Categorie archief: Blog

Van wie is het huis van de democratie? Of waarom de Tweede Kamer het opdrachtgeverschap in eigen hand nam

In de rol van slachtoffer wees de architect Ellenvan Loon van het architectenbureau OMA de gebruiker en in het bijzonder de leden van deTweede Kamer aan als de kwade genius achter haar gedwongen vertrek bij de renovatie van het Binnenhof. Door de anonieme kritiek op haar plannen (‘megalomaan’, ‘tropische tuinen’) zouden deze haar positie hebben ondergraven. En dat terwijl: ’deze renovatie mijn meest sobere plan ooit is’. 

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/06/renovatie-kamer-is-schimmengevecht-zegt-weggestuurde-architect-a3972522

De architect weet, nadat zij de rechten op haar plan voor 2.7 miljoen had laten afkopen, haar slachtofferschap in de media maximaal uit te venten. En het gaat erin als koek. Zo openbaarde Ellen van Loon op de televisie, in een tijd dat haar ontwerp nog staatsgeheim was, enkele uitgesproken onschuldige beelden haar plan. Wij zagen haar staan voor de vier meter brede distributieopslagplaats van de Tweede Kamer die zich recht tegenover het Mauritshuis en het Torentje van de premier bevindt. Deze inferieure ruimte zou in haar plannen worden omgetoverd tot een groene oase, inderdaad onderdeel van een binnentuin met palmbomen. Ook toonde zij haar nieuwe – eveneens bescheiden – entree van het Tweede Kamergebouw aan de zijde van de Hofweg. Al snel was de primaire reactie in het land dan ook: ‘Waar gaat dit nou eigenlijk allemaal over?’.

Om iets van het conflict te kunnen begrijpen, is het belangrijk om te weten dat de huidige huisvesting van de Tweede Kamer, en ik zeg dit uit eigen ervaring, zowel voor de Tweede Kamerleden en de ambtelijke staf voelt als een welkom huis. Wat vroeger een doolhof was, is sinds de oplevering van het ontwerp van Pi de Bruijn in 1992 omgevormd tot een aangename en redelijk efficiënte huisvesting voor het ‘huis van de democratie’. De Statenhal, met daaraan de Plenaire Zaal en het centrale vergadercentrum vormen het hart van het politieke bedrijf. Pi de Bruijn heeft met deze magistrale architectonische ingreep, zowel een nieuwe identiteit gecreëerd als ook de oude gebouwen eromheen gerespecteerd en dienstbaar gemaakt aan de bewoners in ons parlement. De oude historische gebouwen (o.a. Koloniën en Justitie) functioneren letterlijk als de ‘woningen’ van de verschillende politieke fracties en de ambtelijke staf. Uiteraard is het gebouw niet zonder onvolkomenheden, maar in de kern hebben de gebruikers geen inhoudelijke behoefte aan het fundamenteel omschoffelen ervan. In haar uitleg over haar recente plan (‘deze renovatie is mijn meest sobere plan ooit’) lijkt de architect Ellen van Loon dan ook aan te sluiten bij deze positiebepaling van de gebruiker. Maar waarom is het dan toch tot zo’n groot conflict gekomen?

1992 – Ontwerp Tweede Kamer – architect Pi de Bruijn

Steeds duidelijker wordt dat het conflict zijn oorsprong heeft in de benoeming van het architectenbureau OMA en in de vrijheid die de architect van de rijksbouwmeester en het Rijksvastgoedbedrijf meekreeg. Om met het eerste te beginnen, gaat het om een renovatie van een bestaand gebouw dat nog geen dertig jaar oud is. De opdracht van het Kabinet is een ‘sobere en doelmatige’ renovatie. Daarbij zou, aldus de rijksbouwmeester, zo’n 70% van het budget bestemd zijn voor de vernieuwing van de technische installaties. Dat alleen al, maakt dat er slechts in zeer beperkte mate ruimte is voor bouwkundige ingrepen. Reden dus voor een bescheiden ambitie bij de architectenkeuze. En dus ligt het voor de hand – zeker daar waar er om redenen van ‘staatsveiligheid’ geen sprake is van een open aanbesteding – om de oorspronkelijke architect – in welke rol dan ook – bij de uitwerking te betrekken. De Rijksbouwmeester Floris van Alkemade koos echter voor een geheel andere weg. Met negatie van de architect Pi de Bruijn koos hij voor het Rotterdamse architectenbureau OMA, het bureau dat ook in de jaren tachtig deelnam aan de prijsvraag voor de uitbreiding van de Tweede Kamer. Daarmee koos de rijksbouwmeester voor een fundamenteel andere vormentaal dan die van Pi de Bruijn. En dit is bepaald geen naïeve keuze geweest. Want het mag bekend worden veronderstelt dat OMA niet veel op heeft met de architectuur van Pi de Bruijn. OMA en Pi de Bruijn vertegenwoordigen binnen de architectuur letterlijk twee tegengestelde werelden.Door zijn keuze voor OMA heeft de rijksbouwmeester bewust gekozen voor een conflict binnen het landschap van de architectuur. Een keuze waarin de gebruikers niet gekend zijn, maar wel mee te maken kregen. Daarnaast is de opdrachtformulering essentieel voor een goed verloop van het proces. Primair ligt hiervoor de verantwoordelijkheid bij het Rijksvastgoedbedrijf. Welke ruimte kreeg het architectenbureau mee? In hoeverre waren de door de bewindspersonen gehanteerde termen ‘sober en doelmatig’ in de praktijk sturend voor het ontwerpproces? 

Nu het Rijksvasgoedbedrijf de tekeningen op haar website heeft gezet wordt inzichtelijker, hoe het ontwerpproces van de renovatie van het Binnenhof zijn vorm heeft gekregen, en wordt ook duidelijk hoezeer OMA een geheel eigen interpretatie heeft van de uitgangspunten ‘sober en doelmatig’. In plaats van te kiezen voor een sensitieve aanpak van de renovatie, kiest OMA in de fase van het structuurontwerp – dit deel ontbreekt in de vorig jaar verschenen NRC-reconstructie – voor een zeer radicale aanpak. Ellen van Loon werkte een tweetal varianten uit. De eerste is de zogeheten 2025 – Optie N1. https://www.rijksvastgoedbedrijf.nl/documenten/rapport/2017/07/28/ontwerpdocumenten-renovatie-binnenhof

Hier wordt het bestaande gebouw gerespecteerd en daarbinnen worden verschuivingen voorgesteld.

In de tweede variant, 2025 – Optie N.2. is er echter sprake van een totale verdwijning van het voorgebouw van het in 1992 gerealiseerde ontwerp van Pi de Bruijn. In deze variant gaan alle remmen los. Ik geef slechts een indruk: De voorzijde van de Tweede Kamer aan de Hofweg met de plenaire zaal, het ledenrestaurant, de perstoren en een drietal historische panden worden gesloopt. Hiervoor in de plaats komt een geheel nieuw gebouw waarin een nieuwe entree, een nieuwe plenaire zaal, een nieuwe grote commissiezaal en een nieuw ledenrestaurant is opgenomen. Gezamenlijk vormen zij een nieuwe (OMA-) beeldmerk van het parlement. Maar hier blijft het niet bij. Ook Nieuwspoort krijgt een nieuwe plek. Hiervoor moeten de twee grote restaurants aan de zijde van het Plein verplaatst worden naar de derde verdieping, waar nu nog vergaderzalen zitten.Deze commissiezalen worden naar de begane grond van de Statenhal verplaatst waar tevens ruimte is vrijgemaakt voor een nieuw restaurant voor bezoekers. Kortom alles van waarde blijkt weerloos. 

OMA, ontwerp Ellen van Loon – Tweede variant, 2025 – Optie N

Ik zou mij nog kunnen verplaatsen in deze radicale variant, toen wij begin jaren tachtig aan de vooravond stonden van een grootschalige uitbreiding van de Tweede Kamer. Maar die tijd is geweest. Er is in die tijd gekozen voor een samenwerking met de architect Pi de Bruijn. Zijn plan staat er. En nu gaat het ‘slechts’ om een update van het bestaande gebouwencomplex. De in de structuurfase gepresenteerde variant kan dan ook niet anders worden gezien dan als een regelrechte diskwalificatie met terugwerkende kracht van alles wat Pi de Bruijn ooit heeft beoogd met zijn ontwerp. Scherper gesteld, de diepe weerzin voor zijn werk straalt ervan af. En, het moet gezegd worden, het is echt verbazingwekkend dat zowel de Rijksbouwmeesterals de ambtelijk opdrachtgever, het Rijkvastgoedbedrijf, deze variant hebben gedoogd. Evident was, dat het niet meer kon zijn dan een provocatie. Even op herhaling naar de architectuurcompetitie in de jaren tachtig toen het grote werk nog moest beginnen. Het maakt met terugwerkende kracht duidelijk, waarom Pi de Bruijn tranen in zijn ogen kreeg toen ik hem vroeg hoe hij aankeek tegen de – op dat moment nog geheime – voorstellen van OMA. Het is werkelijk onbegrijpelijk dat de primaire aandacht en energie van OMA niet is gegaan naar een fijnzinnige en respectvolle renovatie van het door Pi de Bruijn ontworpen complex. 

Ik neem direct aan dat OMA wist dat hun radicale variant – binnen de gestelde kaders – nooit een kans van slagen zou hebben. Maar waarom dan toch gepresenteerd? Wat zit daar nou precies achter? Deze vraag kan pas worden beantwoord wanneer je bereid bent je te verplaatsen in het debat van en over de architectuur. Misschien nog wel meer dan in de politiek, is er in de architectuur sprake van een richtingenstrijd. Deze is ideologisch van aard en laat zich vertalen in een bijbehorende vormentaal. De benoeming van OMA op een plan van Pi de Bruijn is alsof je de politiek leider van een socialistische partij vraagt de leiding op zich te nemen van een liberale partij. In de politiek ruiken politici, wanneer er sprake is van een onderhuidse ideologische strijd. Dus zo ook hier. Met het radicale voorstel heeft OMA, maar ook de Rijksbouwmeester en het Rijksvastgoedbedrijf de basis van wantrouwen gelegd bij de gebruikers van de Tweede Kamer. En dit, gecombineerd met het voornemen om het Binnenhof te sluiten voor een periode van vijf jaar, deed binnen de Tweede Kamer het vermoeden rijzen dat er met hun gebouw op de loop werd gegaan. Zij deden er ultiem niet toe. En het is dan ook niet verwonderlijk, dat er vanaf dat moment binnen de Tweede Kamer een fundamentele onrust is ontstaan over de toekomst van hun gebouw en hun werkplek. Een onrust die, in de tijd die erop volgde, met alle procesbegeleiders ten spijt, door de bewindspersoon Raymond Knops niet meer kon worden gekeerd. De Tweede Kamer is op de rem gaan staan. Aan hun gebouw geen polonaise. En ja, Ellen van Loon heeft gelijk dat er, voor haar doen, een sober en doelmatig plan voorligt. Maar het had haar gesierd, wanneer zij de Tweede Kamer hiervoor de credits had gegeven. Want waar er al bescheidenheid in haar ontwerp zit, is dat letterlijk door de gebruikers afgedwongen.

En hier komen wij bij de kern van dit conflict. Het is een bijna klassiek voorbeeld, waarbij het primaat van een opdracht niet ten principale bij de structurele gebruiker ligt. In een democratie is het parlement weliswaar het hoogste orgaan, maar over haar eigen gebouwen heeft zij, dachten het Kabinet, de Rijksbouwmeester, het Rijksvastgoedbedrijf en de architect, niets te zeggen. De gebruikers ‘huren’ slechts een gebouw bij het Rijksvastgoedbedrijf. Net zoals de ambtenaren van het departement aan de Rijnstraat 8 – het voormalige ministerie van VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), dat nu als ‘wisselkantoor’ voor departementen in gebruik is. De ambtenaren hebben naar hun eigen zeggen meer het gevoel deel te zijn van een legbatterij,dan van een departement met een eigen identiteit. Maar anders dan de medezeggenschapscommissies aan de Rijnstraat 8, kon het parlement wel zijn macht inzetten en maakte gebruik van haar recht op het onthouden van een instemming met het ontwerp. En greep het parlement terug op de architect die in de jaren tachtig met zoveel liefde aan zijn eigen gebouw heeft gewerkt en het zeker met dezelfde liefde klaar zal willen stomen voor de toekomst. Kortom:‘The return of Pi de Bruijn’ 

De moraal van deze – op kosten van de gemeenschap uitgevoerde – soap, is dat architectuur niet het speeltje is van de rijksbouwmeester, niet van de anonieme opdrachtgever die blijkbaar het Rijksvastgoedbedrijf is geworden en ook niet van een architect. Nee, architectuur vindt zijn betekenis en waarde in de dialoog tussen gebruiker(s) en architect. In dat samenspel ontstaat er een synthese en, en nu komt het: dat kan en mag dan ook best een radicaal plan zijn, wat niet per se ‘sober en doelmatig’ is. Maar dat is dan wel een bewuste keuze van de gebruikers zelf. Eén ding is zeker, nu de Tweede Kamer, net als eind jaren tachtig, de rol van opdrachtgever heeft opgeëist en nu ook materieel heeft verkregen, kan zij met Pi de Bruijn en zijn team verder werken aan een respectabele renovatie van het Binnenhof. De harmonie is teruggekeerd. Daarbij is het nog even afwachten of hun gezamenlijk plan de wereld van de architectuur nog zal gaan verrassen.

Zou Francine Houben’s ‘perspectief voor Zuid’ een kantelpunt kunnen zijn voor Rotterdam?

Mijn fascinatie startte met: wat moet je met zo’n gigantische Maashaven, midden in je stad, zo groot, zo leeg, zo blokkerend. “

Het is alweer een tijdje terug dat ik afreisde (8 november 2019) naar het Stadmakerscongres 2019, een initiatief van het Architectuur Instituut Rotterdam (AIR). In dit mega-event waarin het maken van de stad centraal staat ging ik naar de lezing van de creatief directeur van Mecanoo architecten: Francine Houben. Al eerder had ik haar gesproken over haar persoonlijke fascinatie naar de leegte van de Maashaven. Zij zou, nu haar persoonlijke zoektocht omzetten in wat zij ziet als ‘Perspectief op Zuid’.

Francine ken ik al vanaf de tachtiger jaren, waarin wij samen knokten voor een meer kwalitatieve stadsvernieuwing. Sindsdien zijn wij met elkaar in gesprek over de toekomst van onze steden. En in enkele van die gesprekken kwam ook Rotterdam Zuid ter sprake. Voor mij een bekend gebied, omdat ik eind jaren zeventig les gaf op een van de voormalige scholen aan het vroegere Ericaplein in de wijk Bloemhof. Voor haar bekend, omdat Mecanoo Architecten in 1984 een opdracht kreeg voor het wooncomplex de Hillekop. Dit project, dat werd opgeleverd in 1989, zou toonaangevend worden binnen de stadsvernieuwing omdat het een begin inluidde van de rehabilitatie van de Afrikaanderwijk, en met haar moderne architectuur, Rotterdam Zuid een eigentijds beeldmerk gaf.

ca. 1985: Francine Houben

In het ontwerp van de Hillekop moesten de architecten in die tijd nog rekening houden met de wensen van het Havenbedrijf. Door het project heen lopen dan ook nog de rails van de vroegere goederentrein die de haven verbond met het spoor. Het waren, terugkijkend, de nadagen van de rijke industriële geschiedenis van de binnenhavens in Rotterdam. Globalisering en technologisering veranderden de mobiliteit fundamenteel. De logica dat havens en werkgelegenheid met elkaar verweven waren, nam snel af. In London had dat al aan het begin van de jaren zeventig tot het inzicht geleid, dat de binnenhavens hun oude functie zouden verliezen. In de jaren tachtig begon men daar, onder de centrale leiding van Margaret Thatcher, een grootscheepse stedelijke vernieuwingsoperatie, genaamd London Docklands, die dit gebied in de nieuwe economie binnenloodste. In Rotterdam kwam dat inzicht maar beetje bij beetje op gang, zo werden in Noord de kleinere binnenhavens getransformeerd. Hoewel met de Erasmusbrug de sprong naar Zuid werd gemaakt, waardoor de Kop van Zuid glorieus tot ontwikkeling kon komen, zijn de grootste binnenhavens hier tot nog toe ongemoeid gelaten en liggen ze er, met een heel beperkt gebruikt voor de binnenvaart, desolaat bij. En hoewel er op Katendrecht op een kleinere schaal sprake is van een gentrification is het overgrote deel van Rotterdam-Zuid nog steeds een problematisch stadsdeel waarvoor zelfs een Nationaal Programma Zuid (hhtps://nprz.nl) is opgezet waarin Rijk, de gemeente Rotterdam, corporaties, zorginstellingen, bedrijfsleven, politie en openbaar ministerie werken aan een rehabilitatie van de wijk.  En met alle respect voor de inspanningen die in dit kader voor de zittende bewoners wordt verricht heeft het karakter wel heel erg de nadruk op het bestrijden van achterstanden. Het perspectief op een grote kanteling lijkt nog niet heel erg substantieel. De vraag is dan ook of de echte kansen op herstel voor Zuid wel in beeld komen in het huidige nationaal opgezette herstelprogramma of liggen er andere, betere kansen? 

Het was de teloorgang van de Maashaven, die Houben triggerde om zich af te vragen waarom in haar woonplaats zulke omvangrijke havens en haventerreinen niet werden benut om voor Rotterdam-Zuid nieuwe kansen te creëren. Wat begon als een ergernis, werd een persoonlijke zoektocht die drie jaar zou gaan duren. Het is fascinerend hoe deze zoektocht, die in haar eigen woorden ‘intuïtief’ begon, uiteindelijk uitmondt in een messcherpe analyse van de sociaaleconomische structuur van de stad Rotterdam. Zij liet in haar lezing tijdens het Stadmakerscongres zien hoe in de gloriedagen van de haven er een mentaal evenwicht was tussen stad en havens en dus ook tussen Noord en Zuid. Dit evenwicht verdween toen de oude economie van de haven veranderde. Het maakte dat Zuid verweesd achterbleef. In Rotterdam domineert, net als in Den Haag met haar Zand en het Veen, een tweedeling in Noord en Zuid. Waar in Noord de tegenwoordige kenniseconomie garant staat voor een riant toekomstperspectief, ontbreekt in Zuid nog steeds een nieuw economisch perspectief. Het scheidt Rotterdam in vermogend en minvermogend, kansrijk en kansarm en in aangesloten, dan wel het buitengesloten zijn in onze moderne samenleving.

In haar zoektocht ontdekt Houben, dat het maken van plannen voor een andere invulling van bijvoorbeeld de Maashaven geen betekenis heeft wanneer niet ook gekeken wordt naar de redenen waarom een revitalisering zoals in de Londense Docklands, maar ook in Rotterdam Noord wel op gang is gekomenen, maar niet in Zuid. Gaandeweg werd het haar steeds duidelijker dat onderliggende belangen een voorspoedige ontwikkeling van Zuid in een houtgreep houden en dus doen stagneren. In haar gesprekken met de gebruikers in Zuid, variërend van bewoners, onderwijsinstellingen, binnenschippers, gemeente en havenbedrijf wordt duidelijk dat het ook ontbreekt aan een gedeeld toekomstbeeld voor Zuid dat ook sociaal en economisch perspectief biedt voor de bewoners die er woonachtig zijn. Wat domineert is een veelomvattende belangenstructuur, die historisch voortkomt uit de oude economie die rond 1900 de aanleg van de Rijn- en Maashaven legitimeerde.

Uit presentatie Francine Houben

Waar een veranderde economie de rol van de (binnen)havens ingrijpend wijzigde, bleven de (grond)posities onveranderd bij de vroegere centrale spelers, die er een geheel eigen invulling aangaven. En zo kan het gebeuren, dat het Havenbedrijf tegenwoordig vooral een ‘verhuurder’ is van grond aan bedrijven die niet (meer) ‘haven gebonden’ zijn. Nog maar een heel beperkt percentage van de bedrijven op de erfpacht grond van het Havenbedrijf (= gemeentegrond!) is nog haven gerelateerd. Maar niet alleen een de Rijn- en Maashaven liggen er desolaat bij, ook bedrijventerreinen zelf zijn in ruimtelijke zin minimalistisch ingericht. Zij vormen in hun huidige gebruik een blokkade voor een nieuw perspectief van Zuid. Ook de dijken die na de watersnoodramp in 1953 werden aangelegd, hebben de wijken op Zuid letterlijk -in de woorden van Francine- ‘achter de dijken’ opgesloten. Grote stroken grond zijn hierdoor in eigendom gekomen van het Waterschap Hollandse Delta. In haar analyse laat Francine zien, dat juist deze plekken voor een herontwikkeling van Zuid van cruciaal belang zijn. Dit zijn de locaties, waar met een reeks nieuwe sleutelprojecten voor Zuid het verschil zou kunnen worden gemaakt. Het zou de weg kunnen openen naar een nieuwe economie voor dit deel van Rotterdam. En, misschien nog wel belangrijker, het zou de groeiende scheiding tussen Rotterdam Noord en Zuid, kunnen verzachten en misschien zelfs doen verdwijnen.

Foto: L.J.

In een ‘Perspectief voor Zuid’ schetst Houben een mogelijke weg waarin de stad het tij voor Zuid zou kunnen keren. Niet door middel van ‘structuurplannen oude stijl’ of formele ‘omgevingsvisies’. Dat zijn nu juist de structuren waarin het denken en het gesprek eerder worden gestold en waarin bestaande belangen worden beschermd en dus een nieuwe en noodzakelijke dynamiek wordt geblokkeerd. Centraal in haar opvatting staat, dat alleen vanuit een integrale kijk de ontwikkeling van de stad haar kracht zal kunnen krijgen. Dat proces zal met alle stakeholders moeten worden ingezet. Het is beter om met elkaar samen te werken aan een gemeenschappelijk toekomstperspectief, waarin de ruimtelijke interventies centraal staan. Alleen daarin kan ook het gemeenschappelijk belang worden ontdekt en een strategie worden ontwikkeld om deze met elkaar waar te maken.

Hoe? Houben schetst in haar ‘Perspectief voor Zuid’ een kader voor een integrale aanpak van Zuid en somt een reeks mogelijke interventies op. Ik noem er aantal op: een 10 kilometer lang Zuiderdijkpark, met daarin opgenomen collectieve voorzieningen: sport en cultuur. Goed voor de wijken, aantrekkelijk voor de werknemers van de bedrijven. Een nieuw Metrostation Waalhaven Zuid, dat met de Superbus via de Maastunnel verbonden wordt met Rotterdam Centraal, maar ook de afslag via Maashaven maakt naar Inter City Station Feyenoord City. Dit alles maakt het mogelijk om een onderwijsstrip te maken langs de Zuidzijde van de Maashaven. Waarbinnen de TU Delft en de Erasmus-universiteit een samenwerking kunnen aangaan met HBO (o.a. Hogeschool Rotterdam) en de MBO (o.a. Albeda College) binnen de zorg, techniek en logistiek. En, last but not least, een recreatiepier die Zuiderpark en het Zuiderdijkpark weer verbindt met de haven: weer een plaats om te spelen en te baden, zoals die na de aanleg van de dijken in 1953 verloren is gegaan.

Zou Francine Houben’s ‘perspectief voor Zuid’ een kantelpunt kunnen zijn voor Rotterdam?

Niet de bevolkingssamenstelling, de concentratie van lagere inkomens en de werkloosheid vormen het kernprobleem van Zuid. Nee het echte probleem lijkt te zijn, dat de belangen in Zuid zo verdeeld zijn, dat de kans om in Zuid een nieuwe economie van de grond niet of nauwelijks kan ontstaan. De veelheid van sectorale belangen blokkeren het denken erover. En dat alles is verhuld in een groot stilzwijgen. Gewoon, omdat niemand het onder woorden, brengt, niemand hierover het debat aan voert. Maar met het ‘Perspectief op Zuid’ zou dat anders kunnen worden. Juist de integrale benadering van Houbens visie maakt dat er een kans is dat haar analyse tot de politiek doordringt. Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ook in dit deel van Zuid de verbeelding ruimte krijgt? London Docklands heeft in de jaren tachtig al laten zien hoezeer een nieuwe economie een kans kreeg om zich in het voormalige havengebied te zetten. Maar wie pakt in Rotterdam deze uitdaging op? Is er een mentale ruimte in het College van B&W om het ‘Perspectief op Zuid’ van Francine uit te bouwen tot een stedelijk verhaal? Wie in het ambtelijk apparaat is in staat, gelijk Riek Bakker ooit deed, inhoud te geven aan een grootser en meer aansprekend perspectief voor Zuid? En heeft het Havenbedrijf de geestelijke ruimte uit te stijgen boven haar sectorale belangen?

Als stadsbestuurder met ervaring raak ik opgewonden van de perspectieven die haar visie bieden. Het doet mij denken aan de omvangrijke ruiltransacties tussen het Rijk en de gemeente Den Haag. Het droeg bij aan het herstel van de economie van de stad en de kwaliteit van het wonen. En natuurlijk is het zo dat al die afzonderlijke gesprekspartners zullen vragen, zoals een spreker tijdens het Stadsmakerscongres al opmerkte; ‘what’s in it for me?’ En dat is op zijn minst een begrijpelijke vraag, maar ultiem raakt deze vraag niet aan de essentie. Die ligt in de kernvraag die Francine aan de orde stelde, namelijk: kunnen wij met een herordening van de slordig gebruikte ruimte in Zuid een perspectief scheppen dat goed is voor de bewoners van Zuid, maar ook Noord en Zuid gelijkwaardig maakt? Dus is de echte vraag dan ook: ‘What’s in it for the city as a whole?’

Adri Duivesteijn, Bijgewerkt op 5 februari 2020

10-12-1949 -17-12-2019 – Willem Meuwese, een reus die Den Haag en Almere met zijn daden definitief veranderde

Dwarsweg Binnenstad: Een onschuldige lijn op de kaart stond gelijk aan de sloop van honderden panden en de vernietiging van twee binnenstadswijken.

Het was 10 december 1980, de dag dat het Dwarsweg-compromis werd gesloten. Samen met collega-wethouders Chris Nyquist (VVD) en Lex Blankesteijn (CDA) sloot ik het zogeheten Dwarsweg-compromis. Hierbij werd een – voorlopig – einde gemaakt aan een decennialange discussie over de verkeersafwikkeling in de Haagse binnenstad. Den Haag was verdeeld, aan de een kant stond de VVD, het CDA en het grootwinkelbedrijf die een ringweg om het historisch centrum (lees ook: Grootwinkelgebied) wilde. In hun visie ging het vooral om de economie van de binnenstad.  Zij zagen hiervoor een maximale bereikbaarheid met de auto als sleutel.  Voor deze ringweg (‘Dwarsweg Binnenstad’) waren in het Oude Centrum en het Kortenbos veel panden opgekocht. Inmiddels gesloopte panden zorgden voor gaten in de gevelwanden, veel resterende woningen waren verpauperd of al dichtgemetseld. In het Oude Centrum – tussen de Palviljoensgracht en de Boekhorststraat – was al een deel van de ringweg aangelegd. Voor beide wijken was er geen toekomst meer.

De foto dateert uit 1980 en laat het gebied zien tussen de Palviljoensgracht en de Boekhorststraat.

Dankzij het toenemende verzet in de stad groeide in de jaren tachtig de basis voor een fundamentele verandering van het ruimtelijk beleid voor de binnenstad. Uiteindelijk zou dat culmineren in het ‘Dwarsweg-compromis’. Hiermee kon de weg naar de rehabilitatie van dit deel van de Haagse binnenstad weer worden ingezet. Maar in Den Haag zijn politieke compromissen breekbaar, dus hoe kon deze politieke winst ook daadwerkelijk worden veilig gesteld?  Voor mij stond vast dat wij voor de volgende verkiezingen feiten moesten creëren. Wanneer wij er met elkaar in zouden slagen om voor de gewenste nieuwbouwplannen de eerste palen de grond in te krijgen, zou de Dwarsweg er nooit meer kunnen komen. Maar een wethouder kan nog zo veel willen, hij of zij is ook afhankelijk van de medewerking van het ambtelijk apparaat en de woningbouwvereniging.  In ambtenaren als René Strijland en Piet van de Kerkhof had ik bondgenoten die dag en nacht bereid waren door te werken om deze ‘strijd’ te winnen.

Maar hoe zat het met de bereidheid en medewerking bij de Algemene Woningbouwvereniging (AWV), die de risico’s van de woningbouw en de bedrijfshuisvesting op zich zou moeten nemen? Het AMV stuurde een nieuwe, mij onbekende projectleider, een robuust gebouwde leeftijdgenoot, die zich voorstelde als Willem Meuwese. En dat bleek voor ons een gouden greep. Willem was, net als wij, volstrekt onorthodox in zijn werkwijze. Hij hield zichtbaar van uitdagingen, de wereld veroveren was hem op het lijf geschreven. Al in het eerste contact gaf Willem aan dat succes alleen mogelijk was, wanneer hij directe toegang had tot mij als wethouder. Zijn methode bestond eruit om de opdoemende knelpunten altijd direct te slechten: ‘Alleen dan kan ik het tempo waarmaken wat u vraagt!’

Veertig jaar verpaupering in Het Oude Centrum en Kortenbos werd in twee jaar gekeerd in een wederopbouw.

Het zou het begin worden van een hele intensieve en mooie samenwerking, waarbij alle formele codes en regels – indien nodig – werden doorbroken. Als een wervelwind forceerde Willem beslissing op beslissing en loste hij knelpunt na knelpunt op. In een ongekend hoog tempo ontwikkelde hij -samen met de gemeente, bewoners en bedrijven – in anderhalf jaar tijd een spectaculair bouwprogramma dat bekend zou worden onder de naam: Bouwstroom Binnenstad. Maar liefst 1000 sociale huurwoningen, winkels en bedrijfsruimten op maar liefst 27 verschillende locaties in het Oude Centrum en Kortenbos.  Op 18 november 1982 gingen overal de eerste palen de grond in. De Dwarsweg was definitief geschiedenis.

In het Hamerstraat in het oude centrum verdween definitief de dwarsweg van de kaart. Een droom kwam uit.

Willem Meuwese ontwikkelde zich hiermee tot een belangrijke motor in de Haagse stadsvernieuwing. Maar het ging hem niet alleen om productie, na deze krachtinspanning ontwikkelden wij in 1984 – in het kader van Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit – samen met Hans van Beek van architectenbureau PRO de nieuwe kwaliteitsnorm voor de stadsvernieuwing in de Katerstraat, een voormalig prostitutiegebied. Al dertig jaar een voorbeeldproject voor kwalitatief hoogwaardige en betaalbare sociale woningbouw in een stedelijk gebied.

12 november 1982, twee jaar na het Dwarsweg Compromis, begon de Bouwstroom Binnenstad. 1982

Willem Meuwese ging naar het Bouwfonds. Hij zou zich in de commerciële wereld van projectontwikkelaars onderscheiden door de realisatie van een reeks kwalitatief hoogwaardige projecten. Steeds vaker keerde hij zich af van de wereld van het commerciële. Hij voelde zich meer en meer thuis in zijn eigen atelier waar hij kon schilderen.

In oktober 2012 kwam ik Willem Meuwese weer tegen. Ik had opnieuw iemand nodig die in staat zou zijn om een nu wel heel bijzondere klus te klaren. Ik legde hem uit dat ik aan de oostkant van de stad een volstrekt nieuwe vorm van gebiedsontwikkeling wilde. Ook wel een meer organische groei genoemd en belangrijk: geheel op basis van initiatieven van onderop. Willem was direct enthousiast. In zijn ogen zag ik het avontuur weer opvlammen. Dat was, in een wereld waarin commerciële grondposities uitmaken wie er mag bouwen, een uitdaging. Hier was de grond van het Rijk en de Gemeente. Er kon dus een fundamentele omslag naar burgers worden gemaakt. Ook hier stond Willem voor het op gang brengen van een kwetsbare ontwikkeling. In ons land is woningbouw helaas vooral een verdien-machine voor institutionele partijen, die er niet voor schromen om met een veelvoud van minimalistische gestandaardiseerde woningbouwproducten veel geld (‘marktconforme prijzen’) uit de portemonnee van burgers te plukken. De vraag was dan ook, hoe wij konden veiligstellen dat in Oosterwold de initiatieven van onderop ook echt centraal zouden komen te staan. Wie kon dat voor elkaar krijgen?

Het mag duidelijk zijn, Willem Meuwese werd onze kwartiermeester voor Oosterwold. Met het Rijksvastgoedbedrijf, de provincie Flevoland, de gemeente Zeewolde en het Waterschap Zuiderzeeland – de door ons voorgestane nieuwe vorm van gebiedsontwikkeling, waarin inderdaad de initiatiefnemers burgers waren. Oosterwold heet dan ook niet voor niets ‘Land-Goed voor initiatieven’.

2017, de eerste initiatieven waren omgezet in concrete gebouwen en het open land kreeg zijn vorm.

Willem Meuwese werd ook de eerste gebiedsregisseur van Oosterwold. Willem toonde opnieuw zijn onconventionele karakter, hij was missie gedreven, kleurrijk en vooral goedlachs. Willem Meuwese gooide de knuppel in het hoenderhok als dat nodig was. Hij zorgde ervoor dat het kenmerk van de gemeenschappelijke regeling, die onder zijn leiding tot stand kwam, niet bestond uit Almere Oosterwold of Zeewolde Oosterwold, nee, het werd ‘Oosterwold’. De betekenis is duidelijk, in dit gebied was het niet de gemeente en haar ambtenaren, maar gold het adagium ‘mensen maken de stad’. Willem zou tot juli 2014 betrokken blijven. Achteraf vond hij dat het misschien te kort was, maar hij was het die de basis van de grondgedachte heeft verankerd en daarmee een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het immense succes wat Oosterwold inmiddels is. Oosterwold is het enige grootschalige gebied waar honderden burgers met hun initiatieven de stad maken. De wachtrij is inmiddels zo groot dat gebiedsregisseur heeft moeten besluiten de inschrijving tijdelijk te sluiten. Oosterwold laat het zien; gebiedsontwikkeling kan dus zoveel anders in ons land. Willem legde daarvoor als kwartiermaker het materiële fundament.

De initiatievenkaart van Oosterwold waarbij iedere stip een uitdrukking is van creativiteit.

Voor mij is het overlijden van Willem het verlies van iemand die van grote betekenis is geweest voor de dromen en idealen die ik nastreefde. Willem Meuwese begreep dat, voelde zich er in thuis. Willem was de reus die Den Haag en Almere met zijn daden definitief veranderde.

Willem mag dan nu overleden zijn, zijn werk blijft. De stad Den Haag, het Oude Centrum en Kortenbos, maar zeker ook Oosterwold zouden er anders uitzien wanneer Willem er niet was geweest. Met dit In Memoriam toon ik mijn dankbaarheid, nadrukkelijk ook aan zijn familie. Ik wil voor eenieder die het aangaat, duidelijk maken hoe dierbaar voor mij de samenwerking met Willem was. Het was nadrukkelijk ook ons avontuur en hebben er samen van genoten en waren beiden trots op de resultaten! 

Het is tijd (…)Tijd om te leven

Willem en zijn vrouw Marianne waren beiden ongeneeslijk ziek. Op 17 december 2019 hebben ze ons verlaten, maar niet zonder boodschap: ‘Het is tijd (…) Tijd om te leven ‘.

Gerard van Otterloo, (1950 – 2019)

Het plotseling overlijden van partijgenoot en oud-collega wethouder Gerard van Otterloo komt hard aan. zal er in een terugblik op zijn politieke leven worden teruggegrepen op hoe wij beiden verwikkeld waren in een conflict over de bouw van het Haagse stadhuis. Maar, zeg ik op voorhand, dat vertekent het beeld. In de Haagse gemeentepolitiek hebben wij jaren achtereen, zij aan zij, gestreden voor het herstel van de oude wijken, voor een hogere kwaliteit van betaalbaar wonen. Wij gaven met elkaar ruimte aan het nieuwe wonen, het Pandercomplex aan het Buitenom is er niet de minste van. Wij deelden ook de overtuiging dat er een einde moest komen aan de verpaupering van onze Haagse binnenstad. Na decennia van besluiteloosheid wilden wij daarin samen verandering brengen. Gerard en ik waren bondgenoten toen wij in 1986 begonnen aan een denkpauze om de bouw van het Stadhuis aan het Spui te onderzoeken. Ja, Gerard, in zijn rol als wethouder van Financiën, dacht bij de aanvang actief mee om binnen de exploitatie financiële middelen te vinden om de bouw mogelijk te maken.

Het is waar dat wij uiteindelijk het stadhuisplan niet met een gemeenschappelijke opvatting naar de gemeenteraad hebben kunnen brengen. Daarvoor dachten wij te verschillend over het eindplan. Maar wanneer je oprecht gelooft in je overtuiging, is het ook de moeite waard om daarover de strijd aan te gaan. Bij Gerard van Otterloo wist je waar hij stond. Er was geen ruimte voor het spel om het spel. En dat, hoe lastig ook, is in de politiek een uitzonderlijke kwaliteit. In de stadshuiskwestie koos hij ultiem voor zijn eigen inhoudelijke opvatting. Ik citeer wat ik in 1994 over Gerard schreef in mijn boek Het Haagse Stadhuis, bouwen in een slangenkuil: ‘De kern van zijn handelen was zonder twijfel zijn bewondering voor Rem Koolhaas en zijn afkeer van het plan-Meier. De bewondering beschouw ik als de meest authentieke drijfveer: Van Otterloo maakte een keuze op basis van zijn architectuur-opvatting’. Ja, en precies daarin wij stonden tegenover elkaar. Maar waren, juist omdat deze keuze zo essentieel was voor het concept van de binnenstad, bereid te staan voor onze opvatting. Daarvoor hebben wij een hoge prijs moeten betalen. Maar soms is dat de moeite waard. Beiden zijn wij nadien niet meer van mening veranderd.

Met dit verschil van mening en de gevolgen die het had voor ons politieke en persoonlijke leven, was het Gerard die, nadat ik bekend had gemaakt dat ik prostaatkanker had, mij via LinkedIn benaderde: ‘Ik begreep dat het niet goed gaat met je gezondheid. (…) Als je het leuk vindt kunnen wij in de komende tijd een keer in de stad afspreken’. Het werd een zomermiddag op mijn terras waar wij lang en indringend hebben gesproken over de kwetsbaarheid van het leven zelf. Gerard had, net als ik, de nodige lichamelijke tegenslagen achter de rug en deelde deze. In ons gesprek ging het niet over politieke verschillen van mening, niet over het Haagse stadshuis. Nee, in deze ontmoeting ging het over de essentie van het leven zelf, namelijk ‘een gezond leven’. En helaas ook hoezeer de aantasting ervan niet alleen je eigen ‘zijn’ raakt maar ook degenen die je thuis het meest dierbaar zijn’. Dit te kunnen en mogen delen met Gerard heeft mij diep geraakt en ontroerd.

Adri Duivesteijn
Den Haag, 15-11-2019

Operatie Binnenhof, het staatsgeheim van onze democratie kent geen opdrachtgever

De moraliteit van het verhaal:

“De bouwkunst is dus de kunst voor de gemeenschap en daarom ook in dien zin haar eigen noodzakelijkheid. Daardoor is zij meer dan de andere kunsten, ja zelfs direct afhankelijk van de geestelijke en maatschappelijke stromingen, welke eveneens een langzame ontwikkeling hebben” 

H.P. Berlage in Schoonheid in samenleving

Op 3 en 4 juli 2019 publiceerde ik op de website Archined een tweetal beschouwingen over het wel en wee van de renovatie van ons Binnenhof, het machtscentrum van onze democratie. In de NRC van 13/14 juli 2019 verscheen op de opiniepagina van de NRC onder de kop “Renovatie Binnenhof vraagt open debat en publieke opdrachtgever’ een samenvatting van beide artikelen.

Het Binnenhof heeft voor iedereen wel een bijzondere betekenis. Het is, of wij willen of niet, dagelijks deel van ons leven. Maar naast de actualiteit is het Binnenhof een uitdrukking van de wordingsgeschiedenis van ons moderne Nederland. Begonnen als een woonplek voor de Graven van Holland is het de plaats geworden waar grote en belangrijke beslissingen over ons land en haar inwoners werden genomen. Het Binnenhof mag je gerust ook zien als een bijna zelfstandige stad van de macht. In deze ‘stad’ zijn de jaarringen van de macht te zien in de vorm van een veelvoud van gebouwen en verbouwingen. Letterlijk werd daarin de architectuur van de macht uitgedrukt met als hoogtepunt de Ridderzaal waar jaarlijks de troonrede wordt uitgesproken en, niet onbelangrijk, de eerste Europese Parlementszaal – de tegenwoordige Eerste Kamer – aan het Binnenhof 22. Dit historische Binnenhof zal in de komende vijf jaar worden gerenoveerd. Een omvangrijke verbouwing van een half miljard euro dat als een megaproject door de Rijksgebouwendienst is opgepakt. Maar liefst vijf jaar lang, is de prognose, zal het Binnenhof gesloten worden voor de verbouwing. Hoe? Niemand weet het, want het ontwerp is staatsgeheim. Wie de – echte – opdrachtgever is, is ook niet duidelijk. Deze niet openbaarheid en de veelvoud van ‘actoren’ die me elkaar in de clinch liggen, maakt dat het project omstreden is geworden. En dat is jammer want iedere Nederlander zal het Binnenhof een goed hart toedragen en zal niets anders willen dan een mooie renovatie van het complex waar wij collectief trots op zijn en vooral willen blijven.

Ontwerp Tweede Kamer van architect Pi de Bruijn (Geopend in 1992)

Het is daarom dat ik een tweetal beschouwingen hebt geschreven over de renovatie van het Binnenhof. Deel 1 gaat vooral in op de onzin van het tot staatsgeheim verklaren van deze renovatie van een publiek gebouwen complex. Deel 2 is een verdieping naar de vraag wie nu eigenlijk de intrinsiek en inhoudelijk opdrachtgever is van dit publieke bezit. Beide artikelen zijn gepubliceerd op de website van Architect, die in hun eigen woorden ‘de enige kritische, onafhankelijke een onafhankelijk community-based website van de lange landen over architectuur en meer’ zijn. kortom voor mij geen betere plaats om een impuls te geven aan het gesprek, ja, het debat over de toekomst van ons Binnenhof. En uiteraard gaat het dan ook over de architectuur ervan.

Opinie NRC, 13-14 juli 2019: ‘Renovatie Binnenhof vraagt open debat en publieke opdrachtgever’

Illustraties Cyprian Koscielniak, NRC, 13-07-2019 

Voor Het volledige verhaal heb ik de onderstaande link opgenomen die u direct brengt naar het artikel op de NRC-website. Voor zij die er behoefte aan hebben aan is ook een link opgenomen waarmee het artikel kan worden gedownload. De bovenstaande mooie en tot de verbeelding strekkende tekening van Cyprian Koscielniak is de illustratie die de opinieredactie van de NRC bij mijn verhaal plaatsten. Kernachtiger kon mijn verhaal niet worden geïllustreerd.

Vernieuwing Binnenhof verdraagt geen geheimhouding en vraagt authentiek opdrachtgeverschap

Archined – Deel 1: Operatie Binnenhof, het staatsgeheim van onze democratie

Binnenhof Den Haag vanuit de lucht / 6 juli 2015, 12:36:58 / Rijksvastgoedbedrijf

“De verbouwing van het Binnenhof is niet het privilege van een enkelvoudige opdrachtgever, ook al is zij de regering, en is ook niet van de gebruikers van het Binnenhof alleen (ook al zijn dat is de Eerste en Tweede Kamer). Nee, deze verbouwing raakt letterlijk de fysieke vorm waarbinnen onze democratie functioneert en de vormgeving van het centrum van Den Haag. Het is dan ook niet te veel gevraagd om mee te kunnen kijken.”

https://www.archined.nl/2019/07/operatie-binnenhof-het-staatsgeheim-van-onze-democratie/

Archined – Deel 2: Operatie Binnenhof kent geen opdrachtgever

Afbeelding van Archined

“Operatie Binnenhof verdient een herdefiniëring van het opdrachtgeverschap dat op de eerste plaats inhoudelijk een echt gezicht krijgen; een mens die je kan aanspreken en die ook als autoriteit de rol van opdrachtgever kan vervullen. Dat behoeft niet een enkele persoon te zijn. Ik zou zeggen bij voorkeur niet. Het Binnenhof is niet één enkelvoudig gebouw maar juist een mooi conglomeraat van verscheidene functies, met een grote diversiteit aan gebouwen. Onze democratie is ook geen eenvormig bedrijf. (…) De kern daarvan wordt vertegenwoordigd door de premier en de beide voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer. Deze drie personen kunnen met recht worden gezien als de vertegenwoordigers ‘van de geestelijke en maatschappelijke stromingen’, die in samenspraak met hun architect ‘de bouwkunst als kunst van de gemeenschap’ haar karakter zouden kunnen geven. 

https://www.archined.nl/2019/07/operatie-binnenhof-kent-geen-opdrachtgever/

Deel 3: Hoe het toch nog goed kwam met de renovatie van het Binnenhof….. (verschijnt in september 2025 op www.archined.nl)

In de rij bij Paagman in Den Haag voor Lodewijk Asscher’s boek ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’

Donderdagavond In de rij voor een handtekening van Lodewijk Asscher bij Boekhandel Paagman

Het boek van Lodewijk Asscher ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ ligt sinds 14 april in de boekhandel. Inmiddels is de tweede druk een feit. Zal het boek van Asscher ook betekenen dat de PvdA zal opstaan en zal terugkeren naar het hart van de Nederlandse politiek? De PvdA-leider, die mooie tijden meemaakte als lijsttrekker, fractievoorzitter en wethouder van Amsterdam. Die in het kielzog van Diederik Samsom, als vicepremier van het Kabinet Rutte II, ondervond dat de PvdA haar ziel kwijtraakte. Zo zeer, dat de kiezers de PvdA bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen genadeloos afstraften. Kan deze Lodewijk Asscher, om zijn eigen metafoor te gebruiken, de PvdA weer laten opstaan? Is er nog een kans dat de PvdA opnieuw tot de verbeelding zal spreken bij brede lagen van onze bevolking? En zal die PvdA dan ook in staat zijn om in de samenleving de geestelijke ruimte te creëren voor een solidaire en rechtvaardige samenleving? Voor mij waren dat de kernvragen, toen ik zo af en toe in de zijlijn van de wording van het boek mocht meekijken. Ik doe een poging hierop nu zelf een antwoord te geven.

Lodewijk Asscher: ‘Je wilt ertoe dóén, ik weet zeker dat dat voor vrijwel alle mensen een voorwaarde voor een goed leven is’. Uitgeverij Podium – ISBN 9789057599194

Het leiderschap van de PvdA is een fascinerend fenomeen. Voor mij staat vast dat, hoe geëmancipeerd wij ook door alle lagen van de bevolking zijn, het toch vooral de politici zijn die ons burgers een referentiekader meegeven. De politiek leiders van de PvdA moeten wel over heel veel kwaliteiten beschikken om echt langdurig en succesvol leiding te kunnen geven aan een zeer diverse volkspartij die de PvdA van origine is. PvdA-leiders zijn de voorhoede in de strijd die moet worden gevoerd om sociaaldemocratische idealen dichterbij te brengen. En wanneer leiders bestuurders worden, moeten zij ook nog eens in staat kunnen zijn om met hun handelen daadwerkelijk iedere dag de idealen van hun partij dichterbij te brengen.

De meest tot de verbeelding sprekende sociaaldemocratische leider die ik van dichtbij mocht meemaken was Joop den Uyl. Hij was in staat om op meerdere niveaus politiek te bedrijven. Zo bezat hij het vermogen om, in iedere setting, hardop na te denken over ontwikkelingen in onze samenleving. Hij inspireerde door thema’s te formuleren, waardoor het politieke debat over de inrichting van de samenleving handen en voeten kreeg. Hij combineerde denken en doen, was strijdbaar, maar formuleerde ook wat volgens hem de marges van de democratie waren waarbinnen je tot politieke resultaten kon komen. Joop den Uyl was één van die zeldzame leiders, die ook tegenspraak opzocht en daarvoor zelf sterker werd, misschien wel juist omdat hij daarin ook opnieuw de verbinding zocht.

Leiderschap van een sociaaldemocratische partij is een hele zware opgave. Geen van de leiders die zich opvolger van Den Uyl mochten noemen, beschikte over die veelvoud van kwaliteiten. Zeker, Wim Kok was meer dan een geweldig staatsman, maar liet na het sociaaldemocratische gedachtengoed te voeden. Wouter Bos was bij de aanvang één brok charisma, maar toen duidelijk werd dat de lading toch vooral neo-liberaal gedachtengoed bevatte, verloor het al snel zijn diepere betekenis voor de PvdA. En Diederik Samsom, scherp en briljant in een cruciaal verkiezingsdebat, bleek toen het op handelen aankwam een ingenieur die wel oplossingen bedacht, maar daarin de relatie met het sociaaldemocratisch gedachtengoed op essentiële punten uit het oog verloor. Het antwoord van de PvdA kiezer was genadeloos.  Lodewijk Asscher staat voor een immense opgave de PvdA weer terug te brengen in het centrum van de politiek. Kan Lodewijk Asscher die cruciale sleutelrol spelen in het herstel van de sociaaldemocratie. Duidelijk is dat dit vraagt om een duurzaam leiderschap dat gebaseerd is op innerlijke diepgang.  Een leider van de PvdA moet een van binnenuit diepgevoeld verlangen en overtuiging hebben, om onze wereld voor anderen te willen verbeteren. Het is deze energiebron die politici de drive kunnen geven om boven zichzelf uit te stijgen en letterlijk de ander de weg te wijzen. Is Lodewijk Asscher zo’n politicus?

Lodewijk Asscher in De Balie waar hij met trots en vertrouwen zijn boek presenteerde.

Laat ik beginnen met het feit dat ik oprecht blij ben dat Lodewijk Asscher, in samenwerking met politiek journalist Michiel Zonneveld, de tijd heeft genomen om zijn boek te schrijven. Het kon niet meer zo zijn dat, na de grootste nederlaag in de geschiedenis van de PvdA, de leider gewoon over zou gaan tot de orde van de dag. De tijd van weer een evaluatierapport over de teloorgang van de PvdA kon nu niet meer het antwoord brengen. Letterlijk moest er een herbezinning zijn in de kern van het leiderschap zelf. En het is dan ook terecht dat Lodewijk Asscher in die zoektocht vooral bij zichzelf te rade is gegaan. Wie is hij? Wat heeft hem gevormd? Wat drijft hem? Hoe kon hij het laten gebeuren dat zijn PvdA zoveel vertrouwen verloor? Wat zijn persoonlijke sociaaldemocratische idealen? En voelt hij zich wel sterk genoeg de partij haar vertrouwen terug te geven?

Ik denk dat ik niet te veel zeg, dat het boek van Lodewijk Asscher op persoonlijke vlak ontroert. Op volstrekt natuurlijke wijze, gaat Lodewijk Asscher op zoek naar zijn innerlijke motieven die hem drijven in het leven en in de politiek. Hij gaat daarbij letterlijk terug naar de bron, zijn eigen persoon en de omgeving waarin hij is opgegroeid. Onvermijdelijk komt dan de joodse geschiedenis langs. En hoe dat invloed heeft op zijn persoonlijkheid. Maar het bijzondere is, dat het daar nooit omgaat in zijn boek. Het is op geen enkel moment een egodocument. Nee, centraal staat de zoektocht naar wat in jezelf de kern is. Wat drijft je, welke waarden vind je belangrijk? En waarom is dat zo? En met de zelfkennis die daarmee in het boek onder woorden wordt gebracht, kijkt hij ook naar de ander. Hij laat zich daarbij niet afleiden door de klassieke sociaaldemocratische analyse van de klassensamenleving. Nee, Lodewijk Asscher, kijkt op de eerste plaats naar mensen. Mensen die, hoewel ze onderdeel zijn van een verdeelde samenleving waarin mensen kansrijk of kansarm zijn, op de eerste plaats als mens ‘ertoe willen doen’. Het is die, humanistische kijk naar mensen, die hem kenmerkt. Vandaaruit worden door hem de problemen geanalyseerd, de verklaringen gezocht om, in samenspraak met betrokkenen de weg naar oplossingen te vinden. Het is fascinerend om te zien hoe ver Lodewijk Asscher af staat van de clichés in de politiek, ja nadrukkelijk ook van de sociaaldemocratische retoriek. Ik mocht het zelf als Eerste Kamerlid op een weldadige wijze ervaren (woonakkoord, vrije artsenkeuze). Bij hem gaat de zoektocht allereerst naar de diepere inhoudelijke motieven om vervolgens met elkaar antwoorden te zoeken in de inhoud van een vraagstuk. Het boek is een mooie illustratie van die houding en werkwijze. Het begint telkens weer bij de mensen die hij ontmoet. Die mensen hebben allemaal recht op een betekenisvol leven. En waar dat recht in de knel lijkt te komen, komt Lodewijk Asscher in actie. Van daaruit wordt beredeneerd wat er gaande is, wat je zelf kan doen om te komen tot een verbetering en hoe een sociaaldemocratische politiek je daarbij kan versterken. Anders dan bij nogal wat sociaaldemocratische bestuurders wordt zijn leiderschap juist niet gekenmerkt door de autoriteit van de functie zelf, ook niet door het paternalisme of pragmatisme en al zeker niet door hemelbestormende verhalen. Die PvdA leden die op zoek zijn naar een leider die met de vlag voor de troepen uitgaat om de vestingwerken van de kapitalisten, de nationalisten dan wel de populisten te slechten komen er bekaaid van af. Dat soort leiderschap is juist níet het kenmerk van Lodewijk Asscher. Onder zijn vaandel gaat het om waardigheid, om respect, om – ongeacht positie en status – er echt te mogen zijn, om kansen te creëren die het leven zelf waardevol maken, en daarbij te weten dat je omgeving een sociale, rechtvaardige en solidaire samenleving is. En om dat te bereiken mijdt hij juist holle retoriek, maar gaat in zijn zoektocht het publieke gesprek aan in het centrum van onze democratie, het parlement. Vaak onverstoorbaar is hij daarin op zoek naar de grondslagen voor een samenleving – lees vooral het hele boek – waarin ieder mens ertoe doet.

Heeft Lodewijk Asscher met zijn boek ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ de basis gelegd voor een nieuwe koers van de PvdA? Inhoudelijk zet hij zeker stappen in de richting van een sociaaldemocratische politiek die nadrukkelijker dan ooit naast de mensen staat, om vervolgens samen met hen aan de slag te gaan voor een gewenste verandering. Maar voor mij is misschien wel de belangrijkste waarde van het boek, de openbaarmaking van de leiderschapsstijl van Lodewijk Asscher zelf. Als Lodewijk Asscher slaagt in zijn missie zit daarin de grote verandering. Want juist een PvdA met zijn leiderschapsstijl onderscheidt zich op waardige wijze van het opportunisme dat veel politieke partijen zich eigen hebben gemaakt, om nog maar te zwijgen van de schreeuwers en de haatzaaiers. In die nieuwe leiderschapsstijl is het niet de partij die alles oplost, met de alleswetende bestuurders, maar wordt er samen met mensen gezocht naar wegen die deze zelfde mensen als groep sterker maken. Als deze waarde van het zelfonderzoek van Lodewijk Asscher doordringt tot de talrijke bestuurders die de PvdA vertegenwoordigen, zal dat ook het beeld van de oude paternalistische PvdA doen verdwijnen. Dan is er ook een reële kans dat de PvdA weer echt van de mensen wordt.  Zo’n partij kan zich weer verbinden met al die mensen die de PvdA hebben verlaten. Dat samen, zou een basis kunnen leggen voor een nieuwe en betekenisvolle rol voor de PvdA. Als dat de winst is van het boek van Lodewijk Asscher, zal de PvdA met hem opstaan en haar positie in het politieke centrum hernemen. Hoe het ook zij met het boek heeft Lodewijk Asscher zijn politiek leiderschap van de PvdA gedefinieerd.

 

Het zoutkristallen licht van Wim Trieller: Voorbij het ‘dansen in oneindigheid’

Wie Wim Trieller kent, weet dat zijn leven één brok energie is. Misschien is deze intensiteit wel het kenmerk waarmee hij in alle openheid bezig is, om zijn en onze wereld mooier en leefbaarder te maken. Wim maakt deel uit van de generatie, die oprecht geloofde in een positieve maakbaarheid van onze samenleving. Zijn inspanningen zijn gebaseerd op het ideaal, waarin mensen zichzelf kunnen zijn maar ook met elkaar een verbinding aangaan.

Wim Trieller heeft geknokt voor een betere wereld, te beginnen in Almere. De verschillende rollen, raadslid, wethouder, ja ook projectontwikkelaar, voorzitter van het OBA en Vis A Vis, waren voor hem voertuigen om inhoud te geven aan zijn idealen. De inzet van Wim was mateloos en werd nooit beperkt geworden door een tijdsgrens. Het was en is met Wim Trieller altijd dansen in oneindigheid.

Ik denk dat veel mensen dit ‘dansen in oneindigheid’ zullen kunnen herkennen. Maar zeker, zij die gedreven zijn door idealen, beginnen iedere dag weer opnieuw om ongeremd betekenis te geven aan de dag van morgen en overmorgen.

Het is fascinerend hoe het begrip van oneindigheid als vanzelfsprekend deel is van ons dagelijks leven. Maar voor iedereen wordt alles anders wanneer het begrip eindigheid niet meer een abstractie, maar een voelbare realiteit is geworden. Vanaf dat moment, verandert er iets fundamenteel in de dynamiek van je bestaan. Dan is het niet meer mogelijk om je onder te dompelen in het bad van de grenzeloosheid. Nee, vanaf dat moment gaat het altijd ook om eindigheid, om de tijd die nog resteert. Het is dan onvermijdelijk dat je de vragen, die met de eindigheid samenhangen, moet doorgronden.

Toen bij hem het moment kwam waarin het onbewuste oneindige op heftige wijze werd vervangen door het bewustzijn van onze eindigheid, zou Wim zichzelf niet zijn wanneer hij ook deze levensfase in woorden zou te willen vangen. En bij hem worden woorden gedichten.

Ik neem de vrijheid dit te illustreren met twee gedichten:

plotseling is er
een diepe leegte

de tijd verziekt
uit handen gevallen

in een ruimte verkleind
tot een tafel en een bed

in een witte kamer
met de rug tegen de muur

staat de beklemming
hoe blijvend het is

voor altijd anders
totaal anders

een komende tijd

Het is niet gangbaar om de overgang van onze onbewuste, maar wel gekoesterde‘ oneindigheid’ in de bewuste en vaak gevreesde eindigheid tot een gesprek van alledag te maken. Als het al gebeurt, zal het vooral abstract zijn en gaat het over anderen. Toch is het deel van het leven zelf. Of in de woorden van Wim ‘voor altijd anders, totaal anders, een komende tijd’. Nog indringender wordt wanneer het gaat om ‘die ene seconde’ dat alles anders wordt.

Het ogenblik
tussen vergankelijkheid
en eeuwigheid

dat je naam
nog antwoord
geeft
sterft
alleen en 
ongrijpbaar

alles in
die ene 
seconde

Ik vind het fascinerend hoe Wim Trieller, in zijn nieuwe dichtbundel Het zoutkristallen licht, ons meeneemt in zijn overstap van oneindigheid naar eindigheid. Met het uitbrengen van deze gedichtenbundel laat hij ons zien wat ons allen te wachten staat. Eindigheid kent namelijk geen ongelijkheid. Hij maakt ons daarvan bewust, op een heel directe manier, maar nooit choquerend. Sterker, ook in deze tijdsperiode ontstaat er, zoals blijkt uit zijn gedicht Het Kristallen licht, nog vaak een nieuw perspectief.

ontwaakt uit een nacht
waar men nooit eerder was
hoe onzegbaar nabij
de nacht
met storm en duisternis
totdat de wind ging liggen
en de wind ging liggen
en het licht verschoonde
men zou het een grote schoonmaak kunnen noemen
ramen open, het oog ziet
het zoutkristallen licht,
men ademt de zee
de wedstrijd nog niet
beëindigd

http://www.almeredezeweek.nl/widgets/2164-nieuws/nieuws/1496475-po-euml-zie-heelt-alle-wonden-wim-trieller-publiceert-het-zoutkristallen-licht

 

 

Dankwoord gehouden tijdens de uitreiking van het eerste exemplaar van de dichtbundel Het zoutkristallen licht van Wim Trieller op 10 maart 2019 op de locatie van het Toneelgezelschap Vis á Vis in De Rode Haring. De dichtbundel kan worden besteld bij wimtrieller@gmail.com

“Ons land noemen wij het”, Frank Meijers, ontdekkingsreiziger in Oosterwold (1965-2019)

Vlnr: Adri Duivesteijn, Frank Meijers, Ivonne de Nood en Jacqueline de Ruiter. Foto: Marit Geluk

Een In Memoriam over Frank Meijers door Adri Duivesteijn op basis van een wandeling in Oosterwold op 29 juni 2016 met citaten uit geluidsopnamen van Marit Geluk.

Het was zaterdag 19 januari jl. toen filmmaker Marit Geluk mij belde met het afgrijselijke nieuws dat Frank Meijers die ochtend in de bossen van Oosterwold door een noodlottig ongeval om het leven was gekomen. Op zondag zou Marit’s film ‘De spelers van Oosterwold’ voor het eerst in Almere worden getoond in de bioscoop Kinepolis. De zaal (550 plaatsen!) was al weken uitverkocht. Veel van de aanwezigen zijn uit het Oosterwold afkomstig. Het was Frank Meijers, samen met zijn vrouw Jacqueline de Ruiter, die aan het begin stonden van een voor Nederlandse begrippen ongekende gebiedsontwikkeling. Terecht werd de premiere van de film wegens het overlijden van Frank Meijers uitgesteld naar zondag 3 februari a.s.

Ik ontmoette Frank Meijers op 29 juni 2016 toen ik met Ivonne de Nood, gebiedsregisseur Oosterwold 2015-2018), in Almere kwam kijken naar de eerste veranderingen in het maagdelijke polderlandschap van Oosterwold. Hier in Oosterwold zouden niet meer de projectontwikkelaars en woningcorporaties het gebied ontwikkelen, maar zijn het de mensen die de stad maken. Terugluisterend naar de audio opname die Marit Geluk heeft gemaakt van mijn ontmoeting met Frank Meijers, herbeleef ik onze ontmoeting en word ik opnieuw meegesleept door zijn openheid, spontaniteit en enthousiasme die hij wist te combineren met een scherp inzicht in de essentie van wat een organische gebiedsontwikkeling juist ook van de mensen zelf vraagt die deze uitdaging aangaan. In dit IM laat ik vooral daarom Frank Meijers aan het woord, want in zijn toelichting op hun eigen wooninitiatief dringen wij door tot wat in de kern Oosterwold is.

Frank Meijers: “Wij wilden naar buiten, Jacqueline wilde graag naar buiten, wij zijn de stad een beetje zat. De kinderen zijn nu zover dat ze naar de middelbare school gaan. Wij vinden de stad niet echt een perfect decor voor hun verder opgroeien. Wij wilden naar buiten toe, Jacqueline had al een tuin maar wilde meer ruimte. Wij hebben heel lang gezocht of wij ergens in Nederland iets konden vinden dat ons bevalt, maar we hebben gewoon niets kunnen vinden in al die twee jaar. Wij zoeken ruimte om ons heen, wij willen ook vrijheid, wij willen ook een groot huis kunnen neerzetten en dat is zeer lastig. Wij hebben wel plekken gevonden maar daar mag je dan maar 200 kubieke meter huis bouwen. Echt van die rare regels, echt midden in het landschap, gewoon midden in de natuur, niks om je heen en dan mag je maar 200 kubieke meters bouwen. Waarom? Wie is hiermee geholpen, welk probleem wil je hiermee oplossen? En dat is dan volstrekt onduidelijk, gewoon.”

Anders dan in de rest van Nederland, heeft Almere, Zeewolde samen met het Rijksvastgoedbedrijf (RVOB) van de Rijksoverheid en de Provincie Flevoland voor de ontwikkeling van Oosterwold gekozen voor een stedenbouw die een organische ontwikkeling van onderop mogelijk maakt. In Oosterwold geldt daarom het Almere principe “mensen maken de stad’ met de kernwoorden ‘zelfbeschikking’, ‘zelforganisatie’, ‘zelfbeheer’ en ‘zelfvoorzienend’. Burgers kunnen intekenen op de verwerving van grond om hun eigen idealen, fantasieën en dromen over hun eigen wonen zelf inhoud te geven. Hoe? Zeker, is dat het altijd een programmatische combinatie is van wonen, werken, landbouw en landschapsontwikkeling. De vorm? Hier is iedere initiatiefnemers vrij is om daaraan inhoud te geven. Het is het geheim van Oosterwold dat zich dus stukje bij beetje aan ons openbaren.

Frank Meijers: “Jacqueline kwam op de Noordermarkt in Amsterdam onze bloemenman tegen Zij vertelde dat ons zoeken naar een geschikte locatie al twee jaar op niets was uitgelopen. Nou, dan moet je een keer in Almere gaan kijken, daar hebben ze een nieuw project. Wij zijn toen direct wezen kijken, dat was rond de kerst in 2014. Nou in januari zaten wij bij Ester Geuting de toenmalige gebiedsregisseur van Oosterwold, en al in april hebben wij onze vergunning aangevraagd. Wij vonden het zo geweldig, we hebben meteen doorgepakt. Doordouwen, en nu dit dan (Frank wijst op hun woning, hun kas en hun land). Wij wilden zo snel mogelijk de vergunning over de muur gegooid hebben, alle aanvullingen komen daarna wel. Als ze maar vaart maken. En wat ik ook ontzettend leuk vind, dat wij hier straks niet in een eenvormige wijk wonen, maar dat je gewoon allemaal mensen om je heen hebt, mensen die net zoals wij dit leuk vinden, je hebt hier wel iets gemeen. We hadden misschien ook wel ergens anders eens een boerderij gevonden waar wij wat mee zouden kunnen, maar dan woon je in een buurt, waar je waarschijnlijk in de komende dertig jaar met de nek wordt aangekeken, want je komt toch uit de stad. Hier kennen wij al meer mensen om ons heen, dan wij waarschijnlijk ergens anders zouden gaan leren kennen, en wij wonen hier nog niet eens.”

Oosterwold, 29-06-2016 – Foto: Marit Geluk

Frank en Jacqueline waren beiden, juist door hun zoektocht naar een geschikte locatie, ervan doordrongen dat er voor de realisering van hun dromen, in ons zo geordende Nederland, maar heel weinig kansen waren. Zij wisten ook dat dromen alleen realiteit worden wanneer je ook bereid bent om je in te spannen om ze uit te laten komen. Daarvoor is intellectuele denkkracht en fysieke arbeid nodig. Voor hen was Oosterwold dan ook de kans om in hun wonen existentieel te zijn.

Frank Meijers: “Dat bevalt ons hier erg, de creativiteit. Het is toch veel leuker om iets te doen wat je zelf bedacht hebt, in plaats van iets in te vullen wat een ander bedacht heeft. Dit is veel leuker, je doet het met veel meer liefde. Ik vind het ook mooi dat wij ergens echt in kunnen investeren en dat nu ook heel duurzaam kunnen doen. Zulke muren, alles met de beste materialen, dit staat er over honderd jaar ook nog, of tweehonderd jaar wellicht. Het is zo goed wat hier gebouwd wordt. Als ik dat vergelijk met wat ik overal gebouwd zie worden, dat wordt afgeschreven in, zeg het maar, vijftig jaar hooguit, misschien nog wel minder. Grote torenflats, kantoorgebouwen worden in twintig jaar alweer opengehaald, nog een keer een nieuw geveltje erin, en na veertig jaar worden ze afgebroken, verschrikkelijk!”

Franks enthousiasme roept bij mij opnieuw de vraag op wanneer onze politici en stedenbouwers nu eens gaan inzien dat burgers meer zijn dan woonconsumenten?  Zij kunnen een einde maken aan de – eenzijdige – winstmaximalisatie die ons wonen nu zo kenmerkt? Wanneer wij echt willen dat het wonen weer van mensen zelf wordt, dat wij – net zoals Frank en Jacqueline – echt woonproducenten kunnen zijn, dan zullen bestuurders en hun ambtelijke medewerkers, stedenbouwers en architecten, de zelfbouwers moeten gaan faciliteren. Nu moeten zelfbouwers, de geweldige ontdekkingsreis die ons eigen wonen ook is, vooral zichzelf aanleren om daarin samen sterker te zijn.

Frank Meijers: “Ik ben advocaat, toezichthouder en gerechtelijk deskundige. Maar eigenlijk wil onze ervaringen delen. Ik ga kijken of ik mijn diensten kan aanbieden. Ik ben bezig met mijn blog dat jullie misschien wel hebben gezien. Deze is er opgericht om de drempel om hier te gaan bouwen zo laag mogelijk te houden. Ik deel alle informatie die ik heb. Ik heb geen commerciële belangen nog bij die site. Ik ben natuurlijk ook een beetje een voorvechter, dus ik heb ook als eerste alle nieuwe informatie. Mijn site wordt heel veel gelezen, de beste dag was tweeduizend kijkers, gemiddeld haal ik er vijf, zeshonderd clicks op één dag. Ik heb bijna tweehonderdduizend bezoekers. Er komen veel mensen bij mij, die niet direct naar de gebiedsregisseur gaan, om vragen te stellen en dan help ik ze met liefde, maar ik zou het ook leuk vinden als ik daar wat meer mee kan. Ik zie dat ik heel veel kennis en ervaring heb, maar ik wil dat ook voor mijzelf, mijn eigen kwaliteiten, ik kan dat gewoon, ik vind dat leuk. Dan zit ik ook wat meer tegen het bouwen aan in plaats van voor de PC hangen met juridische stukken. Dat kan ik wel, maar ik vind het minder charmant.”

Op nieuw realiseer ik mij dat wij over het wonen, hoewel een van de meest primaire levensvoorwaarden, oneindig vrij kunnen fantaseren. ‘My home is my Castle’, zeggen de Britten. In de Schilderswijk waren ‘de krotten van binnen paleisjes’. Juist dit dromen over ons eigen wonen staat los van rangen en standen. Voor iedereen geldt dat wonen een plek in bezit nemen is. Maar juist dat is in ons land zo weinigen gegeven, om echt in vrijheid het eigen wonen vorm te geven. Maar praat met hen die het geluk hebben hun eigen huis te mogen bouwen, dan ervaar je telkens weer dat deze zelfbouwers je eindeloos kunnen verhalen, over hoe hun toekomstige woondomein eruit zal komen te zien. Zo ook bij Frank en Jacqueline.

Frank Meijers: “Dit wordt het, ja, ik vind het natuurlijk heel mooi” – Foto: Marit geluk

Frank Meijers: “Dit wordt het, ja, ik vind het heel natuurlijk heel mooi, want wij hebben zelf opdracht gegeven. Hier komt nog een grote pergola, winters kan de zon eronder en zomers wordt die tegengehouden. Er komen van die zuiltjes waar de pergola op steunt, allemaal in hetzelfde mooie metselwerk, veel leuke details in het metselwerk ook, daaronder zo verticaal en horizontaal. Onze architect is van het bureau Winhov Die heeft het ontworpen, als goede vriend van ons. Wij hebben hem eigenlijk de ruime hand gegeven. Wij hebben wel ons programma meegegeven. Ik heb gezegd: wij willen zoveel kamers, wij willen ruimte. Zo willen wij boven een hele grote klerenkast zonder al die deuren van die IKEA-kastjes zal ik maar zeggen. En wij willen een grote werkplaats. Dat soort dingen heb ik opgegeven en voor de rest…, hij (de architect) doet het min of meer voor ons, en dan mag hij ook bouwen wat hij leuk vindt.”

Wij lopen van buiten naar binnen:

“Als je erin wilt dan kan misschien beter daarlangs, want dan hoef je er niet overheen te klimmen, want dan blijft je pak een beetje schoon. Het is een beetje vuil, maar je hoeft alleen maar hierop te stappen”

Frank loopt voor mij door het nog ruwe casco:

“Wij gaan hout stoken, wij zijn wat dat betreft zelfvoorzienend, CO2 neutraal, geen vervoer, dat vind ik leuk, dat vind ik lekker. Het is een goed gevoel om dat in eigen hand te hebben en niet al die auto’s te hoeven laten rijden. Mijn gevoel zegt mij dat alles wat je kunt isoleren is gewoon altijd goed. Wij hebben schapenwol in de muren, keramieken blokken, geen barsten meer in je muren. (…) Hier komen wij in een hele hoge ruimte. De plafonds zijn hoog. Daar achter is de keuken, met een grote eettafel in het midden, dat is het centrum van het huis. Dit blijft zo hoog, wij zitten hier aan de eettafel met daarboven een zuil met licht dat van boven komt. Ik ben gek op planten dus er komen hele grote planten langs de muur te hangen tot boven aan toe. En dan zit je eigenlijk weer in zo’n groene kas.”

“De woonkamer, de tv is eigenlijk bijzaak, is de essentie van het huis. Hier komt ook een grote houtkachel. En een bank, zodat je lekker voor de kachel een boekje kan lezen. (…) Ik wil in de keuken een enorme kast. Kijk, zo’n ruimte mis ik eigenlijk in ieder huis. Waar je pakken met eten, je rollen wc-papier en de machines die je in de keuken gebruikt, kan opbergen. Hier hoeft niets opgepropt te worden. Wij komen van een schip, dus ik ben het helemaal zat dat kruipen in gaatjes en geultjes en dit is eigenlijk de compensatie. Alles waar ik mij nu aan erger dat hebben wij hier over gecompenseerd. (…) Nou, en hier nog zijn twee kamertjes, een atelier en hiernaast een kantoor. Beiden met een riant uitzicht met grote ramen.”

Jacqueline de Ruiter: “Als jullie nog een zak basilicum mee naar huis willen. Wij verbouwen de klassieke Ocimum Basilicum Genovese. Ze groeien als kool in de kas.” – Foto: Marit Geluk

Buiten in de plantenkas verteld Jacqueline over haar passie: “Ik heb nu in de stad een kleine moestuin en wil meer ruimte. Mijn ouders hebben ook een moestuin dus daar komt het toch ergens vandaan. En zij vinden het hier, net als ik, fantastisch. Met deze kas en tuin hebben wij onze eigen wereld gecreëerd. Dat gaat niet in de stad, hier kom je nog veel meer bij de natuur. Heerlijk en ik hoef voor mijn moestuin nu niet meer weg. Dit is ook fysiek. Ik ben geen sportmens, dit is mijn sport. Dit is een stuk gezonder. Ik vind het mentaal ook heerlijk, je hebt helemaal je eigen gedachten, die gaan overal heen, terwijl je onkruid aan het wieden bent, speelt er nog een hele film in je hoofd. (…) ”

Voor mij was de wandeling met Frank Meijers en Jacqueline de Ruiter meer dan zomaar een moment. Toen ons team, samen met Winy Maas van MVRDV, bezig waren met onze ideeën voor de oostkant van Almere wilden wij een stedenbouw van onderop mogelijk maken. ‘Het radicaliseren van het particulier opdrachtgeverschap’ was toen de uitdrukking. De burgers, beter gezegd de mensen moeten het gaan doen. Hun energie is het geheim van de methode-Oosterwold. En ik kan nu, in 2019, niet beter de betekenis van het werk van Frank Meijers en Jacqueline de Ruiter voor Oosterwold duiden dan hoe Ivonne de Nood en ik het tijdens de wandeling in 2016 al onder woorden brachten:

“Weet je, jullie voorbeeld is zo ontzettend zoals het bedoeld was” (…)“Jullie zijn zo in hart en nieren Oosterwold pioniers. Van alle kanten, en jullie delen ook naar nieuwe initiatieven, jullie stellen allerlei kennis beschikbaar, via blogs, maar ook mensen kunnen hier altijd komen. Jullie zijn daarmee zo uitnodigend voor de anderen om aan te sluiten. Wat geweldig is dit!”

Frank Meijers bleef tot het laatst toe dienstbaar aan de ontwikkeling van Oosterwold. Op 17 januari 2019 schreef Frank Meijers op zijn website zijn laatste bericht: “Hoofdontsluitingswegen Oosterwold door de gemeente aangelegd?!”. Zijn plotselinge overlijden is een persoonlijk drama voor Jacqueline, hun kinderen en de familie. Maar het slaat ook een gat in de nog zo jonge gemeenschap in Oosterwold. Een ding is zeker met het overlijden van Frank Meijers verliest Oosterwold een pionier die meer dan wie ook begreep wat de essentie van Oosterwold is, namelijk dat je letterlijk een wereld creëert die niet alleen van jezelf is (!) maar die zich ook openstelt naar de gemeenschap eromheen.

Frank Meijers: “Maar weet je, dit proces kan niet slagen, als je niet open staat voor het ontdekken van dingen” – Foto: Marit Geluk