REKENEN AAN DE STAD van Jan Brouwer is aanrader voor bouwgroepen!

‘Verschillende partijen hebben verschillende redenen’

Investeren in de stad kan over veel gaan. De schrijver Jan Brouwer begint zijn boek ‘Rekenen aan de stad’ met een feitelijke constatering die niet zonder lading is.

‘Kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid, energiezuinigheid of financieel rendement….verschillende partijen hebben verschillende redenen om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’.

Dat het in de woningbouw om groot geld, en dus om uitzonderlijk grote belangen gaat, laat Jan Brouwer zien wanneer hij becijfert en beschrijft hoezeer ons gewone wonen ook een dans om miljarden euro’s is. Hoe al dat geld precies besteed wordt en waar het terecht komt is minder inzichtelijk dan het – met alle kostendeskundigen in het veld – ogenschijnlijk lijkt. Deze ontoegankelijkheid aan informatie roept vragen op, wat de verhouding kosten-kwaliteit nu eigenlijk is. Vooral ook omdat in het boek ‘rekenen aan de stad’ wordt aangetoond, dat wij – door de tijd heen – met elkaar steeds meer geld investeren in onze woningbouw, maar dat er tegelijkertijd sprake is van een kwantitatief afnemende woningbouwproductie. Wat voor waar krijgen wij eigenlijk voor ons geld?

Investeringen versus productie

Deze vraag wordt juist daarom relevanter, omdat er ‘in de dans om de miljarden’ die nu eenmaal vooraf gaat aan het realiseren van onze woningen, er geen sprake is van gelijke posities tussen de ‘verschillende partijen’. En in het bijzonder betreft dat alles wat te maken heeft met de loop van de geldstromen in de bouwnijverheid. In de woorden van Jan Brouwer:

‘zowel de ontwerpers als de gebruikers van gebouwen en infrastructuur werden vaak buiten de financiële afrekening gehouden’

Het is deze ongelijkheid in posities, die Jan Brouwer ertoe heeft gebracht om zijn boek Rekenen aan de stad te schrijven. En ja, omdat de institutionele wereld van de uitgeverij – waaronder helaas ook nai010 – zich kenmerkt door het mijden van risico’s, heeft hij zijn boek in eigen beheer uitgegeven. In zijn opvatting hebben ‘ontwerpers en gebruikers’ recht op inzicht in de rekensommen achter het product dat zij maken, dan wel gaan bewonen. Het lezen van het boek laat opnieuw zien dat het bouwen vooral ook een activiteit is waarin sprake is van een omvangrijke verdiencapaciteit voor een veelvoud van professionals op een veelvoud van manieren. Het is telkens weer ‘the same old story’ waarbij het vooral schrijnend is, dat ontwerpers en gebruikers geen gelijkwaardige rol hebben in de totstandkoming van hun eigen producten.

Mijn eerste kennismaking met dit thema komt uit de tijd dat ik hoofdredacteur was van de wijkkrant ‘de Schilderswijker’. Het was in 1974, nog steeds de tijd van de grote woningnood en de sterk verpauperde oude wijken in onze steden. Voor ons was de vernieuwing van de Schilderswijk en het verkrijgen van ‘betaalbare huren’ een levensvoorwaarde. In de strijd voor een leefbare wijk richtten wij ons vooral op de lokale politiek. Dat het veel complexer was, werd mij duidelijk toen ik van het Landelijk Werkverband Huisvestingsnood een boekje kreeg dat de titel had:

De bouwbazen : de machtsstrijd rond het structuuronderzoek bouwnijverheid : bouw doel of middel? Redaktie Paul Bulterman (1974)

Dit was een zeer gedetailleerde verslaglegging van een onderzoek naar een machtsstrijd tussen – om Jan Brouwer te citeren – ‘verschillende partijen’ dieverschillende redenen hebben om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’. In deze tijd was er – ook – een toenemende onvrede over wie nu eigenlijk het bouwbeleid in ons land bepaalde en vooral op basis waarvan dit gebeurde. De critici waren van mening dat er, door de ‘overheersende beïnvloeding van bepaalde belangengroepen’ eigenlijk geen echt inzicht bestond in de ‘behoeften en wensen van de bewoners (gebruikers)’. Een gevolg hiervan was, dat de bouwproductie geen directe relatie had met de vraag hoe wij met elkaar willen wonen.  Het was

het Tweede Kamerlid Erwin Nypels van D66 die hierin verandering wilde aanbrengen. Een voorwaarde voor meer openheid zou kunnen worden bewerkstelligd, doordat ‘voldoende gecoördineerd, onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek wordt verricht ten aanzien van de vele factoren die van betekenis zijn voor de bouw’. De motie die hij in 1970 hiervoor indiende werd gesteund door de fracties van D’66, PvdA, PSP, Boerenpartij, DS’70. Rechts, die de meerderheid had, verwierp de motie. Blijkbaar kwam de boodschap wel over, omdat in 1971 de regering in de regeringsverklaring officieel melding maakte, dat er ‘een onderzoek naar de structuur van de bouwnijverheid’ zou worden ingesteld. Voor de werkgeversorganisaties in de bouw was dit aanleiding om het initiatief voor het onderzoek naar zich toe te halen. De werknemersorganisaties besluiten mee te doen aan dit onderzoek onder de voorwaarde dat het onderzoek wordt opgedragen aan het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (E.I.B.). Het is een begin van een machtsstrijd over hoe het onderzoek zijn vorm zou moeten krijgen. Het is duidelijk dat de werkgevers in de bouw niet wezenlijk geïnteresseerd zijn in de rol van de ontwerpers dan wel de gebruikers. Voor hen staat centraal de vraagstelling ‘de middelen, die ertoe kunnen leiden dat de stijging van de productiviteit in de bouwnijverheid meer in overeenstemming wordt gebracht met de gemiddelde stijging in de overige industrie en dat zo mogelijk de achterstand wordt ingehaald’. Tot een werkelijk

onafhankelijk onderzoek komt het niet hetgeen aanleiding is voor de directeur van het E.I.B. professor. dr. ing. A. Hendriks om ontslag te nemen. Het was duidelijk dat dit deel van de ‘verschillende partijen’ hun eigen belang niet willen laten verstoren door wat het Landelijk Werkverband Huisvestingsnood als ‘het algemeen belang’ (de behoefte en wensen van bewoners(gebruikers)’ benoemde.

Ik was in die tijd ‘redelijk’ naïef. Woningbouwbeleid en stadsvernieuwing waren voor mij vooral verbonden met ideële doelstellingen. Er was een immense woningnood, de oude wijken waren, wij kunnen het ons nu niet meer voorstellen, verpauperd. Dit raakte miljoenen mensen. Daar wat aan doen, was de kern van de zaak. En wat zou het dan niet mooier zijn dan gezamenlijk, en dus juist ook met de gebruikers, te werken aan de vernieuwing van de stad. Ik spiegelde mij aan de mooie nationale en internationale voorbeelden, waarbij het idealisme bepalend is geweest voor de kwaliteit. Wij herkennen ze nog in de Amsterdamse School, de Siedlungen in Frankfurt en Berlijn. De verbinding met kunststromingen als de De Stijl en de Nieuwe Zakelijkheid spraken mij daarin aan. Het zijn ook deze voorbeelden geweest, die mij in 1984 inspireerden om in Den Haag met ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Activiteit’ een einde te maken aan de dominantie van de bouwwereld op de architectuur  van de stadsvernieuwing van de woningen en de stedenbouwkundige vormgeving van de oude wijken. Kort samengevat verbaasde ik mij in die tijd over het feit dat de intrinsieke architectonische kwaliteiten van de woningen in de oude wijken die wij sloopten vervangen werden door, in architectonisch opzicht, bloedeloze nieuwbouw in een vooral door productie gedreven aanpak van de stadsvernieuwing.

De publicatie ‘De bouwbazen’ was voor mij de eerste keer dat ik zo duidelijk in beeld kreeg, dat voor ‘verschillende partijen’ het ‘bouwen en het eigen belang’ in hiërarchische zin met elkaar verbonden zijn. Dat ‘winstmaximalisatie’ boven ‘woonmaximalisatie’ gaat. Dat burgers gezien werden als een ‘woonconsument’ in plaats van een ‘woonproducent’.

Hoezeer de bouw verweven is met tal van belangen wordt in het boek ‘Rekenen aan de stad’ geïllustreerd met een verwijzing naar de vele schandalen die de bouw structureel lijken te beheersen. Jan Brouwer noemt ze bijna emotieloos op: parlementaire onderzoeken (HLS/Betuweroute), parlementaire enquêtes (bouwsubsidies, bouwfraude, woningcorporaties), de Klimopzaak van het Bouwfonds. ‘Het lijkt wel of in de jaren ‘80 en ’90 de vastgoedsector is overspoeld met graaiers, dieven en flessentrekkers’. Nog altijd kan ik mij verbazen over het feit, dat een aantal van mijn generatiegenoten – zoals Sartre het uitdrukte: ‘Tussen de Raderen’ zijn geraakt.

Eens idealisten, die streden voor ‘betaalbare huren’ verworden ze tot zonnekoningen en beloonden zij zichzelf met extreme salarissen. Waar eens de idealen domineerden heerst nu de uitgangspunten van de markt, waarbij de doelgroep – die niet kan ontsnappen – de woonconsument heet te zijn.

 Verfijnder is de constatering van Jan Brouwer, dat ‘de gelegenheid de dief maakt’, waarmee de schrijver duidt op het gevoerde rijksbeleid dat ertoe bijdroeg dat het aantal spelers in de bouw sterk verminderd werd. ‘Kapitaalkrachtige spelers waren zodoende in staat een positie te verwerven in de gebieden die ontwikkeld gingen worden.’ Een omstandigheid die maakte, dat in de VINEX er in feite sprake was van een machtspositie van marktpartijen, die in staat waren grip te krijgen op het totale bouwvolume en daarmee, op de verdiencapaciteit. Wij leven nu in 2017 en Jan Brouwer constateert materieel in zijn boek ‘Rekenen aan de stad’ dat de veel gepredikte, intrinsieke doelen zoals ‘kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid en energiezuinigheid,’ maar al te vaak overvleugeld worden door het beoogde ‘financieel rendement’ van degenen die wel betrokken zijn bij de bouw, maar niet ‘primair ontwerper of gebruikers zijn.

‘Een kleine en besloten sector waarin heel veel geld omgaat, bevordert allerlei onderlinge afspraken en zorgt ervoor dat nieuwkomers buiten de deur worden gehouden’ – ‘minder spelers en een kleiner speelveld’.

De wereld is aan het veranderen: ‘wij weten zeker dat deze niet hetzelfde zal zijn’. Jan Brouwer noemt een groot aantal trends, die zullen maken dat de huidige structuur van de bouwnijverheid hopeloos verouderd zal blijken te zijn. Niet ingesteld op de nieuwe tijd die gaat komen. Een tijd waarin ‘mensen meer dan ooit in staat zijn om zelf te bepalen hoe men wil wonen en werken’, ‘ruwweg kan met zeggen dat het nieuwe proces veel meer bottom-up zal zijn en veel minder top-down’. Voor Jan Brouwer opent dat de vraag: hoe grote investeringen dan tot stand zullen komen?

De toekomst zal anders zijn: ‘de lening wordt niet meer bij de bank afgesloten, maar bij de familie, het beheer wordt niet meer door de verhuurder gevoerd, maar door de medebewoners. Het initiatief wordt niet genomen door een ontwikkelaar, maar door een groep enthousiaste bewoners. De bouw is voor een deel in handen van de gebruikers zelf’. Feit is dat er veel veranderingen zijn die duiden op de ontwikkelingsrichting die Jan Brouwer beschrijft. Een wijk als Roombeek in Enschede, waar burgers hun eigen huis konden bouwen staat niet meer op zichzelf. Enkel al in Almere zijn er sinds 2006 honderden huishoudens die hun eigen huis hebben gebouwd. Het Homeruskwartier in Almere Poort is de moeite van een bezoek waard. De diversiteit in bevolkingssamenstelling en architectuur is spectaculair in vergelijking met de monocultuur die wij op de meeste VINEX-locaties tegenkomen. Een nog onbekend fenomeen is Almere Oosterwold. Dit gebied beslaat 4400 ha en de gemeente staat een organische ontwikkeling voor. Dat wil zeggen, dat de burgers met initiatieven kunnen komen waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de totale ontwikkeling van hun kavel, inclusief de infrastructuur, de aanleg van een riolering en de energievoorziening. Geheel nieuwe woonvormen krijgen hier een kans om zich te ontwikkelen. Inmiddels zijn er al meer dan 200 burgerinitiatieven. Sinds 2015 is, naast de woningcorporatie, ook de wooncoöporatie in de Woningwet opgenomen. Hierdoor ontstaat de kans voor burgers om gezamenlijk eigenaar te worden van hun huidige huurwoningen, dan wel initiatieven te ontplooien voor een eigen nieuwbouwproject. Steeds meer gemeenten stellen zich open voor een bouwbeleid, waarin haar eigen burgers meer kansen krijgen. Maar ook nu weer is er op achtergrond een machtsstrijd gaande. Er zijn nog steeds ‘verschillende partijen’ (projectontwikkelaars, aannemers en woningcorporaties) die ‘verschillende redenen hebben om geld te steken in een bouwwerk of een ruimtelijke ingreep’. Anders gezegd, het eigen belang, oftewel het institutionele belang, zal opnieuw een dominante rol gaan spelen in de wijze waarop het bouwen in ons land zijn vorm krijgt. Voor Jan brouwer dan ook de reden om de vraag te stellen:

‘Hoe kunnen ontwerpers en gebruikers zelf rekenen of meerekenen met andere partijen, zodat hun belangen een rol spelen in de totstandkoming van gebouwen?’

Jan Brouwer gelooft heel sterk in ‘kennis maakt macht’ en het is dan ook een oprechte poging om de cirkel te doorbreken, waarin ontwerpers en burgers feitelijk dom worden gehouden. De titel ‘Rekenen aan de stad’ is dan ook eigenlijk een eufemisme voor op je hoede zijn als ontwerper en gebruiker. Maar al te vaak ben je slechts een middel en niet het werkelijke doel. Dus is de echte boodschap van het boek : wapen u, wapen u met kennis en kunde. Weet waarover uw spreekt en wat u wilt bereiken. Met meer kennis en kunde kan een betere stad worden gemaakt, komen ontwerpers meer tot hun recht en daarmee dus ook de architectuur van de stad en krijgen de gebruikers waar ze recht op hebben: een woning die echt aansluit bij hun werkelijke wensen en behoefte.

Het boek Rekenen aan de stad geeft dan ook inzicht in de verschillende rollen (De overheid, Markten, de stad). Ook maakt het inzichtelijk hoe de voorbereiding van ruimtelijke investeringen (en de feitelijke planvorming) betekenis krijgen. Jan Brouwer’s boek sluit af met een aantal burgerinitiatieven die laten zien dat anders bouwen tot voorbeeldige resultaten heeft geleid. ‘De burger als opdrachtgever’ en het adagium ‘mensen maken de stad’, zijn in ons land zeker nog geen vanzelfsprekendheid. Maar met een publicatie als Rekenen aan de stad kan de aandacht verschoven worden naar het echte belang voor de gebruiker, namelijk: ‘kwaliteit, comfort, veiligheid, gezondheid, bereikbaarheid en energiezuinigheid’. Het boek beveel ik van harte ter lezing aan.

Het boek Rekenen aan de stad is verkrijgbaar bij:

Uitgeverij JB Cultuur

info@jan.brouwer.eu

ISBN 978-90-827227-0-3,

Bovenstaande  tekst is een extract van een lezing welke ik hield op 6 september bij een bijeenkomst van TOP-Delft waar ik van Jan Brouwer het eerste exemplaar van zijn boek Rekenen aan de stad kreeg aangeboden