonen grepen de stap naar de vernieuwde wijk juist aan als een substantiële verbetering van hun woon- en leefsituatie. De redactie van de wijkkrant vond dit een verkeerde ontwikkeling en hield een pleidooi voor een spreidingsbeleid. Persoonlijk, maar ook principieel zag ik daar helemaal niets in. Voor mij was het per definitie zo dat wanneer je uitgaat van een zittende samenleving je daarin geen onderscheid maakt in etniciteit, cultuur en klasse. Dat mensen in een wijk en buurt wonen brengt per definitie een eigen geschiedenis met zich mee. Samen vormen mensen een community, dan wel staan zij voor de taak om samen een community te vormen. En ja, ik geloofde erin dat mensen met elkaar in staat zijn om hun eigen situatie te verbeteren. Bovendien ging het hier om een migratie die los van de stadsvernieuwing overal plaatsvond in Europa en het zou het dus eerder de vraag moeten zijn hoe wij binnen de stadsvernieuwing in het beleid er ook echt rekening mee zouden kunnen houden. Dat was mijn inzet en ik had geen reden deze opvatting te herzien. Maar de kritiek ging ook niet langs mij heen. Ook ik was ontevreden over de resultaten van het toch door velen met zoveel enthousiasme uitgevoerde beleid. Mijn kritiek echter zat meer in de hardware van de stadsvernieuwing. Gaandeweg was mij duidelijk geworden dat ook de stadsvernieuwing een machine was, waarin vooral het verdienmodel centraal stond. Eigenlijk moesten wij vaststellen, dat de stadsvernieuwing vooral een kwantitatief productieproces was waarin de gevestigde belangen van woningcorporaties, aannemers en architectenbureaus diep verankerd waren. In de naoorlogse wijken hadden deze partijen een monopoly. Bewoners waren er immers nog niet. Het was dus vooral een productieproces van bovenaf. In de stadsvernieuwing was dat anders. Hier zaten de bewoners aan tafel en moest men wheelen en dealen. En dat ging eigenlijk geruisloos. Schijnbaar moeiteloos integreerde de bouwwereld het participatiemodel. Toch klopte er iets niet. En met de oplevering van de eerste concrete resultaten werd zichtbaar waarom dat zo was. Want waar in alle steden buurtbewoners met ambtenaren, woningcorporaties en architecten avondenlang gebogen zaten over de nieuwe plannen voor de wijk bleek in de harde realiteit, dat veel van de uitkomsten van dit overleg leidden tot precies dezelfde bouwplannen! Hoezo zeggenschap, hoezo aansluiten bij de buurt, hoezo rekening houden met de buurtcultuur? In hoge mate bleek het overleg fake te zijn. Het bleek een rollenspel, waarin alle actoren hun rol speelden maar het resultaat van tevoren al leek vast te staan. De werkelijk invloed van bewoners richtte zich vooral op de betaalbaarheid van het plan. En al snel werd het standaardproduct van de bouwwereld daarvoor het ‘ideale’ bouwplan. Tot mijn teleurstelling moest ik ontdekken dat wij vooral met een productieproces bezig waren maar niet of nauwelijks met de vraag wat de specifieke identiteit van buurten en wijken is en hoe wij daaraan nieuwe betekenisvolle karakteristieken konden toevoegen. Wat zou bij voorbeeld in de nieuwe Schilderswijk met de tegenwoordige bevolkingssamenstelling de nieuwe buurtcultuur moeten of kunnen zijn? Waar hadden deze bewoners echt behoefte aan en welke woningen en wat voor soort openbare ruimte hoort daar dan wel bij? Maar ook de architectuur riep vragen op. Hoe kan het toch dat de oude wijken karakteristieker en betekenisvolle waren dan de vernieuwde wijk? Ik voelde mij steeds ongelukkiger worden met mijn ‘eigen’ beleid. Meer en meer moest ik erkennen dat ik wel een machine had aangezet, maar dat die machine onafhankelijk van het beleid zijn eigen producten produceerde. Dat moest anders. Maar hoe dan? Zeker daar waar sprake is van stedenbouw, is het niet snel aan een bestuurder gegeven, wanneer hij of zij geen vakgenoot is, om daarin leidend op te treden. Vaak intervenieer je op het proces, maar hier ging het om de inhoudelijke keuzes die echt anders zouden moeten. Ik kon niet anders dan doen wat ik als methode vaker had gedaan. En dat was zelf kritiek formuleren, vragen stellen en iedereen uitnodigen met elkaar daarover in gesprek te gaan. Een openbare zoektocht over wat stadsvernieuwing nu werkelijk is, dan wel zou moeten zijn. Voor mij was het in ieder geval duidelijk dat het om een culturele opgave ging. Wanneer wij in staat zouden zijn te ontdekken wat de culturele dimensie zou kunnen zijn, wij ook in staat zouden zijn om specifieker te worden. Een collectieve herbezinning of zoektocht naar de identiteit van de stadsvernieuwing. De campagne ‘Stadsvernieuwing als kulturele activiteit’ was geboren. Ik had geen idee waar wij uit zouden komen.

1984: Porto, mijn ontmoeting met Alvaro Siza
Het was in deze stemming dat ik, samen met PvdA-gemeenteraadslid Jaap Huurman, het vliegtuig nam naar Lissabon om inhoud te geven aan mijn eerdere voornemen om deel te nemen aan de viering van de 10-jarige Anjerrevolutie. Onder mijn arm had ik het architectuurtijdschrift Wonen/TABK, waarin uitgebreid verslag werd gedaan van de resultaten van het SAAL programma. Ik was vooral geïntrigeerd door de opvattingen van Alvaro Siza over de rol van de opdrachtgever. Die opdrachtgever in de visie van Siza was de gebruiker. En die gebruiker identificeerde zich maar al te vaak met beelden die vooral door een commerciële branding waren ontstaan, in plaats dat zij een werkelijke weergave waren van de elementaire behoefte in het wonen zelf. Nee, om er echt achter te komen wat een opdrachtgever wilde moest je, vond Siza, de moed hebben zo nodig ook het conflict te aan te gaan over zijn eigen geformuleerde programma. Dat was nieuw voor mij. Ik ergerde mij vaak aan de mooie verhalen van veel architecten die werkzaam waren in de stadsvernieuwing. Vooral ook omdat zij er met hun eigen werk maar zelden in slaagden om een nieuwe en betere wereld te scheppen. In mijn verontwaardiging zag ik ze vaak als broodwerkers die kritiekloos uitvoerden wat de opdrachtgever, vaak gelieerd aan een vaste aannemer, aan programma meegaf. Zou Siza daarin andere keuzen maken? Mijn nieuwsgierigheid nam toe en ik trachtte dan ook bij mijn collega-bestuurders in Lissabon en Porto zijn adres te achterhalen. Tot mijn verbazing gaven zij niet thuis. Hoe kon het dat zij Siza niet kenden terwijl hij het SAAL-programma van Lissabon en Porto had geparticipeerd, hij in Kruezberg in Berlijn had gebouwd en in Nederland de architectuurtijdschriften over hem hadden geschreven? Met iedere afwijzing nam mijn belangstelling toe. Uiteindelijk fluisterde een mij onbekende persoon mij in dat hij mij na de officiële receptie van het gemeentebestuur naar Siza zou brengen. Bij mij riep het associaties op uit de tijd dat ik in 1969 in Tsjecho-Slowakije in gesprek was met dissidenten. Nog diezelfde dag zou Siza ontmoeten op de faculteit voor architectuur van Porto. Siza, klein, somber gestemd, moeilijk verstaanbaar en duidelijk wantrouwend vroeg waar de belangstelling vandaan kwam. Gelukkig het Wonen/TABK-tijdschrift overtuigde en hij stemde in om de volgende dag zijn projecten in Porto te laten zien. En zo geschiedde. In een klein autootje reed Siza ons die zaterdag door Porto. Hij liet ons de gehele moderne architectuurgeschiedenis zien. We hadden een lunch in Siza’s prachtige restaurant Boa Nova. Maar de woningbouwprojecten van Siza kregen wij maar niet te zien. Ik drong opnieuw aan waarop Siza zijn weerzin uitte maar vervolgens toch instemde om te gaan.

Bouca, Porto Na een dag lang allemaal keurige wijken en woningbouwprojecten in Porto te hebben gezien met een dito toelichting van Siza was ik, eerlijk gezegd, nog steeds niet erg onder de indruk geraakt. Wat ik had gezien kon ik met een beetje goodwill in Den Haag ook vinden. Het waren toch per saldo vooral de naoorlogse wijken met dito moderne woongebouwen. De een mooier dan de ander maar het verraste mij geenszins. Maar achteraf was er geen betere introductie mogelijk op de rol en de betekenis van Siza eigen project. Kennisnemen van architectuur is niet vrijblijvend. Het is net als met kunst, je wordt er wel of niet door geraakt. Maar als je geraakt wordt, dan is het ook regelrecht in het hart en ben je gewonnen zonder dat je direct onder woorden kan brengen waarom. En dat was precies wat mij overkwam toen wij met elkaar het Bouca-project binnen wandelden. Er gebeurde iets met mij. Ik ervoer het als een sensatie. Deze woonwijk, hoewel volstrekt niet af, barste van de energie. Overal was er sprake van activiteit. De trappen stonden vol met groene planten, op de galerij stonden de vrouwen te kijken naar de kinderen die op de niet-geplaveide binnenstraten aan het spelen waren. Mannen liepen heen en weer op de galerij. Hier was leven, hier voelde ik energie en mijn hele dag veranderde. Natuurlijk, ik zag dat het project niet was afgebouwd, dat de houten trappen naar de galerij op een geïmproviseerde wijze waren aangebracht. Maar het straalde optimisme uit, het was formeel maar tegelijkertijd levendig en gevarieerd. Er was sprake van een eenheid, maar ook van een sterke individualiteit. Maar bovenal was het van de mensen. En hoewel niet af, waren de mensen die er woonden trots. Het was hun woning, het was hun buurt. Dat het project om politieke redenen niet was of mocht worden afgebouwd, maakte het voor mij alleen nog maar interessanter. Het project was daarmee in zichzelf al een openbaring van een politiek strijd. En ja, daar herkende ik mijn strijd in voor een andere stadsvernieuwing in Den Haag. Ook daar ging het ook om meer dan een technische operatie. Het gaat er niet om dat oude woningen worden vervangen door nieuwe woningen. Nee, mij ging het om meer. ‘Politiek’ zei Olof Palme, de vroegere premier van Zweden, ‘dat is een kwestie van willen, van iets willen. Sociaaldemocratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren’. Hoe kon de stadsvernieuwing bijdragen aan een fundamentele verandering in de posities van mensen? Hoe kon architectuur bijdragen aan de waardigheid van het dagelijks leven van mensen met een laag inkomen? Hoe konden kinderen opgroeien in een wijk waarin de speelgelegenheid er als vanzelfsprekend was? Dat waren de vragen die mij bezighielden. En hier zag ik dat stedenbouw en architectuur wel degelijk antwoorden konden geven. Ik voelde in Bouca, hier was iets bijzonders gebeurd. Goed, het was niet af, of beter gezegd: het was nog niet af, maar de strijd was gevoerd en bij de bewoners voelde je dat die strijd zou doorgaan. Ik kon niet veel anders dan het werk en de inzet van Siza in zijn Bouca project vertalen naar de impasse in de Nederlandse stadsvernieuwing. Hier stond ik tegenover een architect, die begreep waar het om ging. Hier was ‘an architect able to run participatory experiments’, of ‘his commitment to a dialectical design mode – in which ‘the present ideas of the population’ were integrated into the architectural logic of specialists proposing to operate within the political context offered an advantage in particulary sensitive situations’. (…) Met Siza konden wij de stadsvernieuwing weer opnieuw ‘linked to its characteristics as an experiment in social emancipation en participative democracy’. Voor mij was het duidelijk. Ik zag hier een energie die wij in Den Haag ontbeerden. Die energie, die hadden wij nodig om uit onze impasse te komen. En waar ik steeds enthousiaster werd van het Bouca project, zag ik Alvaro Siza steeds gedeprimeerder worden. Voor hem was het bezoek vooral een confrontatie. Zijn project, zijn idealen, zijn energie die hier net voor de openbaring in de kiem waren gesmoord waren voor hem zichtbaar een pijnlijke herinnering. Maar ik was ervan overtuigd dat met de grondprincipes van SAAL en Alvaro Siza wij in staat moesten zijn om ons eigen stadsvernieuwingsbeleid te herdefiniëren. Hoe, ik had geen idee anders dan het formuleren van de politieke opdracht. Het samen aangaan van de zoektocht maar nu met behulp van de architect die als methode zelf per definitie die zoektocht ook echt maakt. Met Siza zouden wij ons stedenbouwkundig plan kunne herijken, met Siza zouden wij bij de bewoners, dus ook de allochtonen, kunnen nagaan wat hun echte woonwensen zijn en wij zouden met Siza onze nieuwe beginselen voor een culturele stadsvernieuwing kunnen definiëren. Ik kon niet anders dan opgewonden naar huis gaan. Het is geen totaal antwoord maar Siza vertegenwoordigde een mentaliteit, een instelling die nodig was om die zelfvoldane stadsvernieuwingsmachine in Den Haag een schop te geven in de goede richting. Precies vier weken later op 24 mei 1984 schrijf ik Siza en nodig hem officieel uit om te komen werken in de Schilderswijk.

2016: dertig jaar later, de Schilderswijk is allang geen echt stadsvernieuwingsgebied meer. Wel is het nog steeds een volkswijk. Zij het dat het volk niet meer eendimensionaal bestaat uit witte arbeiders met een laag inkomen. Nee, tegenwoordig zijn de Nederlandse steden sterk verkleurt. Zo huisvest Den Haag zo’n 120 culturen, heeft ruim 50% van de inwoners een niet-westerse achtergrond. En heeft de Schilderswijk inderdaad, wat de wijkkrant al voorspelde, maar liefst 93% niet-westerse medeburgers. In zekere zin is de vraag die ik ooit aan Siza formuleerde, om in samenspraak met de zittende bewoners woningen te ontwikkelen die geschikt zijn voor huishoudens met verschillende culturele achtergronden, actueler dan ooit. De woonblokken en woningen van Alvaro Siza staan nog steeds fier overeind en onderscheiden zich in architectuur, ontsluiting en woningplattegronden. Net als het inmiddels afgemaakte Bouca project van Alvaro Siza in Portugal zijn deze projecten in de Schilderswijk kwalitatief superieur, harmonisch ingepast en bovenal zijn zijn woningplattegronden nog steeds een adequate antwoord op de muti-etnische diversiteit van de Schilderswijk.
Wie de echte invloed van Alvaro Siza proefondervindelijk wil ontdekken zou eigenlijk een wandeling in de architectonische tijdslijn van de stadsvernieuwing in de Schilderswijk moeten maken. Zij zullen dan opmerken dat het eerste project, de 444, aan de Hoefkade eigenlijk bestaat uit een aantal CIAM-achtige flatgebouwen die het in een gemiddelde naoorlogse wijk ook heel goed zouden doen. Het tweede project aan de Falckstraat is bouwkundig gelijk aan de 444 maar hier zien wij een sentimenteel spel met bakstenen en quasi schuine daken met dakpannen. De projecten die daarop volgen, zoals Hannemanplantsoen, Van Dijckstraat en Jan de Baenstraat lijken als ufo in de wijk te zijn neergedaald en in de architectuur is er een kakofonie aan onherkenbare uitdrukkingen te zien. In alle opzichten is dit deel van de wijk stedenbouwkundig en architectonisch footlose en wat erger is ronduit armoedig. Pas in het deelgebied 5 waar Siza de supervisie had en onder andere het project De Punt en de Komma is gerealiseerd zien wij dat er weer harmonie is ontstaan. Siza weet als buitenstaander beter dan wie ook de bestaande kwaliteiten van de originele Schilderswijk te herontdekken. Feitelijk rehabiliteert Alvaro Siza hij het originele stratenplan, de strakke gevel, en de portiekontsluitingen. Door vervolgens een slag te moderniseren blijkt hij ineens in staat én het karakter van de bestaande Schilderswijk te behouden én tegelijkertijd de wijk op een zachte en milde manier te moderniseren. En vanaf dit moment zien wij dat in de stadsvernieuwing afstand wordt genomen van de gedachte dat de vernieuwing synoniem is aan opnieuw beginnen als of er in het weiland gebouwd wordt. Nee, na Siza zijn de ‘organisch’ tot stand gekomen historische structuren uitgangspunt bij de vernieuwing van de oude wijken. In het westelijk deel van de Schilderswijk is dat heel goed te zien. Daar is de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur volledig behouden gebleven en is, naar ontwerp van Alvaro Siza, een tweetal woonblokken weggenomen waardoor er leefruimte ontstond voor een ondergrondse parkeergarage, een park en een tweetal unieke Siza-woningen. Het was een enkelvoudig ingreep binnen de bestaande structuur die voldoende is om de wijk weer een nieuwe toekomst te geven. Het is niet overdreven om te stellen dat dankzij de Anjerevolutie, het SAAL-programma, het Bouca-project in Porto en de wijze waarop Alvaro Siza in The Haque inhoud gaf aan de SAAL filosofie: ‘that the communities for which this new housing was intended would be involved in the design process through their direct participation’ ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Activiteit’ vleugels heeft gegeven.

Adri Duivesteijn, Wethouder in Den Haag 1980 – 1989

Circus Marktwerking in het ‘Land van Zorg’: De schijn van keuzevrijheid

Het is weer zover. Wij mogen weer een maandje genieten van Circus Marktwerking in de gezondheidszorg. De duizelingwekkende miljoenen verslindende campagnes denderen weer als een niet te vermijden storm over ons heen. Reclames, rijkelijk betaald uit onze ziektekostenpremies, waar BN’ers die verlegen zitten om een schnabbel, kritiekloos hun medewerking aan geven. Ik zie het voor mij, al die honderden marketeers, die maanden achtereen brainstormend op zoek gaan naar de juiste insteek, wat is de gevoelige snaar?  Hoe vertalen wij dat in een aansprekende, ja aanstekende slogan? En welke BN’er zullen wij die dan doen uitspreken? En, zoals het reclame betaamd rollen de clichés over ons heen, geen kans wordt onbenut gelaten. Vaak gaan de beloften tot in de hemel. Maar ook de notoire onbetrouwbaarheid van de collega-zorgverzekeraar wordt schaamteloos geëxploiteerd. Zo werft het ONVZ met de vraag: ‘Hoe gezond is een zorgverzekering, waar u zich zorgen over moet maken?’. Om te vervolgen met de valkuilen in de polissen van de collega verzekeraars. Een beeld dat wordt bevestigd door de Nederlandse Zorgautoriteit die achterhaalde dat ‘zorgverzekeraars geregeld foute informatie geven over hun polisvoorwaarden en vergoedingen. De strijd om de klant wordt met alle middelen gevoerd. Met de tegenwoordige technologie zijn zorgverzekeraars op basis van uw eigen profiel in staat met een steeds preciezer bombardement van heel gerichte reclames op eenieder af te vuren. Op basis van eerder afgesloten verzekeringen worden op het gênante af de ‘gaten’ gezocht voor de aanbiedingen van specifieke aanvullende verzekeringen. Het wordt steeds duidelijker, wat eens begon als een bundeling van krachten van burgers om zichzelf en elkaar te verzekeren tegen de risico’s van tegenspoed, is een verzelfstandigde geldmachine geworden. Want met alle mooie reclames is het tegenwoordige verzekeringsbedrijf in de kern een beursvloer geworden waarin aan de ene kant de acquisiteurs zitten die de opdracht hebben om zoveel mogelijk klanten binnen te halen die een zorgverzekering met een waaiert aan snufjes afsluiten, terwijl aan de andere kant de onderhandelaars zitten die de zorgaanbieders onderling tot op grote hoogte laten concurreren om zodoende zo goedkoop mogelijk te kunnen inkopen. Het is de ‘markt van welzijn en geluk’ zoals de filosoof Hans Achterhuis deze gedragingen ooit typeerde. Maar welk groot publiek belang wordt er nu eigenlijk gediend met deze onstuimige marktwerking in ons publieke zorgstelsel? De marktadepten houden ons vaak voor dat het systeem efficiëntie en doelmatigheid brengt. Maar over welke efficiëntie en doelmatigheid hebben zij het eigenlijk?

Bij de invoering van de tegenwoordige Zorgverzekeringswet was er het voornemen dat er één basisverzekering zou zijn met de mogelijkheid om individueel en specifiek op de situatie toegepast enige aanvullende verzekeringen af te sluiten. Een helder en overzichtelijk systeem dat een einde zou moeten maken aan de tweedeling in de gezondheidszorg. Als het om gezondheid gaat, was de redenering, zijn mensen gelijk of hebben zij tenminste recht op een gelijke behandeling. Het is de solidariteit tussen mensen onderling, waarbij rijk en arm, waar het gaat om hun gezondheid, ultiem allemaal kwetsbaar zijn. Een publieke taak, verankerd in een privaat uitgevoerd stelsel dat, ook nog eens ingebed is in de samenleving. Kan het mooier? Inmiddels zien wij dat de kern van het systeem van verzekeren (ik heb het niet over de zorg zelf!) dramatisch aan het eroderen is en hebben de zorgverzekeraars zich volledig bekeerd tot het fenomeen van de marktwerking. Daarbij is er een keiharde onderlinge concurrentiestrijd ontstaan die zich inmiddels ten volle, met toestemming van mijn eigen partij (schandalig!) heeft uitgebreid tot de basisverzekering zelf. Daar spreken wij inmiddels van een zorgverzekering, in de vorm van een restitutie-, natura- dan wel selectief/budgetpolis. Maar liefst 71 merken concurreren ogenschijnlijk met elkaar in een wirwar van polissen met nauwelijks te doorgronden voorwaarden. In de praktijk gaat het echter om slechts vijf verzekeringsbedrijven die via een veelvoud van eigen ‘merken’ zoveel mogelijk van de verzekeringsmarkt in handen trachten te krijgen. Het circus van de grote prijsverschillen kan je sterk relativeren. Zo zien wij dat premies voor de basisverzekering variëren van 86,75 euro tot zo’n 113,25 euro per maand. Wanneer wij, volgens de Independer, naar de beste drie kijken, hebben ze alle drie een tarief van 93 euro. Anders gezegd: je reële voordeel kan oplopen tot maar liefst 6,25 euro per maand! Precies de prijs van een pakje sigaretten of twee bakken koffie. Voor zij die kunnen kiezen – mensen met een uitkering hebben met hun zorgtoeslag die keus al helemaal niet – is het de schijn van keuzevrijheid die vooral gekenmerkt wordt door het kopen van beperkingen voor de illusie van een substantieel prijsvoordeel. Want achter alle ‘kleine’ verschillen zitten grote gevolgen, die zich vaak pas zullen openbaren als het te laat is. Wanneer je, al dan niet gedwongen om financiële redenen, kiest voor de financiële voordeliger verzekering zal later blijken dat je jezelf de toegang tot veel van onze zorg hebt ontzegd. En het heeft iets cynisch dat mensen, juist op het moment dat zij ziek worden, er ten volle achter komen dat zij niet de juiste verzekering hebben genomen of konden nemen. ‘Had je maar beter moeten weten’, ‘had je maar niet voor dat kleine voordeel moeten gaan’, ‘had je je maar niet moet laten verleiden door die oh zo vertrouwenwekkende gezichten van die bekende Nederlander’. ‘Nee had je je eigen verantwoordelijkheid maar serieus moeten nemen en voor een duurdere polis moeten gaan’. Nee, in ons zorgstelsel zal blijken wanneer je overgaat van ‘klant’ naar ‘patiënt’, je jezelf niet hebt ontzorgd, maar dat je er een paar grote zorgen bij hebt gekregen.

De gelovigen van de vrije marktwerking in de zorg zeggen dat het gaat over doelmatigheid en efficiëntie, maar in de praktijk lijkt het vooral te gaan om een race om de markt zelf. En dat gaat veel verder dan de markt van de zorg. ‘Money, money, money’ zingt ABBA. En daar moet ik aan denken wanneer het contact met mijn verzekeraar over de toepassing van mijn eigen zorgverzekering steevast eindigt met een ‘uniek’ aanbod voor een nieuwe verzekering die weinig tot niets met zorg te maken heeft. Nee, ons zorgverzekeringstelsel ontpopt zich in hoog tempo tot een voertuig tot de slag om de verzekeringsmarkt. Hoe konden wij dit zo laten ontsporen? En het heeft dan toch wat cynisch wanneer Wouter Bos, de medeopsteller voor de PvdA van het huidige regeerakkoord, in zijn column in de Volkskrant[i] schrijft dat het zorgstelsel op belangrijke punten ‘niet toekomstbestendig is’. In zijn woorden ‘dreigen we tegen alle wetenschappelijke kennis in het belang van keuzevrijheid te overdrijven’, inmiddels iedere verzekeraar ‘iets anders onder kwaliteit verstaat’ en dat het voor ziekenhuizen (lees: ‘zijn’ ziekenhuis) die dankzij deze marktwerking over kwaliteit ‘met gemiddeld tenminste drie tot vier verzekeraars onderhandelen’ het toch beter is in plaats daarvan ‘de samenwerking te zoeken tussen verschillende partijen’. En als je goed samenwerkt ‘kun je net zo goed met één verzekeraar werken’. Tja, het kan verkeren.

Het is op de 16 december precies een jaar geleden dat – conform het regeerakkoord – het voorstel van wet die de vrije artsenkeuze zou gaan inperken werd verworpen in de Eerste Kamer. Een historisch moment, omdat daarmee het principiële recht op die vrije keuze niet werd ingeperkt. Die vrije keus is overeind gebleven maar de liberalisering van ons zorgstelsel wordt inmiddels tot in de haarvaten van de bestaande zorgwet opgerekt en benut. Dat de VVD die ruimte geeft begrijp ik heel goed. Maar dat mijn eigen PvdA-Tweede Kamerfractie daarin nog slechts een kritiekloze volger is vind ik onbegrijpelijk. Welke sociaaldemocratische waarden worden hier nu eigenlijk mee gediend? Wat heeft deze ratrace met ‘onderlinge solidariteit’ te maken en is dit ‘onze’ opvatting over de inrichting van een publiek zorgstelsel? Wij zijn echt de weg kwijt. Het wordt tijd dat de PvdA terugkeert naar haar eigen beginselen. Daarin past niet deze politiek van transactiedenken, waarin je beginselen tegen elkaar uitruilt. Daarin gaat het om het zoeken naar een beleidsmatige synthese die recht doet aan de beginselen van alle coalitiepartners. En als dat niet kan, past het PvdA om een politieke strijd te voeren samen met mensen, politieke partijen en maatschappelijke bewegingen die gelijk denken. De PvdA zal, wil ze nog iets van haar geloofwaardigheid kunnen herstellen, moeten terugkeren naar haar eigen sociaaldemocratische waarden en oprecht kiezen voor een publiek stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en solidariteit en niet op de schijn van keuzevrijheid die uitgroeit tot een heuse tweedeling tussen patiënten in de zorg.

Adri Duivesteijn, Oud-senator van de PvdA -16 december 2015

[i] Column Wouter Bos, Tien Jaar Zorgverzekeringswet. 10 december 2015