Categorie archief: Blog

Het zoutkristallen licht van Wim Trieller: Voorbij het ‘dansen in oneindigheid’

Wie Wim Trieller kent, weet dat zijn leven één brok energie is. Misschien is deze intensiteit wel het kenmerk waarmee hij in alle openheid bezig is, om zijn en onze wereld mooier en leefbaarder te maken. Wim maakt deel uit van de generatie, die oprecht geloofde in een positieve maakbaarheid van onze samenleving. Zijn inspanningen zijn gebaseerd op het ideaal, waarin mensen zichzelf kunnen zijn maar ook met elkaar een verbinding aangaan.

Wim Trieller heeft geknokt voor een betere wereld, te beginnen in Almere. De verschillende rollen, raadslid, wethouder, ja ook projectontwikkelaar, voorzitter van het OBA en Vis A Vis, waren voor hem voertuigen om inhoud te geven aan zijn idealen. De inzet van Wim was mateloos en werd nooit beperkt geworden door een tijdsgrens. Het was en is met Wim Trieller altijd dansen in oneindigheid.

Ik denk dat veel mensen dit ‘dansen in oneindigheid’ zullen kunnen herkennen. Maar zeker, zij die gedreven zijn door idealen, beginnen iedere dag weer opnieuw om ongeremd betekenis te geven aan de dag van morgen en overmorgen.

Het is fascinerend hoe het begrip van oneindigheid als vanzelfsprekend deel is van ons dagelijks leven. Maar voor iedereen wordt alles anders wanneer het begrip eindigheid niet meer een abstractie, maar een voelbare realiteit is geworden. Vanaf dat moment, verandert er iets fundamenteel in de dynamiek van je bestaan. Dan is het niet meer mogelijk om je onder te dompelen in het bad van de grenzeloosheid. Nee, vanaf dat moment gaat het altijd ook om eindigheid, om de tijd die nog resteert. Het is dan onvermijdelijk dat je de vragen, die met de eindigheid samenhangen, moet doorgronden.

Toen bij hem het moment kwam waarin het onbewuste oneindige op heftige wijze werd vervangen door het bewustzijn van onze eindigheid, zou Wim zichzelf niet zijn wanneer hij ook deze levensfase in woorden zou te willen vangen. En bij hem worden woorden gedichten.

Ik neem de vrijheid dit te illustreren met twee gedichten:

plotseling is er
een diepe leegte

de tijd verziekt
uit handen gevallen

in een ruimte verkleind
tot een tafel en een bed

in een witte kamer
met de rug tegen de muur

staat de beklemming
hoe blijvend het is

voor altijd anders
totaal anders

een komende tijd

Het is niet gangbaar om de overgang van onze onbewuste, maar wel gekoesterde‘ oneindigheid’ in de bewuste en vaak gevreesde eindigheid tot een gesprek van alledag te maken. Als het al gebeurt, zal het vooral abstract zijn en gaat het over anderen. Toch is het deel van het leven zelf. Of in de woorden van Wim ‘voor altijd anders, totaal anders, een komende tijd’. Nog indringender wordt wanneer het gaat om ‘die ene seconde’ dat alles anders wordt.

Het ogenblik
tussen vergankelijkheid
en eeuwigheid

dat je naam
nog antwoord
geeft
sterft
alleen en 
ongrijpbaar

alles in
die ene 
seconde

Ik vind het fascinerend hoe Wim Trieller, in zijn nieuwe dichtbundel Het zoutkristallen licht, ons meeneemt in zijn overstap van oneindigheid naar eindigheid. Met het uitbrengen van deze gedichtenbundel laat hij ons zien wat ons allen te wachten staat. Eindigheid kent namelijk geen ongelijkheid. Hij maakt ons daarvan bewust, op een heel directe manier, maar nooit choquerend. Sterker, ook in deze tijdsperiode ontstaat er, zoals blijkt uit zijn gedicht Het Kristallen licht, nog vaak een nieuw perspectief.

ontwaakt uit een nacht
waar men nooit eerder was
hoe onzegbaar nabij
de nacht
met storm en duisternis
totdat de wind ging liggen
en de wind ging liggen
en het licht verschoonde
men zou het een grote schoonmaak kunnen noemen
ramen open, het oog ziet
het zoutkristallen licht,
men ademt de zee
de wedstrijd nog niet
beëindigd

http://www.almeredezeweek.nl/widgets/2164-nieuws/nieuws/1496475-po-euml-zie-heelt-alle-wonden-wim-trieller-publiceert-het-zoutkristallen-licht

 

 

Dankwoord gehouden tijdens de uitreiking van het eerste exemplaar van de dichtbundel Het zoutkristallen licht van Wim Trieller op 10 maart 2019 op de locatie van het Toneelgezelschap Vis á Vis in De Rode Haring. De dichtbundel kan worden besteld bij wimtrieller@gmail.com

“Ons land noemen wij het”, Frank Meijers, ontdekkingsreiziger in Oosterwold (1965-2019)

Vlnr: Adri Duivesteijn, Frank Meijers, Ivonne de Nood en Jacqueline de Ruiter. Foto: Marit Geluk

Een In Memoriam over Frank Meijers door Adri Duivesteijn op basis van een wandeling in Oosterwold op 29 juni 2016 met citaten uit geluidsopnamen van Marit Geluk.

Het was zaterdag 19 januari jl. toen filmmaker Marit Geluk mij belde met het afgrijselijke nieuws dat Frank Meijers die ochtend in de bossen van Oosterwold door een noodlottig ongeval om het leven was gekomen. Op zondag zou Marit’s film ‘De spelers van Oosterwold’ voor het eerst in Almere worden getoond in de bioscoop Kinepolis. De zaal (550 plaatsen!) was al weken uitverkocht. Veel van de aanwezigen zijn uit het Oosterwold afkomstig. Het was Frank Meijers, samen met zijn vrouw Jacqueline de Ruiter, die aan het begin stonden van een voor Nederlandse begrippen ongekende gebiedsontwikkeling. Terecht werd de premiere van de film wegens het overlijden van Frank Meijers uitgesteld naar zondag 3 februari a.s.

Ik ontmoette Frank Meijers op 29 juni 2016 toen ik met Ivonne de Nood, gebiedsregisseur Oosterwold 2015-2018), in Almere kwam kijken naar de eerste veranderingen in het maagdelijke polderlandschap van Oosterwold. Hier in Oosterwold zouden niet meer de projectontwikkelaars en woningcorporaties het gebied ontwikkelen, maar zijn het de mensen die de stad maken. Terugluisterend naar de audio opname die Marit Geluk heeft gemaakt van mijn ontmoeting met Frank Meijers, herbeleef ik onze ontmoeting en word ik opnieuw meegesleept door zijn openheid, spontaniteit en enthousiasme die hij wist te combineren met een scherp inzicht in de essentie van wat een organische gebiedsontwikkeling juist ook van de mensen zelf vraagt die deze uitdaging aangaan. In dit IM laat ik vooral daarom Frank Meijers aan het woord, want in zijn toelichting op hun eigen wooninitiatief dringen wij door tot wat in de kern Oosterwold is.

Frank Meijers: “Wij wilden naar buiten, Jacqueline wilde graag naar buiten, wij zijn de stad een beetje zat. De kinderen zijn nu zover dat ze naar de middelbare school gaan. Wij vinden de stad niet echt een perfect decor voor hun verder opgroeien. Wij wilden naar buiten toe, Jacqueline had al een tuin maar wilde meer ruimte. Wij hebben heel lang gezocht of wij ergens in Nederland iets konden vinden dat ons bevalt, maar we hebben gewoon niets kunnen vinden in al die twee jaar. Wij zoeken ruimte om ons heen, wij willen ook vrijheid, wij willen ook een groot huis kunnen neerzetten en dat is zeer lastig. Wij hebben wel plekken gevonden maar daar mag je dan maar 200 kubieke meter huis bouwen. Echt van die rare regels, echt midden in het landschap, gewoon midden in de natuur, niks om je heen en dan mag je maar 200 kubieke meters bouwen. Waarom? Wie is hiermee geholpen, welk probleem wil je hiermee oplossen? En dat is dan volstrekt onduidelijk, gewoon.”

Anders dan in de rest van Nederland, heeft Almere, Zeewolde samen met het Rijksvastgoedbedrijf (RVOB) van de Rijksoverheid en de Provincie Flevoland voor de ontwikkeling van Oosterwold gekozen voor een stedenbouw die een organische ontwikkeling van onderop mogelijk maakt. In Oosterwold geldt daarom het Almere principe “mensen maken de stad’ met de kernwoorden ‘zelfbeschikking’, ‘zelforganisatie’, ‘zelfbeheer’ en ‘zelfvoorzienend’. Burgers kunnen intekenen op de verwerving van grond om hun eigen idealen, fantasieën en dromen over hun eigen wonen zelf inhoud te geven. Hoe? Zeker, is dat het altijd een programmatische combinatie is van wonen, werken, landbouw en landschapsontwikkeling. De vorm? Hier is iedere initiatiefnemers vrij is om daaraan inhoud te geven. Het is het geheim van Oosterwold dat zich dus stukje bij beetje aan ons openbaren.

Frank Meijers: “Jacqueline kwam op de Noordermarkt in Amsterdam onze bloemenman tegen Zij vertelde dat ons zoeken naar een geschikte locatie al twee jaar op niets was uitgelopen. Nou, dan moet je een keer in Almere gaan kijken, daar hebben ze een nieuw project. Wij zijn toen direct wezen kijken, dat was rond de kerst in 2014. Nou in januari zaten wij bij Ester Geuting de toenmalige gebiedsregisseur van Oosterwold, en al in april hebben wij onze vergunning aangevraagd. Wij vonden het zo geweldig, we hebben meteen doorgepakt. Doordouwen, en nu dit dan (Frank wijst op hun woning, hun kas en hun land). Wij wilden zo snel mogelijk de vergunning over de muur gegooid hebben, alle aanvullingen komen daarna wel. Als ze maar vaart maken. En wat ik ook ontzettend leuk vind, dat wij hier straks niet in een eenvormige wijk wonen, maar dat je gewoon allemaal mensen om je heen hebt, mensen die net zoals wij dit leuk vinden, je hebt hier wel iets gemeen. We hadden misschien ook wel ergens anders eens een boerderij gevonden waar wij wat mee zouden kunnen, maar dan woon je in een buurt, waar je waarschijnlijk in de komende dertig jaar met de nek wordt aangekeken, want je komt toch uit de stad. Hier kennen wij al meer mensen om ons heen, dan wij waarschijnlijk ergens anders zouden gaan leren kennen, en wij wonen hier nog niet eens.”

Oosterwold, 29-06-2016 – Foto: Marit Geluk

Frank en Jacqueline waren beiden, juist door hun zoektocht naar een geschikte locatie, ervan doordrongen dat er voor de realisering van hun dromen, in ons zo geordende Nederland, maar heel weinig kansen waren. Zij wisten ook dat dromen alleen realiteit worden wanneer je ook bereid bent om je in te spannen om ze uit te laten komen. Daarvoor is intellectuele denkkracht en fysieke arbeid nodig. Voor hen was Oosterwold dan ook de kans om in hun wonen existentieel te zijn.

Frank Meijers: “Dat bevalt ons hier erg, de creativiteit. Het is toch veel leuker om iets te doen wat je zelf bedacht hebt, in plaats van iets in te vullen wat een ander bedacht heeft. Dit is veel leuker, je doet het met veel meer liefde. Ik vind het ook mooi dat wij ergens echt in kunnen investeren en dat nu ook heel duurzaam kunnen doen. Zulke muren, alles met de beste materialen, dit staat er over honderd jaar ook nog, of tweehonderd jaar wellicht. Het is zo goed wat hier gebouwd wordt. Als ik dat vergelijk met wat ik overal gebouwd zie worden, dat wordt afgeschreven in, zeg het maar, vijftig jaar hooguit, misschien nog wel minder. Grote torenflats, kantoorgebouwen worden in twintig jaar alweer opengehaald, nog een keer een nieuw geveltje erin, en na veertig jaar worden ze afgebroken, verschrikkelijk!”

Franks enthousiasme roept bij mij opnieuw de vraag op wanneer onze politici en stedenbouwers nu eens gaan inzien dat burgers meer zijn dan woonconsumenten?  Zij kunnen een einde maken aan de – eenzijdige – winstmaximalisatie die ons wonen nu zo kenmerkt? Wanneer wij echt willen dat het wonen weer van mensen zelf wordt, dat wij – net zoals Frank en Jacqueline – echt woonproducenten kunnen zijn, dan zullen bestuurders en hun ambtelijke medewerkers, stedenbouwers en architecten, de zelfbouwers moeten gaan faciliteren. Nu moeten zelfbouwers, de geweldige ontdekkingsreis die ons eigen wonen ook is, vooral zichzelf aanleren om daarin samen sterker te zijn.

Frank Meijers: “Ik ben advocaat, toezichthouder en gerechtelijk deskundige. Maar eigenlijk wil onze ervaringen delen. Ik ga kijken of ik mijn diensten kan aanbieden. Ik ben bezig met mijn blog dat jullie misschien wel hebben gezien. Deze is er opgericht om de drempel om hier te gaan bouwen zo laag mogelijk te houden. Ik deel alle informatie die ik heb. Ik heb geen commerciële belangen nog bij die site. Ik ben natuurlijk ook een beetje een voorvechter, dus ik heb ook als eerste alle nieuwe informatie. Mijn site wordt heel veel gelezen, de beste dag was tweeduizend kijkers, gemiddeld haal ik er vijf, zeshonderd clicks op één dag. Ik heb bijna tweehonderdduizend bezoekers. Er komen veel mensen bij mij, die niet direct naar de gebiedsregisseur gaan, om vragen te stellen en dan help ik ze met liefde, maar ik zou het ook leuk vinden als ik daar wat meer mee kan. Ik zie dat ik heel veel kennis en ervaring heb, maar ik wil dat ook voor mijzelf, mijn eigen kwaliteiten, ik kan dat gewoon, ik vind dat leuk. Dan zit ik ook wat meer tegen het bouwen aan in plaats van voor de PC hangen met juridische stukken. Dat kan ik wel, maar ik vind het minder charmant.”

Op nieuw realiseer ik mij dat wij over het wonen, hoewel een van de meest primaire levensvoorwaarden, oneindig vrij kunnen fantaseren. ‘My home is my Castle’, zeggen de Britten. In de Schilderswijk waren ‘de krotten van binnen paleisjes’. Juist dit dromen over ons eigen wonen staat los van rangen en standen. Voor iedereen geldt dat wonen een plek in bezit nemen is. Maar juist dat is in ons land zo weinigen gegeven, om echt in vrijheid het eigen wonen vorm te geven. Maar praat met hen die het geluk hebben hun eigen huis te mogen bouwen, dan ervaar je telkens weer dat deze zelfbouwers je eindeloos kunnen verhalen, over hoe hun toekomstige woondomein eruit zal komen te zien. Zo ook bij Frank en Jacqueline.

Frank Meijers: “Dit wordt het, ja, ik vind het natuurlijk heel mooi” – Foto: Marit geluk

Frank Meijers: “Dit wordt het, ja, ik vind het heel natuurlijk heel mooi, want wij hebben zelf opdracht gegeven. Hier komt nog een grote pergola, winters kan de zon eronder en zomers wordt die tegengehouden. Er komen van die zuiltjes waar de pergola op steunt, allemaal in hetzelfde mooie metselwerk, veel leuke details in het metselwerk ook, daaronder zo verticaal en horizontaal. Onze architect is van het bureau Winhov Die heeft het ontworpen, als goede vriend van ons. Wij hebben hem eigenlijk de ruime hand gegeven. Wij hebben wel ons programma meegegeven. Ik heb gezegd: wij willen zoveel kamers, wij willen ruimte. Zo willen wij boven een hele grote klerenkast zonder al die deuren van die IKEA-kastjes zal ik maar zeggen. En wij willen een grote werkplaats. Dat soort dingen heb ik opgegeven en voor de rest…, hij (de architect) doet het min of meer voor ons, en dan mag hij ook bouwen wat hij leuk vindt.”

Wij lopen van buiten naar binnen:

“Als je erin wilt dan kan misschien beter daarlangs, want dan hoef je er niet overheen te klimmen, want dan blijft je pak een beetje schoon. Het is een beetje vuil, maar je hoeft alleen maar hierop te stappen”

Frank loopt voor mij door het nog ruwe casco:

“Wij gaan hout stoken, wij zijn wat dat betreft zelfvoorzienend, CO2 neutraal, geen vervoer, dat vind ik leuk, dat vind ik lekker. Het is een goed gevoel om dat in eigen hand te hebben en niet al die auto’s te hoeven laten rijden. Mijn gevoel zegt mij dat alles wat je kunt isoleren is gewoon altijd goed. Wij hebben schapenwol in de muren, keramieken blokken, geen barsten meer in je muren. (…) Hier komen wij in een hele hoge ruimte. De plafonds zijn hoog. Daar achter is de keuken, met een grote eettafel in het midden, dat is het centrum van het huis. Dit blijft zo hoog, wij zitten hier aan de eettafel met daarboven een zuil met licht dat van boven komt. Ik ben gek op planten dus er komen hele grote planten langs de muur te hangen tot boven aan toe. En dan zit je eigenlijk weer in zo’n groene kas.”

“De woonkamer, de tv is eigenlijk bijzaak, is de essentie van het huis. Hier komt ook een grote houtkachel. En een bank, zodat je lekker voor de kachel een boekje kan lezen. (…) Ik wil in de keuken een enorme kast. Kijk, zo’n ruimte mis ik eigenlijk in ieder huis. Waar je pakken met eten, je rollen wc-papier en de machines die je in de keuken gebruikt, kan opbergen. Hier hoeft niets opgepropt te worden. Wij komen van een schip, dus ik ben het helemaal zat dat kruipen in gaatjes en geultjes en dit is eigenlijk de compensatie. Alles waar ik mij nu aan erger dat hebben wij hier over gecompenseerd. (…) Nou, en hier nog zijn twee kamertjes, een atelier en hiernaast een kantoor. Beiden met een riant uitzicht met grote ramen.”

Jacqueline de Ruiter: “Als jullie nog een zak basilicum mee naar huis willen. Wij verbouwen de klassieke Ocimum Basilicum Genovese. Ze groeien als kool in de kas.” – Foto: Marit Geluk

Buiten in de plantenkas verteld Jacqueline over haar passie: “Ik heb nu in de stad een kleine moestuin en wil meer ruimte. Mijn ouders hebben ook een moestuin dus daar komt het toch ergens vandaan. En zij vinden het hier, net als ik, fantastisch. Met deze kas en tuin hebben wij onze eigen wereld gecreëerd. Dat gaat niet in de stad, hier kom je nog veel meer bij de natuur. Heerlijk en ik hoef voor mijn moestuin nu niet meer weg. Dit is ook fysiek. Ik ben geen sportmens, dit is mijn sport. Dit is een stuk gezonder. Ik vind het mentaal ook heerlijk, je hebt helemaal je eigen gedachten, die gaan overal heen, terwijl je onkruid aan het wieden bent, speelt er nog een hele film in je hoofd. (…) ”

Voor mij was de wandeling met Frank Meijers en Jacqueline de Ruiter meer dan zomaar een moment. Toen ons team, samen met Winy Maas van MVRDV, bezig waren met onze ideeën voor de oostkant van Almere wilden wij een stedenbouw van onderop mogelijk maken. ‘Het radicaliseren van het particulier opdrachtgeverschap’ was toen de uitdrukking. De burgers, beter gezegd de mensen moeten het gaan doen. Hun energie is het geheim van de methode-Oosterwold. En ik kan nu, in 2019, niet beter de betekenis van het werk van Frank Meijers en Jacqueline de Ruiter voor Oosterwold duiden dan hoe Ivonne de Nood en ik het tijdens de wandeling in 2016 al onder woorden brachten:

“Weet je, jullie voorbeeld is zo ontzettend zoals het bedoeld was” (…)“Jullie zijn zo in hart en nieren Oosterwold pioniers. Van alle kanten, en jullie delen ook naar nieuwe initiatieven, jullie stellen allerlei kennis beschikbaar, via blogs, maar ook mensen kunnen hier altijd komen. Jullie zijn daarmee zo uitnodigend voor de anderen om aan te sluiten. Wat geweldig is dit!”

Frank Meijers bleef tot het laatst toe dienstbaar aan de ontwikkeling van Oosterwold. Op 17 januari 2019 schreef Frank Meijers op zijn website zijn laatste bericht: “Hoofdontsluitingswegen Oosterwold door de gemeente aangelegd?!”. Zijn plotselinge overlijden is een persoonlijk drama voor Jacqueline, hun kinderen en de familie. Maar het slaat ook een gat in de nog zo jonge gemeenschap in Oosterwold. Een ding is zeker met het overlijden van Frank Meijers verliest Oosterwold een pionier die meer dan wie ook begreep wat de essentie van Oosterwold is, namelijk dat je letterlijk een wereld creëert die niet alleen van jezelf is (!) maar die zich ook openstelt naar de gemeenschap eromheen.

Frank Meijers: “Maar weet je, dit proces kan niet slagen, als je niet open staat voor het ontdekken van dingen” – Foto: Marit Geluk

CD WHISPERING WOODS van AGARTHA, een uitzonderlijke muziekervaring

Agartha - dennis winter

The album “Whispering Woods” is dedicated to Willemina Sara van der Hoek. 27-2-1952 – 18-12-2017 Thank you for your endless love and inspiration your love will ring forever wherever you may be. “Your love is key.” Dennis L. Winter

In een tijd waarin onze muziekervaring gedomineerd wordt door een vaak  commerciële programmering van muzieklabels en radiostations, is een echt spontane muziekbeleving een bijzonderheid. En dat terwijl het juist deze ervaringen zijn die je plotsklaps kunnen meenemen naar een ander universum. Afgelopen 24 november mocht ik zo’n ervaring ondergaan. Mijn partner en ik waren uitgenodigd op het Landgoed Zuylenstein, om de presentatie mee te maken van de cd ‘WHISPERING WOODS’ van het muziekgezelschap AGARTHA onder leiding van Dennis Winter. Het zou een begin worden van een betoverende muziekavond en een warme herinnering aan Wil van der Hoek.

In het selecte gezelschap (ca. 25 personen) waren veel stadsvernieuwers die elkaar in de jaren zeventig en tachtig, in de strijd voor het herstel van onze steden, hadden gevonden. Wil van der Hoek was een van die veteranen van de Nederlandse stadsvernieuwing die actief waren in oude wijken in onze steden. Waar ikzelf actief was in Den Haag, was Wil van der Hoek dat in Rotterdam. En terugkijkend, hebben wij een mooie tijd gehad met resultaat. Wie kan zich nog de verpaupering van oude wijken voor de geest halen nu deze weer een prominent deel van onze steden zijn geworden? Later werden Wil van der Hoek en ik opnieuw bondgenoten in Almere. Hier ging het om een heel andere strijd. Almere was bij uitstek de stad die werd gemaakt door de min of meer anonieme opdrachtgevers van de woningcorporaties en projectontwikkelaars. Samen hebben wij ons ingezet om de bewoners van de stad het recht te geven nu het wonen zelf vorm te geven. Waar het ons in de stadsvernieuwing ging om ‘inspraak en zeggenschap’ stond nu de ‘zeggenschap en zelfbeschikking’ van het wonen centraal. In het programma IKBOUWMIJNHUISINALMERE, hebben inmiddels honderden huishoudens hun eigen huis kunnen bouwen. Na haar Almeerse periode vertrok Wil van der Hoek naar Den Haag (mijn woonplaats!) waar onder haar leiding het programma IK BOUW IN DEN HAAG tot stand kwam. Het gaf veel Hagenaars de kans hun eigen huis te bouwen. Helaas was het Wil, als gevolg van een ongeneeslijke ziekte, niet gegeven om haar werk af te maken. Zij overleed nu bijna een jaar geleden op 18 december. Wil van der Hoek was getrouwd met de componist Dennis Winter. Het was Dennis Winter die ons uitnodigde om samen met zijn muziekensemble AGARTHA, de presentatie te vieren van hun CD ‘WHISPERING WOODS’. De dertien composities op de CD, van de hand van Dennis Winter, zijn opgedragen aan Willemina Sara van der Hoek.

Het was deze avond die mij, maar ik denk ook de andere gasten, een uitzonderlijke muzikale beleving zou gaan brengen. Het gezelschap, werd door de vier muzikanten in de elegante Orangerie van het Landgoed Zuylenstein, meegenomen in een muzikale reis die zich nauwelijks onder woorden laat brengen. Zeker is, dat het een feeërieke ervaring was waarin je je even waant in een van die landhuizen, waar de heer (of was het vrouw) des huizes je verrast met heerlijke kamermuziek. Met minimale middelen en buitengewoon ingetogen speelden Anneloes Hobé (alt hobo), Ivan Nogueira (cello), Hendrikje Soethout (vleugel) en Dennis Winter (percussionist) tien van de dertien composities van de CD. De muziek van Dennis Winter straalt een mooie serene rust uit. Ja, het brengt een combinatie van mystiek en romantiek in de kamer. Vrijwel altijd is zijn muziek ingetogen (3. Water Balance), ook wanneer zij uitbundig ‘dreigt’ te worden (9. Village Man – 13. Chambre Noire). Het is die ingehoudenheid, die bijna filosoferende rust, het altijd weer poëtische dat je meeneemt naar een ander universum (4. Modern Rituals, 6. Onise, 7. June in December). Terecht is het nummer 8, ‘Whisperings Woods’, de titel van de CD. Ik vul het al luisterend voor mijzelf in: de vogels van het bos, het schemerlicht door het bladerdak, zachtjes knisperende bladeren, het ruisen van de takken en een warme vochtige lucht die – bijna beschermend – als een sensatie om je heen hangt.

Bijzonder is het om de patronen in de muziek van Dennis Winter te ontdekken. De dominantie en ingetogenheid van de alt hobo dan wel de cello. De vleugel die eigenlijk altijd ondersteunt, maar soms in stilte het initiatief overneemt en weer teruggeeft. Het is mooi hoe de vier muzikanten, of moet ik hier zeggen: de instrumenten, afzonderlijk een hoofdrol krijgen in een compositie die in zichzelf, altijd weer, één en ondeelbaar blijft. Iets dat nadrukkelijk ook het geval is in Love Paradox (11), waarin Dennis Winter het begin van zijn relatie met Wil van de Hoek, de stadsvernieuwer en de componist, beschrijft. Het is als in een tango, waar twee mensen, de aantrekkingskracht van elkaar ervarend, om elkaar heen draaien. Dat zij elkaar gevonden hebben, ‘Your love is key’, laat deze CD intens voelen.

Vaak merk ik, luisterend naar muziek van bijvoorbeeld Philip Glass, Chilly Gonzales (Solo Piano I, II, III), Chopin (Noturnes) of Satie (Gnossiennes/Gymnopédies), dat ik op zoek ga naar de stilte in de muziek. Het is deze rust in muziek, die mij het meeste aanspreekt en mij letterlijk nieuwe ruimte geeft. Zonder voorbehoud kan ik zeggen, na velen malen te hebben geluisterd naar de composities van Dennis Winter op de CD WHISPERING WOODS, dat het de stilte is die mij in zijn muziek aanspreekt. Het is daarin zijn innerlijke rust die mij inspireert en mij telkens nog indringender laat luisteren. De stilte in de muziek van AGARTHA verdient het om gehoord te worden. Zonder voorbehoud, zeg ik dat dan ook, neem even de rust om te luisteren. Naast het genot krijgt u er veel ruimte voor terug.

Voor informatie over de muziek van AGARTHA kunt u schrijven naar dennis@majazzu.com

Adri Duivesteijn, Den Haag, 7 december 2018

Stationsbuurt Den Haag, waar onder de handen van stratenmakers een metamorfose ontstaat

Een metamorfose, in Den Haag gebeurt het in de Stationsbuurt, waar onder de handen van stratenmakers, de wijk wordt betoverd met een nieuwe bestrating. Een bestrating, die net als de gehele binnenstad valt onder het regime van het plan: ‘De Kern Gezond’. Het is een waar feest om te zien hoe de oude verkeersgoot van het Station Holland Spoor tot aan het hart van de binnenstad (ter hoogte van de Bijenkorf), onder de naam ‘De Loper’, meter voor meter wordt omgetoverd in een gracieuze publieke ruimte. De stratenmakers worden door de Stationsbuurt beloond met een Spaanse Paella. 

De Stationsbuurt in Den Haag heeft voor mij een bijzondere betekenis. Niet alleen omdat ik als kind al gegrepen werd door de magie van het Huijgenspark, ik er al sinds 1978 woonachtig ben, maar ook omdat ik bij de start van mijn wethouderschap voor de Stadsvernieuwing in Den Haag (3 november 1980) direct in conflict kwam met het ambtelijk apparaat over een tijdige afronding van het bestemmingsplan Huijgenspark e.o. Het was de tijd dat de woonfunctie van de wijk bedreigd werd met een vijftal initiatieven van vnl. louche projectontwikkelaars die een aantal karakteristieke panden wilden slopen voor kantoren. Bij gebrek aan een bestemmingsplan konden zij dat doen. Om de dreigende sloop te kunnen keren wilde ik het bestemmingsplan versneld ter visie leggen. ‘Dat kan maar dat gaat dan ten koste van andere stadsvernieuwingsgebieden’, kreeg ik dreigend van de zittende gemeentelijke projectleider van de Dienst Stadsontwikkeling te horen. Tegen zijn zin in schakelde ik daarop een extern bureau in om ‘zijn’ bestemmingsplan alsnog op tijd ter visie te kunnen leggen. Een noodzakelijke  beslissing omdat hiermee het gemeentebestuur het recht kreeg om de ongewenste sloop tegen te gaan. Alleen met deze bescherming kon de de stadsvernieuwing pas echt goed beginnen.

De Stap voor stap moest de buurt worden terugveroverd. Bewoners, ondernemers en de gemeente Den Haag hebben gedurende de daarop volgende veertig (!) jaar kosten nog moeite gespaard om de Stationsbuurt in haar oude glorie te herstellen. Evident is het verval van de oude Stationsbuurt gekeerd maar vreemd genoeg bleef een echte ‘gentrification’ uit. Een herstel dat in verschillende delen van de historische binnenstad wel op gang is gekomen. Een belangrijk verschil daar was dat het in 1988 goedkeurde plan ‘De Kern Gezond’ . Een plan voor de herinrichting van de openbare ruimte van de binnenstad van Den Haag dat in de tijd van het Haagse progressieve College (1986-1989) werd voorbereid en vastgesteld. Het succes van dit plan was zo groot dat de achtereenvolgende gemeenteraden en Colleges, van verschillende politieke samenstelling, in de wijken om het historisch centrum zijn doorgegaan met het gedachtegoed van De Kern Gezond. Zo werd voor de Stationsbuurt en het Oude Centrum het plan ‘De Loper’ ontwikkeld. het is een omvangrijk herinrichtingsplan dat het Station Hollands Spoor met het hart van Den Haag moet gaan verbinden.

En warempel nu de uitvoering ter hand is genomen ontstaat, onder de handen van de noeste arbeid van de stratenmakers, een fenomenale metamorfose in beide wijken. Het is ronduit betoverend hoe de herinrichting van een sleetse openbare ruimte de wijk haar rijke oude glorie kan teruggeven.  Plotseling zien wij dat de oude structuur van de Stationsbuurt, met haar veelvoud aan particuliere panden uit de 19e eeuw, wordt gerehabiliteerd. Alles komt weer in het juiste perspectief te staan. Ja, ik durf zelfs te stellen dat binnenkort het vertoeven in de vernieuwde stationsbuurt feeëriek zal zijn. En ik verwacht dat met deze metamorfose ook de kwaliteit van het winkelbestand snel zal kunnen gaan toenemen. Waar de nu kleine middenstanders maar met moeite hun hoofd boven water kunnen houden kan deze nieuwe openbare ruimte net dat positieve duwtje geven in het noodzakelijke economisch herstel van deze hoofdstraat. Ja, de impuls van deze vernieuwing is, voor de ondernemers al zo voelbaar dat zij de stratenmakers , op de werkplek, beloonden met een smaakvolle Paella van het  Spaanse restaurant La Rana dat mooi gelegen is in het hart van de Stationsbuurt.

Voor de bewoners is de aanleg van De Loper een glorieuze afronding van een veertig jaar durende strijd voor de stadsvernieuwing van de Haagse Stationsbuurt. Maar ook voor de politiek, de gemeenteraad, het college van Burgemeester en wethouders is het een bewijs dat de publieke ruimte ten behoeve van de bewoners en de ondernemers kan worden terugveroverd. Wij allen kunnen er trots op zijn.

Kom snel kijken naar De Loper in de Stationsbuurt in Den Haag want het inspireert. En als u er toch bent  ga dan zeker ook naar Spaanse Restaurant La Rana  dat voor ‘tout de La Haye’ al decennia lang een culinaire belevenis is. 

Adri Duivesteijn, Den Haag, Stationsbuurt, 6 oktober 2018.

In Memoriam: Yap Hong Seng, een hartstochtelijk stedenbouwer

Op donderdagmiddag 2 augustus jl. overleed de stedenbouwkundige Yap Hong Seng, Ik kwam Hong Seng voor het eerst tegen gedurende de beginjaren van mijn wethouderschap in Den Haag. We hebben het dan over het begin jaren 80. Ik leerde hem kennen wegens zijn betrokkenheid bij de Vierde Nota voor de Ruimtelijke Ordening (VINO). Het was voor het eerst dat in het nationaal ruimtelijk beleid, onder leiding van de VVD minister Ed Nijpels,  de stad weer op de kaart werd gezet. Na een decennia lange  dominantie van het spreidingsmodel waardoor de steden van binnenuit werden uitgehold was er dan nu de rehabilitatie van de stad. Het was het onderwerp waarvoor ik, wonend in de Schilderswijk, al vanaf mijn jonge jaren actie voerde. Mijn wethouderschap voor de PvdA was hiervan een logisch vervolg, waarbij het actie voeren gewoon doorging maar dan nu in concrete bestuurlijke daden. De steun hiervoor vanuit de nieuwe VINO nota was meer dan welkom. En ik weet nog dat ik bij de presentatie van de VINO in de raadszaal van Almere mocht spreken (niet wetend dat ik er ooit nog eens wethouder zou gaan worden!). Yap Hong Seng was voor mij vrijwel direct een fascinerende persoonlijkheid. Hij had het vermogen om door het stellen van vragen zijn positie ten opzichte van de ander te bepalen. De ander werd uitgedaagd om zijn keuzen te onderbouwen en naar hem toe onder woorden te brengen. Het is deze manier van functioneren die mij vervolgens mijn hele werkzame leven, bij al onze ontmoetingen, dienstbaar is geweest in het scherpen van mijn opvattingen over de stad en het nationaal ruimtelijk beleid. Door onze gesprekken voelde ik een bondgenootschap in de strijd voor het herstel van de stad. De huidige generaties kunnen het zich, vrijwel zeker, niet meer voorstellen maar het was de tijd dat onze steden in verval waren. Aan het begin van de jaren tachtig waren de oude wijken in Den Haag letterlijk verpauperd en was de ontwikkeling van de Haagse binnenstad in het slop geraakt. Een ding wist ik zeker, er moest een eind komen aan de city-vorming die desastreus was voor de oude organisch gegroeide stad. De vraag was echter niet waar wij tegen waren, maar wat de weg naar het herstel was.

Yap Hong Seng is in de ware zin van het woord een steunpilaar geweest in mijn eigen professionele functioneren. Hij kon onder woorden brengen wat ik vaak vooral intuïtief zag. Dat was dan ook de reden waarom ik hem op cruciale momenten vroeg om met zijn inzichten bij te dragen aan de ontwikkeling van het beleid in Den Haag. Zo nam hij deel aan de werkgroep Brokx (oud-CDA staatsecretaris van Volkshuisvesting) die een visie moest ontwikkelen voor de Haagse Binnenstad. Hun rapport ‘Hart voor Den Haag’ werd de ‘ideologische’ basis van het herstel van de binnenstad. De visie die toen is geformuleerd is zelfs letterlijk tot uitvoering gekomen en overal zichtbaar in het Den Haag van vandaag.

Hong Seng was in 1986 ook lid van de Beoordelingscommissie Herweijer, die de stadhuisplannen aan het Spui voor Den Haag moest gaan beoordelen. Het voornemen tot verplaatsing van het stadhuis had veel tongen losgemaakt en had veel medestanders, maar vooral ook veel luidruchtige tegenstanders. Het beoordelingsrapport – nog altijd ten onrechte beschouwd als jury-rapport – bevatte een advies over wie het plan moest uitvoeren, een advies dat werd niet opgevolgd. Maar, veel belangrijker was het feit dat de Commissie Herweijer de gedachte om het stadhuis naar Het Spui te verplaatsen onderbouwde. Hong Seng was daarin de drijvende kracht. Wat intuïtief was begonnen moest nu, vond hij, professioneel worden onderbouwd en gelegitimeerd. Met deze actie verbond hij het idee van het stadhuis met het gedachtengoed van de Vierde nota en de Vinex. Hiermee kreeg het stadhuis aan het Spui zijn inhoudelijk fundament binnen het nationaal beleid voor de stad. In de woorden van Hong Seng: ‘niet de keuze voor een bepaald plan maar de realisering van het idee is doorslaggevend voor het herstel van de Haagse Binnenstad’. De waarde van juist deze ondersteuning was enorm in een stad waarover de toekomst van de binnenstad al decennialang een richtingen-strijd gaande was, binnen zowel het vakgebied van de stedenbouw (Dienst Stadsontwikkeling) als de Haagse gemeenteraad. De stroming die Hong Seng vertegenwoordigde heeft daarin gelukkig glorieus gezegevierd. Voor wie de echte impact wil doorgronden raad ik aan om een oude foto van de binnenstad van Den Haag te leggen naast die van vandaag. Lees dan vervolgens de twee hierboven aangehaalde documenten en zie wat ervan is gerealiseerd. Hong Seng refereerde in 2015, bij zijn afscheid als directeur van het Bureau PAU, terecht met trots aan zijn Haagse daden.

Hong Seng is, ook na mijn Haagse periode, altijd een terugkerend klankbord geweest. Als bestuurslid van het Nederlands Architectuur instituut steunde hij mij niet alleen als directeur, maar hij dwong mij ook iedere keer weer om inhoudelijk te onderbouwen waarom ik een bepaalde richting op wilde gaan. In mijn tijd als lid van de Tweede Kamer was ik voorzitter van de parlementaire commissie die de VINEX ging evalueren. Een van de deelstudies was in handen van het Bureau PAU te Groningen. Doel was inzicht te krijgen hoe de besluitvorming over de nooit afnemende groei van Schiphol was ingebed in het Nationaal Ruimtelijk Beleid. Zij die vandaag kanttekeningen plaatsen bij de ontwikkeling van Schiphol raad ik aan om het rapport van Yap Hong Seng er nog eens op na te slaan.

Het is bijzonder hoe sommige mensen op een niet dominante manier een nadrukkelijke invloed in je leven kunnen hebben. Hong Seng was er bij mij zo een die op alle momenten van mijn professionele leven aanwezig is geweest. Wij kwamen elkaar telkens weer tegen dan wel zochten wij elkaar op. Het was een relatie waarin het altijd ging over de toekomst van de stad, over het vak en hoe dit daaraan dienstbaar kon zijn. Nooit ging er tijd verloren, met Hong Seng was alles productieve energie. Helaas kreeg ons contact de laatste jaren ook een meer persoonlijk karakter. Beiden werden wij geconfronteerd met een ingrijpende lichamelijke ziekte. Wij deelde de ervaringen van het wegvallen van de oneindigheid van het leven. Maar evenzeer over onze afhankelijkheid van goede medische zorg die nu uit de handen van een andere geheel professie zou moeten komen. En eerlijk gezegd, werd juist ons contact een steun. Gewoon omdat het gesprek niet belast was met de angst voor het ziek zijn, maar met de vraag hoe hiermee om te gaan in het dagelijks leven. Een dagelijks leven waarin de toekomst van de stad in ons discours nog altijd onverminderd belangrijk bleef. Wij bleven elkaar inhoudelijk voeden en soms zelfs van ons eigen gelijk overtuigen.

De laatste keer dat ik dit deed, was toen ik Hong Seng begin juni uitnodigde om op 29 juni jl. een ‘werkbezoek’ af te leggen in de (anti-)stad Almere, waar ik van 2006 tot en met 2013 wethouder was. Ik had een groep bevriende vakgenoten uit de architectuur en de politiek uitgenodigd om met mij proefondervindelijk te gaan kijken naar wat er terecht gekomen was van het Almere Principe ‘Mensen maken de Stad’. Samen kijken naar het particulier opdrachtgeverschap in het Homeruskwartier, bij de Urban Greeners die op het Floriade-terrein werken aan een nieuw concept voor ‘Growing Green Cities’ en naar de nieuwe pioniers in Oosterwold waar in Almere-Oost en Zeewolde een voor Nederlandse begrippen uitzonderlijke vrijheid bestaat om letterlijk inhoud te geven aan het eigen wonen, werken en leven. Hong Seng, toen al zeer ziek, was er op mijn uitdrukkelijke uitnodiging bij. En hij wilde er ook zelf heel graag bij zijn. Het werd onze laatste ontmoeting. En opnieuw, ziek of niet ziek, ging het over (ik durf nu te zeggen) ons vak: het maken van de stad. In het verhaal van Henk Meijer (vml. directeur Structuurvisie Almere 2.0) miste hij de vroegere stedenbouwkundige prent die ooit door Teun Koolhaas, buiten de invloedssfeer van de Rijks Planologische Dienst, voor Almere was getekend: ‘toen is het fout gegaan!’ zei de man die verantwoordelijk was voor ‘de compacte stad’ gedachte in de Vierde Nota Ruimtelijke ordening. Om vervolgens te genieten van hoe in Almere de mensen, inmiddels van hun ‘slaapstad’ een echte – compacte maar nog altijd groene – stad maken.

Het is een gek idee dat wij elkaar niet meer zullen bellen, elkaar niet meer kunnen spreken. Ik zal Hong Seng, ook omdat het zo persoonlijk werd, pijnlijk gaan missen. Bondgenoten en lotgenoten, als het dan toch zo moet zijn, was het voor ons ook een mooie combinatie!

Ik wens vooral zijn dierbaren heel veel sterkte toe met het verlies. Weet dat binnen het vakgebied van de stedenbouw heel veel vakgenoten Hong Seng zullen gaan missen. En weet ook dat het herstel van onze steden mede door de invloed van het gedachtengoed van Hong Seng zo’n positieve vlucht heeft kunnen nemen.

Adri Duivesteijn, Venetië, 7 augustus 2018

De wooncoöperatie, al 100 jaar in de Haagse Papaverhof

Al meer dan 100 jaar is ons woningstelsel vooral van professionals en zijn de bewoners slechts huurders. Steeds meer tekent zich het verlangen af bij bewoners om zelf verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor de eigen woon- en leefomgeving. Dat gaat niet vanzelf. Daarom vindt er onder de titel ‘De Wooncoöperatie, die komt er wel!’ op 28 mei 2018 in de oude Tramremise van Den Haag het tweede congres plaats over de positie van de Wooncoöperatie binnen ons woonstelsel. De verwachting is, dat de minister van Wonen Kajsa Ollongren uiteen zal gaan zetten op welke wijze zij, de in het regeerakkoord opgenomen paragraaf inzake de bevordering van wooncoöperaties, inhoud zal gaan geven. Dat is een belangrijk moment, want dan zal ook duidelijk worden of ons woonstelsel in de toekomst ook echt van de bewoners zelf zal kunnen gaan worden. Hoe dat in de praktijk zou kunnen gaan werken, laat de Haagse Coöperatieve woningbouwvereniging Tuinstadwijk Daal en Berg zien. Een eclatant voorbeeld dat al 101 jaar (!) een groot succes is. Daarom hier een uiteenzetting van dit geweldige voorbeeld van zelfbestuur van bewoners in hun eigen wooncomplex.

Een van de meest poëtische woonplekken in Den Haag is de Papaverhof in de Bloemenbuurt. De Papaverhof is het centrum van een wooncomplex van zo’n 128 woningen dat in 1917 is ontworpen door de architect Jan Wils en is een vroeg voorbeeld van sociale woningbouw. Om het aantal woningen voor deze groep te optimaliseren is door de architect gekozen om, de in die tijd veel gebruikte, rug aan rug woningen toe te passen. De uitdrukking ‘rug aan rug’ alleen al, zal bij een aantal mensen de wenkbrauwen doen fronsen, omdat deze woningen, in tegenstelling tot de doorzonwoning, een éénzijdige oriëntatie hebben. Hier echter laat de kwaliteit van de architect Jan Wils zich gelden. Hij ontwikkelde een type rug aan rug woning die op ingenieuze wijze tweezijdig is en dus optimaal kan profiteren van het licht. Enkel al de gracieuze plattegronden, maken het de moeite waard om het wooncomplex met eigen ogen te gaan bekijken. Maar ook de Papaverhof zelf is een sieraad. De binnentuin is echt dé ontmoetingsplek voor alle bewoners, maar bovenal een aangename en feeërieke plek voor kinderen om onbezorgd te kunnen spelen. De architectuur van dit sociale woningbouwproject, is van een uitzonderlijke kwaliteit, het is een parel van de Haagse nieuwe zakelijkheid. Naast Jan Wils was Theo van Doesburg verantwoordelijk voor de kleurstelling van het wooncomplex, waarmee het een icoon is geworden binnen het oeuvre van De Stijl. Het wooncomplex is dan ook in 1986 aangewezen als een rijksmonument. Het wooncomplex is opgenomen in de internationale lijst van Iconic Houses. In 2017 vierden de trotse bewoners het honderd jarig bestaan van het wooncomplex met een rijk geïllustreerd jubileumboek ‘De Papaverhof van Jan Wils’ van nai010uitgevers.

1917- 2017: De Wooncoöperatie, die is er al 100 jaar in de Papaverhof in Den Haag

Maar wat misschien nog wel meer bijzonder is dan de architectuur van het project, is de oorsprong van het wooncomplex en het beheer ervan in haar honderdjarig bestaan. De Papaverhof is namelijk, anders dan wat gangbaar is in ons land, in 1917 gerealiseerd door een wooncoöperatie waarin de zittende bewoners alle zeggenschap hebben. De Coöperatieve Woningbouwverenging Tuinstadwijk Daal en Berg is eigenaar van alle woningen, maar toch zijn er onder de bewoners, zowel kopers als huurders. De geestelijk vader van deze constructie is Gerard van Otterloo. In zijn rol als lid van de Raad van Commissarissen van de Coöperatieve Woningbouwvereniging Daal en Berg, heeft hij een gelijke positie gecreëerd voor zowel de kopers als de huurders. Zo hebben de kopers een woonrecht, dat fiscaal en financieel gelijk is aan dat van een gewone koopwoning. De huurders in het wooncomplex hebben een gelijke bescherming als gewone huurders. De kopers en de huurders zijn individueel lid van de wooncoöperatie en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het huurbeleid, het beheer en het onderhoud. Zo heeft Daal en Berg een bestuur van zes personen, een duurzaamheidscommissie en een feestcommissie. Het bestuur wordt ondersteund door een Verenigingsmanager (Jaap van Dijk) , een parttime opzichter en een secretarieel medewerker (bewoonster). De boekhouding wordt extern uitgevoerd, door een bureau dat bekend is met vastgoedbeheer. Voor beheer en onderhoud zijn op diverse momenten per week en op afspraak medewerkers aanwezig en voor noodgevallen 24/7 bereikbaar. Professioneel voor de vereniging en zichtbaar, behulpzaam en laagdrempelig voor de bewoners. Jaarlijks maakt de medewerker een ronde in het complex om de staat van onderhoud in kaart te brengen. De bewoners kunnen aan het bestuur aanbevelingen doen over gewenste aanpassingen/ingrepen op het onderhoud. Het door de algemene ledenvergadering aangestelde bestuur, bestaande uit bewoners, neemt de besluiten en is verantwoordelijk voor het -financieel- beleid.

De huren van Daal en Berg variëren van circa 55 tot 90% van de maximale redelijke huur. De huur is inclusief de servicekosten van het schoonmaken van de trappenhuizen en collectief elektraverbruik. Uitzondering is een kleine vaste bijdrage voor de glasverzekering. Jaarlijks wordt de huurverhoging door het bestuur vastgesteld. Deze is gematigd en heeft als doel op korte en lange termijn kostendekkend te zijn. Sinds 2016 is besloten om te stoppen met de inkomensafhankelijke huurverhoging en krijgt elke bewoner een gelijke huurverhoging.

Daal en Berg kent vier wachtlijsten. Eén voor kandidaten van buiten de vereniging, één voor kinderen van bewoners (zij kunnen zich op hun achttiende laten inschrijven voor een woning), één voor oudere kinderen met een zorgrelatie met hun ouders, en één voor bewoners die een andere woning in het complex wensen. Dit is statutair vastgelegd en e.e.a. is bedoeld om de onderlinge binding tussen bewoners en die tussen bewoner en monument te stimuleren. Nieuwe leden beginnen veelal op de 1e of 2e verdieping van de portiekflats. Elke woning hiervan wordt verhuurd onder de huurtoeslaggrens, waardoor ze ook voor mensen met een beperkt inkomen bereikbaar zijn. Leden kunnen binnen de vereniging wooncarrière maken. Kinderen die het huis verlaten, kunnen zelfstandig in een portiekflat gaan wonen. Zodoende zijn diverse generaties woonachtig binnen de vereniging. Vooral de leden, die in een laagbouwwoning wonen, blijven daarin tot op hoge leeftijd woonachtig. Uit recente interviews met bewoners bleek dat vooral de oudere bewoners grote waardering hebben voor de unieke en rustige woonomgeving en de onderlinge sociale contacten. Men verwijst daarbij ook naar de voordelen, die de coöperatie heeft op het gebied van zeggenschap en binding met de woonomgeving en elkaar. Begin 2017 overleden twee hoogbejaarde bewoonsters. Hun as werd door de familie uitgestrooid op de door hen zo geliefde Papaverhof. Een uniek voorbeeld van binding met de woonomgeving.

Informatie Coöperatieve Woningbouwvereniging Tuinstadwijk Daal en Berg:

www.daalenberg.nl

 

Publicatie ‘De Papaverhof van Jan Wils’ – ISBN 978-94-6208-393-6

www.nai010.nl

1e -nb- Han Lammers Woonprijs Almere voor PvdA-raadslid John van der Pauw

2006 tot 2014 mocht ik als wethouder van Almere leiding geven aan de tweede groeifase van Almere. De opdracht van de Regering aan Almere was doorgroeien met zo’n 60.000 woningen naar een inwoneraantal van 350.000. Voor mij was Almere, na jaren van praten in de Tweede Kamer,  de praktijkwerkplaats waar ik kon laten zien dat een ander ruimtelijke beleid in ons land mogelijk was. Daarin zou centraal staan hoe, bij het vormgeven van een stad,  te ontsnappen aan de institutionele cultuur in ons ruimtelijke beleid en het wonen? Hoe doorbreek je de dominantie van institutioneel ‘verzorgen’ naar vormen van ‘zelforganisatie’, wat is de weg van ‘consumeren’ naar ‘produceren’?  van ‘winst maximalisatie’ naar ‘woon maximalisering’? En wat is de weg van het ‘huisvesten’ van mensen, naar het faciliteren van het ‘wonen door mensen’ zelf?

Juist in deze tijd van Collegevorming is het belangrijk voor al die kandidaten dat zij zich realiseren dat je een stad niet in je eentje kan maken. Het is geen individuele aangelegenheid. Bij het vormgeven en uitvoeren van het Collegeprogramma is het de vraag met wie je deze opdracht zal moeten gaan vervullen. Voor succes, is de samenwerking in het college en met de gemeenteraad het belangrijkste. Meer verfijnd: de kans van slagen wordt mede bepaald door je eigen fractie, en in het bijzonder de woordvoerders op je eigen portefeuille.

John van der Pauw en Cisca van Rijn

In het Almere van 2006 was de sociaal democratie een kind van zijn tijd. De fractievoorzitter Rob Beuse was, als meest dominante opinieleider, een vertegenwoordiger van de moderne PvdA. Niet persé progressief liberaal, maar zeker ook niet klassiek sociaal democratisch. Dat was anders met de eerste woordvoeder op een deel van mijn portefeuille, namelijk wonen. Hier had ik te maken met John van der Pauw, die met voorkeurstemmen was gekozen, een klassieke sociaal democraat die maar heel weinig op had met de PvdA van Wouter Bos.  Voor hem had die moderne PvdA teveel de wetten van de markt omarmd en daarmee veel van het publieke domein prijsgegeven. Dat was niet in het belang van de kiezers die de PvdA historisch vertegenwoordigden.  In 2006 was John een duidelijke exponent van het oude denken. Van het begin af aan had ik sympathie voor John van der Pauw. Voor mij vertegenwoordigde hij de oude PvdA waarmee ik was opgegroeid. Maar eerlijk is eerlijk, ook ik was inmiddels een kind van  het nieuwe denken. Ook ik geloofde niet dat de klassieke oplossingen van de oude sociaal democratie nog het enige antwoord waren op de vraagstukken van vandaag. Maar ook ik nam afstand van de neoliberale of progressief liberale lijn, die ook binnen de PvdA dominanter werd. Ik wilde onze sociaal democratische waarden vormgeven, direct vanuit de mensen zelf. Eigen kracht, zelfbeschikking waren daarin dominant. John was woordvoerder wonen, dus werd de vraag van het begin actueel: hoe gaan wij samen aan de slag?

Voor mij was het opstellen van een nieuwe woonvisie voor Almere een middel om een andere manier van  denken over het wonen te introduceren. Bij John van der Pauw, maar meer nog bij de woningcorporaties in deze stad. Het was geen geheim dat deze niet echt open stonden voor enige vorm van overheidsinvloed. Sterker zij maakten het graag helemaal zelf uit. Hoezo gemeentebestuur? Zij, de woningcorporaties, waren toch immers verzelfstandigd! Iedere vorm van invloed of regulering werd dan ook afgehouden. En zij waren daarin tot dan toe vrij succesvol. Zo was er geen huisvestingsverordening en was de behandeling van urgent woningzoekenden niet transparant. Almeerders konden niet terecht bij een onafhankelijke urgentiecommissie voor burgers. John van der Pauw en ik hadden tenminste één gemeenschappelijke doelstelling, namelijk weer greep krijgen op het wonen als publiek domein en als een instrument om sociale rechtvaardigheid en zelfbeschikkingsrecht  vorm te geven. In de samenwerking die ik met deze PvdA woordvoeder voor wonen mocht hebben heeft dat ons verbonden. Zij het, dat wij beiden daarvoor een eigen invalshoek kozen. Voor mij was dat ‘mensen maken de stad’, voor John lag de dominantie bij de zorg voor hen die ‘geholpen’ moesten worden. WONEN IS EEN GRONDRECHT is een veelgebruikte uitdrukking van John. Mensen horen niet, omdat zij een laag inkomen hebben, jaren op de wachtlijst te staan. En daar heeft hij gelijk in. In al die jaren dat ik John mocht meemaken heb ik hem leren kennen als iemand die hartelijk is, oprecht, hij veinst niet, is beschaafd en eerlijk. Maar kom niet aan zijn idealen. Kom niet aan zijn sociaal democratische inzet. En al helemaal niet aan het niet serieus nemen van de sociaal democratische opdracht om er te zijn voor mensen die steun nodig hebben. Dan ontwaakt er een andere John. Eén die strijdbaar is en volhardend zal terugvechten. Ik hou van die John, omdat hij zo goed laat zien dat niet alles onderhandelbaar is, niet alles kan worden uitgeruild. John is redelijk maar je moet niet onredelijk met hem en zijn idealen omgaan. Voorwaar een mooie en karaktervolle eigenschap die ik iedere sociaal democraat gun.

We kunnen nu, bij het afscheid van John van der Pauw terugkijken, naar de inzet van John in de jaren 2006 tot 2018 en dan kan je vaststellen, dat deze al die tijd klassiek sociaal democratisch is geweest. Hij trok daarin vaak gezamenlijk op het zijn mede-fractiegenoot Cisca Van Rijn. Twee volksvertegenwoordigers die beiden heel goed weten voor wie ze er zijn, maar tegelijkertijd zie je ook dat de mensen waarvoor zij strijden zich hebben herkend in hun volksvertegenwoordigers. John van der Pauw heeft laten zien dat het niet onvermijdelijk is dat de PvdA zich als volksvertegenwoordiger van haar achterban vervreemd. De huidige PvdA kan hiervan leren dat zij alleen bestaansrecht heeft, als zij ook daadwerkelijk inhoud geeft aan het zijn van volksvertegenwoordiger. Een partij die zichtbaar, vanuit de eigen sociaal democratische doelstellingen, strijdt voor de mensen die aan deze partij het vertrouwen hebben gegeven om hun belangen serieus te nemen.

Landdrost en volkshuisvester Han Lammers voor De Hulk aan De Haak 58-60 in Almere-Haven.

Samenvattend: Als ik de publieke carrière van John moet karakteriseren, is dat hij staat in de traditie van grote sociaal democraten die zich voor een sociale volkshuisvesting hebben ingezet. Meer dan velen mensen zich realiseren hebben zij aan volksvertegenwoordigers als John te danken dat deze stad een gedifferentieerde bevolkingsopbouw kent. Een stad waar alle lagen van de samenleving welkom zijn. Bij het voorbereiden van mijn verhaal zocht ik naar een manier om mijn waardering uit te drukken voor John als PvdA gemeenteraadslid, die juist op het terrein van het wonen zijn sporen heeft verdiend.

En die hem een plaats geeft in de traditie van de grote sociaal democraten.  Ik wilde John graag verbinden met het bijzondere werk van de eerste burgemeester van Almere: Han Lammers. Han Lammers, de vroegere controversiële wethouder van Amsterdam, de landdrost die als eerste politiek bestuurder de leiding had over de totstandkoming en de inrichting van de polder. Han Lammers, en dat is helaas niet bekend genoeg,  was een van de meeste gepassioneerde sociaal democratische volkshuisvesters die ik heb gekend. Voor mij was hij echt een inspiratie om de juist de klassieke sociaal democratische waarden te blijven verdedigen. Ik heb dus maar de vrijheid genomen om de ‘1ste Han Lammers Woon Prijs Almere’ in het leven te roepen, om daarmee in één keer twee grote Almeerders te eren: te weten Han Lammers en John van der Pauw, die voor wat betreft de passie van het wonen in zijn voetsporen is getreden. Ik zeg dan ook met overtuiging dat in het beantwoorden van de vraag hoe de PvdA opnieuw zijn plek in het hart van de kiezer kan terugwinnen, zij een voorbeeld kan nemen aan echte volkshuisvesters als John van der Pauw. De atypische uitslag van de PvdA in Almere (WINST!!!), is mede te danken, aan zijn consequente inzet voor goed wonen voor iedereen, dus ook voor de lagere inkomens.

Neerlands Hoop, je gunt dit iedere generatie

 Afgelopen weekend besloot ik, ik had de beslissing al een paar keer voor mijzelf uitgeschoven, om gisteravond (13 maart) toch aanwezig te zijn bij de eenmalige voorstelling in Carré van ‘Nederland en Vlaanderen zingen Neerlands Hoop’. Het was de al jarenlang verwachte terugblik op de succes jaren van het duo Bram en Freek in de vorm van Neerlands Hoop in Concert. Ik kan hun opkomst nog als de dag van gisteren terughalen, 1968, het jaar van de verandering, was er een doorbraak in het land van het cabaret. Neerlands Hoop veegde het gesettelde landschap aan de kant om deze opnieuw te ordenen. Als fervent cabaretliefhebber, ik interviewde Toon Hermans al toen ik 15 jaar was voor de schoolkrant, stelde ik er een eer in om zoveel mogelijk soorten cabaret te bezoeken. Deze uitdrukkingskunst sprak tot mijn verbeelding. Het reflectieve, het humoristische en het poëtische kwamen er allemaal in samen. Voor mij was Wim Kan lange tijd de top van het politiek cabaret. De wijze waarop hij een jaar kon beschouwen, de politiek kon duiden maar vooral de politicus een plek te geven of zelf op zijn plaats te zetten is nog steeds ongeëvenaard. Maar ook de niet politiek geëngageerde cabaretier kon op mijn waardering rekenen. Echter vanaf 1970, toen ook ik kennismaakte met Neerlands Hoop, werd dat anders. Het was in Diligentia, de zaal was niet uitverkocht, dat ook in mij een norm werd gezet van wat goed, middelmatig of gewoon slecht was in dit metier. De storm die de beide heren losmaakten was overweldigend en, nog veel belangrijker, het eigen denken werd van alle kanten op de proef gesteld. Neerlands Hoop was op een niet vrijblijvende wijze in staat je een spiegel voor te houden. Alles wat ‘vanzelfsprekend’ was werd onder vuur genomen dan wel bespiegeld. Voor mij had juist de diepte ervan het effect dat ik mijn eigen denken kon en ging verscherpen. Ik stelde mijzelf er meer vragen door en werd aangezet om mijn antwoorden op die (nieuwe) vragen scherper te formuleren.

1968, het zou een begin zijn van een  jaarlijkse tocht naar de theaters waar Bram en Freek optraden. Hier kreeg ik een referentiekader aangereikt waaraan ik kon toetsen waar ik zelf stond, hoe ik dacht en of de al dan niet kritische noties ook de mijne waren. Neerlands Hoop en daarna Freek de Jonge zouden voor mij blijvend een spiegel zijn waarin ik gelijktijdig naar mijzelf als ook naar de samenleving als geheel kon kijken. Het was en is een spiegel die vooral vragen aan jezelf oproept om vervolgens op zoek te gaan naar eigen antwoorden. Voor mij was deze ervaring zo uniek en zo vormend dat ik, als een opvoedkundige interventie, de laatste jaren mijn kinderen meenam naar de voorstellingen van Freek de Jonge. Ik wilde ze laten ervaren dat entertainment (cabaret) meer kan zijn dan slechts vermaakt en het volstaan met het consumeren ervan. Juist deze vorm van cabaret, hield ik ze voor, kon je een ijkpunt geven om even bij jezelf, je omgeving en de samenleving stil te staan en misschien zelfs te doorgronden. Gisteravond nam ik mijn vijftienjarige dochter mee en op weg naar Carré probeerde ik haar te vertellen van mijn ervaring in die zestiger en zeventiger jaren met Neerlands Hoop. Ongeduldig schoof ze mijn uitleg ter zijde. Ze zou het wel op haar laten afkomen, mijn uitleg vooraf was daarvoor niet nodig. En eerlijk gezegd vond ik dat ook een mooie en terechte eigenzinnige keus.

Ik wil niet ontkennen dat ‘Nederland en Vlaanderen zingen Neerlands Hoop’ een wandeling was door mijn eigen leven. Een wandeling die mij op een paar momenten ontroerde. Ieder lied, iedere conference is wel verbonden met een bepaalde fase in mijn eigen – toch ook wel dynamische – ontwikkeling en groei. Ik herkende mij helemaal in het statement van Freek de Jonge toen hij zei dat zijn probleem bij deze voorstelling was dat vrijwel de hele zaal de teksten van zijn conferenties kon souffleren. Ik kon dat ook en betrapte mijzelf erop dat ik de grappen al zag aankomen. De echte meetlat of de muziek en de conferences nog steeds hout sneden zat naast mij. Ik zag mijn dochter meegaan met de dynamiek van de voorstelling: schaterlachend, dan weer serieus en soms ook echt aangedaan. En pas toen drong tot mij door hoezeer het werk van Neerlands Hoop voor mij vooral deel van mijn geschiedenis is, het voor haar juist de duiding is deze tijd. Ik besefte toen ook hoe tijdloos het werk van Bram en Freek eigenlijk is. En hoe veelzijdig zij daarin als duo waren. Ook de inbreng van Bram Vermeulen. Want hoewel ik mij altijd een fan waande van het duo, liet de voorstelling de onmetelijke reikwijdte zien van de inbreng van Bram. De schoonheid, eigenheid en volheid van de muziek en de teksten die hij zong, lieten gisteravond zien dat Neerlands Hoop, juist in de combinatie van twee persoonlijkheden zo uniek was.

‘Neerlands Hoop in Concert’ was door de veelheid aan mooie en geëngageerde artiesten een terecht eerbetoon aan Neerlands Hoop in Bange Dagen. Veel van de muziek van het duo werd via de stemmen van Jan de Hont, Bart Peeters, Nits, Kommil Foo, Alex Roeka, Dick van Altena, Tim Knol, Paul de Munnik, Britte Maria, Bue Grass Boogiemen, Spinvis, Frank Boeijen, Mathilde Santing, Louise korthals en Yentl & De Boer op een geweldige manier opnieuw tot leven gebracht. En ja soms waren er nummers bij die misschien zelf beter werden gezongen dan het beruchte duo. Louise Korthals en Yentl &de Boer waren daar sprekende voorbeelden van. Echter, nergens werd het authentieker dan de originele uitvoeringen van Neerlands Hoop. En dat is in niets een kritiek op zij die ons een mooie avond gaven maar het laat vooral zien dat cabaret op zijn best is als alles in ieder opzicht authentiek is. Dat wil zeggen dat er een volstrekte eenheid bestaat tussen het schrijven van een tekst, het maken van muziek, en het uitdragen ervan. Juist waar cabaret zich verheft boven consumentisme en de bezoeker aanzet tot het produceren van nieuwe gedachten en inzichten. Cabaret in deze vorm is niet de performance maar het zelf zijn van de boodschap achter de tekst en muziek. Dat namelijk maakt alles tot een statement, onlosmakelijk met elkaar verbonden, en in niets vrijblijvend.

Mij rest alleen maar dankbaarheid dat ik opgroeide met de reflecties van Neerlands Hoop. Ik gun mijn kinderen en hun generatie een vergelijkbare ervaring in deze toch wel weer ‘bange dagen’. Ik weet het zeker, ze worden er sterker van.

Adri Duivesteijn, 14 maart 2018

Ps. Voor eenieder die wil toetsen wat ik hierboven beweer raad ik aan de box Neerlands Hoop in Bange Dagen Compleet aan te schaffen. Het gaat over nu!