Constant – New Babylon: Aan ons de vrijheid

Tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag van 28 mei tot en met 25 september 2016

Openingswoord Adri Duivesteijn

adriduivesteijn.nl-Constant New Babylon Aan ons de vrijheid

Den Haag, 28 mei 2016, 1800 uur

Labirismen, 1968 Cassette met 11 litho’s van Constant en 11 litho’s met teksten van C. Caspari – 38 X 47.1 (elk)

 

 Hoe Constant mij tot ‘New Babylonisch leven’[1] inspireerde

Achter in de straat waar ik woonde, stond de broodbakkerij van de Coöperatie De Volharding. Deze fabriek was, net zoals die van ‘Sjakie en de Chocoladefabriek’[2], een machtige en vrijwel ondoordringbare vesting. En dus, een uitdaging voor een nieuwsgierige zevenjarige jongen. Want wat zat er achter die façade? Om die vraag te kunnen beantwoorden beklom ik op een vrije woensdagmiddag de statige trap van de hoofdingang aan de Delftselaan.

Coöperatie De Volharding - Delftselaan

Coöperatie De Volharding – foto’s Gemeentearchief

Daarboven aangekomen kroop ik onder het loket door, waar de broodbezorgers hun dagomzet inleverden. Direct naast dit loket was de deftige gang waar de directie zetelde. En aan het eind van die gang lonkte een zware ijzeren deur. Ik moest al mijn kracht gebruiken om de deur te openen. Toen de opening groot genoeg was, glipte ik door de deur, en keek van boven in de immense hal van de broodfabriek. Het verschil kon niet groter zijn. Van de serene rust in de koele directiegang naar de hitte van de bakkerij met haar kakofonie aan geluiden en geur van versgebakken brood. Ik keek naar de ovens die voor mij zo groot waren als de treinen op het Holland Spoor. Coöperatie De Volharding - interieurUit de hete ovens rolden in lange rijen, de broden die de bakkers met doeken van de band haalden. Aan de andere kant van de hal was een groep luidruchtige vrouwen in witte jassen en mutsen bezig om koekjes en gebak te sorteren voor de verschillende bakkerswijken. De broodbakkerij was een en al dynamiek en ik vond het fantastisch.

Het avontuur in de broodfabriek is slechts een van de verhalen die ik zou kunnen vertellen. Ik weet eigenlijk niet beter, dan dat de wijk waar ik woonde een nooit eindigende ontdekkingsreis was. De straat was de plek waar het gebeurde. Daar waren onze feesten, maar ook de onvermijdelijke botsingen rond oud en nieuw. En in iedere straat zat wel ergens een poort tot een binnenterrein. Ik zwierf er van de timmerwerkplaats naar de loodgieterij, van de autogarage naar de autosloperij. Ik sprak er met de schilder, de boekbinder, de marktkoopman en de lorrenboer. Alles was mijn wereld.

Het was diezelfde Coöperatie De Volharding, die mij vanaf 1963, kennis liet maken met een geheel andere wereld, namelijk die van de nieuwe wijken aan de rand van de stad. Aanvankelijk als hulp van een broodbezorger, later zou ik mijn eigen wijk krijgen, maakte ik kennis met Morgenstond, Vrederust, Bouwlust en het nog in aanbouw zijnde Mariahoeve.

Mariahoeve 1962

Mariahoeve in 1962

Tijdens mijn bakkersrit leek het wel alsof er niemand woonde. En als je mensen zag, waren het vooral de vrouwen die in de deuropening verschenen.  Vaker beperkte de communicatie tussen de broodbezorger en de klant zich door de tussenkomst van een tasje aan de deur, met een briefje: “Bakker, twee regeringsknip en een licht bruin”. In niets leken deze woonwijken op mijn dagelijkse leefomgeving. Op mij had dit alles de uitstraling van een voorgedrukte bouwplaat. Alles had er keurig zijn eigen plek. In de woonstraten stonden de flats in het gelid op het groene veld, hier en daar was er een kinderspeelplaats met een enkele schommel en wip. Soms was er een heus herkenningspunt in de vorm van een kerk of een verpleegtehuis. Binnenterreinen en bedrijvigheid waren er uitgebannen. Ook winkels zag je er niet, nou ja, ze waren er wel, maar dan op een enkele plek geconcentreerd en heel soms gecombineerd met een heuse bioscoop. Daar kon het zaterdag gezellig zijn.

 

Ik moet ongeveer zestien zijn geweest, toen ik een oogstrelende vriendin, een uit een Russisch gezin van zestien kinderen, leerde kennen die in een rijtjeshuis aan de Drapeniersgaarde in Bouwlust woonde. Zij wilde mij met gepaste trots haar wereld laten zien en wat was er nu niet een beter moment dan een heus feest. Ik fietste op de bewuste zaterdagavond naar een van de flats aan de Melis Stokelaan. Daar wachtte mijn vriendin mij al op. In plaats van een van de flats nam zij mij mee naar een berging die normaal gesproken voor fietsen en een enkele Solex werd gebruikt. Deze was voor deze gelegenheid omgetoverd tot een intieme disco. Het crêpepapier om de tl-buis kleurde de ruimte, matrassen lagen op de grond en de goed hoorbare platenspeler liet weten dat het vanavond niet om het gesprek zou gaan. Onttrokken aan het zicht van het ouderlijk gezag was de sfeer enigszins gespannen. Mijn vriendin keek mij verwachtingsvol aan. Vanavond zou het echt leuk worden. Ja, let op, hier in de berging, zou de wijk tot leven komen! Ik keek ernaar en besloot dit avontuur uit de weg te gaan en vertrok, mijn vriendin achterlatend. Ik heb haar daarna nooit meer gesproken.

Ik beschreef u twee ervaringen uit mijn jeugd. Voor mij waren het twee werelden die totaal aan elkaar tegengesteld waren. Het mag duidelijk zijn dat ik mij intuïtief thuis voelde in de organisch gegroeide stad, waarin het volle leven zich in al zijn verschijningsvormen manifesteerde. Van de geplande stad, dan wel de ‘Functionele Stad’ had ik toen nog niet gehoord. Laat staan van Le Corbusier, het Athens Charter (1933), de CIAM en het pleidooi om de vier functies van de stad, wonen, recreëren, werken en verkeer elk zijn eigenstandige ruimte te geven. In de tijd dat ik mij nog slechts verwonderden over de enorme verschillen hoe mensen woonden en werkten, verbeelde de kunstenaar Constant Nieuwenhuijs met zijn New Babylon een geheel andere wereld. De wereld van de bevrijde mens. In de opvatting van Constant hadden wij toen ‘als het ware de middelen in handen die ons in staat stellen een overwinning op de natuur te behalen en een einde te maken aan het vonnis: ‘in het zweet des aanschijns zult gij uw brood verdienen’. Constant verzette zich heftig tegen de technocratische concepten van de functionele stad, die slechts een antwoord gaven op een achterhaald idee van de samenleving waarin de factor arbeid en wonen nog nauw met elkaar verweven zouden zijn.

“Strikt genomen, stelde Constant, houdt de moderne stedenbouwer zich maar met twee aspecten van de stad bezig: het snelverkeer en de woningbouw. Het grootste probleem echter is de langzame, maar totale vernietiging van de stad als collectieve levensruimte. De moderne steden en wijken zijn daardoor ware monumenten van verveling en van saaiheid geworden.”[3]

In het jaar 1962 dat Constant deze woorden uitspreekt, spreidt het virus van de Functionele Stad zich nog steeds ongestoord verder uit over de Haagse Binnenstad. De voor mij zo vertrouwde schoolroute van de Bakhuizenstraat in de Schilderswijk naar het Lamgroen in het Spuikwartier veranderde in mijn schooltijd op een ontluisterende wijze doordat er vrijwel wekelijks panden werden dichtgespijkerd en gesloopt. Met o.a. het gemeentelijk plan De Nieuwe Hout, een zielige verwijzing naar het Lange Voorhout, werd op de Nieuwe Kerk na, alles in het Spuikwartier van de kaart geveegd. Met het Verkeerscirculatieplan Binnenstad, het zogeheten ‘Dwarswegbesluit’, werd de sloop van Het Oude Centrum en het Kortenbosch ingeluid.

Voor mij zou in 1968 mijn leefwereld en het dogma van de functionele stad op een wel heel directe wijze samenkomen. Het was op 17 december 1968 dat de Wethouder G.W. Hylkema van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de directeur Stadsontwikkeling Ir. Frits van der Sluys het plan ‘Van Grijs naar Groen’ toelichtten. Bestand 01-06-16 11 59 28In dit plan werd een groot deel van de Schilderswijk gesloopt en vervangen door een plan met ‘ongelijkvloerse kruisingen’ en ‘grote galerijflats van 12 tot 17 verdiepingen’ die net als in de naoorlogse wijken, als een gezagsgetrouw leger, keurig in gelid stonden opgesteld in het groen. Waar de nieuwe wijken tot dan toe nog het symbool waren van vooruitgang, veranderde deze vooruitgang in een monster dat de wijk, en zoals Constant het uitdrukte ‘de stad als collectieve levensruimte’ zou vernietigen. Voor de bewoners van deze stadsdelen zou alles van waarde – fysiek, sociaal, maatschappelijk en cultureel – verdwijnen.

Wethouder G.W. Hylkema en Ir. Frits van der Sluys

Maar wat was ons alternatief? ‘My intentions are good, I use my intuition’[4] zong John Lennon en dit zou aanvankelijk ook de belangrijkste driving force voor mij zijn om inhoud te geven aan mijn opvattingen over de stad. Maar dat bleek al snel onvoldoende. Voor een echte verandering is meer nodig. Voor een politiek waarin verbeelding een rol speelt vond ik ‘mijn legitimatie’ in de woorden van Olof Palme, de vroegere premier van Zweden:

‘Politiek – dat is een kwestie van willen, van iets willen. Sociaal democratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren’.[5]

Maar hoe kunnen ‘veranderingen die verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visoenen stimuleren’ dan wél de juiste beelden en woorden krijgen? Anders dan in de jaren twintig was er in mijn bestuurlijke periode was er geen vanzelfsprekende verbinding meer tussen de politiek en een bepaalde architectuurstroming en dus vormentaal. Fascinerend is het om te zien dat Constant op zijn manier worstelde met de vraag hoe zijn dromen en visoenen over New Babylon te koppelen aan de praktijk van de makers en dus het maken van de stad. In zijn lezing op 23 mei 1980 voor de Afdeling Bouwkunde van de TU-Delft onder de titel ‘Nieuw Babylon na tien jaar’ blikt Constant daarop terug:

een onfunctionele stad voor niet-werkende mensen kan verschillen van het soort steden dat tot nu toe is gebouwd voor werkende mensen.”

Maar constateert hij, min of meer gelaten, bij de inrichting van een nog onbewoonbare wereld kunnen wij ons nog wel iets voorstellen bij het concept van:

“vrijheid van verplaatsing, geen behoefte meer aan een vaste woonplaats, wisselende functies van de gebouwde omgeving, mobiele constructie van de microstructuur.  Moeilijker wordt het deze wereld te bevolken met mensen die zo totaal anders leven dan wijzelf: we kunnen hun ludieke of inventieve gedrag niet vooraf bepalen noch ontwerpen”.

 Dat onvermogen om ons werkelijk in een nieuwe wereld te kunnen inbeelden bracht Constant tot de conclusie:

 “We kunnen slechts een beroep doen op de fantasie en van de wetenschap op de kunst overgaan. Dit inzicht heeft mij ertoe gebracht het werk aan de maquettes te staken om in schilderijen en tekeningen te trachten een suggestie, hoe globaal ook, van enig New Babylonisch leven te wekken. Verder kon ik niet gaan.”[6]

Constant keert daarmee in feite van de antikunst, wat in essentie zijn maquettes van New Babylon waren, terug naar de kunst als vorm van verbeelding. En terugkijkend zijn het voor mij juist de “schilderijen en tekeningen” uit deze periode geweest, die bij mij het gedachtegoed van het New Babylon ten volle tot leven hebben gewekt. Zelf midden in een zoektocht naar wat stedelijke kwaliteit is [7] raakte ik door een van die ‘New Babylonische’ voorstellingen van Constant, het schilderij Terrain Vague II uit 1973, gefascineerd.

Het Gemeentemuseum was zo aardig geweest dit werk uit te lenen en in de kamer van de burgemeester op te hangen. Het schilderij verbeeldde ‘woeste grond’ met op de achtergrond een opdoemende, maar voor mij een tegelijkertijd uitnodigende stad die vooral ruimte leek te bieden.

Het was in diezelfde burgemeesterskamer waar ik – iets te vaak – ‘mocht’ verblijven om knellende aangelegenheden te bespreken. Soms alleen met de burgemeester en de gemeentesecretaris maar, vaak ook met collega-wethouders in een van de vele pogingen om tot een gezamenlijk besluit te komen over de vestiging en de keuze voor het ontwerp van het Stadhuis op het Spuikwartier. Een besluit dat uiteindelijk bepalend zou gaan worden voor de ontwikkelingsrichting van het centrum van deze stad. Niet de politiek litterator, maar de kunstenaar Constant bood mij, wat zoals ik aangaf ook zijn opzet was, ‘een suggestie, hoe globaal ook, van ‘enig New Babylonisch leven’. En in de onvermijdelijke stiltes, die nu eenmaal in spannende overlegsituaties vallen, stapte ik steeds vaker het schilderij binnen om in gedachte op zoek te gaan naar wat deze ongedefinieerde stad mij allemaal te bieden had. Een zoektocht die door de serie Labyrismen van Constant uit 1968 wordt verdiept en mij de beelden geeft van een stad waarin juist het niet-afgeslotene, het spontane, het veranderbare voor mij de metafoor wordt voor wat de stad eigenlijk is en telkens weer opnieuw zou kunnen zijn. In het bijbehorende tekst van C. Caspari bij de litho serie wordt mijn ervaring ook letterlijk onder woorden gebracht in de afsluitende tekst:

Ich betrete das Labyr;

ich weiss nicht was mich erwartet.

ich weiss nicht was ich hören werde.

ich weiss nicht was ich sehen werde,

                         was mich erwarten wird.

                         was ich entdecke,

Aber ich überlasse mich diesem System

von materielle und immateriellen Vorgängen.

In alles kann ich auch Aktiev und Passief jederzeit

eingreifen.

Ich setze mich den ständigen Veränderungen aus.

Ich bin in ein Spannings- und VibrationsFeld

geraten das je nach meinem Vermögen,

nach meiner Stimmung,

nach meinen Eigenschaften,

           benützt werden kann.

Nieuw Babylon en in het bijzonder van de lithoserie Labyrismen en de woorden in de tekst van

C. Caspari mij er bewust van gemaakt dat het niet meer voor de hand ligt, zoals in de jaren twintig met het nieuwe bouwen en de Amsterdamse school, het geval was om je als politicus te verbinden met een enkelvoudige architectuurstromingLabyrismen - doos met bijbehorende vormentaal. Het concept van de ideale stad ligt voor een politicus niet meer opgesloten in een alles bepalend dogma zoals die van de Functionele stad, het Structuralisme of het Deconstructivisme of van welk ‘isme’ ook. Nee, de ideale stad bevindt zich in de metafoor van New Babylon, waarbinnen het de mens is die zich heeft bevrijd en de ruimte krijgt om zelf creatief te zijn. 

“Nieuw Babylon, zegt Constant, is de stad van het spel en het spel als levensstijl. Nieuw Babylon is anti logisch. De spraakverwarring is er geen straf maar een droom van onverwachte vondsten en situaties.“

En voor mij werd, de stad van het spel, meer en meer het ideaalbeeld van de stad. Het zou dan ook daadwerkelijk sturend worden in mijn handelen en mijn beslissingen die ultiem de vorm van de stad zouden kunnen gaan bepalen.

Degenen die het debat over het cultuurplein aan het Spui en de keuze voor het stadhuis van Richard Meier zich nog kunnen herinneren, weten dat voor mij de kern lag in, zoals Aldo van Eyck dat ooit uitdrukte: ‘je moet de stad teruggeven aan de stad’. Voor mij ging het om, zoals Constant duidde, het herstel van ‘de collectieve leefruimte’. Juist het gegeven dat het ontwerp van Richard Meier met het Atrium een plek bood aan de stad die niet gedefinieerd was en dus open was voor een invulling door de stad zelf. Het zou dan aan de Haagse gemeenschap zijn om te laten zien hoe initiatiefrijk, inventief of creatief zij is. En, nu zo’n twintig jaar later kunne wij vaststellen dat de stad, zowel het cultuurplein als het Atrium van het stadhuis, heeft ingevuld en betekenis heeft gegeven, en dat deze plek in de stad telkens opnieuw ‘benützt werden kann’.[8]

In Den Haag ben ik er niet aan toe gekomen, maar in Almere heb ik het idee van ‘de stad als spel en het spel als levensstijl’ zoals ik dat vanuit Constant’s New Babylon interpreteerde geradicaliseerd door het Almere principles ‘Mensen maken de Stad” te introduceren. Weg met het dogma van de functionele stad, welke met haar monocultuur nog steeds de vorm domineert van de stedenbouw en architectuur in de Vinex. Weg met het concept van de ‘verzorgingsstaat’ waar het nu vooral de commerciële de projectontwikkelaars zijn ons wonen vormgeven. Weg met de degradatie van de burger als woonconsument. Laat die burger de stad zelf maken. Laat die burger woonproducent zijn. En in Almere leverde het ‘Mensen maken de Stad’ aantoonbaar een andere stad op. 2000 huishoudens uit alle inkomensklassen hebben met het bouwen van hun eigen huis een reeks ‘onverwachte vondsten en situaties’ op. 2000 zelfbouwers, uit alle lagen van de bevolking, waren het die met hun ‘fantasieën de daadkracht voeden, dromen en visioenen’ realiseerden in een ongekende diversiteit in architectuur en woningtypen. De wijken Noorderplassen-West, het Homeruskwartier en Overgooi zijn het bewijs dat mensen de stad kunnen maken.

In Almere Oosterwold wordt Constants gedachtegoed verder geradicaliseerd. Deze stadsuitbreiding van 4400 ha groot wordt principieel gepland organisch ingevuld met initiatieven van onderop. (Verantwoording Oosterwold) In samenwerking met Winy Maas van MVRV en Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) is in het ruimtelijk plan is de basis gelegd voor een ontwikkeling van onderop. Dat wil zeggen dat niet de stedenbouwer of de architect maar de creativiteit en het programma van de mensen zelf bepalen zullen gaan bepalen wat uiteindelijk het ‘eindbeeld’ in deze gebiedsontwikkeling zal gaan worden. De homo ludens kan met een minimum aan voorschriften, welke bovendien slechts bedoeld zijn om het nieuwe landschappelijk karakter veilig te stellen, inhoud geven aan hun ‘dromen en visioenen’.

Terug naar het begin van mijn verhaal. In mijn jeugd waren er twee verschillende werelden. Daarin was mijn woonwijk afgeschreven ten gunste van de functionele stad. Nu, bijna vijftig jaar na het moment (1968) dat ik zelf actief werd, mogen wij ons gelukkig prijzen dat dankzij het verzet van veel burgers de oude stad letterlijk en figuurlijk is terugveroverd. Maar het dogma van de de functionele stad heerst nog ten volle in de aanpak van uitbreidingswijken van onze steden of in de herstructurering van de naoorlogse wijken. Daar is het adagium van ‘mensen maken de stad’ nog steeds niet doorgedrongen en is de feitelijke bouwproductie in handen van institutionele partijen. De burger is voor hen geen homo ludens maar consument Hoe kan het dat wij dat zo lijdzaam accepteren? Dat zou toch anders kunnen en moeten. Hoe?

Om daar een antwoord op te vinden wil ik afsluiten met de woorden waarmee Constant zijn lezing in Delft beëindigde:

“Het projekt bestaat. Het ligt, goed opgeborgen in een museum, te wachten op gunstiger tijden waarin het opnieuw interesse zal wekken van toekomstige stedebouwers. Alles wat ik erover zeggen kon, is gezegd en opgeschreven. New Babylon is het werk van een schilder.”

Het is nu 71 jaar na de Tweede wereldoorlog, een samenleving die fundamenteel is veranderd, waarin de burger mondig is geworden. Je zou mogen verwachten dat ‘de gunstiger tijden’ nu wel zijn aangebroken. Het Gemeentemuseum in Den Haag heeft er in ieder geval een duidelijke opvatting over. Zij sluit de bijbehorende catalogus af met de volgende passage, ik lees hem graag aan u voor:

“Door een bijzondere constructie is het gelukt de New Babylon-werken bijeen te houden. Constant hoopte dat het project hierdoor ooit – op een gunstiger moment – door anderen ter hand zou kunnen worden genomen. Wij kunnen die anderen zijn. Aan ons de vrijheid.”

Ik herhaal het graag: ‘wij kunnen die anderen zijn’. En wat zou het voor de inrichting van ons land bijzonder waardevol zijn, wanneer mede door deze tentoonstelling, er bestuurders, stedenbouwers en architecten opstaan om opnieuw de burgers de kans te geven te “spelen met de gedachte aan een aards paradijs, aan een nieuw Babylon”.

Met deze wens open ik graag de tentoonstelling Constant – New Babylon: Aan ons de vrijheid.

Adri Duivesteijn

Ode à l’Odéon, 1969 – Olieverf en lak op doek (190,7 x 200,2 CM – Gemeentemuseum

Cv: Adri Duivesteijn was wethouder en loco-burgemeester in Den Haag (1980-1989) en Almere (2006-2013). Eerste directeur van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam (1989-1994). Lid van de Tweede Kamer (1994-2006) en Eerste Kamer (2013-2015).

[1] New Babylon na tien jaren. Lezing door Constant gehouden aan de afdeling Bouwkunde van de TH Delft, 23 mei 1980. Constant New Babylon. Aan ons de vrijheid, Pagina 216. Gemeentemuseum, Den Haag – 2016.

[2] Roald Dahl, 1964

[3] Uit een fragment uit het VPRO-portret van Constant door Simon Vinkenoog, verwerkt in de film ‘Avant le Départ’ uit 2005

[4] Intuition, Mind Games, John Lennon, 1973

[5] Politiek is Willen, Olof Palme

[6] New Babylon na tien jaren. Lezing door Constant gehouden aan de afdeling Bouwkunde van de TH Delft, 23 mei 1980. Constant New Babylon. Aan ons de vrijheid, Pagina 225. Gemeentemuseum, Den Haag – 2016.

[7] In 1984 startte ik, o.a. i.s.m. Henk Overduin, de toenmalige adjunct directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, de Campagne ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit”, een collectieve zoektocht naar kwaliteit in de stadsvernieuwing.

[8] Het Haagse Stadhuis, Bouwen in een slangenkuil, Adri Duivesteijn i.s.m. Fred Feddes. Pagina 183: Mijn Keuze. SUN, 1994