Categorie archief: Blog

Neerlands Hoop, je gunt dit iedere generatie

 Afgelopen weekend besloot ik, ik had de beslissing al een paar keer voor mijzelf uitgeschoven, om gisteravond (13 maart) toch aanwezig te zijn bij de eenmalige voorstelling in Carré van ‘Nederland en Vlaanderen zingen Neerlands Hoop’. Het was de al jarenlang verwachte terugblik op de succes jaren van het duo Bram en Freek in de vorm van Neerlands Hoop in Concert. Ik kan hun opkomst nog als de dag van gisteren terughalen, 1968, het jaar van de verandering, was er een doorbraak in het land van het cabaret. Neerlands Hoop veegde het gesettelde landschap aan de kant om deze opnieuw te ordenen. Als fervent cabaretliefhebber, ik interviewde Toon Hermans al toen ik 15 jaar was voor de schoolkrant, stelde ik er een eer in om zoveel mogelijk soorten cabaret te bezoeken. Deze uitdrukkingskunst sprak tot mijn verbeelding. Het reflectieve, het humoristische en het poëtische kwamen er allemaal in samen. Voor mij was Wim Kan lange tijd de top van het politiek cabaret. De wijze waarop hij een jaar kon beschouwen, de politiek kon duiden maar vooral de politicus een plek te geven of zelf op zijn plaats te zetten is nog steeds ongeëvenaard. Maar ook de niet politiek geëngageerde cabaretier kon op mijn waardering rekenen. Echter vanaf 1970, toen ook ik kennismaakte met Neerlands Hoop, werd dat anders. Het was in Diligentia, de zaal was niet uitverkocht, dat ook in mij een norm werd gezet van wat goed, middelmatig of gewoon slecht was in dit metier. De storm die de beide heren losmaakten was overweldigend en, nog veel belangrijker, het eigen denken werd van alle kanten op de proef gesteld. Neerlands Hoop was op een niet vrijblijvende wijze in staat je een spiegel voor te houden. Alles wat ‘vanzelfsprekend’ was werd onder vuur genomen dan wel bespiegeld. Voor mij had juist de diepte ervan het effect dat ik mijn eigen denken kon en ging verscherpen. Ik stelde mijzelf er meer vragen door en werd aangezet om mijn antwoorden op die (nieuwe) vragen scherper te formuleren.

1968, het zou een begin zijn van een  jaarlijkse tocht naar de theaters waar Bram en Freek optraden. Hier kreeg ik een referentiekader aangereikt waaraan ik kon toetsen waar ik zelf stond, hoe ik dacht en of de al dan niet kritische noties ook de mijne waren. Neerlands Hoop en daarna Freek de Jonge zouden voor mij blijvend een spiegel zijn waarin ik gelijktijdig naar mijzelf als ook naar de samenleving als geheel kon kijken. Het was en is een spiegel die vooral vragen aan jezelf oproept om vervolgens op zoek te gaan naar eigen antwoorden. Voor mij was deze ervaring zo uniek en zo vormend dat ik, als een opvoedkundige interventie, de laatste jaren mijn kinderen meenam naar de voorstellingen van Freek de Jonge. Ik wilde ze laten ervaren dat entertainment (cabaret) meer kan zijn dan slechts vermaakt en het volstaan met het consumeren ervan. Juist deze vorm van cabaret, hield ik ze voor, kon je een ijkpunt geven om even bij jezelf, je omgeving en de samenleving stil te staan en misschien zelfs te doorgronden. Gisteravond nam ik mijn vijftienjarige dochter mee en op weg naar Carré probeerde ik haar te vertellen van mijn ervaring in die zestiger en zeventiger jaren met Neerlands Hoop. Ongeduldig schoof ze mijn uitleg ter zijde. Ze zou het wel op haar laten afkomen, mijn uitleg vooraf was daarvoor niet nodig. En eerlijk gezegd vond ik dat ook een mooie en terechte eigenzinnige keus.

Ik wil niet ontkennen dat ‘Nederland en Vlaanderen zingen Neerlands Hoop’ een wandeling was door mijn eigen leven. Een wandeling die mij op een paar momenten ontroerde. Ieder lied, iedere conference is wel verbonden met een bepaalde fase in mijn eigen – toch ook wel dynamische – ontwikkeling en groei. Ik herkende mij helemaal in het statement van Freek de Jonge toen hij zei dat zijn probleem bij deze voorstelling was dat vrijwel de hele zaal de teksten van zijn conferenties kon souffleren. Ik kon dat ook en betrapte mijzelf erop dat ik de grappen al zag aankomen. De echte meetlat of de muziek en de conferences nog steeds hout sneden zat naast mij. Ik zag mijn dochter meegaan met de dynamiek van de voorstelling: schaterlachend, dan weer serieus en soms ook echt aangedaan. En pas toen drong tot mij door hoezeer het werk van Neerlands Hoop voor mij vooral deel van mijn geschiedenis is, het voor haar juist de duiding is deze tijd. Ik besefte toen ook hoe tijdloos het werk van Bram en Freek eigenlijk is. En hoe veelzijdig zij daarin als duo waren. Ook de inbreng van Bram Vermeulen. Want hoewel ik mij altijd een fan waande van het duo, liet de voorstelling de onmetelijke reikwijdte zien van de inbreng van Bram. De schoonheid, eigenheid en volheid van de muziek en de teksten die hij zong, lieten gisteravond zien dat Neerlands Hoop, juist in de combinatie van twee persoonlijkheden zo uniek was.

‘Neerlands Hoop in Concert’ was door de veelheid aan mooie en geëngageerde artiesten een terecht eerbetoon aan Neerlands Hoop in Bange Dagen. Veel van de muziek van het duo werd via de stemmen van Jan de Hont, Bart Peeters, Nits, Kommil Foo, Alex Roeka, Dick van Altena, Tim Knol, Paul de Munnik, Britte Maria, Bue Grass Boogiemen, Spinvis, Frank Boeijen, Mathilde Santing, Louise korthals en Yentl & De Boer op een geweldige manier opnieuw tot leven gebracht. En ja soms waren er nummers bij die misschien zelf beter werden gezongen dan het beruchte duo. Louise Korthals en Yentl &de Boer waren daar sprekende voorbeelden van. Echter, nergens werd het authentieker dan de originele uitvoeringen van Neerlands Hoop. En dat is in niets een kritiek op zij die ons een mooie avond gaven maar het laat vooral zien dat cabaret op zijn best is als alles in ieder opzicht authentiek is. Dat wil zeggen dat er een volstrekte eenheid bestaat tussen het schrijven van een tekst, het maken van muziek, en het uitdragen ervan. Juist waar cabaret zich verheft boven consumentisme en de bezoeker aanzet tot het produceren van nieuwe gedachten en inzichten. Cabaret in deze vorm is niet de performance maar het zelf zijn van de boodschap achter de tekst en muziek. Dat namelijk maakt alles tot een statement, onlosmakelijk met elkaar verbonden, en in niets vrijblijvend.

Mij rest alleen maar dankbaarheid dat ik opgroeide met de reflecties van Neerlands Hoop. Ik gun mijn kinderen en hun generatie een vergelijkbare ervaring in deze toch wel weer ‘bange dagen’. Ik weet het zeker, ze worden er sterker van.

Adri Duivesteijn, 14 maart 2018

Ps. Voor eenieder die wil toetsen wat ik hierboven beweer raad ik aan de box Neerlands Hoop in Bange Dagen Compleet aan te schaffen. Het gaat over nu!

Algemene Rekenkamer: Conferentie Toekomst Publiek Vastgoed – Keynote speech Adri Duivesteijn

foto: Algemene Rekenkamer

Op 16 november 2017 werd op initiatief van de Algemene Rekenkamer een conferentie gehouden over de toekomst publiek vastgoed. Met de verkoop van het voormalige ministerie van Sociale Zaken van de architect Herman Hertzberger en het ‘anonimiseren’ van wat eens het trotse departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening van de architect Jan Hoogstad was en dat nu, geheel in de vroegere Oost-Europese traditie waarin gebouwen vaak gereduceerd werden tot een nummer, nog slechts de naam Rijnstraat 8 draagt.  Met beide departementen, miljoenen investeringen overigens, lijkt het Rijksvastgoedbedrijf een weg te zijn ingeslagen die het publiek vastgoed loskoppelt van haar specifieke functie en betekenis. Rijksgebouwen lijken geen identiteit meer te mogen uitdragen. Het past in een (neo-liberale?) visie waarin de overheid zo klein mogelijk moet zijn en ook zo min mogelijk nog een eigen rol, op het terrein van toezicht en veiligheid na, mag spelen. Dat terwijl juist de overheid in heel veel opzichten een positieve en bindende actor zou kunnen zijn binnen de samenleving. Juist waar in de westerse samenleving de zuilen, lees: identiteiten, steeds verder marginaliseren zou een overheid in haar enorme verscheidenheid juist meer eigen identiteit mogen hebben. Publiek vastgoed is een uitdrukking van deze indentiteit, of sterker gesteld van de verscheidenheid aan identiteiten die een overheid heeft. Ook als zij, zoals de Rijnstraat 8, anonimiteit uitstraalt. Op dat moment is de overheid vooral de uitdrukking van een fabriek waar ‘dienstverlening’ wordt geproduceerd door mensen die inwisselbaar zijn in een fysieke ruimte die zijn bestaan vooral ontleent door er zelf niet te zijn.

Maar het is niet alleen de overheid die medebepalend is voor de indentiteit van onze gebouwde omgeving. Ook publieke instellingen zijn daarin, misschien nog wel belangrijker. De ziekenhuizen, de universiteiten en Hogescholen zijn de meest zichtbare instituten die zich via gebouwen en publiek ruimten aan ons presteren. Een ieder die wel eens een ziekenhuis bezoekt zal al snel het verschil ontdekken tussen de steeds groter wordende en de wat kleinere ziekenhuizen. Een vergelijkbaar proces zien wij in het onderwijs waar schaalvergroting vaak ook gepaard gaat met het gevoel van verloren zijn. De kunst, in beide voorbeelden, is om wel te moderniseren maar gelijktijdig de menselijke schaal vast te houden. Mensen zijn geen nummers of aantallen. De mens is uniek in zijn individualiteit. Dat betekenis geven in hoe vastgoed zich laat gebruiken maakt dat het een toegevoegde waarde kan geven aan het functioneren van een gezonde samenleving.

Kortom een hele uitdaging en terecht dat de Algemene Rekenkamer, onder leiding van haar president Arno Visser, aandacht vraagt voor de wijze waarom de overheid en de publiek instelingen inhoud geven aan haar vastgoed. Dat de zoektocht van de Algemene Rekenkamer daarbij verder reikt dan cijfers, rekenen en doelmatigheid, kan alleen gewaardeerd worden. Deze benadering is, juist in een tijd waar de korte baan redeneringen vaak meer aandacht krijgen dan de complexiteit van de hedendaagse werkelijkheid, verfrissend. Zelf mocht in de conferentie openen met een keynote speech. Het was voor mij ook een goede gelegenheid om een paar momenten in mijn ‘vastgoedcarrière’  terug te laten komen en met elkaar in verband te brengen. De moraal van mijn verhaal is duidelijk. Een overheid kan, naast een financieel verantwoord vastgoedbeleid, juist ook het maatschappelijk rendement verhogen. Maar dat is alleen dan succesvol wanneer men bereid is de overheid juist ook te zien als een actieve partner in de wereld van het maken van onze publieke ruimte, en in mijn geval, in het maken van de stad. Voor een ieder die nog eens wil teruglezen wat mijn bijdrage was hierbij een PFD van mijn presentatie en mijn uitgeschreven tekst.

Tekst bijdrage AD – Conferentie Toekomst Publiek Vastgoed -publicatietekst en foto’s

Dia Presentatie Keynote speech AD – Conferentie Algemene Rekenkamer Toekomst Publiek Vastgoed

De doorstart van de Wooncoöperatie is begonnen

Vaak heeft een gedachte tijd nodig om te beklijven. Dat is zeker het geval met de wooncoöperatie. Ons land kent al sinds 1901 in de Woningwet het fenomeen ‘toegelaten instellingen’. Dit zijn instellingen waar de uitvoering van de publieke zorg voor het wonen is neergelegd. Dit is inmiddels uitgegroeid tot wat nu heet de sociale huursector welke het bezit en beheer heeft over zo’n 2.4 miljoen huurwoningen. Anders dan in de omringende landen heeft Nederland geen sociaal woonstelsel waarin ook bewoners met een lager inkomen zelf inhoud kunnen geven aan hun wonen. In Nederland is de burger aanvankelijk ‘verzorgt’ en tegenwoordig zien wij deze  vooral als een woonconsument, of zoals de meeste woningcorporaties deze tegenwoordig noemen: klanten.

Woonproducent zijn, dat wil zeggen dat je zelf inhoud geeft aan het eigen wonen  is niet weggelegd voor al die huishoudens die zijn aangewezen op een sociale huurwoning. Zij moeten zich voegen in dat wat hen wordt aangeboden en dat zijn feitelijk alleen maar huurwoningen. In ons land zijn deze van een  redelijke tot goede kwaliteit. Dat is ook niet het vraagtuk. Wel staat, door het huurbeleid, de betaalbaarheid onder druk. Voor de meeste woningen zijn de huishoudens met een laag inkomen dan ook afhankelijk van een huurtoeslag van de rijksoverheid. Kortom voor deze groep is er altijd een afhankelijkheidsrelatie. Deze afhankelijkheid is eigenlijk niet meer van deze tijd. Burgers zijn in vergelijking  met vroeger vele malen zelfstandiger geworden. Dat geldt ook voor veel huishoudens die statistisch behoren tot de lagere inkomensgroepen. Je mag dit ook gerust zien als een emancipatie die burgers in de afgelopen veertig jaar hebben doorgemaakt. Daarom is het ook niet meer dan wenselijk dat nu ook ons woonstelsel zich gaat moderniseren. Dat kan door het sociale woonstelsel te verbreden met het recht op zelforganisatie en zelfbeschikking. Die burgers (huurders) die dat willen kunnen dan, op een verantwoorde wijze, ook zelf inhoud geven aan hun wonen.

Al jaren pleit ik daarom voor het creëren van een beschermde vorm van zelforganisatie binnen ons woonstelsel. De coöperatieve gedachte is daarvoor de meest geschikte vorm. Hoewel ik al vanaf 1996 initiatieven onderneem, onder andere met de nota ‘De Koopwoning Bereikbaar”, om deze vorm van burgerinitiatief structureel mogelijk te maken, is het pas gelukt tijdens het december-debat in 2013 toen de Eerste Kamer het Woonakkoord behandelde.  Na een heftige week werd beklonken dat de Wooncoöperatie zou worden opgenomen in de Woningwet en een volwaardige plaats zo krijgen naast de vertrouwde ‘toegelaten instellingen’. En, het mag gezegd, minister Stef Blok heeft zijn toezeggingen waargemaakt en sinds 2015 maakt de wooncoöperatie  deel uit van de Woningwet. Direct daarop volgend is er een aanzienlijk stimuleringsprogramma opgezet door het Platform 31 dat nog steeds loopt. Inmiddels wordt steeds duidelijker dat veel huurders open staan voor deze vorm van zelfbeheer in het wonen. De ervaringen uit het stimuleringsprogramma maken echter ook duidelijk dat er nog heel wat hindernissen moeten worden genomen. Niet in de laatste plaats de bijna fysieke weerzin van veel professionals bij woningcorporaties om iets van hun verkregen ‘macht’ te delen met de leden uit hun doelgroep. Liever ‘verzorgen’ zij zelf deze burgers. Gelukkig zijn er ook binnen de sociale huursector witte raven die juist vanuit het traditionele idealisme en emancipatie doelstelling van onze volkshuisvesting inhoud willen geven aan de de wooncoöperatie. Zij zijn bondgenoten en kunnen hun collega’s de voorbeelden aanreiken die laten zien dat de wens op zelfbeheer en zelfbeschikking een heel normaal menselijk trekje is.

Voor de komende jaren is een echte goede structurele inbedding noodzakelijk binnen ons woonstelsel voor de wooncoöperatie. De vraag is natuurlijk hoe dat kan worden vormgegeven en welke politieke steun er is om de Wooncoöperatie verder in ons sociale woonstelsel te verankeren? Deze steun lijkt steeds groter te worden. Want de partijen die deze nieuwe regering steunen willen de positie van de Wooncoöperatie verstevigen en hebben dat in het Regeerakkoord vastgelegd:

“een wooncoöperatie is een organisatievorm waarbij huurders gezamenlijk eigenaar zijn van de woningen. De wooncoöperatie vormt een alternatief voor twee ‘traditionele’ oplossingen die we in Nederland kennen: het op individuele basis huren van een woning van een externe partij en het individuele eigendom van een woning. In wooncoöperaties zijn mensen directer betrokken bij het beheer van hun woningen en de leefomgeving. Onderzocht zal worden hoe de mogelijkheden voor het beheer van hun woning en leefomgeving voor de leden van de wooncoöperaties om de huurwoningen over te nemen kunnen worden vergroot”

Ik zou zeggen de doorstart van de Wooncoöperatie is begonnen. Het Regeerakkoord is, naar mijn mening, de ultieme erkenning dat het woonstelsel zich zal gaan verbreden naar een recht van huurders op deze vorm van zelforganisatie. De weg er naar toe zal zeker nog heel wat hobbels kennen maar er is nu een heel goede doorstart mogelijk. Ik kijk dan verwachtingsvol uit naar de initiatieven van de voormalige oud-wethouder van Amsterdam en de huidige minister van Wonen Kajsa Ollongren (D66) . Zij kent de problematiek van de stad en vooral ook de noodzaak om meer sociale verbanden in wijken te stimuleren. En, wat nu ook kan helpen is dat zij een Scandinavische achtergrond heeft. Voor mij zijn deze landen altijd het voorbeeld geweest van het ideale woonstelsel waarin de wooncoöperatie een volstrekt normaal gegeven is. Wanner zij haar volle steun geeft aan de basisgedachte van coöperatief wonen kan zij met betrekkelijk eenvoudige maatregelen de weg effenen voor een verder uitbouw van de Wooncoöperatie. Een mogelijk voorstel zou kunnen zijn dat het huidige uitponden van sociale huurwoningen aan commerciële partijen wordt vervangen door een voorkeurrecht voor huurders die met elkaar een Wooncoöperatie willen vormen. Het definitief maken van de kortingsregeling is een volgende. En een risicofonds, bijvoorbeeld in samenwerking met de NHG, kan de financiering van de wooncoöperatie vergemakkelijken.

Hoezeer bewoners uitkijken naar deze vorm van ‘verzelfstandiging’ komt ook weer eens aan de orde in een mooi artikel van De Groene Amsterdammer, Ons Dorp, begin je eigen wooncoöperatie . Zelf heb ik deze week in het CorporatieGids magazine nog eens uiteengezet waarom ik zo hecht aan de uitbouw van de Wooncoöperatie. Ik verwijs daarvoor graag naar deze link: 2017-10 – CorporatieGids Magazine – Adri Duivesteijn over de Wooncoöperatie

Ik zou zeggen tegen de al die huurders die woonachtig zijn in de sociale huursector en die graag zelf inhoud willen geven aan hun zelfbeschikkingsrecht en dat via zelforganisatie en vormen van zelfbeheer  willen doen, oriënteer je bij het Platform 31, dan wel CoopLink. Er liggen nu kansen die het de moeite waard maken om met elkaar inhoud te geven aan een beweging van onderop die het wonen dichter bij de mensen zelf zal gaan brengen.

 

 

 

Het nieuwe rijkskantoor Rijnstraat 8: Anonimiteit als identiteit

door Adri Duivesteijn – 31 oktober 2017

Woensdag 1 november 2017 opent de eerste burger van Nederland, Koning Willem Alexander, het nieuwe Rijkskantoor Rijnstraat 8 te Den Haag. Voor de ouderen onder ons, wij hebben het over het voormalige gebouw van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). Het gebouw waar maar liefst 6000 ambtenaren hun werk kunnen gaan doen is afwijkend in vergelijking met de gangbare huisvesting van departementen en ministeries. De vraag is of wij met deze nieuwe trend in de huisvesting van onze publieke diensten blij moeten zijn.

Even terug in de tijd. Het was in mijn wethouderstijd (1980-1989) dat er, mogelijk gemaakt door een omvangrijke ruiltransactie van braakliggende terreinen en voormalige woonpanden, tussen het Rijk en de gemeente, twee grote ministeries konden worden gebouwd. Dit waren het, toen nog belangrijke departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) aan de Rijnstraat en het Ministerie van Sociale Zaken (SOZA) aan de Laan van Nieuw Oost-Indië. Beide ministeries zouden innovatief moeten zijn. Dat betrof zowel de presentatie van de Rijksoverheid naar haar burgers, de kwaliteit van de werkplek voor onze ambtenaren, alsook de technische kwaliteit van het gebouw. Het was een tijd waarin wij barstten van de ambities. Voor beide gebouwen waren toonaangevende architecten aangezocht, te weten Jan Hoogstad voor het VROM-gebouw en Herman Hertzberger voor SOZA.

Ministerie van Sociale Zaken in goede tijden

Jan Hoogstad zocht de betekenis van het VROM-departement vooral in een introvert gebouw dat in het oorspronkelijke concept op de vierde en vijfde verdieping een omvangrijke publieksstraat zou moeten krijgen, die verbonden was met het Station CS en de langzaam verkeersroute die in het hart van de stad op de Nieuwe Kerk (gebouwd: 1649-1656) uitkomt. Helaas is al tijdens het ontwerpproces een deel van deze ambitie geërodeerd, doordat de publieke straat in het ministerie benut werd voor het realiseren van een extra programma. (eufemisme voor bezuinigen). Met deze ingreep verdween helaas ook de geplande passerel, een directe verbinding met het busstation bovenop het emplacement van het Centraal Station Den Haag. Toch was het VROM-gebouw een humaan en bovenal publiek werkgebouw. Door de kamstructuur van het gebouw ontstonden er grote atria met een plezierig binnenklimaat. Dat maakte dat er geen airconditioning noodzakelijk was en de ambtenaren de ramen van hun kantoor open konden zetten. Hertzberger was veel radicaler. Hij borduurde met zijn ministerie voor Sociale Zaken voort op zijn eerder gebouwde kantoor voor Centraal Beheer in Apeldoorn. Dit gebouw was in zichzelf een stad met een volstrekt open structuur, waarbij er letterlijk straten en pleinen waren. Plek voor een veelvoud van informele ontmoetingen die het werken meer spontaniteit zouden moeten geven. Met alle kritiek op de afzonderlijke gebouwen was iedereen het erover eens, dat dit twee karaktervolle ministeries waren, die identiteit gaven aan de  publieke betekenis van de beide departementen als ook garant stonden voor een humane werkplek voor de betrokken ambtenaren.

Rijnstraat 8 op zijn best?

Beide gebouwen, het gaat hier over een investering van honderden miljoenen euro’s, hebben het nauwelijks dertig jaar uitgehouden. Door de komst van nieuwe technologie is de werkplaats van de ambtenaar fundamenteel veranderd. Flexibiliteit in het werken is het centrale begrip geworden. De werktijden zijn veranderd. Thuiswerken lijkt normaal te zijn geworden en een vaste werkplek is met de digitale opslag niet meer noodzakelijk. Het tegenwoordige werken vraagt veel minder fysieke werkruimte en, misschien nog wel belangrijker met veel minder vaste werkplekken. Het Masterplan kantoorhuisvesting Den Haag van de Rijksoverheid gaat dan ook uit van een grondige verandering in de wijze waarop de rijksoverheid werkt, en vertaalt dat in een andere vorm voor de huisvesting van haar ambtenaren. Met een ogenschijnlijk groot gemak worden omvangrijke rijkskantoren afgestoten en andere grondig verbouwd. Het meest open en qua opzet democratische gebouw, het ministerie van Sociale Zaken, werd bij opbod verkocht. Wat in mijn wethoudersperiode nog als een voorbeeld gold van een humane werkplek, staat alweer enige tijd leeg en verlaten te wachten op haar nieuwe bestemming. Sloop van dit 25 jaar oude karakteristieke gebouw wordt nadrukkelijk niet uitgesloten (Hoe duurzaam zijn wij eigenlijk?). De nieuwe eigenaar, een projectontwikkelaar, lijkt het gebouw om markttechnische overwegingen vooralsnog in stand te houden. Tijdelijk zit daar nu de Horeca Academie en komen er tijdelijk statushouders te wonen. Persoonlijk vind ik het een gemiste kans dat de Rijksoverheid, dan wel de gemeente Den Haag niet de gelegenheid hebben aangegrepen om het SOZA-gebouw om te toveren tot de grootste starterswerkplaats van ons land. De structuur van het gebouw is uniek en staat juist de huisvesting van een veelvoud van kleine bedrijven – al dan niet met werkplaatsen – toe. Juist door de openheid van de architectuur kunnen er een veelvoud van natuurlijke netwerken ontstaan tussen deze nieuwe gebruikers. De nieuwe economie had hier bij uitstek zijn kans kunnen krijgen. Het zit er – voorlopig – niet in.

Met het VROM-gebouw leek het aanvankelijk veel positiever gesteld. Dit gebouw bleef behouden en zou geschikt worden gemaakt voor de huisvesting van meerdere ministeries. Opnieuw waren de ambities hoog. Nu zou het duurzaam renoveren en het nieuwe werken centraal komen te staan. Na aanvankelijke sloopplannen werd de kans aangegrepen het gebouw duurzaam te renoveren. Het moest ook een schoolvoorbeeld worden van het moderne werken. De combinatie PoortCentraal met O.M.A. uit Rotterdam als architect verwierf deze prestigieuze opdracht. Juist omdat ik het begin van het voormalige VROM-gebouw zo van nabij had meegemaakt en ik er in verschillende rollen bezoeker mocht zijn van het gebouw was ik nieuwsgierig naar dit nieuwe rijkskantoor. Enige weken terug kreeg ik van een medewerker een rondleiding door het nieuwe departement van …., ja van wie eigenlijk?

Het werd, met alle waardering voor tal van onderdelen, een teleurstelling. Wat ik nooit had verwacht dat wat ooit een specifiek gebouw was en identiteit gaf aan een op dat moment toonaangevend departement, nu haar kwaliteit lijkt te vinden in een ver doorgevoerde vorm van anonimiteit. De bezoeker, maar ook de ambtenaar (6000!!) zelf komt, in tegenstelling tot vroeger, niet binnen in een grote representatieve hal, maar in iets wat meer wegheeft van een secundaire achteringang. Een relatief kleine hal met een rij balies waar je jezelf moet aanmelden om vervolgens aan te sluiten bij de rijen ambtenaren en bezoekers die voor de tourniquets staan die de gecontroleerde toegang moeten waarborgen. De bagagecontrole op Schiphol, waar ik niet veel later gebruik van maakte, was in haar opzet ruimtelijker en plezieriger dan dit net verbouwde rijkskantoor. Eenmaal binnengekomen, gaan wij met de smalle roltrappen naar wat ooit de verdeelstraat was van het VROM-gebouw op de vierde verdieping. Hier heeft de oorspronkelijke open publieke ruimte plaats gemaakt voor een wachtruimte, waaraan enkele vergaderkamers zijn gesitueerd. Deze zijn nog kleurrijk maar verder overheerst het zwart en het grijs (over smaak en kleur valt uiteraard niet te twisten). Het geheel geeft een sobere, bijna calvinistische, indruk. Een vaste werkplek voor ambtenaren bestaat er niet meer. Een vaste plek is er ook niet meer voor een departement. In de woorden van het Rijksvastgoedbedrijf: ‘De vernieuwing van Rijnstraat 8 is exemplarisch voor de veranderde visie op huisvesting binnen het rijk. Het moderne rijkskantoor is een flexibel verzamelgebouw waarin meerdere organisaties samenwonen en basisvoorzieningen delen’. 

De vertaling ervan is met de oplevering van dit rijkskantoor inmiddels bekend. Anonimiteit lijkt de identiteit van het gebouw te zijn geworden. Of je nu werkzaam bent bij het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), het hoofdkantoor en loket Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of bij de dienst Terugkeer & Vertrek (DT7V) het maakt voor de huisvesting niet meer uit. Hoe divers de functies ook zijn hier geldt blijkbaar het gelijkheidsbeginsel die hier in de vorm van uniformiteit in overdaad is toegepast. Nee, dit nieuwe rijkskantoor ontleent haar identiteit juist aan de anonimiteit ervan. Materieel vertaalt dat zich in een rijkskantoor dat inderdaad vooral een kantoorverzamelgebouw is. Een functionele aaneenschakelijking van universele werkplekken. De ambtenaar kan op iedere willekeurige werkplek de eigen laptop aansluiten en aan de slag gaan. Papieren bestaan er niet meer. Alles gaat digitaal. Tijdelijk kan je je tas (en pakje boterhammen) opbergen in de kluisjes die ik in mijn zwembad Overbosch ook mag gebruiken. De kleine uitzonderingen zijn uiteraard de bestuursafdelingen, waar net iets meer representatieve ruimte wordt gedoogd. Juist hier, kwam ik, licht ironisch bedoeld waarschijnlijk, nog een boekenkastje tegen dat opgevat kon worden als een stille verwijzing naar het vroegere papieren tijdperk. Het is bijna pijnlijk om te zien hoe radicaal juist de werkplek van het gewone werken is teruggebracht tot een bijna steriele anonimiteit. Het is letterlijk het tegenovergestelde van de, vaak te knusse, geïndividualiseerde kamertjes in het voormalige VROM-gebouw. Ik kan mij goed verplaatsen in het ontheemde gevoel dat veel van de ambtenaren hebben in dit nieuwe rijkskantoor. Wat hun basis ook is, welk een opdracht zij in het algemeen belang moeten uitvoeren, de werkplek is daarvan op geen enkele manier meer een uitdrukking. De benaming van de Rijnstraat 8 roept beelden op van een architectuur waarin de gebouwen zich nog slechts onderscheiden door de verschillende nummers die aan de gebouwen zijn meegegeven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel ambtenaren ‘hun’ werkgebouw beschouwen als ‘een crime’.  In hun woorden is het een werkplaats die vooral het karakter heeft gekregen van ‘een legbatterij’ als onderdeel van een intensieve-menshouderij. In hun opvatting hebben zij nu vooral werkplekken waar het nog maar heel moeizaam is om geconcentreerd je werk te doen met als gevolg een afnemende productiviteit. Blijkbaar zijn de klachten zo ernstig dat inmiddels een officieel onderzoek is gestart naar het functioneren van de gewone werkvloer.

Laten wij voor het gemak eens aannemen dat deze vorm de huisvesting van onze publieke functies het nieuwe normaal gaat worden. In dat geval zou je, juist waar anonimiteit op de werkplek zelf zo structureel is geïnstitutionaliseerd, tenminste verwachten dat in het nieuwe gebouw er een compensatie is in de vorm van open, kleurrijke en vooral ook ruime publieke plekken waar het ontmoeten centraal staat. Juist van het architectenbureau OMA mag je verwachten dat zij met nieuwe en onverwachte publieke identiteiten de nieuwe rijkshuisvesting en dus ook het nieuwe werken zouden gaan vormgeven. Het tegendeel is hier waar. En zelfs op die ene plek waar wel sterk architectonisch is ingegrepen, waar aan de oostzijde (zijde: Prins Bernardviaduct) de Kam-structuur is doorbroken waardoor het atrium naar het midden is geplaatst, is het gebruik van de twee verdiepingen hoge werkvloer gelijk aan de rest van het gebouw. De werktafels staan er eenzaam verloren in de ruimte. Wanneer de opdracht ‘het moderne rijkskantoor is een flexibel verzamelgebouw waarin meerdere organisaties samenwonen en basisvoorzieningen delen’ letterlijk wordt genomen zijn de opdrachtgever en de architect misschien geslaagd. Maar het gebouw is dan vooral een uitdrukking van een overheid die zichzelf steeds minder een eigen identiteit aanmeet. Waar zijzelf haar rol vooral mitigeert. En blijkbaar past het ook in de tijdgeest om het nieuwe rijkskantoor Rijnstraat 8 daarbij te voorzien van een architectuur die anonimiteit als identiteitsdrager beschouwt. Ja, het nieuwe VROM-gebouw is zeker een voorbeeld van het moderne werken – en het zal technisch ook wel heel duurzaam zijn – maar zeg niet dat deze manier van werken, waarin je geen deel meer bent van een specifieke identiteit, een aantrekkelijk vooruitzicht is.

Ikzelf geloof zonder twijfel in nieuwe werkvormen en dus ook in een architectuur die juist het publieke karakter van onze overheid zou kunnen onderstrepen. Maar zoals dat nu zijn vorm heeft gekregen in de Rijnstraat lijkt mij niet de juiste weg. Dat een publiek gebouw ook anders kan, wat dat betreft val ik niet van mijn geloof, is gelukkig op loopafstand te bezichtigen. Aan het eind van de langzaam verkeersroute staat het Haagse Stadhuis, een publiek gebouw gecombineerd met een openbare bibliotheek en een openbaar atrium,  dat nu alweer 25 jaar  onomstreden en goed functioneert, voor de stad, haar bestuur, haar ambtenaren, maar bovenal voor haar bewoners en bezoekers. En laat het ook eens tijdloos zijn in haar gebruiksmogelijkheden.

 

 

Het herstel van de PvdA begint van onderop, een stemverklaring voor Nelleke Vedelaar

De verkiezing voor een voorzitter van de PvdA is opengesteld. De leden van de PvdA hebben tot en met 4 oktober de tijd om hun keuze te bepalen. Deze keuze beperkt zich tot een tweetal kandidaten. Dat is voor een grote partij als de PvdA schraal. Het is ook niet zo dat er hele schokkende ideologische verschillen bestaan tussen de beide kandidaten. Nelleke Vedelaar is een voorbeeld van het wethouderssocialisme wat lang de basis van PvdA is geweest. Het duo Astrid Oosenburg en Gerard Oosterwijk hebben vooral ervaring op het parlementaire niveau. Het gaat nu dus niet primair om een keuze voor een politieke richting. Veel belangrijker is de vraag hoe de PvdA, na een jarenlange dramatische vervreemding van haar eigen kiezers, haar eigen geloofwaardigheid als veranderingsbeweging weer kan terugverdienen? Dat is nog niet zo’n eenvoudige opgave. Met Lodewijk Asscher hebben de leden zich – gelukkig – al uitgesproken voor een ander politiek leiderschap. Bij deze verkiezing gaat het vooral om de vraag wie als voorzitter de PvdA als politieke vereniging weer betekenis kan geven? Wat is de weg hier naartoe?

Nelleke Vedelaar, wethouder in Zwolle

Voor mij begint het herstel van de PvdA bij de herwaardering dat de PvdA primair een, breed in de samenleving gedragen, veranderingsbeweging is. Alleen vandaar uit kan de PvdA haar inhoudelijke betekenis terugkrijgen in het Parlement, de Provinciale Staten en de Gemeenteraden. In die veranderingsbeweging moeten de sociaaldemocratische idealen weer centraal komen te staan. De PvdA zal zich dus, een parallel met Labour dringt zich op, moeten vrijmaken van de omhelzing van het neoliberale gedachtengoed. En in haar werkwijze zullen onze volksvertegenwoordigers moeten afzien van de apolitieke werkwijze waarin door middel van het uitruilen van politieke speerpunten bestuurd wordt (‘strafbaarstelling van illegalen versus kinderpardon’). Het Van Waarde project van de Wiardi Beckmanstichting (WBS) en het verkiezingsprogramma ‘Een verbonden samenleving’ bieden een basis voor het herstel van onze sociaaldemocratische waarden. Maar dat is nog maar een begin. Een nieuwe voorzitter zal leiding moeten geven aan een verdere verdieping en uitwerking in handzame ideeën en plannen voor een meer sociale en rechtvaardiger samenleving. Dat is een enorme klus.

Het vertrouwen in de PvdA zal vooral van onderop hersteld moeten worden. Dat begint op lokaal niveau. Heel goed weten wat daar speelt is een eerste vereiste. Juist daar de PvdA weer sterk maken zal ertoe bijdragen dat het contact met onze achterban weer hersteld wordt en wij weer geloofwaardig worden. Ik geloof dat Nelleke Vedelaar met haar lokale ervaring daarop het beste is voorbereid. Zij kan verbindingen leggen met al die mensen die ook geloven dat een werkelijk sociale samenleving mogelijk is. Zij weet dat dit een belangenstrijd is die ook in de kern moet worden aangegaan. Als bestuurder is zij een klassieke vertegenwoordiger van het wethouderssocialisme. Of het nu gaat over zorg, opvang van vluchtelingen of huisvesting; telkens zoekt zij bondgenoten om samen sterker te staan in de strijd voor al die mensen die op de PvdA rekenen.

Ik mocht met Nelleke Vedelaar samenwerken in de programcommissie voor het nieuwe verkiezingsprogramma. In de politiek gaat het om karakter. Nelleke heb ik daarin leren kennen als een van die personen, die op het juiste moment de wenkbrauwen fronst en het op zo’n moment niet nalaat haar vinger op te steken om een sociaaldemocratische koers veilig te stellen. Zij doet dat volstrekt autonoom, of dat nu gewaardeerd wordt of niet, en is daarin koersvast. Het is dan ook mede door haar dat dit verkiezingsprogramma vooral ook een herwaardering van onze sociaaldemocratische uitgangspunten is geworden. Het programma is daarom een niet mis te verstane breuk geworden met de politieke inzet van de PvdA in de afgelopen jaren. Het zal voor de nieuwe voorzitter niet gemakkelijk worden. Maar als er een kans is om weer als volkspartij geloofwaardig te worden dan is voor mij Nelleke Vedelaar daarvoor de beste persoon. Een voorzitter bovendien, die voor iedereen ook herkenbaar zal zijn aan haar gulle lach en fantastische zangstem.

REKENEN AAN DE STAD van Jan Brouwer is aanrader voor bouwgroepen!

‘Verschillende partijen hebben verschillende redenen’

Investeren in de stad kan over veel gaan. De schrijver Jan Brouwer begint zijn boek ‘Rekenen aan de stad’ met een feitelijke constatering die niet zonder lading is.

‘Kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid, energiezuinigheid of financieel rendement….verschillende partijen hebben verschillende redenen om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’.

Dat het in de woningbouw om groot geld, en dus om uitzonderlijk grote belangen gaat, laat Jan Brouwer zien wanneer hij becijfert en beschrijft hoezeer ons gewone wonen ook een dans om miljarden euro’s is. Hoe al dat geld precies besteed wordt en waar het terecht komt is minder inzichtelijk dan het – met alle kostendeskundigen in het veld – ogenschijnlijk lijkt. Deze ontoegankelijkheid aan informatie roept vragen op, wat de verhouding kosten-kwaliteit nu eigenlijk is. Vooral ook omdat in het boek ‘rekenen aan de stad’ wordt aangetoond, dat wij – door de tijd heen – met elkaar steeds meer geld investeren in onze woningbouw, maar dat er tegelijkertijd sprake is van een kwantitatief afnemende woningbouwproductie. Wat voor waar krijgen wij eigenlijk voor ons geld?

Investeringen versus productie

Deze vraag wordt juist daarom relevanter, omdat er ‘in de dans om de miljarden’ die nu eenmaal vooraf gaat aan het realiseren van onze woningen, er geen sprake is van gelijke posities tussen de ‘verschillende partijen’. En in het bijzonder betreft dat alles wat te maken heeft met de loop van de geldstromen in de bouwnijverheid. In de woorden van Jan Brouwer:

‘zowel de ontwerpers als de gebruikers van gebouwen en infrastructuur werden vaak buiten de financiële afrekening gehouden’

Het is deze ongelijkheid in posities, die Jan Brouwer ertoe heeft gebracht om zijn boek Rekenen aan de stad te schrijven. En ja, omdat de institutionele wereld van de uitgeverij – waaronder helaas ook nai010 – zich kenmerkt door het mijden van risico’s, heeft hij zijn boek in eigen beheer uitgegeven. In zijn opvatting hebben ‘ontwerpers en gebruikers’ recht op inzicht in de rekensommen achter het product dat zij maken, dan wel gaan bewonen. Het lezen van het boek laat opnieuw zien dat het bouwen vooral ook een activiteit is waarin sprake is van een omvangrijke verdiencapaciteit voor een veelvoud van professionals op een veelvoud van manieren. Het is telkens weer ‘the same old story’ waarbij het vooral schrijnend is, dat ontwerpers en gebruikers geen gelijkwaardige rol hebben in de totstandkoming van hun eigen producten.

Mijn eerste kennismaking met dit thema komt uit de tijd dat ik hoofdredacteur was van de wijkkrant ‘de Schilderswijker’. Het was in 1974, nog steeds de tijd van de grote woningnood en de sterk verpauperde oude wijken in onze steden. Voor ons was de vernieuwing van de Schilderswijk en het verkrijgen van ‘betaalbare huren’ een levensvoorwaarde. In de strijd voor een leefbare wijk richtten wij ons vooral op de lokale politiek. Dat het veel complexer was, werd mij duidelijk toen ik van het Landelijk Werkverband Huisvestingsnood een boekje kreeg dat de titel had:

De bouwbazen : de machtsstrijd rond het structuuronderzoek bouwnijverheid : bouw doel of middel? Redaktie Paul Bulterman (1974)

Dit was een zeer gedetailleerde verslaglegging van een onderzoek naar een machtsstrijd tussen – om Jan Brouwer te citeren – ‘verschillende partijen’ dieverschillende redenen hebben om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’. In deze tijd was er – ook – een toenemende onvrede over wie nu eigenlijk het bouwbeleid in ons land bepaalde en vooral op basis waarvan dit gebeurde. De critici waren van mening dat er, door de ‘overheersende beïnvloeding van bepaalde belangengroepen’ eigenlijk geen echt inzicht bestond in de ‘behoeften en wensen van de bewoners (gebruikers)’. Een gevolg hiervan was, dat de bouwproductie geen directe relatie had met de vraag hoe wij met elkaar willen wonen.  Het was

het Tweede Kamerlid Erwin Nypels van D66 die hierin verandering wilde aanbrengen. Een voorwaarde voor meer openheid zou kunnen worden bewerkstelligd, doordat ‘voldoende gecoördineerd, onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek wordt verricht ten aanzien van de vele factoren die van betekenis zijn voor de bouw’. De motie die hij in 1970 hiervoor indiende werd gesteund door de fracties van D’66, PvdA, PSP, Boerenpartij, DS’70. Rechts, die de meerderheid had, verwierp de motie. Blijkbaar kwam de boodschap wel over, omdat in 1971 de regering in de regeringsverklaring officieel melding maakte, dat er ‘een onderzoek naar de structuur van de bouwnijverheid’ zou worden ingesteld. Voor de werkgeversorganisaties in de bouw was dit aanleiding om het initiatief voor het onderzoek naar zich toe te halen. De werknemersorganisaties besluiten mee te doen aan dit onderzoek onder de voorwaarde dat het onderzoek wordt opgedragen aan het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (E.I.B.). Het is een begin van een machtsstrijd over hoe het onderzoek zijn vorm zou moeten krijgen. Het is duidelijk dat de werkgevers in de bouw niet wezenlijk geïnteresseerd zijn in de rol van de ontwerpers dan wel de gebruikers. Voor hen staat centraal de vraagstelling ‘de middelen, die ertoe kunnen leiden dat de stijging van de productiviteit in de bouwnijverheid meer in overeenstemming wordt gebracht met de gemiddelde stijging in de overige industrie en dat zo mogelijk de achterstand wordt ingehaald’. Tot een werkelijk

onafhankelijk onderzoek komt het niet hetgeen aanleiding is voor de directeur van het E.I.B. professor. dr. ing. A. Hendriks om ontslag te nemen. Het was duidelijk dat dit deel van de ‘verschillende partijen’ hun eigen belang niet willen laten verstoren door wat het Landelijk Werkverband Huisvestingsnood als ‘het algemeen belang’ (de behoefte en wensen van bewoners(gebruikers)’ benoemde.

Ik was in die tijd ‘redelijk’ naïef. Woningbouwbeleid en stadsvernieuwing waren voor mij vooral verbonden met ideële doelstellingen. Er was een immense woningnood, de oude wijken waren, wij kunnen het ons nu niet meer voorstellen, verpauperd. Dit raakte miljoenen mensen. Daar wat aan doen, was de kern van de zaak. En wat zou het dan niet mooier zijn dan gezamenlijk, en dus juist ook met de gebruikers, te werken aan de vernieuwing van de stad. Ik spiegelde mij aan de mooie nationale en internationale voorbeelden, waarbij het idealisme bepalend is geweest voor de kwaliteit. Wij herkennen ze nog in de Amsterdamse School, de Siedlungen in Frankfurt en Berlijn. De verbinding met kunststromingen als de De Stijl en de Nieuwe Zakelijkheid spraken mij daarin aan. Het zijn ook deze voorbeelden geweest, die mij in 1984 inspireerden om in Den Haag met ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Activiteit’ een einde te maken aan de dominantie van de bouwwereld op de architectuur  van de stadsvernieuwing van de woningen en de stedenbouwkundige vormgeving van de oude wijken. Kort samengevat verbaasde ik mij in die tijd over het feit dat de intrinsieke architectonische kwaliteiten van de woningen in de oude wijken die wij sloopten vervangen werden door, in architectonisch opzicht, bloedeloze nieuwbouw in een vooral door productie gedreven aanpak van de stadsvernieuwing.

De publicatie ‘De bouwbazen’ was voor mij de eerste keer dat ik zo duidelijk in beeld kreeg, dat voor ‘verschillende partijen’ het ‘bouwen en het eigen belang’ in hiërarchische zin met elkaar verbonden zijn. Dat ‘winstmaximalisatie’ boven ‘woonmaximalisatie’ gaat. Dat burgers gezien werden als een ‘woonconsument’ in plaats van een ‘woonproducent’.

Hoezeer de bouw verweven is met tal van belangen wordt in het boek ‘Rekenen aan de stad’ geïllustreerd met een verwijzing naar de vele schandalen die de bouw structureel lijken te beheersen. Jan Brouwer noemt ze bijna emotieloos op: parlementaire onderzoeken (HLS/Betuweroute), parlementaire enquêtes (bouwsubsidies, bouwfraude, woningcorporaties), de Klimopzaak van het Bouwfonds. ‘Het lijkt wel of in de jaren ‘80 en ’90 de vastgoedsector is overspoeld met graaiers, dieven en flessentrekkers’. Nog altijd kan ik mij verbazen over het feit, dat een aantal van mijn generatiegenoten – zoals Sartre het uitdrukte: ‘Tussen de Raderen’ zijn geraakt.

Eens idealisten, die streden voor ‘betaalbare huren’ verworden ze tot zonnekoningen en beloonden zij zichzelf met extreme salarissen. Waar eens de idealen domineerden heerst nu de uitgangspunten van de markt, waarbij de doelgroep – die niet kan ontsnappen – de woonconsument heet te zijn.

 Verfijnder is de constatering van Jan Brouwer, dat ‘de gelegenheid de dief maakt’, waarmee de schrijver duidt op het gevoerde rijksbeleid dat ertoe bijdroeg dat het aantal spelers in de bouw sterk verminderd werd. ‘Kapitaalkrachtige spelers waren zodoende in staat een positie te verwerven in de gebieden die ontwikkeld gingen worden.’ Een omstandigheid die maakte, dat in de VINEX er in feite sprake was van een machtspositie van marktpartijen, die in staat waren grip te krijgen op het totale bouwvolume en daarmee, op de verdiencapaciteit. Wij leven nu in 2017 en Jan Brouwer constateert materieel in zijn boek ‘Rekenen aan de stad’ dat de veel gepredikte, intrinsieke doelen zoals ‘kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid en energiezuinigheid,’ maar al te vaak overvleugeld worden door het beoogde ‘financieel rendement’ van degenen die wel betrokken zijn bij de bouw, maar niet ‘primair ontwerper of gebruikers zijn.

‘Een kleine en besloten sector waarin heel veel geld omgaat, bevordert allerlei onderlinge afspraken en zorgt ervoor dat nieuwkomers buiten de deur worden gehouden’ – ‘minder spelers en een kleiner speelveld’.

De wereld is aan het veranderen: ‘wij weten zeker dat deze niet hetzelfde zal zijn’. Jan Brouwer noemt een groot aantal trends, die zullen maken dat de huidige structuur van de bouwnijverheid hopeloos verouderd zal blijken te zijn. Niet ingesteld op de nieuwe tijd die gaat komen. Een tijd waarin ‘mensen meer dan ooit in staat zijn om zelf te bepalen hoe men wil wonen en werken’, ‘ruwweg kan met zeggen dat het nieuwe proces veel meer bottom-up zal zijn en veel minder top-down’. Voor Jan Brouwer opent dat de vraag: hoe grote investeringen dan tot stand zullen komen?

De toekomst zal anders zijn: ‘de lening wordt niet meer bij de bank afgesloten, maar bij de familie, het beheer wordt niet meer door de verhuurder gevoerd, maar door de medebewoners. Het initiatief wordt niet genomen door een ontwikkelaar, maar door een groep enthousiaste bewoners. De bouw is voor een deel in handen van de gebruikers zelf’. Feit is dat er veel veranderingen zijn die duiden op de ontwikkelingsrichting die Jan Brouwer beschrijft. Een wijk als Roombeek in Enschede, waar burgers hun eigen huis konden bouwen staat niet meer op zichzelf. Enkel al in Almere zijn er sinds 2006 honderden huishoudens die hun eigen huis hebben gebouwd. Het Homeruskwartier in Almere Poort is de moeite van een bezoek waard. De diversiteit in bevolkingssamenstelling en architectuur is spectaculair in vergelijking met de monocultuur die wij op de meeste VINEX-locaties tegenkomen. Een nog onbekend fenomeen is Almere Oosterwold. Dit gebied beslaat 4400 ha en de gemeente staat een organische ontwikkeling voor. Dat wil zeggen, dat de burgers met initiatieven kunnen komen waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de totale ontwikkeling van hun kavel, inclusief de infrastructuur, de aanleg van een riolering en de energievoorziening. Geheel nieuwe woonvormen krijgen hier een kans om zich te ontwikkelen. Inmiddels zijn er al meer dan 200 burgerinitiatieven. Sinds 2015 is, naast de woningcorporatie, ook de wooncoöporatie in de Woningwet opgenomen. Hierdoor ontstaat de kans voor burgers om gezamenlijk eigenaar te worden van hun huidige huurwoningen, dan wel initiatieven te ontplooien voor een eigen nieuwbouwproject. Steeds meer gemeenten stellen zich open voor een bouwbeleid, waarin haar eigen burgers meer kansen krijgen. Maar ook nu weer is er op achtergrond een machtsstrijd gaande. Er zijn nog steeds ‘verschillende partijen’ (projectontwikkelaars, aannemers en woningcorporaties) die ‘verschillende redenen hebben om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’. Anders gezegd, het eigen belang, oftewel het institutionele belang, zal opnieuw een dominante rol gaan spelen in de wijze waarop het bouwen in ons land zijn vorm krijgt. Voor Jan brouwer dan ook de reden om de vraag te stellen:

‘Hoe kunnen ontwerpers en gebruikers zelf rekenen of meerekenen met andere partijen, zodat hun belangen een rol spelen in de totstandkoming van gebouwen?’

Jan Brouwer gelooft heel sterk in ‘kennis maakt macht’ en het is dan ook een oprechte poging om de cirkel te doorbreken, waarin ontwerpers en burgers feitelijk dom worden gehouden. De titel ‘Rekenen aan de stad’ is dan ook eigenlijk een eufemisme voor op je hoede zijn als ontwerper en gebruiker. Maar al te vaak ben je slechts een middel en niet het werkelijke doel. Dus is de echte boodschap van het boek : wapen u, wapen u met kennis en kunde. Weet waarover uw spreekt en wat u wilt bereiken. Met meer kennis en kunde kan een betere stad worden gemaakt, komen ontwerpers meer tot hun recht en daarmee dus ook de architectuur van de stad en krijgen de gebruikers waar ze recht op hebben: een woning die echt aansluit bij hun werkelijke wensen en behoefte.

Het boek Rekenen aan de stad geeft dan ook inzicht in de verschillende rollen (De overheid, Markten, de stad). Ook maakt het inzichtelijk hoe de voorbereiding van ruimtelijke investeringen (en de feitelijke planvorming) betekenis krijgen. Jan Brouwer’s boek sluit af met een aantal burgerinitiatieven die laten zien dat anders bouwen tot voorbeeldige resultaten heeft geleid. ‘De burger als opdrachtgever’ en het adagium ‘mensen maken de stad’, zijn in ons land zeker nog geen vanzelfsprekendheid. Maar met een publicatie als Rekenen aan de stad kan de aandacht verschoven worden naar het echte belang voor de gebruiker, namelijk: ‘kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid en energiezuinigheid’. Het boek beveel ik van harte ter lezing aan.

Het boek Rekenen aan de stad is verkrijgbaar bij:

Uitgeverij JB Cultuur

info@jan.brouwer.eu

ISBN 978-90-827227-0-3,

Bovenstaande  tekst is een extract van een lezing welke ik hield op 6 september bij een bijeenkomst van TOP-Delft waar ik van Jan Brouwer het eerste exemplaar van zijn boek Rekenen aan de stad kreeg aangeboden

Copekcobana, Ymere en de (niet)kansen van een Wooncoöperatie i.o.

Steeds vaker komen huurders met de vraag om zelf hun eigen wooncoöperatie te mogen vormen. Dat de weg er naar toe nog niet vanzelfsprekend is laat het voorbeeld van de Pekbuurt in Amsterdam Noord zien. Dat Ymere niet mee wil werken is twijfelachtig maar dat zij daarvoor drogredeneringen hanteert is een woningcorporatie onwaardig. Ik schreef hierover een opinie voor het Parool. Deze opinie en een aantal andere artikelen vind u hierover. Voor verder achtergronden over de opkomst van wooncoöperaties zie mijn pagina De Wooncoöperatie

Copekcabana, de wooncoöperatie, dat zijn wij zelf

Ymere zet streep door wooncoöperatie in Noord

Parool – Opinie over Copekcabana en Ymere inzake Wooncoöperaties

Han Lammers, een genereus politicus die durfde te verliezen om te winnen

Op 5 juli 2000 overleed de politicus, oud-wethouder van Amsterdam en oud-Commissaris van de Koningin van Flevoland Han Lammers. Op 11 juli 2000, nu alweer 17 jaar geleden, vond de herdenking plaats in de Westerkerk. Ik was daarbij. Ik wilde, net als velen, op deze dag afscheid nemen van een voor mij bijzondere persoonlijkheid. Een persoon die, of je het wilde of niet, je niet onaangeraakt kon laten. Met Han Lammers ben ik opgegroeid in de politiek en zijn invloed is nog steeds aanwezig. Als bewijs van mijn waardering, maar zeker ook bewondering voor hem, heb ik naar aanleiding van het lezen van het boek ‘Han Lammers (1931-2000), Amsterdammer in de Polder’ van de historicus Herman de Liagre Böhl, enkele van mijn herinneringen aan hem opgeschreven. 

Han Lammers (1931-2000), Amsterdammer in de polder

Het lezen van een boek brengt je soms weer terug in de tijd. Dat overkwam mij toen ik, het al weer ruim twee jaar geleden door de schrijver Herman de Liagre Böhl toegestuurde boek ‘Han Lammers (1931-2000), Amsterdammer in de Polder’ ter hand nam. Ik was lange tijd terughoudend om het boek te gaan lezen. Wilde ik mijn beeld over Han Lammers wel openstellen voor de perceptie van de schrijver van zijn biografie? Han Lammers is namelijk voor mij niet zomaar een abstracte figuur uit de Nederlandse politieke geschiedenis, juist hij was een van de belangrijkste mensen in mijn eigen politieke ‘zijn’. Vorige week, toevallig de week waarin Han Lammers op 5 juli in het jaar 2000 overleed, nam ik het boek dan toch eindelijk ter hand. Vanaf dat moment heeft de schrijver mij mee terug genomen naar – wat inderdaad bleek – een niet vrijblijvende kijk in het volle persoonlijke en politieke leven van Han Lammers.

Han Lammers, als actievoerder in de Schilderswijk begin jaren zeventig was het onmogelijk om niet bekend te zijn met deze Amsterdamse wethouder, die een conflict met de oude wijken niet schuwde. Hij werd algemeen als kwade genius gezien van het van bovenaf opgelegde sloopplan voor een deel van de Nieuwmarktbuurt ten behoeve van de aanleg van een Metro. Het was ook de tijd dat bewoners van de oude wijken in Den Haag ronduit vijandig stonden tegenover het bestuur van haar eigen stad. Ook in mijn stad werden de oude wijken bedreigd met sloopvoornemens. In dit gepolariseerde klimaat was ik in februari 1975 voor de PvdA lid geworden van de Haagse gemeenteraad. Een stap die door veel van de wijkbewoners van de oude wijken met groot wantrouwen werd bekeken. Voor mij diende zich al heel snel een keuzemoment aan. Op 21 april zou de Haagse gemeenteraad, op uitnodiging van het College van Burgemeester en Wethouders, een collegiaal bezoek brengen aan onze hoofdstad. Ook ik werd geacht daaraan deel te nemen. Maar dat schuurde omdat juist in die week het verzet in de Nieuwmarktbuurt was ontaard in een heuse stadsoorlog. Ik vond het onbestaanbaar dat de Haagse Gemeenteraad zich liet fêteren en, alsof er niets aan de hand was, onschuldig met een rondvaartboot door de stad zou laten varen. In een openbare brief distantieerde ik mij dan ook van dit collegiale bezoek. Nee, met mijn aanwezigheid wilde ik de manier van besturen van Han Lammers en de zijne niet legitimeren. Hoewel mijn daad geen invloed van betekenis heeft gehad, had ik een goed gevoel bij mijn keuze. Hier ging het om een klassiek drama, waarin de stadsideologen van het ‘grootschalige’ lijnrecht tegenover de ‘kleinschalige’ stonden. En ik koos uiteraard de zijde van de laatste. Later zou ik ook de trilogie van ‘bloed, zweet en tranen’ van de oud-wethouder van de Kabouters, Roel van Duijn, met een bijna onverholen bewondering lezen. Hij blikt daarin kleurrijk terug op de stroeve samenwerking in het College en hoe hij en Han Lammers uiteindelijk het Dagelijks Bestuur van Amsterdam moesten verlaten. Het was een onvermijdelijke, maar ook dramatische afsluiting van een heftige bestuursperiode.

Fascinerend is het, terugkijkend op het conflict, dat uiteindelijk zowel de metro van Han Lammers, alsook het herstel van de Nieuwmarkt tot stand zijn gekomen. Hoe kan het, vraag je jezelf nu af, dat een topbestuurder als Han Lammers het in die tijd niet kon opbrengen om beider belangen in één plan samen te brengen? Herman de Liagre Böhl slaagt er overtuigend in, hoewel zijn persoonlijk oordeel en waardering over de bestuursstijl van Han Lammers tussen de regels door te lezen is, om een redelijk objectieve verklaring te vinden waarom een overtuigd democraat als Han Lammers tegelijkertijd ook zo’n autoritair bestuurder kon zijn. In de ogen van Nieuw Links, Han Lammers was medeoprichter van deze vernieuwingsbeweging in de PvdA en medeopsteller van het radicale manifest 10 over Rood, ‘diende de maatschappij radicaal gedemocratiseerd te worden, zodat belangrijke beslissingen voortaan aan de basis zouden worden genomen en niet door een elite van bureaucraten en managers’. Maar in de praktijk van Han Lammers vertaalde dit zich vooral in een krachtige positie voor het gekozen lokale bestuur en de positie daarin van de volksvertegenwoordiger: ‘De beslissingen omtrent de toekomstige ontwikkeling van de stad liggen bij het gekozen bestuur, dat daarvoor een verantwoordelijkheid draagt, die het met niemand kan delen. Met deze constatering is ook de grens van de inspraak exact aangegeven’. Wie beslist, daar lag voor Han Lammers de waterscheiding tussen de gekozen volksvertegenwoordiger en de zelfbenoemde leden van actiegroepen in wijken en buurten. Een rol voor krakers was daarin al helemaal niet weggelegd. ‘Van onderop’ betekende voor hem niet dat de plicht van de gemeenteraad zou komen te vervallen om vanuit een groter belang dan dat van de wijk te komen tot afwegingen, integendeel. En zo was het ook bij zijn afweging van de aanleg van een metro door de Nieuwmarktbuurt. In zijn perceptie was het niet de Nieuwmarkt die als buurt zou moeten verdwijnen, maar ging het primair om het bovenwijks belang, de aanleg van een metro voor de gehele stad. Dat rechtvaardigde voor hem de pijnlijke ingreep in dit deel van de bestaande stad. Han Lammers zou daarmee zichzelf midden in het centrum plaatsen van een van de grootste stadsconflicten die ons land heeft gekend. Maar juist dat grotere belang rechtvaardigde voor hem juist ook een standvastig stadsbestuur.

Maar was Han Lammers nu echt de vertegenwoordiger van ‘de functionele stad’, waarin de bestaande stad had afgedaan en de functies van wonen, werken en recreatie van elkaar werden gescheiden? Herman de Liagre Böhl laat tussen de regels door zien dat misschien wel het tegendeel waar is. In zijn boek zien wij dat de bestuurder Han Lammers feitelijk deel uit maakte van een overgangsperiode waarin het denken dat toen nog gedomineerd werd door grootschalige herstructureringen in de stad, geconfronteerd wordt met een steeds mondiger wordende bevolking die samen met het eigen stadsbestuur wilde gaan werken aan het herstel van de organisch gegroeide stad. Han Lammers vertegenwoordigde als bestuurder beide werelden.

Affiche Aktie-Jordaad (‘De Jordaan in puin? De afbraak is in ’t rood gekleurd!’) (Schetsplan 1970)

Zo was hij het die radicaal afscheid nam van veel van de megalomane sloopplannen van de dienst Publieke Werken die, nog onder de medeverantwoordelijkheid van Joop den Uyl, de latere minister-president van het enige progressieve kabinet dat ons land heeft gekend, tot stand waren gekomen. Het was Han Lammers die op 18 mei 1971 voor een radicale ommekeer in beleid zorgdroeg met zijn ‘Nota Voorbereiding bestemmingsplan Jordaan’. In plaats van de voorgenomen grootschalige sloop van het ‘Schetsplan 1970’ werd nu het officiële uitgangspunt van het Amsterdamse gemeentebestuur dat ‘de wijk zou worden hervormd zonder zijn karakter te verliezen. De straten zouden niet verbreed worden en verkeersdoorbraken zouden achterwege blijven. Nieuwbouw zou worden aangepast aan de fijnmazigheid van de buurt’. Wie Amsterdam kent, en vooral deze wijken rond de grachtengordel, weet dat de bestuurder Han Lammers daarmee de stad heeft behoed voor een desastreuze vernietiging van een groot deel van haar rijke stadsgeschiedenis. Waar echter het belang van de stad als geheel, het belang van de wijk oversteeg, koos Han Lammers radicaal voor de stad en miste op dat moment het vermogen om tot een synthese van verschillende belangen te komen die aan beide doelstellingen recht zouden doen. Maar het boek van Herman de Liagre Böhl mag en kan daarom wel degelijk als een herwaardering worden gelezen van een van de meest markante en omstreden bestuurders die Amsterdam heeft gekend. Hij legde op veel meer plekken, dan ‘zijn’ beeldmerk van de autoritaire en regenteske stadsbestuurder, de basis voor een echt stedelijk herstel. Zijn opvolgers, waaronder Jan Schaefer, konden misschien wel juist door de eerdere radicale besluiten van Han Lammers later tot grote resultaten komen bij de uiteindelijke revitalisering van onze hoofdstad.

Dat Han Lammers, een authentieke en linkse sociaaldemocraat in hart en nieren was, bewees hij na zijn Amsterdamse tijd op het nieuwe land, de Flevopolder. Hier kon hij met volle overgave strijden voor een volwaardige plek voor een geheel nieuwe samenleving in ons land. In alle rollen heeft hij met zijn persoonlijkheid, behendigheid en bestuurskracht de Flevopolder een eigen identiteit gegeven. Waar hij in Amsterdam de confrontatie niet uit de weg ging, zocht hij hier echter juist het harmoniemodel. Het werd een zoektocht naar de zachte krachten om met elkaar te komen tot een prestatie van formaat. Confrontaties werden bewaard voor de strijd die er met Den Haag te slechten was en waar de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) meende het bestuurlijk primaat te hebben over de polder. De nog steeds bestaande autonomie van de provincie Flevoland, de krachtige ontwikkeling van de verschillende gemeenten, waaronder Almere, de vijfde stad van Nederland, zijn op het bestuurlijk conto van Han Lammers te schrijven. Maar hij ging verder dan slechts bestuurlijke structuren. Flevoland zou ruimte moeten bieden aan een moderne samenleving. Hij bekritiseerde de opvattingen van de stedenbouwers van het RIJP. Almere Haven vond hij ‘benauwd en kneuterig’. De planologen van het RIJP keken zijns inziens te veel naar het eindbeeld: ‘kijk, zo heeft opa het allemaal bedacht’ en toonde hij zich ‘een voorstander van flexibele planologie’, in zijn woorden ‘je moet de moed hebben hele stukken oningevuld te laten’. Open en groene ruimte daar ging het Han Lammers om, zowel in een stad als Almere als ook in de polder met haar Oostvaardersplassen. Net als Han Lammers kwam ook ik in de polder terecht, als wethouder Duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Almere kreeg de verantwoordelijkheid voor de doorontwikkeling van de stad. Almere is in haar stadsconcept atypisch in vergelijking wat in ons gangbaar is. Deze meerkernenstad beschikt over een gelijk oppervlak als de gehele stad Amsterdam. In mijn eerste twee jaar heb ik mij daarom vooral ingespannen om te doorgronden wat nu eigenlijk de unieke kwaliteit is van het ruimtelijk plan van de stad Almere. Voor mij werd steeds duidelijker dat het desastreus zou zijn wanneer het werk van Han Lammers, Dirk Frieling en Teun Koolhaas door het bij de ruimtelijke ordenaars in ons land allesoverheersende dogma van de ‘compacte stad’ ongedaan zou worden gemaakt.

Structuurvisie Almere 2.0 – 26 juni 2009

Wat graag had ik hem op 26 juni 2009 bij de presentatie van onze Structuurvisie Almere 2.0 persoonlijk willen vertellen hoezeer ons plan zijn werk en inzichten beoogden te continueren. Want juist, de ruimte, het groen en het blauw zijn de kwaliteiten van het polderlandschap, van haar gemeenten en de stad Almere in het bijzonder. De stedenbouwkundige van Almere Teun Koolhaas sprak over Almere dan ook niet voor niets over ‘een landgoed voor de middenklasse’. Ik zou bijna zeggen alleen wanneer deze kwaliteiten gekoesterd worden zal de polder en de stad Almere op termijn haar toekomstwaarde kunnen gaan verzilveren. Voor de bewoners van de polder en Almere is die kwaliteit allang een vaststaand feit. Het overwinnen van de vooroordelen over polder en stad zal echter nog veel tijd vragen. Maar het zou van waarde zijn, wanneer meer algemeen, men zich in politiek Den Haag zou realiseren dat de polder en haar steden juist door haar uniciteit gaat om een te behouden waardevol landschappelijk erfgoed. Wat juist niet uit restauratieve overwegingen zou moeten worden beschermd, maar omdat het de doorontwikkeling naar een – nog – rijkere toekomst in zich herbergt. Een veelvoud van voorbeelden van de rijkdom in de polder kan dit illustreren dat is nog maar slechts een begin van wat er nog staat en kan gebeuren. De Floriade in 2022 in Almere is slechts een van die voorbeelden die de polder en de stad naar een hoger plan zal tillen.

De politieke carrière van Han Lammers begon radicaal met de oprichting van Nieuw Links binnen de PvdA. Met zijn Amsterdamse bestuursperiode, dat wil zeggen dat wat zijn imago is geworden, zou je denken hier slechts te maken te hebben met een autoritaire en regenteske bestuurder. Maar in de kern is dat niet juist. Han Lammers was, als het erop aankwam, vooral een vertegenwoordiger van de stroming binnen de PvdA die sociaaldemocratische politiek als deel van een strijdbeweging ziet. Langs de wegen van de parlementaire democratie werden immers de veranderingen bevochten en dat doe je vooral met medestanders. Een goede illustratie van dit politieke basisgevoel laat Han Lammers zien in het interview dat hij in 1993 gaf aan het televisieprogramma Capitool. Hij werd daarin door de journalist Fred Verbakel geïnterviewd over de dreiging van een mogelijke opdeling van ‘zijn’ Flevopolder. In de goed bewaard gebleven opname op You Tube zien wij een Commissaris van de Koningin die zijn polder verdedigd, daarin het spel van de politiek door en door kent en weet hoe hij daarin voor Flevoland een rol moet spelen. In het interview weet Lammers de interviewer telkens weer beleeft en vriendelijk glimlachend te corrigeren naar de onderwerpen die zijns inziens ertoe doen. Moeiteloos stapt hij daarbij over van de polder naar de grote politiek. Het is aan de vooravond van de mogelijke komst van een Paars kabinet. Een mogelijke samenwerking tussen PvdA en VVD wees hij resoluut van de hand: ‘Kijk u naar die program, hoe moet nou op het sociale vlak. Stel nou dat je wordt belast met het aan elkaar schrijven van die programma’s op het punt van sociale zekerheid. Nou, dat lukt niet. Dat wordt uiterst gekunsteld’. Voor Han Lammers is de politiek dan ook meer dan besturen alleen, het is ook het platform voor een politieke strijd: ‘Het gaat er om, ook voor beide partijen met wie kan ik het beste een aantal heel belangrijke punten uit mijn programma verwezenlijken. Dat is waar toe je verplicht bent tegenover je kiezer. Je bent tegenover de kiezer verplicht om die partner te zoeken waarmee je op grond van de ontstane krachtsverhoudingen het beste je doelstellingen kunt bereiken. Dat is je plicht’. Zijn voorspelling dat zo’n samenwerking na twee jaar zou klappen is niet uitgekomen maar dat de samenwerking door de kiezer als ‘gekunsteld’ zou worden ervaren is bewaarheid gebleken. Juist in de samenwerking met de VVD is het de PvdA, niet gelukt om haar eigen identiteit overeind te houden. Lessen uit Paars zijn er niet uitgetrokken want inmiddels heeft een vergelijkbare samenwerking van de PvdA met de VVD de PvdA als veranderingsbeweging gesloopt en gereduceerd tot de kleinste progressieve partij in ons parlement. Het is nauwelijks nog een vraag hoe Han Lammers zou aankijken tegen de generaties Bos-Samsom die met hun transactiedenken de PvdA tot slechts een bestuurderspartij hebben gereduceerd, in plaats van de veranderingsbeweging die naast strijd ook bereid is bestuursverantwoordelijkheid te nemen. Je hoort hem briesen.

Han Lammers heeft in mijn politieke bestaan meerdere malen een belangrijke, maar vooral ook een stimulerende en inspirerende rol gespeeld. Hij was echt een voorbeeld. Een keer zorgde hij ervoor dat ik echt stil en ontroert raakte. Het moment staat nu nog in mijn geheugen gegrift en voel ik nog de emotie erbij. Want net als Lammers was ook ik in een fors conflict geraakt over ‘un grand projet’ en dan ligt er al snel het verwijt dat het vooral zou gaan om het persoonlijk najagen van een megalomaan prestigeproject. Ook bij mij zou het conflict uiteindelijk leidden tot het einde van mijn Haagse wethouderschap. In Den Haag ging het om de bouw van een bibliotheek en stadhuis in de op dat moment volstrekt verpauperde Haagse binnenstad. Hier ging het niet om de sloop van woningen, Den Haag was al jaren kaalgeslagen door cityvorming van de eerdere plannenmakers en gemeentebestuurders, maar concentreerde de discussie zich op de mogelijke financiële risico’s. Voor én tegenstanders hebben lange tijd de opiniepagina’s van veel kranten mogen vullen over nut en noodzaak van het plan. Uiteindelijk is het er toch van gekomen en siert het witte stadhuis van Richard Meier de Haagse binnenstad. Daags na de aanvaarding van het besluit kreeg ik een gelukstelegram: ‘Gefeliciteerd met het stadhuis, Han Lammers’. Daar stond ik, de man die ik in 1975 niet wilde ontmoeten wegens zijn bestuurlijk optreden in de Nieuwmarkt, was nu de eerste die mij ten volle feliciteerde. Wat een klasse! Wat moet hij veel herkend hebben van wat hij zelf heeft meegemaakt. Hij kende, als geen ander, de eenzaamheid van de strijd die een bestuurder op zo’n moment ervaart. Het feit dat de Haagse gemeenteraad, tegen de stroom in, voor de stadhuisoperatie stemde deed ook hem, bijna met terugwerkende kracht, goed. Maar Han Lammers was meer voor mij. Hij steunde mijn werk voor de stadsvernieuwing en de volkshuisvesting ten volle. In mijn periode als lid van de Tweede Kamer belde hij mij regelmatig op. Hij was bezorgd over de volkshuisvesting. Het ging hem aan het hart dat onder Paars er ruimte kwam om te liberaliseren. Hij riep mij op om door te gaan met mijn verzet ertegen. Han Lammers is een kei in politiek en bestuurlijk Nederland geweest. En hoewel ik het nog steeds betreur dat Han Lammers in de Nieuwmarktbuurt niet zelf tot een bestuurlijke synthese is gekomen, is zijn doorzetten van de aanleg van de metro voor Amsterdam van grote waarde gebleken. Over het hoe kan je van mening verschillen maar een Amsterdam zonder metro, ook in de Nieuwmarkt, zou nu ondenkbaar zijn. Hij was daarin een groot visionair! Het is dan ook meer dan terecht dat er een mooi boek over Han Lammers is verschenen, en dit is zeker niet als kritiek op het boek bedoeld, maar Han Lammers mag wat mij betreft meer erkenning krijgen voor wat hij in zijn Amsterdamse bestuursperiode voor elkaar heeft gekregen.

Elandsgracht in Amsterdam, hartje Jordaan

Ik zou het meer dan passend vinden wanneer de Amsterdammers en haar bestuur hem deze waarde ook nadrukkelijker zouden toe kennen. Hij was het immers die in Amsterdam de stadsvernieuwing heeft ingeluid, te beginnen met het behoud van de Jordaan. Wat mij betreft zou een beeld van Han Lammers tussen de borstbeelden van de Johnny Jordaan en Tante Leen op de Elandsgracht dan ook geenszins misstaan.

Ik heb genoten van de biografie over Han Lammers. Toch is er na de lezing van het boek ook een schrijnend gemis. Dat is die andere kant van Han Lammers, zijn passie voor muziek, voor het orgelspel. Herman de Liagre Böhl beschrijft bijna lyrisch de kwaliteiten van Han Lammers op het orgel. Hij was daar op zijn best, een gepassioneerd vertolker van Bach, Mozart en Sweelicnk maar er was op het orgel ook ruimte voor de kwajongen die Han Lammers ook was. Zo maakte de journalist John Jansen van Galen een uitbundige Han Lammers mee achter het orgel in de basiliek van Remiremont: ‘Met verlaat het orgel nooit zonder een improvisatie: dat is stijl,’ en prompt donderde zijn variatie ‘langs de Amsterdamse grachten’ door de bisschopskerk. Hij heeft daarbij alle stemmen ingezet, zijn lange knokige handen klauwen krachtig in de toetsenborden, bij de laatste strofen zingt hij mee, ongearticuleerd keelklanken uitstotend’ (JJVG).

foto: collectie Museum Het Oude Raadhuis).

Het boek Han Lammers (1931-2000) laat zien wat een veelzijdig man ons, nu precies zeventien jaar geleden, is ontvallen. Maar soms zou je willen dat er van iemand meer zichtbaar, voelbaar en hoorbaar zou blijven voortbestaan dan wat hij fysiek voor de stad Amsterdam en de Flevopolder heeft gedaan. Op You Tube heb ik dan ook gekeken, of dat ook gold voor de improvisaties en voorstellingen die Han Lammers op de vele orgels moet hebben gespeeld. Ook in die zin zat de tijd hem tegen. Slechts een anekdote over de Zuiderkerk met Lammers op het orgel komen wij op You Tube tegen. Nu zou veel van wat hij muzikaal heeft gedaan bewaard zijn gebleven. Ik kan en wil mij ook niet voorstellen dat alles verloren is gegaan. Wat zou het een rijke herinnering aan hem zijn wanneer zijn orgelspel nog eens zou worden verzameld en zou worden uitgebracht? De volgende uitgave van het boek zou dan wat  mij betreft mogen worden aangevuld met een inleiding in de muzikale prestaties van deze bijzondere Amsterdammer.

Hoe het ook zij, het boek ‘Han Lammers, Amsterdammer in de Polder’ bracht mij weer terug bij Han Lammers maar liet mij ook weer even langs de lijnen van mijn eigen leven wandelen. En het was een aangename en leerzame wandeling. Vooral omdat het zo goed laat zien dat ook grote mensen kinderen van hun tijd zijn, dat zij meer zijn dan het etiket dat op ze is geplakt en je warm wordt van de passie waarmee deze grote Amsterdammer het leven heeft geleefd. Ja, in termen van Herman de Liagre Böhl, gedroeg hij zich daarbij misschien niet altijd even ‘fraai’, en hadden zijn vrienden ‘wel op wat meer vriendschappelijkheid en bestuurlijk medeleven van hem mogen rekenen’. Wie echter achter de coulissen keek zag, volgens zijn persoonlijke secretaresse Anneke Trieler, een ‘genereuze man: soms was hij wat norsig, maar ook dan wist hij zich koddig te gedragen zodat hij de mensen in zijn omgeving voor zich bleef innemen’. Ze heeft ongetwijfeld gelijk maar voor mij was Han Lammers, een genereus politicus die durfde te verliezen om te winnen. Nog iedere dag een een voorbeeld om te koesteren en waarvan er, wat mij betreft, wat meer in de tegenwoordige PvdA zouden mogen zijn.

Adri Duivesteijn, 11 juli 2017

Alle citaten, tenzij anders vermeld, komen uit het boek:

Han Lammers (1931-2000), Amsterdammer in de polder.

Herman de Liagre Böhl

Uitgever: Prometheus – Bert Bakker

ISBN 978 90 351 4312 8