Categorie archief: Lezingen

Algemene Rekenkamer: Conferentie Toekomst Publiek Vastgoed – Keynote speech Adri Duivesteijn

foto: Algemene Rekenkamer

Op 16 november 2017 werd op initiatief van de Algemene Rekenkamer een conferentie gehouden over de toekomst publiek vastgoed. Met de verkoop van het voormalige ministerie van Sociale Zaken van de architect Herman Hertzberger en het ‘anonimiseren’ van wat eens het trotse departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening van de architect Jan Hoogstad was en dat nu, geheel in de vroegere Oost-Europese traditie waarin gebouwen vaak gereduceerd werden tot een nummer, nog slechts de naam Rijnstraat 8 draagt.  Met beide departementen, miljoenen investeringen overigens, lijkt het Rijksvastgoedbedrijf een weg te zijn ingeslagen die het publiek vastgoed loskoppelt van haar specifieke functie en betekenis. Rijksgebouwen lijken geen identiteit meer te mogen uitdragen. Het past in een (neo-liberale?) visie waarin de overheid zo klein mogelijk moet zijn en ook zo min mogelijk nog een eigen rol, op het terrein van toezicht en veiligheid na, mag spelen. Dat terwijl juist de overheid in heel veel opzichten een positieve en bindende actor zou kunnen zijn binnen de samenleving. Juist waar in de westerse samenleving de zuilen, lees: identiteiten, steeds verder marginaliseren zou een overheid in haar enorme verscheidenheid juist meer eigen identiteit mogen hebben. Publiek vastgoed is een uitdrukking van deze indentiteit, of sterker gesteld van de verscheidenheid aan identiteiten die een overheid heeft. Ook als zij, zoals de Rijnstraat 8, anonimiteit uitstraalt. Op dat moment is de overheid vooral de uitdrukking van een fabriek waar ‘dienstverlening’ wordt geproduceerd door mensen die inwisselbaar zijn in een fysieke ruimte die zijn bestaan vooral ontleent door er zelf niet te zijn.

Maar het is niet alleen de overheid die medebepalend is voor de indentiteit van onze gebouwde omgeving. Ook publieke instellingen zijn daarin, misschien nog wel belangrijker. De ziekenhuizen, de universiteiten en Hogescholen zijn de meest zichtbare instituten die zich via gebouwen en publiek ruimten aan ons presteren. Een ieder die wel eens een ziekenhuis bezoekt zal al snel het verschil ontdekken tussen de steeds groter wordende en de wat kleinere ziekenhuizen. Een vergelijkbaar proces zien wij in het onderwijs waar schaalvergroting vaak ook gepaard gaat met het gevoel van verloren zijn. De kunst, in beide voorbeelden, is om wel te moderniseren maar gelijktijdig de menselijke schaal vast te houden. Mensen zijn geen nummers of aantallen. De mens is uniek in zijn individualiteit. Dat betekenis geven in hoe vastgoed zich laat gebruiken maakt dat het een toegevoegde waarde kan geven aan het functioneren van een gezonde samenleving.

Kortom een hele uitdaging en terecht dat de Algemene Rekenkamer, onder leiding van haar president Arno Visser, aandacht vraagt voor de wijze waarom de overheid en de publiek instelingen inhoud geven aan haar vastgoed. Dat de zoektocht van de Algemene Rekenkamer daarbij verder reikt dan cijfers, rekenen en doelmatigheid, kan alleen gewaardeerd worden. Deze benadering is, juist in een tijd waar de korte baan redeneringen vaak meer aandacht krijgen dan de complexiteit van de hedendaagse werkelijkheid, verfrissend. Zelf mocht in de conferentie openen met een keynote speech. Het was voor mij ook een goede gelegenheid om een paar momenten in mijn ‘vastgoedcarrière’  terug te laten komen en met elkaar in verband te brengen. De moraal van mijn verhaal is duidelijk. Een overheid kan, naast een financieel verantwoord vastgoedbeleid, juist ook het maatschappelijk rendement verhogen. Maar dat is alleen dan succesvol wanneer men bereid is de overheid juist ook te zien als een actieve partner in de wereld van het maken van onze publieke ruimte, en in mijn geval, in het maken van de stad. Voor een ieder die nog eens wil teruglezen wat mijn bijdrage was hierbij een PFD van mijn presentatie en mijn uitgeschreven tekst.

Tekst bijdrage AD – Conferentie Toekomst Publiek Vastgoed -publicatietekst en foto’s

Dia Presentatie Keynote speech AD – Conferentie Algemene Rekenkamer Toekomst Publiek Vastgoed

REKENEN AAN DE STAD van Jan Brouwer is aanrader voor bouwgroepen!

‘Verschillende partijen hebben verschillende redenen’

Investeren in de stad kan over veel gaan. De schrijver Jan Brouwer begint zijn boek ‘Rekenen aan de stad’ met een feitelijke constatering die niet zonder lading is.

‘Kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid, energiezuinigheid of financieel rendement….verschillende partijen hebben verschillende redenen om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’.

Dat het in de woningbouw om groot geld, en dus om uitzonderlijk grote belangen gaat, laat Jan Brouwer zien wanneer hij becijfert en beschrijft hoezeer ons gewone wonen ook een dans om miljarden euro’s is. Hoe al dat geld precies besteed wordt en waar het terecht komt is minder inzichtelijk dan het – met alle kostendeskundigen in het veld – ogenschijnlijk lijkt. Deze ontoegankelijkheid aan informatie roept vragen op, wat de verhouding kosten-kwaliteit nu eigenlijk is. Vooral ook omdat in het boek ‘rekenen aan de stad’ wordt aangetoond, dat wij – door de tijd heen – met elkaar steeds meer geld investeren in onze woningbouw, maar dat er tegelijkertijd sprake is van een kwantitatief afnemende woningbouwproductie. Wat voor waar krijgen wij eigenlijk voor ons geld?

Investeringen versus productie

Deze vraag wordt juist daarom relevanter, omdat er ‘in de dans om de miljarden’ die nu eenmaal vooraf gaat aan het realiseren van onze woningen, er geen sprake is van gelijke posities tussen de ‘verschillende partijen’. En in het bijzonder betreft dat alles wat te maken heeft met de loop van de geldstromen in de bouwnijverheid. In de woorden van Jan Brouwer:

‘zowel de ontwerpers als de gebruikers van gebouwen en infrastructuur werden vaak buiten de financiële afrekening gehouden’

Het is deze ongelijkheid in posities, die Jan Brouwer ertoe heeft gebracht om zijn boek Rekenen aan de stad te schrijven. En ja, omdat de institutionele wereld van de uitgeverij – waaronder helaas ook nai010 – zich kenmerkt door het mijden van risico’s, heeft hij zijn boek in eigen beheer uitgegeven. In zijn opvatting hebben ‘ontwerpers en gebruikers’ recht op inzicht in de rekensommen achter het product dat zij maken, dan wel gaan bewonen. Het lezen van het boek laat opnieuw zien dat het bouwen vooral ook een activiteit is waarin sprake is van een omvangrijke verdiencapaciteit voor een veelvoud van professionals op een veelvoud van manieren. Het is telkens weer ‘the same old story’ waarbij het vooral schrijnend is, dat ontwerpers en gebruikers geen gelijkwaardige rol hebben in de totstandkoming van hun eigen producten.

Mijn eerste kennismaking met dit thema komt uit de tijd dat ik hoofdredacteur was van de wijkkrant ‘de Schilderswijker’. Het was in 1974, nog steeds de tijd van de grote woningnood en de sterk verpauperde oude wijken in onze steden. Voor ons was de vernieuwing van de Schilderswijk en het verkrijgen van ‘betaalbare huren’ een levensvoorwaarde. In de strijd voor een leefbare wijk richtten wij ons vooral op de lokale politiek. Dat het veel complexer was, werd mij duidelijk toen ik van het Landelijk Werkverband Huisvestingsnood een boekje kreeg dat de titel had:

De bouwbazen : de machtsstrijd rond het structuuronderzoek bouwnijverheid : bouw doel of middel? Redaktie Paul Bulterman (1974)

Dit was een zeer gedetailleerde verslaglegging van een onderzoek naar een machtsstrijd tussen – om Jan Brouwer te citeren – ‘verschillende partijen’ dieverschillende redenen hebben om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’. In deze tijd was er – ook – een toenemende onvrede over wie nu eigenlijk het bouwbeleid in ons land bepaalde en vooral op basis waarvan dit gebeurde. De critici waren van mening dat er, door de ‘overheersende beïnvloeding van bepaalde belangengroepen’ eigenlijk geen echt inzicht bestond in de ‘behoeften en wensen van de bewoners (gebruikers)’. Een gevolg hiervan was, dat de bouwproductie geen directe relatie had met de vraag hoe wij met elkaar willen wonen.  Het was

het Tweede Kamerlid Erwin Nypels van D66 die hierin verandering wilde aanbrengen. Een voorwaarde voor meer openheid zou kunnen worden bewerkstelligd, doordat ‘voldoende gecoördineerd, onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek wordt verricht ten aanzien van de vele factoren die van betekenis zijn voor de bouw’. De motie die hij in 1970 hiervoor indiende werd gesteund door de fracties van D’66, PvdA, PSP, Boerenpartij, DS’70. Rechts, die de meerderheid had, verwierp de motie. Blijkbaar kwam de boodschap wel over, omdat in 1971 de regering in de regeringsverklaring officieel melding maakte, dat er ‘een onderzoek naar de structuur van de bouwnijverheid’ zou worden ingesteld. Voor de werkgeversorganisaties in de bouw was dit aanleiding om het initiatief voor het onderzoek naar zich toe te halen. De werknemersorganisaties besluiten mee te doen aan dit onderzoek onder de voorwaarde dat het onderzoek wordt opgedragen aan het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (E.I.B.). Het is een begin van een machtsstrijd over hoe het onderzoek zijn vorm zou moeten krijgen. Het is duidelijk dat de werkgevers in de bouw niet wezenlijk geïnteresseerd zijn in de rol van de ontwerpers dan wel de gebruikers. Voor hen staat centraal de vraagstelling ‘de middelen, die ertoe kunnen leiden dat de stijging van de productiviteit in de bouwnijverheid meer in overeenstemming wordt gebracht met de gemiddelde stijging in de overige industrie en dat zo mogelijk de achterstand wordt ingehaald’. Tot een werkelijk

onafhankelijk onderzoek komt het niet hetgeen aanleiding is voor de directeur van het E.I.B. professor. dr. ing. A. Hendriks om ontslag te nemen. Het was duidelijk dat dit deel van de ‘verschillende partijen’ hun eigen belang niet willen laten verstoren door wat het Landelijk Werkverband Huisvestingsnood als ‘het algemeen belang’ (de behoefte en wensen van bewoners(gebruikers)’ benoemde.

Ik was in die tijd ‘redelijk’ naïef. Woningbouwbeleid en stadsvernieuwing waren voor mij vooral verbonden met ideële doelstellingen. Er was een immense woningnood, de oude wijken waren, wij kunnen het ons nu niet meer voorstellen, verpauperd. Dit raakte miljoenen mensen. Daar wat aan doen, was de kern van de zaak. En wat zou het dan niet mooier zijn dan gezamenlijk, en dus juist ook met de gebruikers, te werken aan de vernieuwing van de stad. Ik spiegelde mij aan de mooie nationale en internationale voorbeelden, waarbij het idealisme bepalend is geweest voor de kwaliteit. Wij herkennen ze nog in de Amsterdamse School, de Siedlungen in Frankfurt en Berlijn. De verbinding met kunststromingen als de De Stijl en de Nieuwe Zakelijkheid spraken mij daarin aan. Het zijn ook deze voorbeelden geweest, die mij in 1984 inspireerden om in Den Haag met ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Activiteit’ een einde te maken aan de dominantie van de bouwwereld op de architectuur  van de stadsvernieuwing van de woningen en de stedenbouwkundige vormgeving van de oude wijken. Kort samengevat verbaasde ik mij in die tijd over het feit dat de intrinsieke architectonische kwaliteiten van de woningen in de oude wijken die wij sloopten vervangen werden door, in architectonisch opzicht, bloedeloze nieuwbouw in een vooral door productie gedreven aanpak van de stadsvernieuwing.

De publicatie ‘De bouwbazen’ was voor mij de eerste keer dat ik zo duidelijk in beeld kreeg, dat voor ‘verschillende partijen’ het ‘bouwen en het eigen belang’ in hiërarchische zin met elkaar verbonden zijn. Dat ‘winstmaximalisatie’ boven ‘woonmaximalisatie’ gaat. Dat burgers gezien werden als een ‘woonconsument’ in plaats van een ‘woonproducent’.

Hoezeer de bouw verweven is met tal van belangen wordt in het boek ‘Rekenen aan de stad’ geïllustreerd met een verwijzing naar de vele schandalen die de bouw structureel lijken te beheersen. Jan Brouwer noemt ze bijna emotieloos op: parlementaire onderzoeken (HLS/Betuweroute), parlementaire enquêtes (bouwsubsidies, bouwfraude, woningcorporaties), de Klimopzaak van het Bouwfonds. ‘Het lijkt wel of in de jaren ‘80 en ’90 de vastgoedsector is overspoeld met graaiers, dieven en flessentrekkers’. Nog altijd kan ik mij verbazen over het feit, dat een aantal van mijn generatiegenoten – zoals Sartre het uitdrukte: ‘Tussen de Raderen’ zijn geraakt.

Eens idealisten, die streden voor ‘betaalbare huren’ verworden ze tot zonnekoningen en beloonden zij zichzelf met extreme salarissen. Waar eens de idealen domineerden heerst nu de uitgangspunten van de markt, waarbij de doelgroep – die niet kan ontsnappen – de woonconsument heet te zijn.

 Verfijnder is de constatering van Jan Brouwer, dat ‘de gelegenheid de dief maakt’, waarmee de schrijver duidt op het gevoerde rijksbeleid dat ertoe bijdroeg dat het aantal spelers in de bouw sterk verminderd werd. ‘Kapitaalkrachtige spelers waren zodoende in staat een positie te verwerven in de gebieden die ontwikkeld gingen worden.’ Een omstandigheid die maakte, dat in de VINEX er in feite sprake was van een machtspositie van marktpartijen, die in staat waren grip te krijgen op het totale bouwvolume en daarmee, op de verdiencapaciteit. Wij leven nu in 2017 en Jan Brouwer constateert materieel in zijn boek ‘Rekenen aan de stad’ dat de veel gepredikte, intrinsieke doelen zoals ‘kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid en energiezuinigheid,’ maar al te vaak overvleugeld worden door het beoogde ‘financieel rendement’ van degenen die wel betrokken zijn bij de bouw, maar niet ‘primair ontwerper of gebruikers zijn.

‘Een kleine en besloten sector waarin heel veel geld omgaat, bevordert allerlei onderlinge afspraken en zorgt ervoor dat nieuwkomers buiten de deur worden gehouden’ – ‘minder spelers en een kleiner speelveld’.

De wereld is aan het veranderen: ‘wij weten zeker dat deze niet hetzelfde zal zijn’. Jan Brouwer noemt een groot aantal trends, die zullen maken dat de huidige structuur van de bouwnijverheid hopeloos verouderd zal blijken te zijn. Niet ingesteld op de nieuwe tijd die gaat komen. Een tijd waarin ‘mensen meer dan ooit in staat zijn om zelf te bepalen hoe men wil wonen en werken’, ‘ruwweg kan met zeggen dat het nieuwe proces veel meer bottom-up zal zijn en veel minder top-down’. Voor Jan Brouwer opent dat de vraag: hoe grote investeringen dan tot stand zullen komen?

De toekomst zal anders zijn: ‘de lening wordt niet meer bij de bank afgesloten, maar bij de familie, het beheer wordt niet meer door de verhuurder gevoerd, maar door de medebewoners. Het initiatief wordt niet genomen door een ontwikkelaar, maar door een groep enthousiaste bewoners. De bouw is voor een deel in handen van de gebruikers zelf’. Feit is dat er veel veranderingen zijn die duiden op de ontwikkelingsrichting die Jan Brouwer beschrijft. Een wijk als Roombeek in Enschede, waar burgers hun eigen huis konden bouwen staat niet meer op zichzelf. Enkel al in Almere zijn er sinds 2006 honderden huishoudens die hun eigen huis hebben gebouwd. Het Homeruskwartier in Almere Poort is de moeite van een bezoek waard. De diversiteit in bevolkingssamenstelling en architectuur is spectaculair in vergelijking met de monocultuur die wij op de meeste VINEX-locaties tegenkomen. Een nog onbekend fenomeen is Almere Oosterwold. Dit gebied beslaat 4400 ha en de gemeente staat een organische ontwikkeling voor. Dat wil zeggen, dat de burgers met initiatieven kunnen komen waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de totale ontwikkeling van hun kavel, inclusief de infrastructuur, de aanleg van een riolering en de energievoorziening. Geheel nieuwe woonvormen krijgen hier een kans om zich te ontwikkelen. Inmiddels zijn er al meer dan 200 burgerinitiatieven. Sinds 2015 is, naast de woningcorporatie, ook de wooncoöporatie in de Woningwet opgenomen. Hierdoor ontstaat de kans voor burgers om gezamenlijk eigenaar te worden van hun huidige huurwoningen, dan wel initiatieven te ontplooien voor een eigen nieuwbouwproject. Steeds meer gemeenten stellen zich open voor een bouwbeleid, waarin haar eigen burgers meer kansen krijgen. Maar ook nu weer is er op achtergrond een machtsstrijd gaande. Er zijn nog steeds ‘verschillende partijen’ (projectontwikkelaars, aannemers en woningcorporaties) die ‘verschillende redenen hebben om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’. Anders gezegd, het eigen belang, oftewel het institutionele belang, zal opnieuw een dominante rol gaan spelen in de wijze waarop het bouwen in ons land zijn vorm krijgt. Voor Jan brouwer dan ook de reden om de vraag te stellen:

‘Hoe kunnen ontwerpers en gebruikers zelf rekenen of meerekenen met andere partijen, zodat hun belangen een rol spelen in de totstandkoming van gebouwen?’

Jan Brouwer gelooft heel sterk in ‘kennis maakt macht’ en het is dan ook een oprechte poging om de cirkel te doorbreken, waarin ontwerpers en burgers feitelijk dom worden gehouden. De titel ‘Rekenen aan de stad’ is dan ook eigenlijk een eufemisme voor op je hoede zijn als ontwerper en gebruiker. Maar al te vaak ben je slechts een middel en niet het werkelijke doel. Dus is de echte boodschap van het boek : wapen u, wapen u met kennis en kunde. Weet waarover uw spreekt en wat u wilt bereiken. Met meer kennis en kunde kan een betere stad worden gemaakt, komen ontwerpers meer tot hun recht en daarmee dus ook de architectuur van de stad en krijgen de gebruikers waar ze recht op hebben: een woning die echt aansluit bij hun werkelijke wensen en behoefte.

Het boek Rekenen aan de stad geeft dan ook inzicht in de verschillende rollen (De overheid, Markten, de stad). Ook maakt het inzichtelijk hoe de voorbereiding van ruimtelijke investeringen (en de feitelijke planvorming) betekenis krijgen. Jan Brouwer’s boek sluit af met een aantal burgerinitiatieven die laten zien dat anders bouwen tot voorbeeldige resultaten heeft geleid. ‘De burger als opdrachtgever’ en het adagium ‘mensen maken de stad’, zijn in ons land zeker nog geen vanzelfsprekendheid. Maar met een publicatie als Rekenen aan de stad kan de aandacht verschoven worden naar het echte belang voor de gebruiker, namelijk: ‘kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid en energiezuinigheid’. Het boek beveel ik van harte ter lezing aan.

Het boek Rekenen aan de stad is verkrijgbaar bij:

Uitgeverij JB Cultuur

info@jan.brouwer.eu

ISBN 978-90-827227-0-3,

Bovenstaande  tekst is een extract van een lezing welke ik hield op 6 september bij een bijeenkomst van TOP-Delft waar ik van Jan Brouwer het eerste exemplaar van zijn boek Rekenen aan de stad kreeg aangeboden

Constant – New Babylon: Aan ons de vrijheid

Tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag van 28 mei tot en met 25 september 2016

Openingswoord Adri Duivesteijn

adriduivesteijn.nl-Constant New Babylon Aan ons de vrijheid

Den Haag, 28 mei 2016, 1800 uur

Labirismen, 1968 Cassette met 11 litho’s van Constant en 11 litho’s met teksten van C. Caspari – 38 X 47.1 (elk)

 

 Hoe Constant mij tot ‘New Babylonisch leven’[1] inspireerde

Achter in de straat waar ik woonde, stond de broodbakkerij van de Coöperatie De Volharding. Deze fabriek was, net zoals die van ‘Sjakie en de Chocoladefabriek’[2], een machtige en vrijwel ondoordringbare vesting. En dus, een uitdaging voor een nieuwsgierige zevenjarige jongen. Want wat zat er achter die façade? Om die vraag te kunnen beantwoorden beklom ik op een vrije woensdagmiddag de statige trap van de hoofdingang aan de Delftselaan.

Coöperatie De Volharding - Delftselaan

Coöperatie De Volharding – foto’s Gemeentearchief

Daarboven aangekomen kroop ik onder het loket door, waar de broodbezorgers hun dagomzet inleverden. Direct naast dit loket was de deftige gang waar de directie zetelde. En aan het eind van die gang lonkte een zware ijzeren deur. Ik moest al mijn kracht gebruiken om de deur te openen. Toen de opening groot genoeg was, glipte ik door de deur, en keek van boven in de immense hal van de broodfabriek. Het verschil kon niet groter zijn. Van de serene rust in de koele directiegang naar de hitte van de bakkerij met haar kakofonie aan geluiden en geur van versgebakken brood. Ik keek naar de ovens die voor mij zo groot waren als de treinen op het Holland Spoor. Coöperatie De Volharding - interieurUit de hete ovens rolden in lange rijen, de broden die de bakkers met doeken van de band haalden. Aan de andere kant van de hal was een groep luidruchtige vrouwen in witte jassen en mutsen bezig om koekjes en gebak te sorteren voor de verschillende bakkerswijken. De broodbakkerij was een en al dynamiek en ik vond het fantastisch.

Het avontuur in de broodfabriek is slechts een van de verhalen die ik zou kunnen vertellen. Ik weet eigenlijk niet beter, dan dat de wijk waar ik woonde een nooit eindigende ontdekkingsreis was. De straat was de plek waar het gebeurde. Daar waren onze feesten, maar ook de onvermijdelijke botsingen rond oud en nieuw. En in iedere straat zat wel ergens een poort tot een binnenterrein. Ik zwierf er van de timmerwerkplaats naar de loodgieterij, van de autogarage naar de autosloperij. Ik sprak er met de schilder, de boekbinder, de marktkoopman en de lorrenboer. Alles was mijn wereld.

Het was diezelfde Coöperatie De Volharding, die mij vanaf 1963, kennis liet maken met een geheel andere wereld, namelijk die van de nieuwe wijken aan de rand van de stad. Aanvankelijk als hulp van een broodbezorger, later zou ik mijn eigen wijk krijgen, maakte ik kennis met Morgenstond, Vrederust, Bouwlust en het nog in aanbouw zijnde Mariahoeve.

Mariahoeve 1962

Mariahoeve in 1962

Tijdens mijn bakkersrit leek het wel alsof er niemand woonde. En als je mensen zag, waren het vooral de vrouwen die in de deuropening verschenen.  Vaker beperkte de communicatie tussen de broodbezorger en de klant zich door de tussenkomst van een tasje aan de deur, met een briefje: “Bakker, twee regeringsknip en een licht bruin”. In niets leken deze woonwijken op mijn dagelijkse leefomgeving. Op mij had dit alles de uitstraling van een voorgedrukte bouwplaat. Alles had er keurig zijn eigen plek. In de woonstraten stonden de flats in het gelid op het groene veld, hier en daar was er een kinderspeelplaats met een enkele schommel en wip. Soms was er een heus herkenningspunt in de vorm van een kerk of een verpleegtehuis. Binnenterreinen en bedrijvigheid waren er uitgebannen. Ook winkels zag je er niet, nou ja, ze waren er wel, maar dan op een enkele plek geconcentreerd en heel soms gecombineerd met een heuse bioscoop. Daar kon het zaterdag gezellig zijn.

 

Ik moet ongeveer zestien zijn geweest, toen ik een oogstrelende vriendin, een uit een Russisch gezin van zestien kinderen, leerde kennen die in een rijtjeshuis aan de Drapeniersgaarde in Bouwlust woonde. Zij wilde mij met gepaste trots haar wereld laten zien en wat was er nu niet een beter moment dan een heus feest. Ik fietste op de bewuste zaterdagavond naar een van de flats aan de Melis Stokelaan. Daar wachtte mijn vriendin mij al op. In plaats van een van de flats nam zij mij mee naar een berging die normaal gesproken voor fietsen en een enkele Solex werd gebruikt. Deze was voor deze gelegenheid omgetoverd tot een intieme disco. Het crêpepapier om de tl-buis kleurde de ruimte, matrassen lagen op de grond en de goed hoorbare platenspeler liet weten dat het vanavond niet om het gesprek zou gaan. Onttrokken aan het zicht van het ouderlijk gezag was de sfeer enigszins gespannen. Mijn vriendin keek mij verwachtingsvol aan. Vanavond zou het echt leuk worden. Ja, let op, hier in de berging, zou de wijk tot leven komen! Ik keek ernaar en besloot dit avontuur uit de weg te gaan en vertrok, mijn vriendin achterlatend. Ik heb haar daarna nooit meer gesproken.

Ik beschreef u twee ervaringen uit mijn jeugd. Voor mij waren het twee werelden die totaal aan elkaar tegengesteld waren. Het mag duidelijk zijn dat ik mij intuïtief thuis voelde in de organisch gegroeide stad, waarin het volle leven zich in al zijn verschijningsvormen manifesteerde. Van de geplande stad, dan wel de ‘Functionele Stad’ had ik toen nog niet gehoord. Laat staan van Le Corbusier, het Athens Charter (1933), de CIAM en het pleidooi om de vier functies van de stad, wonen, recreëren, werken en verkeer elk zijn eigenstandige ruimte te geven. In de tijd dat ik mij nog slechts verwonderden over de enorme verschillen hoe mensen woonden en werkten, verbeelde de kunstenaar Constant Nieuwenhuijs met zijn New Babylon een geheel andere wereld. De wereld van de bevrijde mens. In de opvatting van Constant hadden wij toen ‘als het ware de middelen in handen die ons in staat stellen een overwinning op de natuur te behalen en een einde te maken aan het vonnis: ‘in het zweet des aanschijns zult gij uw brood verdienen’. Constant verzette zich heftig tegen de technocratische concepten van de functionele stad, die slechts een antwoord gaven op een achterhaald idee van de samenleving waarin de factor arbeid en wonen nog nauw met elkaar verweven zouden zijn.

“Strikt genomen, stelde Constant, houdt de moderne stedenbouwer zich maar met twee aspecten van de stad bezig: het snelverkeer en de woningbouw. Het grootste probleem echter is de langzame, maar totale vernietiging van de stad als collectieve levensruimte. De moderne steden en wijken zijn daardoor ware monumenten van verveling en van saaiheid geworden.”[3]

In het jaar 1962 dat Constant deze woorden uitspreekt, spreidt het virus van de Functionele Stad zich nog steeds ongestoord verder uit over de Haagse Binnenstad. De voor mij zo vertrouwde schoolroute van de Bakhuizenstraat in de Schilderswijk naar het Lamgroen in het Spuikwartier veranderde in mijn schooltijd op een ontluisterende wijze doordat er vrijwel wekelijks panden werden dichtgespijkerd en gesloopt. Met o.a. het gemeentelijk plan De Nieuwe Hout, een zielige verwijzing naar het Lange Voorhout, werd op de Nieuwe Kerk na, alles in het Spuikwartier van de kaart geveegd. Met het Verkeerscirculatieplan Binnenstad, het zogeheten ‘Dwarswegbesluit’, werd de sloop van Het Oude Centrum en het Kortenbosch ingeluid.

Voor mij zou in 1968 mijn leefwereld en het dogma van de functionele stad op een wel heel directe wijze samenkomen. Het was op 17 december 1968 dat de Wethouder G.W. Hylkema van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de directeur Stadsontwikkeling Ir. Frits van der Sluys het plan ‘Van Grijs naar Groen’ toelichtten. Bestand 01-06-16 11 59 28In dit plan werd een groot deel van de Schilderswijk gesloopt en vervangen door een plan met ‘ongelijkvloerse kruisingen’ en ‘grote galerijflats van 12 tot 17 verdiepingen’ die net als in de naoorlogse wijken, als een gezagsgetrouw leger, keurig in gelid stonden opgesteld in het groen. Waar de nieuwe wijken tot dan toe nog het symbool waren van vooruitgang, veranderde deze vooruitgang in een monster dat de wijk, en zoals Constant het uitdrukte ‘de stad als collectieve levensruimte’ zou vernietigen. Voor de bewoners van deze stadsdelen zou alles van waarde – fysiek, sociaal, maatschappelijk en cultureel – verdwijnen.

Wethouder G.W. Hylkema en Ir. Frits van der Sluys

Maar wat was ons alternatief? ‘My intentions are good, I use my intuition’[4] zong John Lennon en dit zou aanvankelijk ook de belangrijkste driving force voor mij zijn om inhoud te geven aan mijn opvattingen over de stad. Maar dat bleek al snel onvoldoende. Voor een echte verandering is meer nodig. Voor een politiek waarin verbeelding een rol speelt vond ik ‘mijn legitimatie’ in de woorden van Olof Palme, de vroegere premier van Zweden:

‘Politiek – dat is een kwestie van willen, van iets willen. Sociaal democratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren’.[5]

Maar hoe kunnen ‘veranderingen die verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visoenen stimuleren’ dan wél de juiste beelden en woorden krijgen? Anders dan in de jaren twintig was er in mijn bestuurlijke periode was er geen vanzelfsprekende verbinding meer tussen de politiek en een bepaalde architectuurstroming en dus vormentaal. Fascinerend is het om te zien dat Constant op zijn manier worstelde met de vraag hoe zijn dromen en visoenen over New Babylon te koppelen aan de praktijk van de makers en dus het maken van de stad. In zijn lezing op 23 mei 1980 voor de Afdeling Bouwkunde van de TU-Delft onder de titel ‘Nieuw Babylon na tien jaar’ blikt Constant daarop terug:

een onfunctionele stad voor niet-werkende mensen kan verschillen van het soort steden dat tot nu toe is gebouwd voor werkende mensen.”

Maar constateert hij, min of meer gelaten, bij de inrichting van een nog onbewoonbare wereld kunnen wij ons nog wel iets voorstellen bij het concept van:

“vrijheid van verplaatsing, geen behoefte meer aan een vaste woonplaats, wisselende functies van de gebouwde omgeving, mobiele constructie van de microstructuur.  Moeilijker wordt het deze wereld te bevolken met mensen die zo totaal anders leven dan wijzelf: we kunnen hun ludieke of inventieve gedrag niet vooraf bepalen noch ontwerpen”.

 Dat onvermogen om ons werkelijk in een nieuwe wereld te kunnen inbeelden bracht Constant tot de conclusie:

 “We kunnen slechts een beroep doen op de fantasie en van de wetenschap op de kunst overgaan. Dit inzicht heeft mij ertoe gebracht het werk aan de maquettes te staken om in schilderijen en tekeningen te trachten een suggestie, hoe globaal ook, van enig New Babylonisch leven te wekken. Verder kon ik niet gaan.”[6]

Constant keert daarmee in feite van de antikunst, wat in essentie zijn maquettes van New Babylon waren, terug naar de kunst als vorm van verbeelding. En terugkijkend zijn het voor mij juist de “schilderijen en tekeningen” uit deze periode geweest, die bij mij het gedachtegoed van het New Babylon ten volle tot leven hebben gewekt. Zelf midden in een zoektocht naar wat stedelijke kwaliteit is [7] raakte ik door een van die ‘New Babylonische’ voorstellingen van Constant, het schilderij Terrain Vague II uit 1973, gefascineerd.

Het Gemeentemuseum was zo aardig geweest dit werk uit te lenen en in de kamer van de burgemeester op te hangen. Het schilderij verbeeldde ‘woeste grond’ met op de achtergrond een opdoemende, maar voor mij een tegelijkertijd uitnodigende stad die vooral ruimte leek te bieden.

Het was in diezelfde burgemeesterskamer waar ik – iets te vaak – ‘mocht’ verblijven om knellende aangelegenheden te bespreken. Soms alleen met de burgemeester en de gemeentesecretaris maar, vaak ook met collega-wethouders in een van de vele pogingen om tot een gezamenlijk besluit te komen over de vestiging en de keuze voor het ontwerp van het Stadhuis op het Spuikwartier. Een besluit dat uiteindelijk bepalend zou gaan worden voor de ontwikkelingsrichting van het centrum van deze stad. Niet de politiek litterator, maar de kunstenaar Constant bood mij, wat zoals ik aangaf ook zijn opzet was, ‘een suggestie, hoe globaal ook, van ‘enig New Babylonisch leven’. En in de onvermijdelijke stiltes, die nu eenmaal in spannende overlegsituaties vallen, stapte ik steeds vaker het schilderij binnen om in gedachte op zoek te gaan naar wat deze ongedefinieerde stad mij allemaal te bieden had. Een zoektocht die door de serie Labyrismen van Constant uit 1968 wordt verdiept en mij de beelden geeft van een stad waarin juist het niet-afgeslotene, het spontane, het veranderbare voor mij de metafoor wordt voor wat de stad eigenlijk is en telkens weer opnieuw zou kunnen zijn. In het bijbehorende tekst van C. Caspari bij de litho serie wordt mijn ervaring ook letterlijk onder woorden gebracht in de afsluitende tekst:

Ich betrete das Labyr;

ich weiss nicht was mich erwartet.

ich weiss nicht was ich hören werde.

ich weiss nicht was ich sehen werde,

                         was mich erwarten wird.

                         was ich entdecke,

Aber ich überlasse mich diesem System

von materielle und immateriellen Vorgängen.

In alles kann ich auch Aktiev und Passief jederzeit

eingreifen.

Ich setze mich den ständigen Veränderungen aus.

Ich bin in ein Spannings- und VibrationsFeld

geraten das je nach meinem Vermögen,

nach meiner Stimmung,

nach meinen Eigenschaften,

           benützt werden kann.

Nieuw Babylon en in het bijzonder van de lithoserie Labyrismen en de woorden in de tekst van

C. Caspari mij er bewust van gemaakt dat het niet meer voor de hand ligt, zoals in de jaren twintig met het nieuwe bouwen en de Amsterdamse school, het geval was om je als politicus te verbinden met een enkelvoudige architectuurstromingLabyrismen - doos met bijbehorende vormentaal. Het concept van de ideale stad ligt voor een politicus niet meer opgesloten in een alles bepalend dogma zoals die van de Functionele stad, het Structuralisme of het Deconstructivisme of van welk ‘isme’ ook. Nee, de ideale stad bevindt zich in de metafoor van New Babylon, waarbinnen het de mens is die zich heeft bevrijd en de ruimte krijgt om zelf creatief te zijn. 

“Nieuw Babylon, zegt Constant, is de stad van het spel en het spel als levensstijl. Nieuw Babylon is anti logisch. De spraakverwarring is er geen straf maar een droom van onverwachte vondsten en situaties.“

En voor mij werd, de stad van het spel, meer en meer het ideaalbeeld van de stad. Het zou dan ook daadwerkelijk sturend worden in mijn handelen en mijn beslissingen die ultiem de vorm van de stad zouden kunnen gaan bepalen.

Degenen die het debat over het cultuurplein aan het Spui en de keuze voor het stadhuis van Richard Meier zich nog kunnen herinneren, weten dat voor mij de kern lag in, zoals Aldo van Eyck dat ooit uitdrukte: ‘je moet de stad teruggeven aan de stad’. Voor mij ging het om, zoals Constant duidde, het herstel van ‘de collectieve leefruimte’. Juist het gegeven dat het ontwerp van Richard Meier met het Atrium een plek bood aan de stad die niet gedefinieerd was en dus open was voor een invulling door de stad zelf. Het zou dan aan de Haagse gemeenschap zijn om te laten zien hoe initiatiefrijk, inventief of creatief zij is. En, nu zo’n twintig jaar later kunne wij vaststellen dat de stad, zowel het cultuurplein als het Atrium van het stadhuis, heeft ingevuld en betekenis heeft gegeven, en dat deze plek in de stad telkens opnieuw ‘benützt werden kann’.[8]

In Den Haag ben ik er niet aan toe gekomen, maar in Almere heb ik het idee van ‘de stad als spel en het spel als levensstijl’ zoals ik dat vanuit Constant’s New Babylon interpreteerde geradicaliseerd door het Almere principles ‘Mensen maken de Stad” te introduceren. Weg met het dogma van de functionele stad, welke met haar monocultuur nog steeds de vorm domineert van de stedenbouw en architectuur in de Vinex. Weg met het concept van de ‘verzorgingsstaat’ waar het nu vooral de commerciële de projectontwikkelaars zijn ons wonen vormgeven. Weg met de degradatie van de burger als woonconsument. Laat die burger de stad zelf maken. Laat die burger woonproducent zijn. En in Almere leverde het ‘Mensen maken de Stad’ aantoonbaar een andere stad op. 2000 huishoudens uit alle inkomensklassen hebben met het bouwen van hun eigen huis een reeks ‘onverwachte vondsten en situaties’ op. 2000 zelfbouwers, uit alle lagen van de bevolking, waren het die met hun ‘fantasieën de daadkracht voeden, dromen en visioenen’ realiseerden in een ongekende diversiteit in architectuur en woningtypen. De wijken Noorderplassen-West, het Homeruskwartier en Overgooi zijn het bewijs dat mensen de stad kunnen maken.

In Almere Oosterwold wordt Constants gedachtegoed verder geradicaliseerd. Deze stadsuitbreiding van 4400 ha groot wordt principieel gepland organisch ingevuld met initiatieven van onderop. (Verantwoording Oosterwold) In samenwerking met Winy Maas van MVRV en Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) is in het ruimtelijk plan is de basis gelegd voor een ontwikkeling van onderop. Dat wil zeggen dat niet de stedenbouwer of de architect maar de creativiteit en het programma van de mensen zelf bepalen zullen gaan bepalen wat uiteindelijk het ‘eindbeeld’ in deze gebiedsontwikkeling zal gaan worden. De homo ludens kan met een minimum aan voorschriften, welke bovendien slechts bedoeld zijn om het nieuwe landschappelijk karakter veilig te stellen, inhoud geven aan hun ‘dromen en visioenen’.

Terug naar het begin van mijn verhaal. In mijn jeugd waren er twee verschillende werelden. Daarin was mijn woonwijk afgeschreven ten gunste van de functionele stad. Nu, bijna vijftig jaar na het moment (1968) dat ik zelf actief werd, mogen wij ons gelukkig prijzen dat dankzij het verzet van veel burgers de oude stad letterlijk en figuurlijk is terugveroverd. Maar het dogma van de de functionele stad heerst nog ten volle in de aanpak van uitbreidingswijken van onze steden of in de herstructurering van de naoorlogse wijken. Daar is het adagium van ‘mensen maken de stad’ nog steeds niet doorgedrongen en is de feitelijke bouwproductie in handen van institutionele partijen. De burger is voor hen geen homo ludens maar consument Hoe kan het dat wij dat zo lijdzaam accepteren? Dat zou toch anders kunnen en moeten. Hoe?

Om daar een antwoord op te vinden wil ik afsluiten met de woorden waarmee Constant zijn lezing in Delft beëindigde:

“Het projekt bestaat. Het ligt, goed opgeborgen in een museum, te wachten op gunstiger tijden waarin het opnieuw interesse zal wekken van toekomstige stedebouwers. Alles wat ik erover zeggen kon, is gezegd en opgeschreven. New Babylon is het werk van een schilder.”

Het is nu 71 jaar na de Tweede wereldoorlog, een samenleving die fundamenteel is veranderd, waarin de burger mondig is geworden. Je zou mogen verwachten dat ‘de gunstiger tijden’ nu wel zijn aangebroken. Het Gemeentemuseum in Den Haag heeft er in ieder geval een duidelijke opvatting over. Zij sluit de bijbehorende catalogus af met de volgende passage, ik lees hem graag aan u voor:

“Door een bijzondere constructie is het gelukt de New Babylon-werken bijeen te houden. Constant hoopte dat het project hierdoor ooit – op een gunstiger moment – door anderen ter hand zou kunnen worden genomen. Wij kunnen die anderen zijn. Aan ons de vrijheid.”

Ik herhaal het graag: ‘wij kunnen die anderen zijn’. En wat zou het voor de inrichting van ons land bijzonder waardevol zijn, wanneer mede door deze tentoonstelling, er bestuurders, stedenbouwers en architecten opstaan om opnieuw de burgers de kans te geven te “spelen met de gedachte aan een aards paradijs, aan een nieuw Babylon”.

Met deze wens open ik graag de tentoonstelling Constant – New Babylon: Aan ons de vrijheid.

Adri Duivesteijn

Ode à l’Odéon, 1969 – Olieverf en lak op doek (190,7 x 200,2 CM – Gemeentemuseum

Cv: Adri Duivesteijn was wethouder en loco-burgemeester in Den Haag (1980-1989) en Almere (2006-2013). Eerste directeur van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam (1989-1994). Lid van de Tweede Kamer (1994-2006) en Eerste Kamer (2013-2015).

[1] New Babylon na tien jaren. Lezing door Constant gehouden aan de afdeling Bouwkunde van de TH Delft, 23 mei 1980. Constant New Babylon. Aan ons de vrijheid, Pagina 216. Gemeentemuseum, Den Haag – 2016.

[2] Roald Dahl, 1964

[3] Uit een fragment uit het VPRO-portret van Constant door Simon Vinkenoog, verwerkt in de film ‘Avant le Départ’ uit 2005

[4] Intuition, Mind Games, John Lennon, 1973

[5] Politiek is Willen, Olof Palme

[6] New Babylon na tien jaren. Lezing door Constant gehouden aan de afdeling Bouwkunde van de TH Delft, 23 mei 1980. Constant New Babylon. Aan ons de vrijheid, Pagina 225. Gemeentemuseum, Den Haag – 2016.

[7] In 1984 startte ik, o.a. i.s.m. Henk Overduin, de toenmalige adjunct directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, de Campagne ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit”, een collectieve zoektocht naar kwaliteit in de stadsvernieuwing.

[8] Het Haagse Stadhuis, Bouwen in een slangenkuil, Adri Duivesteijn i.s.m. Fred Feddes. Pagina 183: Mijn Keuze. SUN, 1994

Klaas de Vries: “Een democratische rechtsstaat kan niet top-down worden gemanaged.”

Aan Allen,

In een tijd van grote vluchtigheid waar het gaat om het politieke discours is het een verademing wanneer er weer eens een politicus is die in staat is fundamenteel te beschouwen over de stand van onze democratie en vooral over de wijze waarop wij er met elkaar mee omgaan. Zo’n mooi moment had ik toen ik vanochtend deze Willem Witteveenlezing van mijn oud collega Klaas de Vries kreeg toegezonden. Een verademing om zijn doorkijk te mogen lezen op deze zondag die met het gure herfstweer ook nog eens een illustratie op zich is van het huidige politieke klimaat. De lezing is meer dan 140 tekens, vraagt even tijd om tot u te nemen maar eenmaal gelezen bent u weer even terug in een tijd waarin niet de waan van de dag de wijsheid bepaald.

De Willem Witteveenlezing kan gelezen worden als een oproep aan allen die namens ons in het democratisch gebouw mogen functioneren om op zoek te gaan naar waarden die duurzaam zijn en die ons met elkaar verbinden. Ik beveel de lezing van harte aan.

Adri Duivesteijn

Willem Witteveen Lezing (integraal)
Parade, Den Bosch, 26 november 2015

door

Klaas de Vries

Dames en Heren,

Waarschijnlijk kent u het fraaie schilderij waarop King John, bij ons beter bekend als Jan Zonder Land, ingespannen naar zeer kleine lettertjes op een vel schaapsperkament zit te turen. Het document dat hij voor zich heeft is de wereldberoemde Magna Carta die dit jaar 800 jaar oud is.

De Magna Carta bevat een aantal fundamentele bepalingen voor de ontwikkeling van ons recht. Het document legt vast dat mensen niet willekeurig mogen worden bestraft en dat niemand de toegang tot de rechter mag worden ontzegd. Ook het beginsel van ‘no taxation without representation’ wordt eraan toegeschreven en een groot aantal andere mooie gedachten die er helemaal niet instaan.

Waarom zat Koning Jan zo te turen? Kon hij de kleine lettertjes niet goed lezen? Was hij geïmponeerd omdat hij besefte een baanbrekend document voor zijn neus te hebben? Of drong tot hem door dat de Magna Carta hem zeer veel geld ging kosten omdat het hem lucratieve voorrechten afnam, zoals visrechten en het recht op houtkap?

Wellicht het eerste, maar vrijwel zeker het laatste. Bij het overlijden van Henry II, had Jan geen land geërfd en hij probeerde dat door in Frankrijk oorlog te voeren goed te maken. De adel, die met hem ten strijde trok en zijn oorlogen financierde, kreeg daar na de verloren slag bij Brieux in 1214 meer dan genoeg van. Vijfentwintig baronnen kwamen in opstand en namen zelfs de stad Londen in. Koning Jan begreep dat hij kostbare concessies moest doen en tekende de Magna Carta bij het kruisje.

Ook in ons land kennen we een aardig voorbeeld van een vorst die eieren voor zijn geld koos. Koning Willem II werd in 1848 uit angst voor opstandige bewegingen in een nacht van conservatief liberaal en stemde plotseling in met een nieuwe grondwet.

Het zijn kleine illustraties van de altijd rommelige geschiedenis van de macht. Publieke macht wordt veroverd, verzameld, en gecumuleerd, en dan weer verloren, verkaveld of gespreid.

Wie macht heeft wil er meer van, wie machteloos is eist uiteindelijk macht op. ‘De groten lijken alleen maar groot, omdat wij op onze knieën liggen. Sta dus op,’ zei men tijdens de Franse revolutie. En zodra de machtelozen zijn opgestaan en zelf macht verwerven, voelen ze zich genoodzaakt die op hun beurt tegen anderen te beschermen.

Zo lijkt het proces van machtsverwerving en machtsderving wel wat op de oude processie van Echternach: drie stappen naar voren en twee terug. Maar er is een belangrijk verschil. In de cadans van Echternach ga je vooruit, maar dat is bij macht lang niet zeker. Regressie ligt altijd op de loer. In de vorige eeuw zagen we Duitsland terugvallen in de dictatuur, nadat Franz von Papen naar eigen zeggen ‘Herr Hitler gemietet hat’ in een onheilige coalitie. Spanje en Portugal zijn andere recente voorbeelden. Zou zoiets weer kunnen gebeuren?

Toch is door de eeuwen heen wel een zekere ontwikkeling te onderkennen. We zien eerst de soevereine macht van vorsten, die nog steeds herkenbaar tot leven komen in de drama’s van Shakespeare. Hun macht wordt dikwijls opgediend met een metafysisch sausje en uitgeoefend ‘bij de Gratie Gods.’

Later wordt die soevereine macht gedeeld met edelen. We zien de opkomst van rijke kooplieden en van de aanzienlijke burgerij, en tamelijk recent de ontwikkeling naar democratische machtsuitoefening, via het kiesrecht voor de rijken, de mannen en tenslotte de vrouwen.

Macht gaat verloren, maar de melodie blijft lang naklinken. Monarchen wonen nog steeds in fraaie paleizen, omringd door lakeien, maar hun blauwe bloed wordt tegenwoordig, zonder de beperkingen van een morganatische huwelijk, liefdevol met burgerbloed gemengd.

Ook de pluralis majestatis bestaat nog steeds. Koning Willem Alexander verzekerde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties dat men altijd kan rekenen op ‘our Kingdom’.
En de leergierige asielzoeker, die van minister Plasterk een in het Arabisch vertaalde Grondwet heeft gekregen, zal daaruit niet begrijpen dat de Koning geen macht meer heeft, maar wel dat hij is vrijgesteld van persoonlijke belastingen.

Dat is allemaal niet zo belangrijk. Want op de lange weg naar ons huidig staatsbestel staan meerdere fraaie virtuele gedenktekens op plaatsen waar publieke macht beslissend van eigenaar veranderde. Ik noem ze daarom game-changers en wil er twee noemen.

De eerste game-changer is de introductie van de Trias Politica, die de soevereine macht van de staat opsplitst in drie delen. Daardoor ontstaan een wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Deze drie machten worden door onafhankelijk van elkaar opererende organen uitgeoefend.

Publieke macht komt daarna in beginsel niet langer aan personen of families toe en is niet langer erfelijk, maar vloeit voort uit wetten. Elke machtsuitoefening is onderworpen aan de wet en vindt plaats door bekleders van ambten, waarin een ieder volgens vastgestelde regels kan worden gekozen of benoemd.

Willem Witteveen typeert de teloorgang van de monarchale macht en de intrede van de democratie als volgt:
‘De vestiging van de democratie leidt ertoe dat de plaats van de macht een lege plaats wordt
waar na elke verkiezing een andere, niet metafysisch gefundeerde macht het voor het zeggen heeft, voor zolang het duurt.’

Werkt die Trias Politica nu nog steeds naar behoren? Mij dunkt van wel, al zijn er natuurlijk altijd onvolkomenheden die aandacht behoeven. Macht sluipt immers, waar zij niet gaan mag.
Maar voor het systeem van machtssplitsing als zodanig moeten we nog elke dag dankbaar zijn. Als er in staten iets fout gaat, is dat bijna altijd te herleiden tot gebrek aan respect voor de scheiding van machten.

Kwetsbaar blijkt vooral de positie van de onafhankelijke rechter. Die is bestuurders en politici af en toe een doorn in het oog. Zij verwijten hem dat hij op hun stoel gaat zitten, alsof dat binnen het rechtssysteem zo nodig niet gecorrigeerd zou kunnen worden.

Een recent voorbeeld hiervan betreft een vonnis van de rechtbank van Den Haag, die de Staat veroordeelde om meer aan het milieu te doen. In de Verenigde Staten verweten conservatieve politici het Constitutionele Hof dat het na meer dan tweehonderd jaar ontdekte dat het homohuwelijk niet in strijd is met de Grondwet. Zij vonden dat de wetgever dat moest regelen, en uiteraard vooral moest tegenhouden.

Goed begrip van het belang van machtenscheiding zou vertegenwoordigers van wetgevende en bestuurlijke macht uiterst terughoudend moeten maken om op de rechter kritiek te oefenen.
Daarom zijn debatten in de Tweede Kamer over de straftoemeting in concrete strafzaken zo misplaatst, evenzeer als uitspraken van een minister van justitie die zegt dat een verdachte een hoge straf verdient.

Deze politieke bemoeienis heeft onmiskenbaar effect op het functioneren van ons rechtssysteem.
Het is illustratief dat het in ons land bijna twee jaar moet duren voor de rechter kan beoordelen of een politicus aan zijn gehoor de uitspraak mag ontlokken dat er minder mensen van een bepaalde bevolkingsgroep gewenst zijn, hetgeen hij vervolgens belooft te gaan regelen.

De samenleving had er baat bij gehad eerder te vernemen of dit geoorloofd is of niet. De advocaat van de beklaagde heeft voor de zekerheid nu al aangekondigd dat er geen eerlijk proces komt. Hij trekt de integriteit van de rechtspraak bij voorbaat in twijfel. Helaas worden over contempt of court in ons land nonchalant de schouders opgehaald.

Het zal niet verbazen dat ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg regelmatig onder vuur ligt. Alle 47 lidstaten van de Raad van Europa hebben zich uit vrije wil en met plechtige verklaringen verplicht om de mensenrechten en fundamentele vrijheden van hun burgers te eerbiedigen. Daarom hebben zij beloofd de uitspraken van het Hof in Straatsburg te zullen naleven. In de zomer van dit jaar moest ik echter in een rapport voor de Raad van Europa vaststellen dat meer dan 10 000 uitspraken van het Hof nog niet zijn uitgevoerd. De grootste zondaren zijn landen van de voormalige Sovjet-Unie, maar de kampioen is Italië, een van de grondleggers van de Raad van Europa.

Ook in ons land gaan af en toe stemmen op om ons aan de rechtsmacht van het Hof te onttrekken, maar die vinden hier -anders dan bijvoorbeeld in Engeland- weinig of geen weerklank.

Moeilijk is overigens te begrijpen dat dit soort pleidooien dikwijls uit liberale hoek komt, terwijl juist in die kring de grootst mogelijke bescherming van het individu tegen de staat op basis van universele normen, populair zou moeten zijn.

Van tijd tot tijd wordt ook meer of minder subtiel aan de betekenis van fundamentele mensenrechten geknabbeld. Een subtiel voorbeeld leverde de politiek commentator van de Volkskrant, dus niet zo maar een stagiair die daar werkzaam was. Hij schreef in verband met de opvang van vluchtelingen: ‘Mensenrechten zijn mooi, maar ook een dure aangelegenheid.’ Een dure aangelegenheid. Misschien dat hier een verwijzing op zijn plaats was geweest, naar de prijs die de mensheid in het verleden betaald heeft voor het niet respecteren van ‘deze aangelegenheid.’

Ik noem nog een andere game-changer in de geschiedenis van de publieke machtsuitoefening. Dat is het algemeen kiesrecht, waardoor de uitgangspunten van de Trias Politica in de staatkundige praktijk volop tot ontwikkeling konden komen.

Het algemeen kiesrecht vormde echter bovenal een enorme stimulans voor de ontwikkeling van politieke partijen, die in de samenleving een grote sociale dynamiek mogelijk maakte.

Als men de periode voor de introductie van het algemeen kiesrecht voorzichtig zou typeren als een van machtsverwerving en machtsbeheer door een maatschappelijke bovenlaag, dan ziet men daarna een voortdurende politieke strijd over de inrichting van een samenleving die meer recht doet aan alle burgers.

Politieke partijen proberen al meer dan 150 jaar kiezers te inspireren en te mobiliseren op basis van min of meer samenhangende visies. Dat proces verloopt tegenwoordig niet wezenlijk anders, zij het dat de burger in mindere mate bevangen raakt door grote politieke verhalen en maatschappelijke vergezichten. Die zijn ook haast niet meer in de aanbieding.

Tegelijkertijd zweren de burgers ook in hoog tempo hun traditionele geloofsovertuiging af. Het is begrijpelijk dat, na een aanvankelijk gevoel van opluchting, daardoor gevoelens van onzekerheid en onveiligheid ontstaan, die mensen ontvankelijk maken voor standpunten van populisten. Die keren zich bij voorkeur tegen alles wat vreemd is, van buiten komt en hier niet is uitgevonden.

Ook de democratisch gelegitimeerde overheid slaagt er steeds minder in vertrouwen op te bouwen. Daarvoor zijn vele redenen, grote en kleine.
Het feit dat de oorlog tegen Irak op basis van leugens werd gerechtvaardigd heeft velen geschokt. Dat de oorlog ten slotte is beëindigd op basis van een gevaarlijk mengsel van zuinigheid en naïviteit, heeft tot op de dag van vandaag zijn doorwerking.

Ook het massaal aftappen van de communicatie van burgers, bedrijven en regeringen helpt niet om vertrouwen te wekken. Bevriende democratische bondgenoten blijken op een ongekende schaal de privacy te schenden. Regeringsleiders en parlementen worden afgeluisterd en worden daar heel boos over, maar blijken niet te weten dat hun eigen diensten andere regeringen afluisteren.

Het is meer dan ironisch dat de Verenigde Staten de man die de wereld inlichtte over deze massale schending van privacy, Edward Snowden, wegens hoogverraad wil berechten. Hij heeft daarom in het Rusland van Poetin asiel gevraagd en gekregen.
Erasmus zou hieraan graag in de Lof der Zotheid aandacht hebben besteed.

We kunnen ook dichter bij huis blijven. In ons land kan men denken aan de wijze waarop het kabinet in razend tempo met minder geld de zorg probeert te veranderen. Daardoor is fundamentele onzekerheid ontstaan en veel vertrouwen verloren.

De burgers geloven niet meer in visies. Het is afgelopen met het automatisch mandaat verlenen aan anderen: de burger wil boter bij zijn eigen vis. Hij zegt het lidmaatschap van zijn politieke partij op en grijpt geïndividualiseerd en mondig naar het menu van de Kieswijzer. Per verkiezing maakt hij uit welke partij zijn steun dit keer verdient.

Dit leidt tot spectaculaire ups en downs in de verkiezingsuitslagen. Een halve eeuw geleden werd winst of verlies van een paar zetels een politieke aardverschuiving genoemd. Tegenwoordig kan een partij er zomaar twintig winnen of verliezen.

Eindelijk speelt de burger dus zelf de baas. Voorzien van mensenrechten en fundamentele vrijheden deelt hij per verkiezing andere lakens uit. Dit lijkt wel het eind van een ontwikkeling. Een aspirant Fukuyama zou zelfs aan het eind van de geschiedenis kunnen denken.

De vraag rijst natuurlijk of we deze ontwikkeling hadden kunnen zien aankomen. Waar komt ze vandaan?

Ik noemde de Trias Politica en het algemeen kiesrecht als grote game-changers. Maar het is natuurlijk niet zo dat de Trias of het kiesrecht uitvindingen waren die uit de lucht kwamen vallen.

De belangrijkste veranderingen in ons staatsbestel vinden hun oorsprong in veranderingen in de economische, sociale, en culturele omstandigheden om ons heen.

Om ons eigen tijdsgewricht te kunnen begrijpen, horen wij vaak de trefwoorden individualisering, internationalisering en globalisering. Ook wordt vaak en terecht gewezen op het vervagen van het publiek domein, en op de grenzeloze macht van financiële instellingen en die van de media.

Dat laatste, de ontwikkeling van de media lijkt mij voor ons onderwerp van bijzonder belang. Politiek berust in wezen op communicatie tussen mensen onderling en tussen hen en de overheid. Het is daarom boeiend om te zien hoe technologische ontwikkelingen op het gebied van communicatie vaak een nieuw tijdperk inluidden.

Laat ik twee voorbeelden noemen. De eerste is natuurlijk de uitvinding van de boekdrukkunst. Die leidde binnen korte tijd tot een spectaculaire aantasting van het gezag van autoritaire heersers en van de almachtige Roomse Kerk. Binnen veertien dagen nadat Maarten Luther in 1517 zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg had geslagen, was heel Duitsland daarvan op de hoogte. De rest van Europa volgde binnen een maand. In korte tijd werden van het werk van Luther 300.000 exemplaren gedrukt.

Een ander voorbeeld wordt aangereikt door Johan Wolgang von Goethe. Die dankt enkele eeuwen later ook zijn roem aan de boekdrukkunst. Zijn eerste roman, Die Leiden des jungen Werthers, werd in 1774 meteen een Europese bestseller. Napoleon las het boekje zeven maal.

Maar vijftig jaar later, kort voor zijn overlijden in 1832, bespeurt Goethe dat de tijden veranderen. De belangstelling voor zijn schrijverschap neemt af. In een brief aan zijn vriend Zelter schrijft hij wat daarvan volgens hem de oorzaak is:
‘Jongelui worden veel te vroeg geprikkeld en dan in de maalstroom van de tijd meegesleurd. Rijkdom en snelheid is wat de wereld bewondert en waar iedereen naar streeft. Treinen, exprespost, stoomboten en alle mogelijke faciliteiten om te communiceren, dat is waar men in de beschaafde wereld om het hardst achteraanholt, zichzelf voorbijholt en daardoor in middelmatigheid blijft steken.’

Treinen, exprespost, stoomboten en alle faciliteiten om te communiceren! Het is jammer dat deze geniale man niet even in onze tijd kan rondlopen. Via de bakelieten telefoon met draaischijf, de radiodistributie en de zwart-wit televisie zijn we razendsnel in een andere wereld terechtgekomen. Al die fantastische uitvindingen op het gebied van communicatie, die wij de afgelopen vijftig jaar gretig hebben aangeschaft, waren alle binnen enkele jaren rijp voor het grof vuil.

Moderne communicatiemiddelen respecteren geen tijd en geen grenzen. Daardoor ontstaan heftige en soms gewelddadige botsingen tussen traditionele opvattingen, rechtsgevoelens en machtsposities. Alle taboes worden overal ter wereld aangetast en geslecht. Daar kunnen, zoals we dagelijks op de televisie zien, niet alle mensen goed tegen. Het lijkt soms of de Franse filosoof George Bataille gelijk heeft, dat als er geen taboes meer zijn, er ook geen beschaving meer is.

‘Konden we dit zien aankomen?’ was de vraag. In 1967 schrijft Herbert Marshall McLuhan dat het medium de boodschap is geworden: ‘The medium is the message.’ De beeldreligie doet zijn intrede. Geen beeld betekent voortaan: geen nieuws. En toen moesten wij nog dertig jaar wachten op internet.

McLuhan voorspelde toen reeds dat politiek zou worden vervangen door beeldvorming. De politicus zou volgens hem van zijn persoonlijkheid afstand doen ten gunste van zijn imago. De reden daarvoor is dat dit imago zoveel krachtiger is dan hijzelf ooit kan worden.

Hierdoor ontstaat volgens McLuhan een cultuur van het innemen van standpunten die een imago bevestigen. Een standpunt is echter volgens hem een gevaarlijke luxe, als het de plaats inneemt van inzicht en begrip.

Vandaag communiceert de wereld met elkaar in 140 leestekens. Het mediageweld, sociaal of niet sociaal, commercieel of publiek, bepaalt de ‘talk of the town’ en in toenemende mate die van het parlement. Standpunt.nl en Maurice de Hond willen de hele dag weten wat wij vinden. Over inzicht en begrip worden geen nadere mededelingen gedaan.

Door een stapeling van geïsoleerde standpunten komt de burger terecht in een wereld die hij niet begrijpt en waarin hij geen houvast vindt. Alleen het innemen van nog krachtigere standpunten lijkt zekerheid te bieden. Voor een serieuze gedachtewisseling met het oog op overbrugging van tegenstellingen lijkt steeds minder ruimte.

Voor velen die zich in beginsel wel betrokken voelen bij de politiek, werkt het dagelijks bombardement van standpunten zo desoriënterend en soms zo bedreigend, dat zij hun mening liever laten onderduiken en hun inzichten voor zich houden. Ze hebben er geen zin in om trending topic op Twitter te worden.

Weer anderen, die niet de hele dag op hun tablet of smart-phone kijken of weinig affiniteit voelen met het publieke debat zoals dat bij ons gevoerd wordt, zeggen hun krant op die steeds meer standpunten en steeds minder nieuws brengt.

Is de burger nu de baas? Kan hij de politiek naar zijn hand zetten? Zelf is hij daarvan allerminst overtuigd. ‘De politiek luistert niet en in Den Haag doet men wat men wil.’

Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Het aantal Kamervragen naar aanleiding van actualiteiten is de afgelopen decennia explosief gegroeid. Niets ontsnapt aan de aandacht. Een groot aantal van die vragen gaat overigens niet om opheldering over feiten, maar over eigen standpunten, waarvan men wil weten of de regering het daarmee eens is.

Kamerleden twitteren en facebooken ijverig mee over dingen van de dag. Tot grote beleidswijzigingen en stelselveranderingen wordt buiten het zicht van de burgers en van de meeste parlementsleden besloten.

De afloop van de laatste Kamerverkiezingen illustreert dit. VVD en PvdA hadden elkaar in de campagne te vuur en te zwaard bestreden. Alle clichés over rood en rechts werden uit de kast gehaald. Niemand had erop kunnen rekenen, dat zijn stem op de VVD of de PvdA, binnen een mum van tijd tot een coalitie van die twee partijen zou kunnen leiden. Vervolgens leidden wekenlange geheime onderhandelingen tussen een paar prominente leden van deze partijen door middel van uitruil van standpunten tot een ingrijpend ontwerp-regeerakkoord.

De fractieleden van de aanstaande regeringscoalitie mochten het lijvige document vluchtig lezen en er een uur of twee over vergaderen. Dat is maximaal drie minuten spreektijd per persoon. Daarna werd een beperkt aantal bezwaren, die door hart of beurs sneden, opgelost teneinde weerstand te absorberen.
Partijcongressen konden hun bezorgdheid uiten maar nee zeggen zat er natuurlijk niet in.

Ook het parlementaire debat over het regeerakkoord leverde nauwelijks een bijdrage aan begrip en acceptatie. Erger, het knellende akkoord zou het parlementaire debat op hoofdpunten jarenlang steriliseren.

Tweede Kamerleden van de regeringsfracties worden aan hun gegeven instemming gehouden. Eerste Kamerleden, die niet aan regeerakkoorden gebonden zijn en derhalve zouden kunnen denken dat zij een eigen afweging moeten maken, worden –ook in de media- afgeschilderd als lastpakken en spelbedervers, die de regeerbaarheid van het land in gevaar brengen.

Hierbij speelt een belangrijke rol dat de positie van politieke leiders door directe verkiezingen vrijwel onaantastbaar is geworden. De positie van gewone Kamerleden is de afgelopen decennia echter zwakker geworden. Hun baanzekerheid is gering. De wisselende kiezersgunst is daar niet alleen debet aan.

De meeste partijen hebben de zeggenschap over kandidatenlijsten gecentraliseerd. Bij elke verkiezing wordt een groot aantal leden door partijbesturen vervangen, omdat de actuele samenstelling van de fractie nooit blijkt te voldoen.

Weinig Kamerleden hebben een eigen achterban door wie zij op eigen kracht verkozen worden.
Om de grote baanonzekerheid nog te vergroten heeft men besloten wachtgelden voor Kamerleden drastisch terug te brengen. Als men bovendien bedenkt dat men voor het goed uitoefenen van het het vak van Kamerlid toch wel enkele jaren ervaring nodig heeft, kan dit niet anders dan tot volgzaamheid leiden.

Alleen in de achterkamers van het ministerie van Financiën kon het regeerakkoord door een aantal oppositiepartijen enigszins worden bijgesteld. Zij worden daarom de constructieve oppositie genoemd. Anders dan men misschien zou verwachten wordt het CDA niet in die achterkamers aangetroffen. D66, dat vijftig jaar geleden geboren werd uit ongerustheid over de ernstige devaluatie van onze democratie, speelde er een hoofdrol.

De vraag lijkt mij niet of dit anders kan, maar of dit niet anders moet. Het deponeren van een stembiljet in de stembus is geen storting a fonds perdu, zonder enig uitzicht op vergoeding of terugbetaling. Volksvertegenwoordigers zijn woordvoerders van de burgers en niet van het kabinet.

Kiezers zijn slim genoeg om te beseffen dat compromissen nodig kunnen blijken. Maar ze willen wel zien dat er met hun vertrouwensvotum serieus wordt omgegaan. Ze moeten begrijpen wat er met hun stem gebeurt en het resultaat van een kabinetsformatie moet gelegitimeerd worden door de kwaliteit van het proces dat eraan voorafgaat.

In een rapport van 2 oktober jl. stelt het Sociaal Cultureel Planbureau vast dat 93% van de bevolking de democratie de beste vorm van regeren vindt. Dat is veel en dus mooi, en men is nog iets royaler dan Winston Churchill, die democratie de minst slechte vorm van regeren vond.

Maar wat bedoelt men daarmee? Het functioneren van de politiek bevalt het volk een stuk minder. 37% van de bevolking is uitgesproken negatief of ontevreden over de instellingen van de representatieve democratie. 30% interesseert het niet en niet meer dan 34% is kritisch positief of tevreden.

Van die laatste groep is meer dan de helft hoog opgeleid. Hoog opgeleid zijn betekent meestal dat men zich financieel beter kan redden en dat men niet woont in wijken waar altijd alle problemen samenkomen.

De burgers hebben desgevraagd ook standpunten over verbeteringen van het systeem. Meer dan de helft van de bevolking is het eens met de stelling dat de bevolking een burgemeester rechtstreeks moet kiezen. Ook vindt men dat het volk in referenda zelf over belangrijke kwesties moet beslissen.

Dat biedt een snelle route om de tevredenheid van burgers over het functioneren van het democratisch systeem te vergroten. Het lijken mij echter politieke vluchtheuvels die nieuwe onvrede gaan creëren.

Wat volksraadplegingen betreft ben ik al op jeugdige leeftijd getraumatiseerd door de volksraadpleging van Pontius Pilatus over de vrijlating van een gevangene. Die pakte toen -zoals bekend- slecht uit. Men kan zich achteraf overigens afvragen of dat voor de verspreiding van het Christendom uiteindelijk zo’n slechte zaak is geweest.

Het is een idyllische opvatting dat burgers steeds in alle rust over het onderwerp van een referendum nadenken om hun stem te bepalen. Vaak volgen zij opinieleiders die gesteund door machtige media die mensen overal voor kunnen laten kiezen, ook voor een totale oorlog of voor minder Marokkanen of voor emotionele aanhankelijkheid aan Kim Jong-un.

De meeste problemen zijn complex en hebben een onlosmakelijk samenhang met andere delen van het overheidsbeleid en met de positie van Nederland in de wereld.

Binnenkort mogen we oefenen met een officieel raadgevend referendum, waarvan alleen wij, omdat we hier niet toevallig aanwezig zijn, weten dat dit iets geheel anders is dan een raadplegend of correctief referendum. De burgers willen de politiek graag adviseren over het associatieverdrag van Europa met de Oekraïne. De gedrukte exemplaren daarvan vliegen nog niet de winkels uit.

Bij wijze van zelf-advisering heeft een aantal politieke partijen al aangegeven voor een bepaald standpunt campagne te gaan voeren. Er schijnt al een Kamermeerderheid te zijn die zich bij voorbaat door het advies wil laten binden. De belofte om zonder last of ruggenspraak het eigen verstand te gebruiken krijgt daardoor een nieuwe dimensie.

Gelukkig hebben we ook nog een burgerinitiatief waarmee burgers hun wensen in de Tweede Kamer kunnen kenbaar maken. De cabaretier Arjen Lubach had binnen een dag voldoende steunbetuigingen om zijn wens om farao van Nederland te worden aan het parlement te kunnen aanbieden. Wanneer zal de wetgever begrijpen dat hij niet alleen zichzelf maar ook de democratie belachelijk maakt?

Over de direct gekozen burgemeester is kort geleden veel gezegd in de Eerste Kamer. De vraag is of we willen vasthouden aan de vertegenwoordiging van alle burgers in het hoofdorgaan van de gemeente, of dat daarnaast of daarboven door dezelfde kiezers bij meerderheid een burgemeester wordt gekozen. Ik vind het eerste het meest democratisch en het tweede een recept voor conflicten in de top van het gemeentebestuur.

Nu denkt u misschien, dat u met mij hier niet verder komt. Dat kan waar zijn, maar ik mag er wel aan herinneren, dat ik als minister de ideale combinatie van de wensen van de burgers heb ingevoerd in de vorm van een raadgevend burgemeestersreferendum. Dat is door mijn opvolgers echter weer snel afgeschaft, onder meer omdat de opkomst van de kiezers zeer te wensen over liet.

Ook de heer Wilders, die een niet democratisch georganiseerde partij aanvoert, is erg voor referenda. Dat moet te denken geven. Onze volksvertegenwoordiging noemde hij onlangs een ‘nepparlement.’

De Voorzitter van de Tweede Kamer -onbekend met de betekenis van het leerstuk van contempt of Parliament- reageerde daarop als volgt: ‘Dat hoor je op straat ook,’ en ging daarna onbekommerd over tot de orde van de dag. Haar collega in de Eerste Kamer stond enige tijd later niet toe dat een senator op gelijke wijze de senaat wilde beledigen.

Enkele weken later schreef de heer Wilders in de Volkskrant over ‘de huidige machthebbers,’ en ’het regime in Den Haag’, dat wereldvreemd is en niet langer namens het volk spreekt.

Misschien is het goed nog eens Montesquieu te raadplegen. Die waarschuwt in ‘Over de geest van de Wetten,’ dat het beginsel van democratie niet alleen wordt aangetast wanneer de geest van gelijkheid verloren gaat, maar evenzeer wanneer de geest van gelijkheid tot in het extreme wordt doorgevoerd en iedereen gelijk wil zijn aan hen, die gekozen zijn om namens hem gezag te oefenen. Dit leidt volgens Montesquieu uiteindelijk tot de despotie van een persoon.

Dat effect wordt natuurlijk enorm versterkt als volksvertegenwoordigers zich niet realiseren dat zij gedurende hun ambtstermijn zeer bijzondere burgers zijn omdat zij anderen mogen vertegenwoordigen. Respect voor het instituut waarin ze zitting hebben en respect voor hun ambt zijn daarbij sleutelwoorden. Het parlement is de hoeder van de macht van de bevolking en als het die rol niet waarmaakt, hebben andere machten -ook van buiten de politiek- vrij spel.

Politieke partijen, die zich op een maatschappelijke visie baseren, hebben op de wisselende kiezersgunst meestal twee reacties.
Enerzijds zoeken zij naar een scherpere profilering door inhoudelijke verdieping, hetgeen soms ‘herbronning’ wordt genoemd.
Anderzijds proberen zij de kunst af te kijken van partijen die met extreme standpunten de kiezersgunst wel veroveren.

Het is duidelijk dat deze twee reacties botsen. De verdieping die men zoekt is publicitair niet aantrekkelijk. Media houden van extreme standpunten, maar als deze partijen extreme opvattingen gaan verkondigen tast dat hun karakter verder aan en vervreemden ze zich nog meer van hun traditionele aanhang.

Ook zoekt men graag naar oplossingen van technische aard. De redenering is dan dat er tegenwoordig teveel partijen nodig zijn voor een meerderheidskabinet, hetgeen de regeerbaarheid van het land in de weg staat.

Soms wordt geopperd dat de Eerste Kamer moet worden afgeschaft. Omdat dat niet zal gebeuren, besteed ik er vanavond geen aandacht aan. Ook wordt vaak de invoering van een kiesdrempel bepleit. In Duitsland geldt een kiesdrempel van vijf procent, waardoor bij de laatste verkiezingen zelfs de liberale partij buiten de Bundestag werd gehouden.

Het Verenigd Koninkrijk presteert op het punt van representatie welhaast het onmogelijke. Een van de twee kamers van het parlement, het House of Lords, wordt helemaal niet gekozen. En het House of Commons krijgt door het districtenstelsel een samenstelling waarin de representativiteit ver te zoeken is. De Conservatieve Partij haalde bij de verkiezingen dit jaar 37% van de stemmen en kreeg daarvoor 330 zetels in het Lagerhuis. De nieuwe partij UKIP kreeg 12% van de stemmen, dus 1/3 van de conservatieven en kreeg welgeteld een zetel. De Schotse Nationale partij, die aanzienlijk minder stemmen kreeg dan UKIP,
verdiende daarmee 58 zetels.

De wet van de remmende voorsprong doet zich dus ook op democratisch gebied gelden. De Hortus Democraticus heeft onderhoud nodig. Het is tijd voor een nieuwe Magna Carta.

Het invoeren van een kiesdrempel zal het beoogde effect van reductie van partijen niet hebben. We zouden die kant ook niet moeten willen opgaan. Ons kiessysteem doet recht aan alle burgers die zich willen uitspreken over de publieke zaak en heeft vanuit dat perspectief een grote legitimerende werking. Wie niet meedoet, heeft dat aan zichzelf te wijten. Er zijn geen kunstmatige barrières.

Als politici vinden dat er minder partijen moeten komen zouden ze beter serieus kunnen onderzoeken of er in ons partijenlandschap niet teveel partijen zijn die erg op elkaar zijn gaan lijken.

Wij ordenen de pluriformiteit in de samenleving in verschillende partijen, terwijl het wellicht realistischer en zeker interessanter zou zijn om de pluriformiteit binnen partijen te stimuleren.

Het vereist natuurlijk goede procedures en grote zorgvuldigheid om meer pluriformiteit binnen een partij te laten uitmonden in besluitvorming. Maar als de kwaliteit van besluitvormingsprocessen de deelnemers overtuigt dat hun mening serieus wordt gehoord, levert dat in de praktijk acceptatie op.

Hier kan de moderne technologie ook helpen om nieuwe werkwijzen binnen partijen te ontwikkelen, die meer recht doen aan hun leden en sympathisanten doen. Het lijkt mij een interessante uitdagingen voor politieke wetenschappers. Liever dan nog meer en nog beter standpunten te turven, die morgen waarschijnlijk achterhaald zijn, zouden zij ons kunnen helpen door na te denken over verandering en verdieping van het democratisch proces. De communicatie van standpunten moet weer worden omgebogen naar communicatie over argumenten.
Burgers moeten meer kansen krijgen om bij gedachtenvorming te worden betrokken, dan hun nu in gestolde partijstructuren geboden worden.

Veranderingen in machtsverhoudingen ontstaan meestal uit noodzaak of dwang. Pas als degenen die namens ons macht uitoefenen begrijpen dat zij dit alleen met grotere betrokkenheid van de burgers gelegitimeerd mogen doen, is er hoop.

Dat moeten de burgers die mee willen denken dan natuurlijk ook duidelijk maken. Het gaat om hun zeggenschap. Een democratische rechtsstaat kan niet top-down worden gemanaged.

Eigenlijk is dit een permanente opgave voor alle democratische partijen gezamenlijk. Zij beseffen te weinig wanneer ze elkaar moeten bestrijden en wanneer ze een gezamenlijke opdracht hebben.

Het is daarom veelbelovend dat fractieleiders uit de Tweede Kamer tegenwoordig vaker gezamenlijk optreden. Ik denk niet zozeer aan hun inzet om schilderijen van Rembrandt te kopen, maar vooral aan hun recente oproep aan het Nederlandse volk om respect voor elkaars meningen te tonen en nooit geweld te gebruiken.

Het antwoord op deze oproep hoeft in eerste instantie niet meer in te houden dan het verzoek om zelf in de Tweede Kamer in praktijk te brengen wat zij aan ons prediken. Het regeerakkoord, genaamd Bruggen Bouwen, schrijft dit ook voor: ‘De overheid kan anderen alleen met overtuiging aanspreken, als ze zelf het goede voorbeeld geeft.’

Laat ons ten slotte nog eens naar een schilderij kijken.

Nadat Erasmus in 1500 zijn eerste verzameling spreekwoorden had gepubliceerd, werden deze door velen als een bron van wijsheid beschouwd.

Pieter Bruegel de Oude gebruikte spreekwoorden als thema in zijn schilderijen. Op het schilderij ‘De Vogelnestrover’ verbeeldt hij het spreekwoord: ‘Die het nest weet, die weet het, maar die het rooft, die heeft het.’

Het spreekwoord is duidelijk. Kennis bezitten is mooi, maar als je er niets mee doet, sta je met lege handen. Als je niet wilt dat het nest geroofd wordt, moet je het beschermen.
We kunnen hierbij ook denken aan de elfde stelling van Marx over Feuerbach: ‘De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd, het komt erop aan haar te veranderen.’

Mijn vroegere buurman in de Senaatsfractie van de Partij van de Arbeid, de filosoof Willem Witteveen, wilde niet uitsluitend nadenken over de democratische rechtsstaat, maar zijn denken ook verbinden met praktisch politiek handelen. En Willem had een hekel aan politici die beginnen zonder te bezinnen. Hij verbaasde zich steevast over ingrijpende veranderingen in onze wetgeving, zonder dat over de uitvoerbaarheid grondig was nagedacht.

Zijn voorbeeld kan ons inspireren. De lucht in onze democratische rechtsstaat wordt regelmatig vervuild door de onwelriekende geur van minachting voor het parlement, voor de rechter en voor de rechten van de mens.

Het is niet goed genoeg om daarvan geïnteresseerd of schouderophalend kennis te nemen.

Weten noopt tot handelen, niet alleen door politici maar vooral ook door burgers.

xoxoxox

10 november – 20 jaar stadhuis-bibliotheek Den Haag

Stadhuis sneeuwbolOp 8 september was het twintig jaar geleden dat koningin Beatrix het Haagse Stadhuis – naar een ontwerp van architect Richard Meier – opende. Dat is reden voor een terugblik. Op 6 november verscheen in het AD het artikel ‘Van luchtkasteel tot witte zwaan‘, en op 10 november organiseert Actueel Den Haag Debat (ADHD) een debat: “In 1986 besloot het toenmalige Haagse college om het nieuwe stadhuis pal in het centrum te bouwen. Het nieuw te ontwerpen gebouw moest een huiskamer voor de stad worden, waar alle inwoners van Den Haag zich welkom zouden voelen. Het stadhuis moest als een scharnier de verschillende openbare ruimtes rondom het Spui met elkaar verbinden. Wat is er geworden van het gebouw, de rol in de stad en de invloed op zijn omgeving? En, minstens zo belangrijk, hoe zou het gebouw zich verder moeten ontwikkelen gezien haar geschiedenis en de wensen voor de toekomst?” Het debat over de rol van het Stadhuis van Ricard Meier voorde ontwikkeling van de stad en de toekomst van het cultuurplein aan het Spui vindt plaats in het Stadhuis zelf, en gaat gepaard met de opening van een foto- en maquette-tentoonstelling. Meer informatie staat in de nieuwsbrief.

Een terugblik kunt u vinden in het boek Het Haagse Stadhuis, bouwen in een slangenkuil

Een interview in de Volkskrant precies een dag voor de presentatie van de plannen voor het stadhuis Den Haag, nu bijna dertig jaar geleden, geeft een mooi inzicht in de dynamiek van deze periode. Heftig maar tegelijkertijd ook vol van perspectief. De stad zou uit een langdurige impasse kunnen komen, er was een perspectief op een mooie toekomst van Den Haag. Maar zou het ook werkelijkheid worden? Mooi laat het interview de stemming van die tijd zien en het geloof in de rol van de politiek in het ordenen van de stad.

1986-12-06 – Interview Volkskrant, Dag voor de presentatie plannen Stadhuis Den Haag adriduivesteijn.nl/…/1986-12-06-Interview-Volkskrant-Dag-voor-de-presentatie-plannen-Stadhuis-Den-Haag.pdf

Voor iedereen die echt in de tijd terug wil gaan heb ik hier mijn aantekeningen van de eerste gedachten die ik op 23 mei 1986 over het stadhuis Den Haag op papier zetten. Dat alles gebeurde tijdens de eerste retraite van het nog maar net gevormde progressieve college van B&W die daarvoor was uitgeweken naar onze familie badplaats Kijkduin :-). Ik had na het ontstaan van het idee een koorts die je in dit stuk ook nu nog echt kan teruglezen. Hoezeer de gedachte een eigen dynamiek heeft gekregen is ook terug te halen uit deze aantekening. Op dat moment zijn er bij mij ‘slechts’ Nederlandse architecten in beeld. De komst van buitenlandse architecten werd actueel toen ik in interview verwees naar buitenlandse voorbeelden van vergelijkbare publieke  gebouwen die ik eerder had bezocht. Alle referenties vertaalde zich uiteindelijke bij de projectontwikkelaars die inschreven in een uitnodiging aan die architecten.

Achteraf de belangrijkste interventie pleegde Joop ten Velden, oud raadslid van de PvdA, waarmee ik eerder het museum van Richard Meier in Frankfurt had bezocht. Hij combineerde de gedachte van het stadhuis/bibliotheek met onze ervaring in Frankfurt en vloog, ook voor mij, in het geheim en op eigen kosten naar New York om Richard Meier te vragen of hij het Haagse Stadhuis wilde bouwen. ‘It sounds interesting’ was zijn respons en tekende daarvoor een bereidverklaring. De rest van het verhaal is bekend……en voor iedereen die het niet gelooft die moet maar eens een kijkje nemen in de Huiskamer van Den Haag aan het Spui. Je kan het niet mislopen, een wit gebouw.

Voor degene die het hele verhaal tot zich willen nemen is er de mogelijkheid mijn boek ‘Het Haagse Stadhuis, bouwen in een slangenkuil’ dat ik met Fred Feddes schreef hier te downloaden. Veel leesplezier.

Verkiezingsdebat in De Balie

Op zondag 1 maart nam ik deel aan een debat over de Eerste Kamer in De Balie, in aanloop naar de Provinciale Statenverkiezingen op 18 maart; verkiezingen die ook over de samenstelling van de Eerste Kamer gaan. Het debat ging over de belangrijkste thema’s in de afgelopen jaren – waaronder de vrije artsenkeuze -, over de rol en functie van de Eerste Kamer, over fractiediscipline, en over wat er na 18 maart zal veranderen. De presentatie was in handen van Teun van de Keuken en Roelf Jan Duin.

Lezing Gouden Erepenning in Nieuwspoort Nieuws

Nieuwspoortnieuws 1Op 27 november 2014 mocht ik de “hoogste onderscheiding van de gemeente Den Haag, de Gouden Erepenning, waaraan verbonden het ereburgerschap” in ontvangst nemen uit handen van burgemeester Jozias van Aartsen. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om de vertellen over het ‘waarom en waarvoor’ achter mijn handelen in de stad Den Haag, met als titel: ‘Wonen in het veen; “hier zijn wij het ongewone gewoon gaan vinden”‘, vrij naar kunstenaar Theo van Laar over de Schilderswijk (1974). Nieuwspoort Nieuws publiceerde mijn dankwoord in de editie van december 2014 (aflevering 4), met als titel een citaat van Van Aartsen: “Adri Duivesteijn gaf Den Haag weer echt een hart”.

Lees hier (1) en hier (2) het volledige artikel.

Gouden Erepenning – ‘Wonen in het veen; “Hier zijn wij het ongewone gewoon gaan vinden”‘

IMG_9266‘Burgemeester en wethouders van Den Haag hebben besloten de hoogste onderscheiding van de gemeente, de Gouden Erepenning, waaraan verbonden het ereburgerschap, toe te kennen aan Adri Duivesteijn.’

Vandaag, 27 november 2014, kreeg ik de Gouden Erepenning uitgereikt uit handen van burgemeester Jozias van Aartsen. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om te vertellen over het ‘waarom en waarvoor’ achter mijn handelen in de stad Den Haag. Dat deed ik aan de hand van de uitspraak van een uitspraak van kunstenaar Theo van Laar (1974). “Hier zijn wij het ongewone gewoon gaan vinden”, zei hij over de Schilderswijk.

Lees hier mijn dankwoord, ‘Wonen in het veen; “hier zijn wij het ongewone gewoon gaan vinden”‘ op mijn site; lees hier de pdf-versie.