Categorie archief: Blog

In Memoriam: Yap Hong Seng, een hartstochtelijk stedenbouwer

Op donderdagmiddag 2 augustus jl. overleed de stedenbouwkundige Yap Hong Seng, Ik kwam Hong Seng voor het eerst tegen gedurende de beginjaren van mijn wethouderschap in Den Haag. We hebben het dan over het begin jaren 80. Ik leerde hem kennen wegens zijn betrokkenheid bij de Vierde Nota voor de Ruimtelijke Ordening (VINO). Het was voor het eerst dat in het nationaal ruimtelijk beleid, onder leiding van de VVD minister Ed Nijpels,  de stad weer op de kaart werd gezet. Na een decennia lange  dominantie van het spreidingsmodel waardoor de steden van binnenuit werden uitgehold was er dan nu de rehabilitatie van de stad. Het was het onderwerp waarvoor ik, wonend in de Schilderswijk, al vanaf mijn jonge jaren actie voerde. Mijn wethouderschap voor de PvdA was hiervan een logisch vervolg, waarbij het actie voeren gewoon doorging maar dan nu in concrete bestuurlijke daden. De steun hiervoor vanuit de nieuwe VINO nota was meer dan welkom. En ik weet nog dat ik bij de presentatie van de VINO in de raadszaal van Almere mocht spreken (niet wetend dat ik er ooit nog eens wethouder zou gaan worden!). Yap Hong Seng was voor mij vrijwel direct een fascinerende persoonlijkheid. Hij had het vermogen om door het stellen van vragen zijn positie ten opzichte van de ander te bepalen. De ander werd uitgedaagd om zijn keuzen te onderbouwen en naar hem toe onder woorden te brengen. Het is deze manier van functioneren die mij vervolgens mijn hele werkzame leven, bij al onze ontmoetingen, dienstbaar is geweest in het scherpen van mijn opvattingen over de stad en het nationaal ruimtelijk beleid. Door onze gesprekken voelde ik een bondgenootschap in de strijd voor het herstel van de stad. De huidige generaties kunnen het zich, vrijwel zeker, niet meer voorstellen maar het was de tijd dat onze steden in verval waren. Aan het begin van de jaren tachtig waren de oude wijken in Den Haag letterlijk verpauperd en was de ontwikkeling van de Haagse binnenstad in het slop geraakt. Een ding wist ik zeker, er moest een eind komen aan de city-vorming die desastreus was voor de oude organisch gegroeide stad. De vraag was echter niet waar wij tegen waren, maar wat de weg naar het herstel was.

Yap Hong Seng is in de ware zin van het woord een steunpilaar geweest in mijn eigen professionele functioneren. Hij kon onder woorden brengen wat ik vaak vooral intuïtief zag. Dat was dan ook de reden waarom ik hem op cruciale momenten vroeg om met zijn inzichten bij te dragen aan de ontwikkeling van het beleid in Den Haag. Zo nam hij deel aan de werkgroep Brokx (oud-CDA staatsecretaris van Volkshuisvesting) die een visie moest ontwikkelen voor de Haagse Binnenstad. Hun rapport ‘Hart voor Den Haag’ werd de ‘ideologische’ basis van het herstel van de binnenstad. De visie die toen is geformuleerd is zelfs letterlijk tot uitvoering gekomen en overal zichtbaar in het Den Haag van vandaag.

Hong Seng was in 1986 ook lid van de Beoordelingscommissie Herweijer, die de stadhuisplannen aan het Spui voor Den Haag moest gaan beoordelen. Het voornemen tot verplaatsing van het stadhuis had veel tongen losgemaakt en had veel medestanders, maar vooral ook veel luidruchtige tegenstanders. Het beoordelingsrapport – nog altijd ten onrechte beschouwd als jury-rapport – bevatte een advies over wie het plan moest uitvoeren, een advies dat werd niet opgevolgd. Maar, veel belangrijker was het feit dat de Commissie Herweijer de gedachte om het stadhuis naar Het Spui te verplaatsen onderbouwde. Hong Seng was daarin de drijvende kracht. Wat intuïtief was begonnen moest nu, vond hij, professioneel worden onderbouwd en gelegitimeerd. Met deze actie verbond hij het idee van het stadhuis met het gedachtengoed van de Vierde nota en de Vinex. Hiermee kreeg het stadhuis aan het Spui zijn inhoudelijk fundament binnen het nationaal beleid voor de stad. In de woorden van Hong Seng: ‘niet de keuze voor een bepaald plan maar de realisering van het idee is doorslaggevend voor het herstel van de Haagse Binnenstad’. De waarde van juist deze ondersteuning was enorm in een stad waarover de toekomst van de binnenstad al decennialang een richtingen-strijd gaande was, binnen zowel het vakgebied van de stedenbouw (Dienst Stadsontwikkeling) als de Haagse gemeenteraad. De stroming die Hong Seng vertegenwoordigde heeft daarin gelukkig glorieus gezegevierd. Voor wie de echte impact wil doorgronden raad ik aan om een oude foto van de binnenstad van Den Haag te leggen naast die van vandaag. Lees dan vervolgens de twee hierboven aangehaalde documenten en zie wat ervan is gerealiseerd. Hong Seng refereerde in 2015, bij zijn afscheid als directeur van het Bureau PAU, terecht met trots aan zijn Haagse daden.

Hong Seng is, ook na mijn Haagse periode, altijd een terugkerend klankbord geweest. Als bestuurslid van het Nederlands Architectuur instituut steunde hij mij niet alleen als directeur, maar hij dwong mij ook iedere keer weer om inhoudelijk te onderbouwen waarom ik een bepaalde richting op wilde gaan. In mijn tijd als lid van de Tweede Kamer was ik voorzitter van de parlementaire commissie die de VINEX ging evalueren. Een van de deelstudies was in handen van het Bureau PAU te Groningen. Doel was inzicht te krijgen hoe de besluitvorming over de nooit afnemende groei van Schiphol was ingebed in het Nationaal Ruimtelijk Beleid. Zij die vandaag kanttekeningen plaatsen bij de ontwikkeling van Schiphol raad ik aan om het rapport van Yap Hong Seng er nog eens op na te slaan.

Het is bijzonder hoe sommige mensen op een niet dominante manier een nadrukkelijke invloed in je leven kunnen hebben. Hong Seng was er bij mij zo een die op alle momenten van mijn professionele leven aanwezig is geweest. Wij kwamen elkaar telkens weer tegen dan wel zochten wij elkaar op. Het was een relatie waarin het altijd ging over de toekomst van de stad, over het vak en hoe dit daaraan dienstbaar kon zijn. Nooit ging er tijd verloren, met Hong Seng was alles productieve energie. Helaas kreeg ons contact de laatste jaren ook een meer persoonlijk karakter. Beiden werden wij geconfronteerd met een ingrijpende lichamelijke ziekte. Wij deelde de ervaringen van het wegvallen van de oneindigheid van het leven. Maar evenzeer over onze afhankelijkheid van goede medische zorg die nu uit de handen van een andere geheel professie zou moeten komen. En eerlijk gezegd, werd juist ons contact een steun. Gewoon omdat het gesprek niet belast was met de angst voor het ziek zijn, maar met de vraag hoe hiermee om te gaan in het dagelijks leven. Een dagelijks leven waarin de toekomst van de stad in ons discours nog altijd onverminderd belangrijk bleef. Wij bleven elkaar inhoudelijk voeden en soms zelfs van ons eigen gelijk overtuigen.

De laatste keer dat ik dit deed, was toen ik Hong Seng begin juni uitnodigde om op 29 juni jl. een ‘werkbezoek’ af te leggen in de (anti-)stad Almere, waar ik van 2006 tot en met 2013 wethouder was. Ik had een groep bevriende vakgenoten uit de architectuur en de politiek uitgenodigd om met mij proefondervindelijk te gaan kijken naar wat er terecht gekomen was van het Almere Principe ‘Mensen maken de Stad’. Samen kijken naar het particulier opdrachtgeverschap in het Homeruskwartier, bij de Urban Greeners die op het Floriade-terrein werken aan een nieuw concept voor ‘Growing Green Cities’ en naar de nieuwe pioniers in Oosterwold waar in Almere-Oost en Zeewolde een voor Nederlandse begrippen uitzonderlijke vrijheid bestaat om letterlijk inhoud te geven aan het eigen wonen, werken en leven. Hong Seng, toen al zeer ziek, was er op mijn uitdrukkelijke uitnodiging bij. En hij wilde er ook zelf heel graag bij zijn. Het werd onze laatste ontmoeting. En opnieuw, ziek of niet ziek, ging het over (ik durf nu te zeggen) ons vak: het maken van de stad. In het verhaal van Henk Meijer (vml. directeur Structuurvisie Almere 2.0) miste hij de vroegere stedenbouwkundige prent die ooit door Teun Koolhaas, buiten de invloedssfeer van de Rijks Planologische Dienst, voor Almere was getekend: ‘toen is het fout gegaan!’ zei de man die verantwoordelijk was voor ‘de compacte stad’ gedachte in de Vierde Nota Ruimtelijke ordening. Om vervolgens te genieten van hoe in Almere de mensen, inmiddels van hun ‘slaapstad’ een echte – compacte maar nog altijd groene – stad maken.

Het is een gek idee dat wij elkaar niet meer zullen bellen, elkaar niet meer kunnen spreken. Ik zal Hong Seng, ook omdat het zo persoonlijk werd, pijnlijk gaan missen. Bondgenoten en lotgenoten, als het dan toch zo moet zijn, was het voor ons ook een mooie combinatie!

Ik wens vooral zijn dierbaren heel veel sterkte toe met het verlies. Weet dat binnen het vakgebied van de stedenbouw heel veel vakgenoten Hong Seng zullen gaan missen. En weet ook dat het herstel van onze steden mede door de invloed van het gedachtengoed van Hong Seng zo’n positieve vlucht heeft kunnen nemen.

Adri Duivesteijn, Venetië, 7 augustus 2018

De wooncoöperatie, al 100 jaar in de Haagse Papaverhof

Al meer dan 100 jaar is ons woningstelsel vooral van professionals en zijn de bewoners slechts huurders. Steeds meer tekent zich het verlangen af bij bewoners om zelf verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor de eigen woon- en leefomgeving. Dat gaat niet vanzelf. Daarom vindt er onder de titel ‘De Wooncoöperatie, die komt er wel!’ op 28 mei 2018 in de oude Tramremise van Den Haag het tweede congres plaats over de positie van de Wooncoöperatie binnen ons woonstelsel. De verwachting is, dat de minister van Wonen Kajsa Ollongren uiteen zal gaan zetten op welke wijze zij, de in het regeerakkoord opgenomen paragraaf inzake de bevordering van wooncoöperaties, inhoud zal gaan geven. Dat is een belangrijk moment, want dan zal ook duidelijk worden of ons woonstelsel in de toekomst ook echt van de bewoners zelf zal kunnen gaan worden. Hoe dat in de praktijk zou kunnen gaan werken, laat de Haagse Coöperatieve woningbouwvereniging Tuinstadwijk Daal en Berg zien. Een eclatant voorbeeld dat al 101 jaar (!) een groot succes is. Daarom hier een uiteenzetting van dit geweldige voorbeeld van zelfbestuur van bewoners in hun eigen wooncomplex.

Een van de meest poëtische woonplekken in Den Haag is de Papaverhof in de Bloemenbuurt. De Papaverhof is het centrum van een wooncomplex van zo’n 128 woningen dat in 1917 is ontworpen door de architect Jan Wils en is een vroeg voorbeeld van sociale woningbouw. Om het aantal woningen voor deze groep te optimaliseren is door de architect gekozen om, de in die tijd veel gebruikte, rug aan rug woningen toe te passen. De uitdrukking ‘rug aan rug’ alleen al, zal bij een aantal mensen de wenkbrauwen doen fronsen, omdat deze woningen, in tegenstelling tot de doorzonwoning, een éénzijdige oriëntatie hebben. Hier echter laat de kwaliteit van de architect Jan Wils zich gelden. Hij ontwikkelde een type rug aan rug woning die op ingenieuze wijze tweezijdig is en dus optimaal kan profiteren van het licht. Enkel al de gracieuze plattegronden, maken het de moeite waard om het wooncomplex met eigen ogen te gaan bekijken. Maar ook de Papaverhof zelf is een sieraad. De binnentuin is echt dé ontmoetingsplek voor alle bewoners, maar bovenal een aangename en feeërieke plek voor kinderen om onbezorgd te kunnen spelen. De architectuur van dit sociale woningbouwproject, is van een uitzonderlijke kwaliteit, het is een parel van de Haagse nieuwe zakelijkheid. Naast Jan Wils was Theo van Doesburg verantwoordelijk voor de kleurstelling van het wooncomplex, waarmee het een icoon is geworden binnen het oeuvre van De Stijl. Het wooncomplex is dan ook in 1986 aangewezen als een rijksmonument. Het wooncomplex is opgenomen in de internationale lijst van Iconic Houses. In 2017 vierden de trotse bewoners het honderd jarig bestaan van het wooncomplex met een rijk geïllustreerd jubileumboek ‘De Papaverhof van Jan Wils’ van nai010uitgevers.

1917- 2017: De Wooncoöperatie, die is er al 100 jaar in de Papaverhof in Den Haag

Maar wat misschien nog wel meer bijzonder is dan de architectuur van het project, is de oorsprong van het wooncomplex en het beheer ervan in haar honderdjarig bestaan. De Papaverhof is namelijk, anders dan wat gangbaar is in ons land, in 1917 gerealiseerd door een wooncoöperatie waarin de zittende bewoners alle zeggenschap hebben. De Coöperatieve Woningbouwverenging Tuinstadwijk Daal en Berg is eigenaar van alle woningen, maar toch zijn er onder de bewoners, zowel kopers als huurders. De geestelijk vader van deze constructie is Gerard van Otterloo. In zijn rol als lid van de Raad van Commissarissen van de Coöperatieve Woningbouwvereniging Daal en Berg, heeft hij een gelijke positie gecreëerd voor zowel de kopers als de huurders. Zo hebben de kopers een woonrecht, dat fiscaal en financieel gelijk is aan dat van een gewone koopwoning. De huurders in het wooncomplex hebben een gelijke bescherming als gewone huurders. De kopers en de huurders zijn individueel lid van de wooncoöperatie en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het huurbeleid, het beheer en het onderhoud. Zo heeft Daal en Berg een bestuur van zes personen, een duurzaamheidscommissie en een feestcommissie. Het bestuur wordt ondersteund door een Verenigingsmanager (Jaap van Dijk) , een parttime opzichter en een secretarieel medewerker (bewoonster). De boekhouding wordt extern uitgevoerd, door een bureau dat bekend is met vastgoedbeheer. Voor beheer en onderhoud zijn op diverse momenten per week en op afspraak medewerkers aanwezig en voor noodgevallen 24/7 bereikbaar. Professioneel voor de vereniging en zichtbaar, behulpzaam en laagdrempelig voor de bewoners. Jaarlijks maakt de medewerker een ronde in het complex om de staat van onderhoud in kaart te brengen. De bewoners kunnen aan het bestuur aanbevelingen doen over gewenste aanpassingen/ingrepen op het onderhoud. Het door de algemene ledenvergadering aangestelde bestuur, bestaande uit bewoners, neemt de besluiten en is verantwoordelijk voor het -financieel- beleid.

De huren van Daal en Berg variëren van circa 55 tot 90% van de maximale redelijke huur. De huur is inclusief de servicekosten van het schoonmaken van de trappenhuizen en collectief elektraverbruik. Uitzondering is een kleine vaste bijdrage voor de glasverzekering. Jaarlijks wordt de huurverhoging door het bestuur vastgesteld. Deze is gematigd en heeft als doel op korte en lange termijn kostendekkend te zijn. Sinds 2016 is besloten om te stoppen met de inkomensafhankelijke huurverhoging en krijgt elke bewoner een gelijke huurverhoging.

Daal en Berg kent vier wachtlijsten. Eén voor kandidaten van buiten de vereniging, één voor kinderen van bewoners (zij kunnen zich op hun achttiende laten inschrijven voor een woning), één voor oudere kinderen met een zorgrelatie met hun ouders, en één voor bewoners die een andere woning in het complex wensen. Dit is statutair vastgelegd en e.e.a. is bedoeld om de onderlinge binding tussen bewoners en die tussen bewoner en monument te stimuleren. Nieuwe leden beginnen veelal op de 1e of 2e verdieping van de portiekflats. Elke woning hiervan wordt verhuurd onder de huurtoeslaggrens, waardoor ze ook voor mensen met een beperkt inkomen bereikbaar zijn. Leden kunnen binnen de vereniging wooncarrière maken. Kinderen die het huis verlaten, kunnen zelfstandig in een portiekflat gaan wonen. Zodoende zijn diverse generaties woonachtig binnen de vereniging. Vooral de leden, die in een laagbouwwoning wonen, blijven daarin tot op hoge leeftijd woonachtig. Uit recente interviews met bewoners bleek dat vooral de oudere bewoners grote waardering hebben voor de unieke en rustige woonomgeving en de onderlinge sociale contacten. Men verwijst daarbij ook naar de voordelen, die de coöperatie heeft op het gebied van zeggenschap en binding met de woonomgeving en elkaar. Begin 2017 overleden twee hoogbejaarde bewoonsters. Hun as werd door de familie uitgestrooid op de door hen zo geliefde Papaverhof. Een uniek voorbeeld van binding met de woonomgeving.

Informatie Coöperatieve Woningbouwvereniging Tuinstadwijk Daal en Berg:

www.daalenberg.nl

 

Publicatie ‘De Papaverhof van Jan Wils’ – ISBN 978-94-6208-393-6

www.nai010.nl

1e -nb- Han Lammers Woonprijs Almere voor PvdA-raadslid John van der Pauw

2006 tot 2014 mocht ik als wethouder van Almere leiding geven aan de tweede groeifase van Almere. De opdracht van de Regering aan Almere was doorgroeien met zo’n 60.000 woningen naar een inwoneraantal van 350.000. Voor mij was Almere, na jaren van praten in de Tweede Kamer,  de praktijkwerkplaats waar ik kon laten zien dat een ander ruimtelijke beleid in ons land mogelijk was. Daarin zou centraal staan hoe, bij het vormgeven van een stad,  te ontsnappen aan de institutionele cultuur in ons ruimtelijke beleid en het wonen? Hoe doorbreek je de dominantie van institutioneel ‘verzorgen’ naar vormen van ‘zelforganisatie’, wat is de weg van ‘consumeren’ naar ‘produceren’?  van ‘winst maximalisatie’ naar ‘woon maximalisering’? En wat is de weg van het ‘huisvesten’ van mensen, naar het faciliteren van het ‘wonen door mensen’ zelf?

Juist in deze tijd van Collegevorming is het belangrijk voor al die kandidaten dat zij zich realiseren dat je een stad niet in je eentje kan maken. Het is geen individuele aangelegenheid. Bij het vormgeven en uitvoeren van het Collegeprogramma is het de vraag met wie je deze opdracht zal moeten gaan vervullen. Voor succes, is de samenwerking in het college en met de gemeenteraad het belangrijkste. Meer verfijnd: de kans van slagen wordt mede bepaald door je eigen fractie, en in het bijzonder de woordvoerders op je eigen portefeuille.

John van der Pauw en Cisca van Rijn

In het Almere van 2006 was de sociaal democratie een kind van zijn tijd. De fractievoorzitter Rob Beuse was, als meest dominante opinieleider, een vertegenwoordiger van de moderne PvdA. Niet persé progressief liberaal, maar zeker ook niet klassiek sociaal democratisch. Dat was anders met de eerste woordvoeder op een deel van mijn portefeuille, namelijk wonen. Hier had ik te maken met John van der Pauw, die met voorkeurstemmen was gekozen, een klassieke sociaal democraat die maar heel weinig op had met de PvdA van Wouter Bos.  Voor hem had die moderne PvdA teveel de wetten van de markt omarmd en daarmee veel van het publieke domein prijsgegeven. Dat was niet in het belang van de kiezers die de PvdA historisch vertegenwoordigden.  In 2006 was John een duidelijke exponent van het oude denken. Van het begin af aan had ik sympathie voor John van der Pauw. Voor mij vertegenwoordigde hij de oude PvdA waarmee ik was opgegroeid. Maar eerlijk is eerlijk, ook ik was inmiddels een kind van  het nieuwe denken. Ook ik geloofde niet dat de klassieke oplossingen van de oude sociaal democratie nog het enige antwoord waren op de vraagstukken van vandaag. Maar ook ik nam afstand van de neoliberale of progressief liberale lijn, die ook binnen de PvdA dominanter werd. Ik wilde onze sociaal democratische waarden vormgeven, direct vanuit de mensen zelf. Eigen kracht, zelfbeschikking waren daarin dominant. John was woordvoerder wonen, dus werd de vraag van het begin actueel: hoe gaan wij samen aan de slag?

Voor mij was het opstellen van een nieuwe woonvisie voor Almere een middel om een andere manier van  denken over het wonen te introduceren. Bij John van der Pauw, maar meer nog bij de woningcorporaties in deze stad. Het was geen geheim dat deze niet echt open stonden voor enige vorm van overheidsinvloed. Sterker zij maakten het graag helemaal zelf uit. Hoezo gemeentebestuur? Zij, de woningcorporaties, waren toch immers verzelfstandigd! Iedere vorm van invloed of regulering werd dan ook afgehouden. En zij waren daarin tot dan toe vrij succesvol. Zo was er geen huisvestingsverordening en was de behandeling van urgent woningzoekenden niet transparant. Almeerders konden niet terecht bij een onafhankelijke urgentiecommissie voor burgers. John van der Pauw en ik hadden tenminste één gemeenschappelijke doelstelling, namelijk weer greep krijgen op het wonen als publiek domein en als een instrument om sociale rechtvaardigheid en zelfbeschikkingsrecht  vorm te geven. In de samenwerking die ik met deze PvdA woordvoeder voor wonen mocht hebben heeft dat ons verbonden. Zij het, dat wij beiden daarvoor een eigen invalshoek kozen. Voor mij was dat ‘mensen maken de stad’, voor John lag de dominantie bij de zorg voor hen die ‘geholpen’ moesten worden. WONEN IS EEN GRONDRECHT is een veelgebruikte uitdrukking van John. Mensen horen niet, omdat zij een laag inkomen hebben, jaren op de wachtlijst te staan. En daar heeft hij gelijk in. In al die jaren dat ik John mocht meemaken heb ik hem leren kennen als iemand die hartelijk is, oprecht, hij veinst niet, is beschaafd en eerlijk. Maar kom niet aan zijn idealen. Kom niet aan zijn sociaal democratische inzet. En al helemaal niet aan het niet serieus nemen van de sociaal democratische opdracht om er te zijn voor mensen die steun nodig hebben. Dan ontwaakt er een andere John. Eén die strijdbaar is en volhardend zal terugvechten. Ik hou van die John, omdat hij zo goed laat zien dat niet alles onderhandelbaar is, niet alles kan worden uitgeruild. John is redelijk maar je moet niet onredelijk met hem en zijn idealen omgaan. Voorwaar een mooie en karaktervolle eigenschap die ik iedere sociaal democraat gun.

We kunnen nu, bij het afscheid van John van der Pauw terugkijken, naar de inzet van John in de jaren 2006 tot 2018 en dan kan je vaststellen, dat deze al die tijd klassiek sociaal democratisch is geweest. Hij trok daarin vaak gezamenlijk op het zijn mede-fractiegenoot Cisca Van Rijn. Twee volksvertegenwoordigers die beiden heel goed weten voor wie ze er zijn, maar tegelijkertijd zie je ook dat de mensen waarvoor zij strijden zich hebben herkend in hun volksvertegenwoordigers. John van der Pauw heeft laten zien dat het niet onvermijdelijk is dat de PvdA zich als volksvertegenwoordiger van haar achterban vervreemd. De huidige PvdA kan hiervan leren dat zij alleen bestaansrecht heeft, als zij ook daadwerkelijk inhoud geeft aan het zijn van volksvertegenwoordiger. Een partij die zichtbaar, vanuit de eigen sociaal democratische doelstellingen, strijdt voor de mensen die aan deze partij het vertrouwen hebben gegeven om hun belangen serieus te nemen.

Landdrost en volkshuisvester Han Lammers voor De Hulk aan De Haak 58-60 in Almere-Haven.

Samenvattend: Als ik de publieke carrière van John moet karakteriseren, is dat hij staat in de traditie van grote sociaal democraten die zich voor een sociale volkshuisvesting hebben ingezet. Meer dan velen mensen zich realiseren hebben zij aan volksvertegenwoordigers als John te danken dat deze stad een gedifferentieerde bevolkingsopbouw kent. Een stad waar alle lagen van de samenleving welkom zijn. Bij het voorbereiden van mijn verhaal zocht ik naar een manier om mijn waardering uit te drukken voor John als PvdA gemeenteraadslid, die juist op het terrein van het wonen zijn sporen heeft verdiend.

En die hem een plaats geeft in de traditie van de grote sociaal democraten.  Ik wilde John graag verbinden met het bijzondere werk van de eerste burgemeester van Almere: Han Lammers. Han Lammers, de vroegere controversiële wethouder van Amsterdam, de landdrost die als eerste politiek bestuurder de leiding had over de totstandkoming en de inrichting van de polder. Han Lammers, en dat is helaas niet bekend genoeg,  was een van de meeste gepassioneerde sociaal democratische volkshuisvesters die ik heb gekend. Voor mij was hij echt een inspiratie om de juist de klassieke sociaal democratische waarden te blijven verdedigen. Ik heb dus maar de vrijheid genomen om de ‘1ste Han Lammers Woon Prijs Almere’ in het leven te roepen, om daarmee in één keer twee grote Almeerders te eren: te weten Han Lammers en John van der Pauw, die voor wat betreft de passie van het wonen in zijn voetsporen is getreden. Ik zeg dan ook met overtuiging dat in het beantwoorden van de vraag hoe de PvdA opnieuw zijn plek in het hart van de kiezer kan terugwinnen, zij een voorbeeld kan nemen aan echte volkshuisvesters als John van der Pauw. De atypische uitslag van de PvdA in Almere (WINST!!!), is mede te danken, aan zijn consequente inzet voor goed wonen voor iedereen, dus ook voor de lagere inkomens.

Neerlands Hoop, je gunt dit iedere generatie

 Afgelopen weekend besloot ik, ik had de beslissing al een paar keer voor mijzelf uitgeschoven, om gisteravond (13 maart) toch aanwezig te zijn bij de eenmalige voorstelling in Carré van ‘Nederland en Vlaanderen zingen Neerlands Hoop’. Het was de al jarenlang verwachte terugblik op de succes jaren van het duo Bram en Freek in de vorm van Neerlands Hoop in Concert. Ik kan hun opkomst nog als de dag van gisteren terughalen, 1968, het jaar van de verandering, was er een doorbraak in het land van het cabaret. Neerlands Hoop veegde het gesettelde landschap aan de kant om deze opnieuw te ordenen. Als fervent cabaretliefhebber, ik interviewde Toon Hermans al toen ik 15 jaar was voor de schoolkrant, stelde ik er een eer in om zoveel mogelijk soorten cabaret te bezoeken. Deze uitdrukkingskunst sprak tot mijn verbeelding. Het reflectieve, het humoristische en het poëtische kwamen er allemaal in samen. Voor mij was Wim Kan lange tijd de top van het politiek cabaret. De wijze waarop hij een jaar kon beschouwen, de politiek kon duiden maar vooral de politicus een plek te geven of zelf op zijn plaats te zetten is nog steeds ongeëvenaard. Maar ook de niet politiek geëngageerde cabaretier kon op mijn waardering rekenen. Echter vanaf 1970, toen ook ik kennismaakte met Neerlands Hoop, werd dat anders. Het was in Diligentia, de zaal was niet uitverkocht, dat ook in mij een norm werd gezet van wat goed, middelmatig of gewoon slecht was in dit metier. De storm die de beide heren losmaakten was overweldigend en, nog veel belangrijker, het eigen denken werd van alle kanten op de proef gesteld. Neerlands Hoop was op een niet vrijblijvende wijze in staat je een spiegel voor te houden. Alles wat ‘vanzelfsprekend’ was werd onder vuur genomen dan wel bespiegeld. Voor mij had juist de diepte ervan het effect dat ik mijn eigen denken kon en ging verscherpen. Ik stelde mijzelf er meer vragen door en werd aangezet om mijn antwoorden op die (nieuwe) vragen scherper te formuleren.

1968, het zou een begin zijn van een  jaarlijkse tocht naar de theaters waar Bram en Freek optraden. Hier kreeg ik een referentiekader aangereikt waaraan ik kon toetsen waar ik zelf stond, hoe ik dacht en of de al dan niet kritische noties ook de mijne waren. Neerlands Hoop en daarna Freek de Jonge zouden voor mij blijvend een spiegel zijn waarin ik gelijktijdig naar mijzelf als ook naar de samenleving als geheel kon kijken. Het was en is een spiegel die vooral vragen aan jezelf oproept om vervolgens op zoek te gaan naar eigen antwoorden. Voor mij was deze ervaring zo uniek en zo vormend dat ik, als een opvoedkundige interventie, de laatste jaren mijn kinderen meenam naar de voorstellingen van Freek de Jonge. Ik wilde ze laten ervaren dat entertainment (cabaret) meer kan zijn dan slechts vermaakt en het volstaan met het consumeren ervan. Juist deze vorm van cabaret, hield ik ze voor, kon je een ijkpunt geven om even bij jezelf, je omgeving en de samenleving stil te staan en misschien zelfs te doorgronden. Gisteravond nam ik mijn vijftienjarige dochter mee en op weg naar Carré probeerde ik haar te vertellen van mijn ervaring in die zestiger en zeventiger jaren met Neerlands Hoop. Ongeduldig schoof ze mijn uitleg ter zijde. Ze zou het wel op haar laten afkomen, mijn uitleg vooraf was daarvoor niet nodig. En eerlijk gezegd vond ik dat ook een mooie en terechte eigenzinnige keus.

Ik wil niet ontkennen dat ‘Nederland en Vlaanderen zingen Neerlands Hoop’ een wandeling was door mijn eigen leven. Een wandeling die mij op een paar momenten ontroerde. Ieder lied, iedere conference is wel verbonden met een bepaalde fase in mijn eigen – toch ook wel dynamische – ontwikkeling en groei. Ik herkende mij helemaal in het statement van Freek de Jonge toen hij zei dat zijn probleem bij deze voorstelling was dat vrijwel de hele zaal de teksten van zijn conferenties kon souffleren. Ik kon dat ook en betrapte mijzelf erop dat ik de grappen al zag aankomen. De echte meetlat of de muziek en de conferences nog steeds hout sneden zat naast mij. Ik zag mijn dochter meegaan met de dynamiek van de voorstelling: schaterlachend, dan weer serieus en soms ook echt aangedaan. En pas toen drong tot mij door hoezeer het werk van Neerlands Hoop voor mij vooral deel van mijn geschiedenis is, het voor haar juist de duiding is deze tijd. Ik besefte toen ook hoe tijdloos het werk van Bram en Freek eigenlijk is. En hoe veelzijdig zij daarin als duo waren. Ook de inbreng van Bram Vermeulen. Want hoewel ik mij altijd een fan waande van het duo, liet de voorstelling de onmetelijke reikwijdte zien van de inbreng van Bram. De schoonheid, eigenheid en volheid van de muziek en de teksten die hij zong, lieten gisteravond zien dat Neerlands Hoop, juist in de combinatie van twee persoonlijkheden zo uniek was.

‘Neerlands Hoop in Concert’ was door de veelheid aan mooie en geëngageerde artiesten een terecht eerbetoon aan Neerlands Hoop in Bange Dagen. Veel van de muziek van het duo werd via de stemmen van Jan de Hont, Bart Peeters, Nits, Kommil Foo, Alex Roeka, Dick van Altena, Tim Knol, Paul de Munnik, Britte Maria, Bue Grass Boogiemen, Spinvis, Frank Boeijen, Mathilde Santing, Louise korthals en Yentl & De Boer op een geweldige manier opnieuw tot leven gebracht. En ja soms waren er nummers bij die misschien zelf beter werden gezongen dan het beruchte duo. Louise Korthals en Yentl &de Boer waren daar sprekende voorbeelden van. Echter, nergens werd het authentieker dan de originele uitvoeringen van Neerlands Hoop. En dat is in niets een kritiek op zij die ons een mooie avond gaven maar het laat vooral zien dat cabaret op zijn best is als alles in ieder opzicht authentiek is. Dat wil zeggen dat er een volstrekte eenheid bestaat tussen het schrijven van een tekst, het maken van muziek, en het uitdragen ervan. Juist waar cabaret zich verheft boven consumentisme en de bezoeker aanzet tot het produceren van nieuwe gedachten en inzichten. Cabaret in deze vorm is niet de performance maar het zelf zijn van de boodschap achter de tekst en muziek. Dat namelijk maakt alles tot een statement, onlosmakelijk met elkaar verbonden, en in niets vrijblijvend.

Mij rest alleen maar dankbaarheid dat ik opgroeide met de reflecties van Neerlands Hoop. Ik gun mijn kinderen en hun generatie een vergelijkbare ervaring in deze toch wel weer ‘bange dagen’. Ik weet het zeker, ze worden er sterker van.

Adri Duivesteijn, 14 maart 2018

Ps. Voor eenieder die wil toetsen wat ik hierboven beweer raad ik aan de box Neerlands Hoop in Bange Dagen Compleet aan te schaffen. Het gaat over nu!

Algemene Rekenkamer: Conferentie Toekomst Publiek Vastgoed – Keynote speech Adri Duivesteijn

foto: Algemene Rekenkamer

Op 16 november 2017 werd op initiatief van de Algemene Rekenkamer een conferentie gehouden over de toekomst publiek vastgoed. Met de verkoop van het voormalige ministerie van Sociale Zaken van de architect Herman Hertzberger en het ‘anonimiseren’ van wat eens het trotse departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening van de architect Jan Hoogstad was en dat nu, geheel in de vroegere Oost-Europese traditie waarin gebouwen vaak gereduceerd werden tot een nummer, nog slechts de naam Rijnstraat 8 draagt.  Met beide departementen, miljoenen investeringen overigens, lijkt het Rijksvastgoedbedrijf een weg te zijn ingeslagen die het publiek vastgoed loskoppelt van haar specifieke functie en betekenis. Rijksgebouwen lijken geen identiteit meer te mogen uitdragen. Het past in een (neo-liberale?) visie waarin de overheid zo klein mogelijk moet zijn en ook zo min mogelijk nog een eigen rol, op het terrein van toezicht en veiligheid na, mag spelen. Dat terwijl juist de overheid in heel veel opzichten een positieve en bindende actor zou kunnen zijn binnen de samenleving. Juist waar in de westerse samenleving de zuilen, lees: identiteiten, steeds verder marginaliseren zou een overheid in haar enorme verscheidenheid juist meer eigen identiteit mogen hebben. Publiek vastgoed is een uitdrukking van deze indentiteit, of sterker gesteld van de verscheidenheid aan identiteiten die een overheid heeft. Ook als zij, zoals de Rijnstraat 8, anonimiteit uitstraalt. Op dat moment is de overheid vooral de uitdrukking van een fabriek waar ‘dienstverlening’ wordt geproduceerd door mensen die inwisselbaar zijn in een fysieke ruimte die zijn bestaan vooral ontleent door er zelf niet te zijn.

Maar het is niet alleen de overheid die medebepalend is voor de indentiteit van onze gebouwde omgeving. Ook publieke instellingen zijn daarin, misschien nog wel belangrijker. De ziekenhuizen, de universiteiten en Hogescholen zijn de meest zichtbare instituten die zich via gebouwen en publiek ruimten aan ons presteren. Een ieder die wel eens een ziekenhuis bezoekt zal al snel het verschil ontdekken tussen de steeds groter wordende en de wat kleinere ziekenhuizen. Een vergelijkbaar proces zien wij in het onderwijs waar schaalvergroting vaak ook gepaard gaat met het gevoel van verloren zijn. De kunst, in beide voorbeelden, is om wel te moderniseren maar gelijktijdig de menselijke schaal vast te houden. Mensen zijn geen nummers of aantallen. De mens is uniek in zijn individualiteit. Dat betekenis geven in hoe vastgoed zich laat gebruiken maakt dat het een toegevoegde waarde kan geven aan het functioneren van een gezonde samenleving.

Kortom een hele uitdaging en terecht dat de Algemene Rekenkamer, onder leiding van haar president Arno Visser, aandacht vraagt voor de wijze waarom de overheid en de publiek instelingen inhoud geven aan haar vastgoed. Dat de zoektocht van de Algemene Rekenkamer daarbij verder reikt dan cijfers, rekenen en doelmatigheid, kan alleen gewaardeerd worden. Deze benadering is, juist in een tijd waar de korte baan redeneringen vaak meer aandacht krijgen dan de complexiteit van de hedendaagse werkelijkheid, verfrissend. Zelf mocht in de conferentie openen met een keynote speech. Het was voor mij ook een goede gelegenheid om een paar momenten in mijn ‘vastgoedcarrière’  terug te laten komen en met elkaar in verband te brengen. De moraal van mijn verhaal is duidelijk. Een overheid kan, naast een financieel verantwoord vastgoedbeleid, juist ook het maatschappelijk rendement verhogen. Maar dat is alleen dan succesvol wanneer men bereid is de overheid juist ook te zien als een actieve partner in de wereld van het maken van onze publieke ruimte, en in mijn geval, in het maken van de stad. Voor een ieder die nog eens wil teruglezen wat mijn bijdrage was hierbij een PFD van mijn presentatie en mijn uitgeschreven tekst.

Tekst bijdrage AD – Conferentie Toekomst Publiek Vastgoed -publicatietekst en foto’s

Dia Presentatie Keynote speech AD – Conferentie Algemene Rekenkamer Toekomst Publiek Vastgoed

De doorstart van de Wooncoöperatie is begonnen

Vaak heeft een gedachte tijd nodig om te beklijven. Dat is zeker het geval met de wooncoöperatie. Ons land kent al sinds 1901 in de Woningwet het fenomeen ‘toegelaten instellingen’. Dit zijn instellingen waar de uitvoering van de publieke zorg voor het wonen is neergelegd. Dit is inmiddels uitgegroeid tot wat nu heet de sociale huursector welke het bezit en beheer heeft over zo’n 2.4 miljoen huurwoningen. Anders dan in de omringende landen heeft Nederland geen sociaal woonstelsel waarin ook bewoners met een lager inkomen zelf inhoud kunnen geven aan hun wonen. In Nederland is de burger aanvankelijk ‘verzorgt’ en tegenwoordig zien wij deze  vooral als een woonconsument, of zoals de meeste woningcorporaties deze tegenwoordig noemen: klanten.

Woonproducent zijn, dat wil zeggen dat je zelf inhoud geeft aan het eigen wonen  is niet weggelegd voor al die huishoudens die zijn aangewezen op een sociale huurwoning. Zij moeten zich voegen in dat wat hen wordt aangeboden en dat zijn feitelijk alleen maar huurwoningen. In ons land zijn deze van een  redelijke tot goede kwaliteit. Dat is ook niet het vraagtuk. Wel staat, door het huurbeleid, de betaalbaarheid onder druk. Voor de meeste woningen zijn de huishoudens met een laag inkomen dan ook afhankelijk van een huurtoeslag van de rijksoverheid. Kortom voor deze groep is er altijd een afhankelijkheidsrelatie. Deze afhankelijkheid is eigenlijk niet meer van deze tijd. Burgers zijn in vergelijking  met vroeger vele malen zelfstandiger geworden. Dat geldt ook voor veel huishoudens die statistisch behoren tot de lagere inkomensgroepen. Je mag dit ook gerust zien als een emancipatie die burgers in de afgelopen veertig jaar hebben doorgemaakt. Daarom is het ook niet meer dan wenselijk dat nu ook ons woonstelsel zich gaat moderniseren. Dat kan door het sociale woonstelsel te verbreden met het recht op zelforganisatie en zelfbeschikking. Die burgers (huurders) die dat willen kunnen dan, op een verantwoorde wijze, ook zelf inhoud geven aan hun wonen.

Al jaren pleit ik daarom voor het creëren van een beschermde vorm van zelforganisatie binnen ons woonstelsel. De coöperatieve gedachte is daarvoor de meest geschikte vorm. Hoewel ik al vanaf 1996 initiatieven onderneem, onder andere met de nota ‘De Koopwoning Bereikbaar”, om deze vorm van burgerinitiatief structureel mogelijk te maken, is het pas gelukt tijdens het december-debat in 2013 toen de Eerste Kamer het Woonakkoord behandelde.  Na een heftige week werd beklonken dat de Wooncoöperatie zou worden opgenomen in de Woningwet en een volwaardige plaats zo krijgen naast de vertrouwde ‘toegelaten instellingen’. En, het mag gezegd, minister Stef Blok heeft zijn toezeggingen waargemaakt en sinds 2015 maakt de wooncoöperatie  deel uit van de Woningwet. Direct daarop volgend is er een aanzienlijk stimuleringsprogramma opgezet door het Platform 31 dat nog steeds loopt. Inmiddels wordt steeds duidelijker dat veel huurders open staan voor deze vorm van zelfbeheer in het wonen. De ervaringen uit het stimuleringsprogramma maken echter ook duidelijk dat er nog heel wat hindernissen moeten worden genomen. Niet in de laatste plaats de bijna fysieke weerzin van veel professionals bij woningcorporaties om iets van hun verkregen ‘macht’ te delen met de leden uit hun doelgroep. Liever ‘verzorgen’ zij zelf deze burgers. Gelukkig zijn er ook binnen de sociale huursector witte raven die juist vanuit het traditionele idealisme en emancipatie doelstelling van onze volkshuisvesting inhoud willen geven aan de de wooncoöperatie. Zij zijn bondgenoten en kunnen hun collega’s de voorbeelden aanreiken die laten zien dat de wens op zelfbeheer en zelfbeschikking een heel normaal menselijk trekje is.

Voor de komende jaren is een echte goede structurele inbedding noodzakelijk binnen ons woonstelsel voor de wooncoöperatie. De vraag is natuurlijk hoe dat kan worden vormgegeven en welke politieke steun er is om de Wooncoöperatie verder in ons sociale woonstelsel te verankeren? Deze steun lijkt steeds groter te worden. Want de partijen die deze nieuwe regering steunen willen de positie van de Wooncoöperatie verstevigen en hebben dat in het Regeerakkoord vastgelegd:

“een wooncoöperatie is een organisatievorm waarbij huurders gezamenlijk eigenaar zijn van de woningen. De wooncoöperatie vormt een alternatief voor twee ‘traditionele’ oplossingen die we in Nederland kennen: het op individuele basis huren van een woning van een externe partij en het individuele eigendom van een woning. In wooncoöperaties zijn mensen directer betrokken bij het beheer van hun woningen en de leefomgeving. Onderzocht zal worden hoe de mogelijkheden voor het beheer van hun woning en leefomgeving voor de leden van de wooncoöperaties om de huurwoningen over te nemen kunnen worden vergroot”

Ik zou zeggen de doorstart van de Wooncoöperatie is begonnen. Het Regeerakkoord is, naar mijn mening, de ultieme erkenning dat het woonstelsel zich zal gaan verbreden naar een recht van huurders op deze vorm van zelforganisatie. De weg er naar toe zal zeker nog heel wat hobbels kennen maar er is nu een heel goede doorstart mogelijk. Ik kijk dan verwachtingsvol uit naar de initiatieven van de voormalige oud-wethouder van Amsterdam en de huidige minister van Wonen Kajsa Ollongren (D66) . Zij kent de problematiek van de stad en vooral ook de noodzaak om meer sociale verbanden in wijken te stimuleren. En, wat nu ook kan helpen is dat zij een Scandinavische achtergrond heeft. Voor mij zijn deze landen altijd het voorbeeld geweest van het ideale woonstelsel waarin de wooncoöperatie een volstrekt normaal gegeven is. Wanner zij haar volle steun geeft aan de basisgedachte van coöperatief wonen kan zij met betrekkelijk eenvoudige maatregelen de weg effenen voor een verder uitbouw van de Wooncoöperatie. Een mogelijk voorstel zou kunnen zijn dat het huidige uitponden van sociale huurwoningen aan commerciële partijen wordt vervangen door een voorkeurrecht voor huurders die met elkaar een Wooncoöperatie willen vormen. Het definitief maken van de kortingsregeling is een volgende. En een risicofonds, bijvoorbeeld in samenwerking met de NHG, kan de financiering van de wooncoöperatie vergemakkelijken.

Hoezeer bewoners uitkijken naar deze vorm van ‘verzelfstandiging’ komt ook weer eens aan de orde in een mooi artikel van De Groene Amsterdammer, Ons Dorp, begin je eigen wooncoöperatie . Zelf heb ik deze week in het CorporatieGids magazine nog eens uiteengezet waarom ik zo hecht aan de uitbouw van de Wooncoöperatie. Ik verwijs daarvoor graag naar deze link: 2017-10 – CorporatieGids Magazine – Adri Duivesteijn over de Wooncoöperatie

Ik zou zeggen tegen de al die huurders die woonachtig zijn in de sociale huursector en die graag zelf inhoud willen geven aan hun zelfbeschikkingsrecht en dat via zelforganisatie en vormen van zelfbeheer  willen doen, oriënteer je bij het Platform 31, dan wel CoopLink. Er liggen nu kansen die het de moeite waard maken om met elkaar inhoud te geven aan een beweging van onderop die het wonen dichter bij de mensen zelf zal gaan brengen.

 

 

 

Het nieuwe rijkskantoor Rijnstraat 8: Anonimiteit als identiteit

door Adri Duivesteijn – 31 oktober 2017

Woensdag 1 november 2017 opent de eerste burger van Nederland, Koning Willem Alexander, het nieuwe Rijkskantoor Rijnstraat 8 te Den Haag. Voor de ouderen onder ons, wij hebben het over het voormalige gebouw van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). Het gebouw waar maar liefst 6000 ambtenaren hun werk kunnen gaan doen is afwijkend in vergelijking met de gangbare huisvesting van departementen en ministeries. De vraag is of wij met deze nieuwe trend in de huisvesting van onze publieke diensten blij moeten zijn.

Even terug in de tijd. Het was in mijn wethouderstijd (1980-1989) dat er, mogelijk gemaakt door een omvangrijke ruiltransactie van braakliggende terreinen en voormalige woonpanden, tussen het Rijk en de gemeente, twee grote ministeries konden worden gebouwd. Dit waren het, toen nog belangrijke departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) aan de Rijnstraat en het Ministerie van Sociale Zaken (SOZA) aan de Laan van Nieuw Oost-Indië. Beide ministeries zouden innovatief moeten zijn. Dat betrof zowel de presentatie van de Rijksoverheid naar haar burgers, de kwaliteit van de werkplek voor onze ambtenaren, alsook de technische kwaliteit van het gebouw. Het was een tijd waarin wij barstten van de ambities. Voor beide gebouwen waren toonaangevende architecten aangezocht, te weten Jan Hoogstad voor het VROM-gebouw en Herman Hertzberger voor SOZA.

Ministerie van Sociale Zaken in goede tijden

Jan Hoogstad zocht de betekenis van het VROM-departement vooral in een introvert gebouw dat in het oorspronkelijke concept op de vierde en vijfde verdieping een omvangrijke publieksstraat zou moeten krijgen, die verbonden was met het Station CS en de langzaam verkeersroute die in het hart van de stad op de Nieuwe Kerk (gebouwd: 1649-1656) uitkomt. Helaas is al tijdens het ontwerpproces een deel van deze ambitie geërodeerd, doordat de publieke straat in het ministerie benut werd voor het realiseren van een extra programma. (eufemisme voor bezuinigen). Met deze ingreep verdween helaas ook de geplande passerel, een directe verbinding met het busstation bovenop het emplacement van het Centraal Station Den Haag. Toch was het VROM-gebouw een humaan en bovenal publiek werkgebouw. Door de kamstructuur van het gebouw ontstonden er grote atria met een plezierig binnenklimaat. Dat maakte dat er geen airconditioning noodzakelijk was en de ambtenaren de ramen van hun kantoor open konden zetten. Hertzberger was veel radicaler. Hij borduurde met zijn ministerie voor Sociale Zaken voort op zijn eerder gebouwde kantoor voor Centraal Beheer in Apeldoorn. Dit gebouw was in zichzelf een stad met een volstrekt open structuur, waarbij er letterlijk straten en pleinen waren. Plek voor een veelvoud van informele ontmoetingen die het werken meer spontaniteit zouden moeten geven. Met alle kritiek op de afzonderlijke gebouwen was iedereen het erover eens, dat dit twee karaktervolle ministeries waren, die identiteit gaven aan de  publieke betekenis van de beide departementen als ook garant stonden voor een humane werkplek voor de betrokken ambtenaren.

Rijnstraat 8 op zijn best?

Beide gebouwen, het gaat hier over een investering van honderden miljoenen euro’s, hebben het nauwelijks dertig jaar uitgehouden. Door de komst van nieuwe technologie is de werkplaats van de ambtenaar fundamenteel veranderd. Flexibiliteit in het werken is het centrale begrip geworden. De werktijden zijn veranderd. Thuiswerken lijkt normaal te zijn geworden en een vaste werkplek is met de digitale opslag niet meer noodzakelijk. Het tegenwoordige werken vraagt veel minder fysieke werkruimte en, misschien nog wel belangrijker met veel minder vaste werkplekken. Het Masterplan kantoorhuisvesting Den Haag van de Rijksoverheid gaat dan ook uit van een grondige verandering in de wijze waarop de rijksoverheid werkt, en vertaalt dat in een andere vorm voor de huisvesting van haar ambtenaren. Met een ogenschijnlijk groot gemak worden omvangrijke rijkskantoren afgestoten en andere grondig verbouwd. Het meest open en qua opzet democratische gebouw, het ministerie van Sociale Zaken, werd bij opbod verkocht. Wat in mijn wethoudersperiode nog als een voorbeeld gold van een humane werkplek, staat alweer enige tijd leeg en verlaten te wachten op haar nieuwe bestemming. Sloop van dit 25 jaar oude karakteristieke gebouw wordt nadrukkelijk niet uitgesloten (Hoe duurzaam zijn wij eigenlijk?). De nieuwe eigenaar, een projectontwikkelaar, lijkt het gebouw om markttechnische overwegingen vooralsnog in stand te houden. Tijdelijk zit daar nu de Horeca Academie en komen er tijdelijk statushouders te wonen. Persoonlijk vind ik het een gemiste kans dat de Rijksoverheid, dan wel de gemeente Den Haag niet de gelegenheid hebben aangegrepen om het SOZA-gebouw om te toveren tot de grootste starterswerkplaats van ons land. De structuur van het gebouw is uniek en staat juist de huisvesting van een veelvoud van kleine bedrijven – al dan niet met werkplaatsen – toe. Juist door de openheid van de architectuur kunnen er een veelvoud van natuurlijke netwerken ontstaan tussen deze nieuwe gebruikers. De nieuwe economie had hier bij uitstek zijn kans kunnen krijgen. Het zit er – voorlopig – niet in.

Met het VROM-gebouw leek het aanvankelijk veel positiever gesteld. Dit gebouw bleef behouden en zou geschikt worden gemaakt voor de huisvesting van meerdere ministeries. Opnieuw waren de ambities hoog. Nu zou het duurzaam renoveren en het nieuwe werken centraal komen te staan. Na aanvankelijke sloopplannen werd de kans aangegrepen het gebouw duurzaam te renoveren. Het moest ook een schoolvoorbeeld worden van het moderne werken. De combinatie PoortCentraal met O.M.A. uit Rotterdam als architect verwierf deze prestigieuze opdracht. Juist omdat ik het begin van het voormalige VROM-gebouw zo van nabij had meegemaakt en ik er in verschillende rollen bezoeker mocht zijn van het gebouw was ik nieuwsgierig naar dit nieuwe rijkskantoor. Enige weken terug kreeg ik van een medewerker een rondleiding door het nieuwe departement van …., ja van wie eigenlijk?

Het werd, met alle waardering voor tal van onderdelen, een teleurstelling. Wat ik nooit had verwacht dat wat ooit een specifiek gebouw was en identiteit gaf aan een op dat moment toonaangevend departement, nu haar kwaliteit lijkt te vinden in een ver doorgevoerde vorm van anonimiteit. De bezoeker, maar ook de ambtenaar (6000!!) zelf komt, in tegenstelling tot vroeger, niet binnen in een grote representatieve hal, maar in iets wat meer wegheeft van een secundaire achteringang. Een relatief kleine hal met een rij balies waar je jezelf moet aanmelden om vervolgens aan te sluiten bij de rijen ambtenaren en bezoekers die voor de tourniquets staan die de gecontroleerde toegang moeten waarborgen. De bagagecontrole op Schiphol, waar ik niet veel later gebruik van maakte, was in haar opzet ruimtelijker en plezieriger dan dit net verbouwde rijkskantoor. Eenmaal binnengekomen, gaan wij met de smalle roltrappen naar wat ooit de verdeelstraat was van het VROM-gebouw op de vierde verdieping. Hier heeft de oorspronkelijke open publieke ruimte plaats gemaakt voor een wachtruimte, waaraan enkele vergaderkamers zijn gesitueerd. Deze zijn nog kleurrijk maar verder overheerst het zwart en het grijs (over smaak en kleur valt uiteraard niet te twisten). Het geheel geeft een sobere, bijna calvinistische, indruk. Een vaste werkplek voor ambtenaren bestaat er niet meer. Een vaste plek is er ook niet meer voor een departement. In de woorden van het Rijksvastgoedbedrijf: ‘De vernieuwing van Rijnstraat 8 is exemplarisch voor de veranderde visie op huisvesting binnen het rijk. Het moderne rijkskantoor is een flexibel verzamelgebouw waarin meerdere organisaties samenwonen en basisvoorzieningen delen’. 

De vertaling ervan is met de oplevering van dit rijkskantoor inmiddels bekend. Anonimiteit lijkt de identiteit van het gebouw te zijn geworden. Of je nu werkzaam bent bij het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ), ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), het hoofdkantoor en loket Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of bij de dienst Terugkeer & Vertrek (DT7V) het maakt voor de huisvesting niet meer uit. Hoe divers de functies ook zijn hier geldt blijkbaar het gelijkheidsbeginsel die hier in de vorm van uniformiteit in overdaad is toegepast. Nee, dit nieuwe rijkskantoor ontleent haar identiteit juist aan de anonimiteit ervan. Materieel vertaalt dat zich in een rijkskantoor dat inderdaad vooral een kantoorverzamelgebouw is. Een functionele aaneenschakelijking van universele werkplekken. De ambtenaar kan op iedere willekeurige werkplek de eigen laptop aansluiten en aan de slag gaan. Papieren bestaan er niet meer. Alles gaat digitaal. Tijdelijk kan je je tas (en pakje boterhammen) opbergen in de kluisjes die ik in mijn zwembad Overbosch ook mag gebruiken. De kleine uitzonderingen zijn uiteraard de bestuursafdelingen, waar net iets meer representatieve ruimte wordt gedoogd. Juist hier, kwam ik, licht ironisch bedoeld waarschijnlijk, nog een boekenkastje tegen dat opgevat kon worden als een stille verwijzing naar het vroegere papieren tijdperk. Het is bijna pijnlijk om te zien hoe radicaal juist de werkplek van het gewone werken is teruggebracht tot een bijna steriele anonimiteit. Het is letterlijk het tegenovergestelde van de, vaak te knusse, geïndividualiseerde kamertjes in het voormalige VROM-gebouw. Ik kan mij goed verplaatsen in het ontheemde gevoel dat veel van de ambtenaren hebben in dit nieuwe rijkskantoor. Wat hun basis ook is, welk een opdracht zij in het algemeen belang moeten uitvoeren, de werkplek is daarvan op geen enkele manier meer een uitdrukking. De benaming van de Rijnstraat 8 roept beelden op van een architectuur waarin de gebouwen zich nog slechts onderscheiden door de verschillende nummers die aan de gebouwen zijn meegegeven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel ambtenaren ‘hun’ werkgebouw beschouwen als ‘een crime’.  In hun woorden is het een werkplaats die vooral het karakter heeft gekregen van ‘een legbatterij’ als onderdeel van een intensieve-menshouderij. In hun opvatting hebben zij nu vooral werkplekken waar het nog maar heel moeizaam is om geconcentreerd je werk te doen met als gevolg een afnemende productiviteit. Blijkbaar zijn de klachten zo ernstig dat inmiddels een officieel onderzoek is gestart naar het functioneren van de gewone werkvloer.

Laten wij voor het gemak eens aannemen dat deze vorm de huisvesting van onze publieke functies het nieuwe normaal gaat worden. In dat geval zou je, juist waar anonimiteit op de werkplek zelf zo structureel is geïnstitutionaliseerd, tenminste verwachten dat in het nieuwe gebouw er een compensatie is in de vorm van open, kleurrijke en vooral ook ruime publieke plekken waar het ontmoeten centraal staat. Juist van het architectenbureau OMA mag je verwachten dat zij met nieuwe en onverwachte publieke identiteiten de nieuwe rijkshuisvesting en dus ook het nieuwe werken zouden gaan vormgeven. Het tegendeel is hier waar. En zelfs op die ene plek waar wel sterk architectonisch is ingegrepen, waar aan de oostzijde (zijde: Prins Bernardviaduct) de Kam-structuur is doorbroken waardoor het atrium naar het midden is geplaatst, is het gebruik van de twee verdiepingen hoge werkvloer gelijk aan de rest van het gebouw. De werktafels staan er eenzaam verloren in de ruimte. Wanneer de opdracht ‘het moderne rijkskantoor is een flexibel verzamelgebouw waarin meerdere organisaties samenwonen en basisvoorzieningen delen’ letterlijk wordt genomen zijn de opdrachtgever en de architect misschien geslaagd. Maar het gebouw is dan vooral een uitdrukking van een overheid die zichzelf steeds minder een eigen identiteit aanmeet. Waar zijzelf haar rol vooral mitigeert. En blijkbaar past het ook in de tijdgeest om het nieuwe rijkskantoor Rijnstraat 8 daarbij te voorzien van een architectuur die anonimiteit als identiteitsdrager beschouwt. Ja, het nieuwe VROM-gebouw is zeker een voorbeeld van het moderne werken – en het zal technisch ook wel heel duurzaam zijn – maar zeg niet dat deze manier van werken, waarin je geen deel meer bent van een specifieke identiteit, een aantrekkelijk vooruitzicht is.

Ikzelf geloof zonder twijfel in nieuwe werkvormen en dus ook in een architectuur die juist het publieke karakter van onze overheid zou kunnen onderstrepen. Maar zoals dat nu zijn vorm heeft gekregen in de Rijnstraat lijkt mij niet de juiste weg. Dat een publiek gebouw ook anders kan, wat dat betreft val ik niet van mijn geloof, is gelukkig op loopafstand te bezichtigen. Aan het eind van de langzaam verkeersroute staat het Haagse Stadhuis, een publiek gebouw gecombineerd met een openbare bibliotheek en een openbaar atrium,  dat nu alweer 25 jaar  onomstreden en goed functioneert, voor de stad, haar bestuur, haar ambtenaren, maar bovenal voor haar bewoners en bezoekers. En laat het ook eens tijdloos zijn in haar gebruiksmogelijkheden.

 

 

Het herstel van de PvdA begint van onderop, een stemverklaring voor Nelleke Vedelaar

De verkiezing voor een voorzitter van de PvdA is opengesteld. De leden van de PvdA hebben tot en met 4 oktober de tijd om hun keuze te bepalen. Deze keuze beperkt zich tot een tweetal kandidaten. Dat is voor een grote partij als de PvdA schraal. Het is ook niet zo dat er hele schokkende ideologische verschillen bestaan tussen de beide kandidaten. Nelleke Vedelaar is een voorbeeld van het wethouderssocialisme wat lang de basis van PvdA is geweest. Het duo Astrid Oosenburg en Gerard Oosterwijk hebben vooral ervaring op het parlementaire niveau. Het gaat nu dus niet primair om een keuze voor een politieke richting. Veel belangrijker is de vraag hoe de PvdA, na een jarenlange dramatische vervreemding van haar eigen kiezers, haar eigen geloofwaardigheid als veranderingsbeweging weer kan terugverdienen? Dat is nog niet zo’n eenvoudige opgave. Met Lodewijk Asscher hebben de leden zich – gelukkig – al uitgesproken voor een ander politiek leiderschap. Bij deze verkiezing gaat het vooral om de vraag wie als voorzitter de PvdA als politieke vereniging weer betekenis kan geven? Wat is de weg hier naartoe?

Nelleke Vedelaar, wethouder in Zwolle

Voor mij begint het herstel van de PvdA bij de herwaardering dat de PvdA primair een, breed in de samenleving gedragen, veranderingsbeweging is. Alleen vandaar uit kan de PvdA haar inhoudelijke betekenis terugkrijgen in het Parlement, de Provinciale Staten en de Gemeenteraden. In die veranderingsbeweging moeten de sociaaldemocratische idealen weer centraal komen te staan. De PvdA zal zich dus, een parallel met Labour dringt zich op, moeten vrijmaken van de omhelzing van het neoliberale gedachtengoed. En in haar werkwijze zullen onze volksvertegenwoordigers moeten afzien van de apolitieke werkwijze waarin door middel van het uitruilen van politieke speerpunten bestuurd wordt (‘strafbaarstelling van illegalen versus kinderpardon’). Het Van Waarde project van de Wiardi Beckmanstichting (WBS) en het verkiezingsprogramma ‘Een verbonden samenleving’ bieden een basis voor het herstel van onze sociaaldemocratische waarden. Maar dat is nog maar een begin. Een nieuwe voorzitter zal leiding moeten geven aan een verdere verdieping en uitwerking in handzame ideeën en plannen voor een meer sociale en rechtvaardiger samenleving. Dat is een enorme klus.

Het vertrouwen in de PvdA zal vooral van onderop hersteld moeten worden. Dat begint op lokaal niveau. Heel goed weten wat daar speelt is een eerste vereiste. Juist daar de PvdA weer sterk maken zal ertoe bijdragen dat het contact met onze achterban weer hersteld wordt en wij weer geloofwaardig worden. Ik geloof dat Nelleke Vedelaar met haar lokale ervaring daarop het beste is voorbereid. Zij kan verbindingen leggen met al die mensen die ook geloven dat een werkelijk sociale samenleving mogelijk is. Zij weet dat dit een belangenstrijd is die ook in de kern moet worden aangegaan. Als bestuurder is zij een klassieke vertegenwoordiger van het wethouderssocialisme. Of het nu gaat over zorg, opvang van vluchtelingen of huisvesting; telkens zoekt zij bondgenoten om samen sterker te staan in de strijd voor al die mensen die op de PvdA rekenen.

Ik mocht met Nelleke Vedelaar samenwerken in de programcommissie voor het nieuwe verkiezingsprogramma. In de politiek gaat het om karakter. Nelleke heb ik daarin leren kennen als een van die personen, die op het juiste moment de wenkbrauwen fronst en het op zo’n moment niet nalaat haar vinger op te steken om een sociaaldemocratische koers veilig te stellen. Zij doet dat volstrekt autonoom, of dat nu gewaardeerd wordt of niet, en is daarin koersvast. Het is dan ook mede door haar dat dit verkiezingsprogramma vooral ook een herwaardering van onze sociaaldemocratische uitgangspunten is geworden. Het programma is daarom een niet mis te verstane breuk geworden met de politieke inzet van de PvdA in de afgelopen jaren. Het zal voor de nieuwe voorzitter niet gemakkelijk worden. Maar als er een kans is om weer als volkspartij geloofwaardig te worden dan is voor mij Nelleke Vedelaar daarvoor de beste persoon. Een voorzitter bovendien, die voor iedereen ook herkenbaar zal zijn aan haar gulle lach en fantastische zangstem.