Zal, met het boek van Lodewijk Asscher, ook de PvdA opstaan?

 

Lodewijk Asscher: ‘Je wilt ertoe dóén, ik weet zeker dat dat voor vrijwel alle mensen een voorwaarde voor een goed leven is’. Uitgeverij Podium – ISBN 9789057599194

Het boek van Lodewijk Asscher ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ ligt in de boekhandel. De PvdA-leider, die mooie tijden meemaakte als lijsttrekker, fractievoorzitter en wethouder van Amsterdam. Die in het kielzog van Diederik Samsom, als vicepremier van het Kabinet Rutte II, ondervond dat de PvdA haar ziel kwijtraakte. Zo zeer, dat de kiezers de PvdA bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen genadeloos afstraften. Kan deze Lodewijk Asscher, om zijn eigen metafoor te gebruiken, de PvdA weer laten opstaan? Is er nog een kans dat de PvdA opnieuw tot de verbeelding zal spreken bij brede lagen van onze bevolking? En zal die PvdA dan ook in staat zijn om in de samenleving de geestelijke ruimte te creëren voor een solidaire en rechtvaardige samenleving? Voor mij waren dat de kernvragen, toen ik zo af en toe in de zijlijn van de wording van het boek mocht meekijken. Ik doe een poging hierop nu zelf een antwoord te geven.

Het leiderschap van de PvdA is een fascinerend fenomeen. Voor mij staat vast dat, hoe geëmancipeerd wij ook door alle lagen van de bevolking zijn, het toch vooral de politici zijn die ons burgers een referentiekader meegeven. De politiek leiders van de PvdA moeten wel over heel veel kwaliteiten beschikken om echt langdurig en succesvol leiding te kunnen geven aan een zeer diverse volkspartij die de PvdA van origine is. PvdA-leiders zijn de voorhoede in de strijd die moet worden gevoerd om sociaaldemocratische idealen dichterbij te brengen. En wanneer leiders bestuurders worden, moeten zij ook nog eens in staat kunnen zijn om met hun handelen daadwerkelijk iedere dag de idealen van hun partij dichterbij te brengen.

De meest tot de verbeelding sprekende sociaaldemocratische leider die ik van dichtbij mocht meemaken was Joop den Uyl. Hij was in staat om op meerdere niveaus politiek te bedrijven. Zo bezat hij het vermogen om, in iedere setting, hardop na te denken over ontwikkelingen in onze samenleving. Hij inspireerde door thema’s te formuleren, waardoor het politieke debat over de inrichting van de samenleving handen en voeten kreeg. Hij combineerde denken en doen, was strijdbaar, maar formuleerde ook wat volgens hem de marges van de democratie waren waarbinnen je tot politieke resultaten kon komen. Joop den Uyl was één van die zeldzame leiders, die ook tegenspraak opzocht en daarvoor zelf sterker werd, misschien wel juist omdat hij daarin ook opnieuw de verbinding zocht.

Leiderschap van een sociaaldemocratische partij is een hele zware opgave. Geen van de leiders die zich opvolger van Den Uyl mochten noemen, beschikte over die veelvoud van kwaliteiten. Zeker, Wim Kok was meer dan een geweldig staatsman, maar liet na het sociaaldemocratische gedachtengoed te voeden. Wouter Bos was bij de aanvang één brok charisma, maar toen duidelijk werd dat de lading toch vooral neo-liberaal gedachtengoed bevatte, verloor het al snel zijn diepere betekenis voor de PvdA. En Diederik Samsom, scherp en briljant in een cruciaal verkiezingsdebat, bleek toen het op handelen aankwam een ingenieur die wel oplossingen bedacht, maar daarin de relatie met het sociaaldemocratisch gedachtengoed op essentiële punten uit het oog verloor. Het antwoord van de PvdA kiezer was genadeloos.  Lodewijk Asscher staat voor een immense opgave de PvdA weer terug te brengen in het centrum van de politiek. Kan Lodewijk Asscher die cruciale sleutelrol spelen in het herstel van de sociaaldemocratie. Duidelijk is dat dit vraagt om een duurzaam leiderschap dat gebaseerd is op innerlijke diepgang.  Een leider van de PvdA moet een van binnenuit diepgevoeld verlangen en overtuiging hebben, om onze wereld voor anderen te willen verbeteren. Het is deze energiebron die politici de drive kunnen geven om boven zichzelf uit te stijgen en letterlijk de ander de weg te wijzen. Is Lodewijk Asscher zo’n politicus?

Lodewijk Asscher afgelopen zondag in De Balie waar hij met trots zijn boek signeerde.

Laat ik beginnen met het feit dat ik oprecht blij ben dat Lodewijk Asscher, in samenwerking met politiek journalist Michiel Zonneveld, de tijd heeft genomen om zijn boek te schrijven. Het kon niet meer zo zijn dat, na de grootste nederlaag in de geschiedenis van de PvdA, de leider gewoon over zou gaan tot de orde van de dag. De tijd van weer een evaluatierapport over de teloorgang van de PvdA kon nu niet meer het antwoord brengen. Letterlijk moest er een herbezinning zijn in de kern van het leiderschap zelf. En het is dan ook terecht dat Lodewijk Asscher in die zoektocht vooral bij zichzelf te rade is gegaan. Wie is hij? Wat heeft hem gevormd? Wat drijft hem? Hoe kon hij het laten gebeuren dat zijn PvdA zoveel vertrouwen verloor? Wat zijn persoonlijke sociaaldemocratische idealen? En voelt hij zich wel sterk genoeg de partij haar vertrouwen terug te geven?

Ik denk dat ik niet te veel zeg, dat het boek van Lodewijk Asscher op persoonlijke vlak ontroert. Op volstrekt natuurlijke wijze, gaat Lodewijk Asscher op zoek naar zijn innerlijke motieven die hem drijven in het leven en in de politiek. Hij gaat daarbij letterlijk terug naar de bron, zijn eigen persoon en de omgeving waarin hij is opgegroeid. Onvermijdelijk komt dan de joodse geschiedenis langs. En hoe dat invloed heeft op zijn persoonlijkheid. Maar het bijzondere is, dat het daar nooit omgaat in zijn boek. Het is op geen enkel moment een egodocument. Nee, centraal staat de zoektocht naar wat in jezelf de kern is. Wat drijft je, welke waarden vind je belangrijk? En waarom is dat zo? En met de zelfkennis die daarmee in het boek onder woorden wordt gebracht, kijkt hij ook naar de ander. Hij laat zich daarbij niet afleiden door de klassieke sociaaldemocratische analyse van de klassensamenleving. Nee, Lodewijk Asscher, kijkt op de eerste plaats naar mensen. Mensen die, hoewel ze onderdeel zijn van een verdeelde samenleving waarin mensen kansrijk of kansarm zijn, op de eerste plaats als mens ‘ertoe willen doen’. Het is die, humanistische kijk naar mensen, die hem kenmerkt. Vandaaruit worden door hem de problemen geanalyseerd, de verklaringen gezocht om, in samenspraak met betrokkenen de weg naar oplossingen te vinden. Het is fascinerend om te zien hoe ver Lodewijk Asscher af staat van de clichés in de politiek, ja nadrukkelijk ook van de sociaaldemocratische retoriek. Ik mocht het zelf als Eerste Kamerlid op een weldadige wijze ervaren (woonakkoord, vrije artsenkeuze). Bij hem gaat de zoektocht allereerst naar de diepere inhoudelijke motieven om vervolgens met elkaar antwoorden te zoeken in de inhoud van een vraagstuk. Het boek is een mooie illustratie van die houding en werkwijze. Het begint telkens weer bij de mensen die hij ontmoet. Die mensen hebben allemaal recht op een betekenisvol leven. En waar dat recht in de knel lijkt te komen, komt Lodewijk Asscher in actie. Van daaruit wordt beredeneerd wat er gaande is, wat je zelf kan doen om te komen tot een verbetering en hoe een sociaaldemocratische politiek je daarbij kan versterken. Anders dan bij nogal wat sociaaldemocratische bestuurders wordt zijn leiderschap juist niet gekenmerkt door de autoriteit van de functie zelf, ook niet door het paternalisme of pragmatisme en al zeker niet door hemelbestormende verhalen. Die PvdA leden die op zoek zijn naar een leider die met de vlag voor de troepen uitgaat om de vestingwerken van de kapitalisten, de nationalisten dan wel de populisten te slechten komen er bekaaid van af. Dat soort leiderschap is juist níet het kenmerk van Lodewijk Asscher. Onder zijn vaandel gaat het om waardigheid, om respect, om – ongeacht positie en status – er echt te mogen zijn, om kansen te creëren die het leven zelf waardevol maken, en daarbij te weten dat je omgeving een sociale, rechtvaardige en solidaire samenleving is. En om dat te bereiken mijdt hij juist holle retoriek, maar gaat in zijn zoektocht het publieke gesprek aan in het centrum van onze democratie, het parlement. Vaak onverstoorbaar is hij daarin op zoek naar de grondslagen voor een samenleving – lees vooral het hele boek – waarin ieder mens ertoe doet.

Heeft Lodewijk Asscher met zijn boek ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ de basis gelegd voor een nieuwe koers van de PvdA? Inhoudelijk zet hij zeker stappen in de richting van een sociaaldemocratische politiek die nadrukkelijker dan ooit naast de mensen staat, om vervolgens samen met hen aan de slag te gaan voor een gewenste verandering. Maar voor mij is misschien wel de belangrijkste waarde van het boek, de openbaarmaking van de leiderschapsstijl van Lodewijk Asscher zelf. Als Lodewijk Asscher slaagt in zijn missie zit daarin de grote verandering. Want juist een PvdA met zijn leiderschapsstijl onderscheidt zich op waardige wijze van het opportunisme dat veel politieke partijen zich eigen hebben gemaakt, om nog maar te zwijgen van de schreeuwers en de haatzaaiers. In die nieuwe leiderschapsstijl is het niet de partij die alles oplost, met de alleswetende bestuurders, maar wordt er samen met mensen gezocht naar wegen die deze zelfde mensen als groep sterker maken. Als deze waarde van het zelfonderzoek van Lodewijk Asscher doordringt tot de talrijke bestuurders die de PvdA vertegenwoordigen, zal dat ook het beeld van de oude paternalistische PvdA doen verdwijnen. Dan is er ook een reële kans dat de PvdA weer echt van de mensen wordt.  Zo’n partij kan zich weer verbinden met al die mensen die de PvdA hebben verlaten. Dat samen, zou een basis kunnen leggen voor een nieuwe en betekenisvolle rol voor de PvdA. Als dat de winst is van het boek van Lodewijk Asscher, zal de PvdA met hem opstaan en haar positie in het politieke centrum hernemen. Hoe het ook zij met het boek heeft Lodewijk Asscher zijn politiek leiderschap van de PvdA gedefinieerd.

 

Het zoutkristallen licht van Wim Trieller: Voorbij het ‘dansen in oneindigheid’

Wie Wim Trieller kent, weet dat zijn leven één brok energie is. Misschien is deze intensiteit wel het kenmerk waarmee hij in alle openheid bezig is, om zijn en onze wereld mooier en leefbaarder te maken. Wim maakt deel uit van de generatie, die oprecht geloofde in een positieve maakbaarheid van onze samenleving. Zijn inspanningen zijn gebaseerd op het ideaal, waarin mensen zichzelf kunnen zijn maar ook met elkaar een verbinding aangaan.

Wim Trieller heeft geknokt voor een betere wereld, te beginnen in Almere. De verschillende rollen, raadslid, wethouder, ja ook projectontwikkelaar, voorzitter van het OBA en Vis A Vis, waren voor hem voertuigen om inhoud te geven aan zijn idealen. De inzet van Wim was mateloos en werd nooit beperkt geworden door een tijdsgrens. Het was en is met Wim Trieller altijd dansen in oneindigheid.

Ik denk dat veel mensen dit ‘dansen in oneindigheid’ zullen kunnen herkennen. Maar zeker, zij die gedreven zijn door idealen, beginnen iedere dag weer opnieuw om ongeremd betekenis te geven aan de dag van morgen en overmorgen.

Het is fascinerend hoe het begrip van oneindigheid als vanzelfsprekend deel is van ons dagelijks leven. Maar voor iedereen wordt alles anders wanneer het begrip eindigheid niet meer een abstractie, maar een voelbare realiteit is geworden. Vanaf dat moment, verandert er iets fundamenteel in de dynamiek van je bestaan. Dan is het niet meer mogelijk om je onder te dompelen in het bad van de grenzeloosheid. Nee, vanaf dat moment gaat het altijd ook om eindigheid, om de tijd die nog resteert. Het is dan onvermijdelijk dat je de vragen, die met de eindigheid samenhangen, moet doorgronden.

Toen bij hem het moment kwam waarin het onbewuste oneindige op heftige wijze werd vervangen door het bewustzijn van onze eindigheid, zou Wim zichzelf niet zijn wanneer hij ook deze levensfase in woorden zou te willen vangen. En bij hem worden woorden gedichten.

Ik neem de vrijheid dit te illustreren met twee gedichten:

plotseling is er
een diepe leegte

de tijd verziekt
uit handen gevallen

in een ruimte verkleind
tot een tafel en een bed

in een witte kamer
met de rug tegen de muur

staat de beklemming
hoe blijvend het is

voor altijd anders
totaal anders

een komende tijd

Het is niet gangbaar om de overgang van onze onbewuste, maar wel gekoesterde‘ oneindigheid’ in de bewuste en vaak gevreesde eindigheid tot een gesprek van alledag te maken. Als het al gebeurt, zal het vooral abstract zijn en gaat het over anderen. Toch is het deel van het leven zelf. Of in de woorden van Wim ‘voor altijd anders, totaal anders, een komende tijd’. Nog indringender wordt wanneer het gaat om ‘die ene seconde’ dat alles anders wordt.

Het ogenblik
tussen vergankelijkheid
en eeuwigheid

dat je naam
nog antwoord
geeft
sterft
alleen en 
ongrijpbaar

alles in
die ene 
seconde

Ik vind het fascinerend hoe Wim Trieller, in zijn nieuwe dichtbundel Het zoutkristallen licht, ons meeneemt in zijn overstap van oneindigheid naar eindigheid. Met het uitbrengen van deze gedichtenbundel laat hij ons zien wat ons allen te wachten staat. Eindigheid kent namelijk geen ongelijkheid. Hij maakt ons daarvan bewust, op een heel directe manier, maar nooit choquerend. Sterker, ook in deze tijdsperiode ontstaat er, zoals blijkt uit zijn gedicht Het Kristallen licht, nog vaak een nieuw perspectief.

ontwaakt uit een nacht
waar men nooit eerder was
hoe onzegbaar nabij
de nacht
met storm en duisternis
totdat de wind ging liggen
en de wind ging liggen
en het licht verschoonde
men zou het een grote schoonmaak kunnen noemen
ramen open, het oog ziet
het zoutkristallen licht,
men ademt de zee
de wedstrijd nog niet
beëindigd

http://www.almeredezeweek.nl/widgets/2164-nieuws/nieuws/1496475-po-euml-zie-heelt-alle-wonden-wim-trieller-publiceert-het-zoutkristallen-licht

 

 

Dankwoord gehouden tijdens de uitreiking van het eerste exemplaar van de dichtbundel Het zoutkristallen licht van Wim Trieller op 10 maart 2019 op de locatie van het Toneelgezelschap Vis á Vis in De Rode Haring. De dichtbundel kan worden besteld bij wimtrieller@gmail.com

Mooie kijk van Marit Geluk op ‘De Spelers van Oosterwold’ (en – als een extra – het mysterie van een kavelprijs)

Zondag 20 januari jl. zou in de geschiedenis van ‘Making Almere’ een euforisch moment moeten worden. Gepland stond de première van de film ‘De Spelers van Oosterwold’ van de filmmaker Marit Geluk. De film, die in opdracht is gemaakt van het Bestuurlijk Overleg Oosterwold, zou een persoonlijke impressie laten zien van de filmmaker. Drie jaar lang heeft zij alle betrokken spelers gevolgd in de transformatie van een agrarisch gebied naar een landgoed van initiatieven, waar wonen, werken en stadslandbouw worden gecombineerd.

De grote zaal van de bioscoop Kinepolis in het stadshart van Almere was uitverkocht. De zaal zou vol zitten met de spelers, die in de afgelopen drie jaar het Landgoed Oosterwold hebben gemaakt. Het mocht echter niet zo zijn. De dag ervoor kwam één van de eerste spelers, Frank Meijers, door een tragisch ongeval om het leven. De verslagenheid, in de nog zo jonge gemeenschap van Oosterwold, was groot. De voorpremière van de film werd dan ook terecht uitgesteld naar zondag 3 februari. Voor niemand in de zaal was deze film vrijblijvend. Deze film zou gaan over de mensen die in de zaal zaten, zij zijn de spelers van Oosterwold. De daardoor al aanwezige spanning vermengde zich met emotie toen de vroegere gebiedsregisseur Ivonne de Nood mooie woorden sprak over Frank Meijers:

“Als sparringpartners hebben Frank en ik veel besproken om onderdelen van Oosterwold verder te brengen. (…) Vanuit wederzijds vertrouwen had ik een bondgenootschap met Frank, hij was een heldere denker, scherp, kritisch, belangstellend en het ging altijd over inhoud. Daarbij, had hij altijd op het juiste moment die onvergetelijke glimlach. (…) Door zijn inzet is letterlijk en figuurlijk de weg geëffend voor vele anderen.”

Juist, omdat het bij Oosterwold gaat over een fundamentele omkering in de gebiedsontwikkeling, was deze zondagmiddag voor mij ook een heel bijzonder moment. Toen ik in 2006 als wethouder begon, stond ik voor de uitdaging om inhoud te geven aan de schaalsprong van Almere. De stad zou moeten gaan uitbreiden met maar liefst 60.000 woningen en honderdduizend arbeidsplaatsen. Voorwaar geen geringe opgave. Voor mij was duidelijk, dat de doorontwikkeling van de stad anders zou moeten. Stoppen met het ‘uitrollen van matjes met eindeloze reeksen standaardwoningen’. Dat moest anders en beter. Onder de titel ‘Ik bouw mijn huis in Almere’ werd in 2007 een begin gemaakt met de ‘staalkaart voor particulier opdrachtgeverschap’ in het Homeruskwartier. Vanaf dat moment kregen letterlijk honderden burgers de kans om in Almere hun eigen huis te bouwen. Hier beperkte dit zelf bouwen zich nog tot de door de gemeente omschreven rooilijnen en kavelgrenzen. Zou zelfbouw nog radicaler kunnen? Was het mogelijk om een echte vrijheid te creëren en burgers ook een plek te geven in het vormgeven van de stad? Zou een minutieuze planning van boven af vervangen kunnen worden door een organische ontwikkeling op basis van initiatieven van onderop? Met deze vraagstelling schreven wij voor Almere Hout een meervoudige studieopdracht uit onder vier architectenbureaus. In een openbare bijeenkomst met als titel ‘Mensen maken de Stad, een vakdebat over stedenbouw van onderop in Almere’ discussieerden wij op 11 april 2007, onder leiding van Felix Rottenberg, met zo’n 250 professionals. Het moest anders, maar over het hoe waren de meningen verschillend. Felix sloot de dag dan ook af met de vraag of wij ‘met elkaar getuige waren geweest van ‘een voetnoot dan wel een keerpunt’ in de ontwikkeling van Almere. Uiteindelijk zouden wij, samen met Winy Maas van MVRDV, in de structuurvisie Almere 2.0 de basisprincipes van een organische ontwikkeling voor Oosterwold vastleggen. In een werkmaatschappij werd samen met het Rijksvastgoedbedrijf, de Provincie Flevoland, het Waterschap Flevoland en de gemeente Zeewolde de Ontwikkelstrategie ‘Oosterwold, Land-Goed voor Initiatieven’ opgesteld en vastgesteld. En het plan was inderdaad radicaal. Hier in Oosterwold zou voor het eerst in onze naoorlogse geschiedenis het maken van de stad niet door een planning van bovenaf zijn vorm krijgen.

Hier waren wij voor een deel, vrij van, vaak door speculatie verkregen, grondposities van projectontwikkelaars en woningcorporaties. Oosterwold kon zich gaan onderscheiden door het inmiddels tot Almere Principe verheven ‘mensen maken de stad’.  De mensen met hun ideeën, creativiteit en doorzettingskracht zouden hier worden uitgedaagd om een nieuw stedelijk landschap vorm te geven. Wonen, werken, stadslandbouw, publiek groen, waterbergingen  en infrastructuur zijn hierin de vaste programmatische ingrediënten. Hoe en in welke vorm, zou in vrijheid worden bepaald door de initiatieven van de toekomstige bewoners en ondernemers. Nu, een aantal jaren later, zat de zaal van Kinepolis vol met de spelers van Oosterwold. Velen ervan waren al bewoners van Oosterwold. Anderen zaten volop in de bouw, dan wel stonden te trappelen om aan de slag te gaan. En hoewel de film van Marit Geluk, naast de schoonheid van het landschap en de architectuur, ook liet ook zien dat het zelf bouwen en ontwikkelen in Oosterwold niet altijd gemakkelijk is, was ook duidelijk dat het uiteindelijke resultaat groots is en een uniek woongebied gaat opleveren.

Tjeerd Herrema, Henk Mulder en ikzelf

Ik vond het ook fijn om bij de filmvoorstelling weer een aantal bekenden terug te zien. Zo waren mijn opvolgers Henk Mulder en Tjeerd Herrema er. Wetend welke inspanningen wij met elkaar hebben moeten verrichten om dit bestuurlijk mogelijk te maken, waren wij onverholen trots. De film maakte zo tastbaar dat een gebiedsontwikkeling van onderop succesvol kan zijn. Ik complimenteerde Marit met de film. Zij had met haar voortreffelijke observaties een mooi en realistisch beeld van Oosterwold gegeven. Met een zekere verwondering vroeg ik mij af, waarom de verantwoordelijke wethouder Maaike Veeningen (voorzitter van het Bestuurlijk overleg Oosterwolde) , die wel in de zaal aanwezig was, niet de spelers van Oosterwold welkom heette? Sowieso had ik verwacht meer leden van het college van Almere aanwezig zouden zijn. Het moet toch ook voor hen allen, een mooi en uniek moment zijn in haar wordingsgeschiedenis van Almere. Ik vond het jammer maar stond er verder niet meer bij stil. Het was immers, dankzij de mooie film van Marit Geluk, een hele mooie dag voor alle spelers van Oosterwold.

Nog geen vierentwintig uur later kregen de spelers van Oosterwold, die initiatiefnemer zijn, een koude douche te verwerken. Met een nieuwsbrief werd hen medegedeeld, dat de kavelprijs met onmiddellijke ingang van 42 naar 74,15 euro (beiden bedragen zijn samengesteld uit grondprijs en een bijdrage voor de exploitatie) was verhoogd. Je hoeft geen deskundige te zijn in bestuurlijke procedures om te weten, dat dit besluit al ver voor de première van de film een feit was. Al op 11 december 2018 is er in het Bestuurlijk overleg Oosterwold over gesproken. Met andere woorden het bestuur heeft bewust gewacht met de bekendmaking tot na de première van de film. Ik kan niet zeggen dat ik het erg elegant vond, maar ik begreep ineens wel waarom de verantwoordelijk wethouder ervoor koos om bij de première niet zichtbaar te zijn. Maar nu de nieuwe kavelprijzen toch onderdeel zijn geworden van een publiek discours, wil ik er ook wel wat over zeggen. Want hoe zit het eigenlijk met de grondprijzen van Oosterwold? Kun je bijvoorbeeld grondprijzen van verschillende gebieden, zoals de wethouder op 11 februari jl. deed, in het programma RADAR (Oosterwold 74 euro – Vogelhorst 500 euro) zomaar met elkaar vergelijken? In het geheel niet. Want het gaat over twee wezenlijk verschillende grondexploitaties. Om wat achtergrond over grondbeleid te schetsen grijp ik terug op het gesprek dat ik had met Frank Meijers tijdens mijn bezoek op 29 juni 2016 in Oosterwold. Het gesprek ging over de risico’s die onvermijdelijk verbonden waren met een gebiedsontwikkeling zoals in Oosterwold.  Ik citeer letterlijk de audio-opname:

 AD: “maar dit proces kan niet slagen als je niet open staat voor het ontdekken van dingen.”

FM: “nee precies, maar ik vind het ook prettig dat dat door de gemeente, in dit geval, gewoon erkend is met een lage grondprijs. Want dat is het natuurlijk wel.”

AD: “Nou dat is het principe ook. Het principe is natuurlijk dat als de gemeente een heleboel dingen niet zelf hoeft te doen, en je schuift het naar de mensen toe, dan is het ook logisch dat je een andere grondwaarde krijgt.”

 FM: “Ja, maar dan heb je er ook wat erkenning voor. Je hebt een heleboel ellende, gezeur maar wij hebben er ook niet voor betaald. Ik vind dat eerlijk, het is een faire deal, wij krijgen een korting maar hebben ook alle risico’s.”

 AD: “Maar dat is het principe ook. Waarom zijn gemeentelijke grondprijzen zoals ze zijn? Omdat alle activiteiten al hebben plaatsgevonden. De hele infrastructuur, de planvorming, alles, de basis is gewoon dat de gemeente zo’n heel gebied moet ontwikkelen. Op het moment dat je dat doorschuift naar de mensen, betekent het in feite dat je de kosten doorschuift. Dus is het ook logisch dat je een andere grondprijs hanteert”.

Zo zien wij dat in Vogelhorst of Poort de gemeente alle voorinvesteringen (infrastructuur, zoals wegen riolering, aansluitingen, parken e.a.) zelf ter hand heeft genomen. Dat kan fors in de papieren lopen, ik geef een voorbeeld in Almere Hout Noord waar de gemeente het gebied heeft opgespoten met zand (kosten 120 miljoen, prijspeil 2005).  In Oosterwold zijn er geen vergelijkbare voorinvesteringen gedaan door een overheid. Omdat de grond van het rijk is, is er voor de gemeente zelfs geen sprake van een renteverlies op de grond. Van de initiatiefnemers in Oosterwold wordt gevraagd alles, letterlijk alles zelf te doen. Zij ontginnen het gebied, zij maken de plekken bouwrijp, leggen de wegen en verzorgen, indien nodig, de aansluitingen. Bovendien onderhouden en beheren zij de wegen, het groen, water en het land(bouw). Anders gezegd: in Oosterwold is de rolverdeling volstrekt anders en is het in geen enkel opzicht te vergelijken met welke andere gebiedsontwikkeling ook. Zelfs als je prijzen zou willen vergelijken moet je juist ook de fundamentele verschillen tussen ‘verschillende grondproducten. Dat niet doen is misleidend omdat het een bevoordeling van bewoners en ondernemers in Oosterwold suggereert.

In mijn periode is voor Oosterwold ook nooit gesproken over een ‘marktconforme grondprijs’. Er is namelijk geen markt bij opbod maar een residuele grondprijs. Dat wil zeggen dat eerst gekeken wordt welke investeringen, conform het opgelegde programma van de gemeente, de initiatiefnemers zullen moeten gaan doen. De ruimte die vervolgens overblijft is de grondwaarde. Het gaat dus feitelijk om de restwaarde na aftrek van kosten. Dat kan in een aantal extreme gevallen, bijvoorbeeld bij niet commerciële voorzieningen, zelfs een negatieve grondwaarde opleveren. De nieuwe ‘marktwaarde voor de grond’ is via het Rijksvastgoedbedrijf door een onafhankelijk beëdigd taxateur opgesteld. Het mooie is dat bij een residuele waardebepaling het mogelijk om volstrekt open te zijn over de waardering en hoe men tot die residuele waarde is gekomen. Maar zelfs wanneer alles transparant is, kan er nog een verschil van opvatting zijn. Dan is het gebruikelijk dat er een beroep- en arbitragecommissie wordt ingesteld, bestaande uit door drie partijen aan te wijzen onafhankelijke beëdigde taxateurs, die met elkaar nagaan welke grondwaarde juist in. Het is evident dat in het geval van Oosterwold een contraexpertise wenselijk is. Zo roept de toelichting op de waarderingsmethode al de nodige vraagtekens op.

Kan er in dit geval wel een gemiddelde VON-prijs zijn voor woningen in Oosterwold? En hoe zien de kosten eruit die van de VON-prijs zijn afgetrokken? Klopt dit met de werkelijk te maken kosten? Is de veronderstelling wel juist dat ‘de bouwkosten minder snel zijn gestegen’ in een tijd dat deze explosief gestegen is? En, niet onbelangrijk, als er geen vergelijkbare gebiedsontwikkeling in de regio, is hoe kan deze grondprijsverhoging ‘in euro’s (…) vergelijkbaar zijn met de waardeontwikkeling van grond in de regio’? En, vraag ik mij af of het feit dat er voor Oosterwold geen BTW behoeft te worden afgerekend – een vrijstelling (17.4 status) die geldt voor grond die nog nooit bebouwd is geweest – een rol heeft gespeeld bij het bepalen van het  gronddeel in de kavelprijs. (Kunt u het nog volgen? 🙂

Natuurlijk, ook ik sluit niet uit dat er redenen kunnen zijn voor een objectieve kavelprijs verhoging. Dat zou zeker het geval zijn wanneer de initiatiefnemers van de gemeente verwachten dat deze actiever wordt in het gebied. Bijvoorbeeld wanneer een deel van de wegenaanleg als taak van de initiatiefnemers wordt doorgeschoven naar de gemeente. Maar dat is dan ook waar voor je geld, omdat het feitelijk een verschuiving is van kosten die dan ook niet meer bij de toekomstige bewoners terechtkomen. Maar er zijn zeker ook nog andere aspecten die van invloed zouden kunnen en misschien ook wel moeten zijn op een kavelprijs. Want hoe heeft de taxateur een al dan niet gewenste woningdifferentiatie voor Oosterwold gewaardeerd? Ik mag toch aannemen dat de gemeente Almere erop staat dat er in Oosterwold ook ruimte is en blijft voor initiatiefnemers met een modaal dan wel een laag inkomen? Het zal toch niet zo zijn dat een gebiedsontwikkeling als Oosterwold slechts is voorbehouden aan hogere inkomens? Ik zie al een Haagse tweedeling (zand en het veen) voor mij waarbij de hogere inkomens in Almere zich centreren aan de oostkant van Almere (Overgooi, Vogelhorst en Oosterwold). Hoe het ook zij, er is alle reden om openbaarheid te betrachten bij de uitgangspunten van een waardering van de kavelprijs voor een gebiedsontwikkeling als Oosterwold. Ook zou het volstrekt normaal zijn, wanneer er een beroeps- of arbitragecommissie is waar belanghebbenden naar toe kunnen gaan.

Een volle zaal voor de premiere van de De Spelers van Oosterwold, tja waar is…?

Tot slot zijn er nog twee andere aspecten die de discussie, en dus ook de houding van het bestuur van Almere, kunnen beïnvloeden. Ik weet niet hoezeer deze hebben meegewogen, maar ik weet wel dat ze al langer deel uitmaken van interne discussie. De eerste betreft de concurrentie om de grond. Almere heeft veel bouwgrond in eigendom. Dat kost geld en een te lange leegstand levert zelfs forse renteverliezen op. Het succes van Oosterwold, er staan ca. 1000 (!) kandidaat-initiatiefnemers op de wachtlijst, kan ook de aantrekkingskracht doen afnemen voor gebieden waar hoge grondprijzen worden gecombineerd met strakke stedenbouwkundige regels en verplichtingen met een minimale vrijheid. Zo kan ik mij voorstellen dat ondernemende burgers het geld voor een kavel in Vogelhorst (500 euro) met zelfkracht veel efficiënter kunnen inzetten in een locatie van Oosterwold. Je zou dat zeker ‘marktwerking’ kunnen noemen tussen typen gebiedsontwikkelingen. In ieder geval ziet de afdeling Grondzaken van Almere de klanten liever niet vertrekken naar de rijksgronden van Oosterwold.  Anders gezegd: vanuit haar grondbedrijf heeft Almere een direct belang bij de verhoging van de grondprijzen van Oosterwold. Maar het wordt nog fascinerender. Tussen de Rijksoverheid en Almere, zijn in het kader van de schaalsprong afspraken gemaakt over een extra financiële bijdrage van de rijksoverheid voor de kosten die moeten worden gemaakt. Die bijdrage wordt gestort in het Fonds Verstedelijking Almere. Materieel vult de rijksoverheid het fonds met de grondopbrengsten die zij ontvangt van de eerste 7000 woningen op rijksgrond in Oosterwold. Dat kan aangenaam zijn voor Almere in het geheel maar wanneer er sprake is van een kunstmatige verhoging van het gronddeel in de kavelprijs is is dat wel zuur voor de spelers van Oosterwold. Feitelijk financieren zij dan de wel noodzakelijke verstedelijking van Almere. In ieder geval roept dit vraag op of er op de achtergrond sprake is van een verkapt verdienmodel bij de vaststelling van de kavelprijzen in Oosterwold.

Ik kan zonder verdere informatie niet beoordelen wat bepalend is geweest voor de wel heel forse kavelprijsverhoging in Oosterwold. Wel vind ik het gek, dat wij allen in goed gemoed op een zondagmiddag samenkomen om te gaan kijken naar de première van de film ‘De spelers van Oosterwold’, terwijl een paar spelers, zoals de bestuurlijk verantwoordelijk wethouder, weet dat de dag erop een fors aantal van de aanwezigen, of voor hogere lasten komen te staan en misschien zelfs niet meer kunnen deelnemen. Dit is niet de manier waarop ik,  maar ik neem aan niemand in de zaal, een feestje wil vieren. Het zou dan ook goed zijn wanneer er een volledige transparantie komt hoe de kavelprijs voor Oosterwold is opgebouwd en gewaardeerd. Welke parameters worden gehanteerd, welke opslagen zijn er en waarom? Ook moet je er toch niet aan denken dat door zo’n plotselinge en rigoreuze verhoging de toegang tot Oosterwold, voor modale en lagere inkomens ineens geblokkeerd gaat worden.

Laat in ieder geval duidelijk zijn dat de essentie van een gebiedsontwikkeling als in Oosterwold juist niet is voorbehouden aan wat ‘de gek ervoor kan geven’. In Oosterwold is nooit de winstmaximalisatie het uitgangspunt geweest, maar de maximalisatie van het wonen, de publieke ruimte en de stadslandbouw. Voor Almere zit de echte winst in een gedifferentieerd en kleurrijk gebied, dat aan de gehele stad een extra aantrekkingskracht geeft. Ben benieuwd wat hierover de opvattingen zijn van de gemeenteraad. Misschien is het een idee alvorens de Raad hierover met het College in debat gaat om even tijd te nemen om de film ‘De Spelers van Oosterwold’ in de raadzaal te vertonen. ik kan u verzekeren dat u net zo trots zult zijn als Henk Mulder, Tjeerd Herrema en ondergetekende. Het was dan ook echt de moeite waard om wethouder te mogen zijn in Almere, de plek waar de mensen Oosterwold maken!

Adri Duivesteijn, Wethouder van Almere van 2006-2013

“Ons land noemen wij het”, Frank Meijers, ontdekkingsreiziger in Oosterwold (1965-2019)

Vlnr: Adri Duivesteijn, Frank Meijers, Ivonne de Nood en Jacqueline de Ruiter. Foto: Marit Geluk

Een In Memoriam over Frank Meijers door Adri Duivesteijn op basis van een wandeling in Oosterwold op 29 juni 2016 met citaten uit geluidsopnamen van Marit Geluk.

Het was zaterdag 19 januari jl. toen filmmaker Marit Geluk mij belde met het afgrijselijke nieuws dat Frank Meijers die ochtend in de bossen van Oosterwold door een noodlottig ongeval om het leven was gekomen. Op zondag zou Marit’s film ‘De spelers van Oosterwold’ voor het eerst in Almere worden getoond in de bioscoop Kinepolis. De zaal (550 plaatsen!) was al weken uitverkocht. Veel van de aanwezigen zijn uit het Oosterwold afkomstig. Het was Frank Meijers, samen met zijn vrouw Jacqueline de Ruiter, die aan het begin stonden van een voor Nederlandse begrippen ongekende gebiedsontwikkeling. Terecht werd de premiere van de film wegens het overlijden van Frank Meijers uitgesteld naar zondag 3 februari a.s.

Ik ontmoette Frank Meijers op 29 juni 2016 toen ik met Ivonne de Nood, gebiedsregisseur Oosterwold 2015-2018), in Almere kwam kijken naar de eerste veranderingen in het maagdelijke polderlandschap van Oosterwold. Hier in Oosterwold zouden niet meer de projectontwikkelaars en woningcorporaties het gebied ontwikkelen, maar zijn het de mensen die de stad maken. Terugluisterend naar de audio opname die Marit Geluk heeft gemaakt van mijn ontmoeting met Frank Meijers, herbeleef ik onze ontmoeting en word ik opnieuw meegesleept door zijn openheid, spontaniteit en enthousiasme die hij wist te combineren met een scherp inzicht in de essentie van wat een organische gebiedsontwikkeling juist ook van de mensen zelf vraagt die deze uitdaging aangaan. In dit IM laat ik vooral daarom Frank Meijers aan het woord, want in zijn toelichting op hun eigen wooninitiatief dringen wij door tot wat in de kern Oosterwold is.

Frank Meijers: “Wij wilden naar buiten, Jacqueline wilde graag naar buiten, wij zijn de stad een beetje zat. De kinderen zijn nu zover dat ze naar de middelbare school gaan. Wij vinden de stad niet echt een perfect decor voor hun verder opgroeien. Wij wilden naar buiten toe, Jacqueline had al een tuin maar wilde meer ruimte. Wij hebben heel lang gezocht of wij ergens in Nederland iets konden vinden dat ons bevalt, maar we hebben gewoon niets kunnen vinden in al die twee jaar. Wij zoeken ruimte om ons heen, wij willen ook vrijheid, wij willen ook een groot huis kunnen neerzetten en dat is zeer lastig. Wij hebben wel plekken gevonden maar daar mag je dan maar 200 kubieke meter huis bouwen. Echt van die rare regels, echt midden in het landschap, gewoon midden in de natuur, niks om je heen en dan mag je maar 200 kubieke meters bouwen. Waarom? Wie is hiermee geholpen, welk probleem wil je hiermee oplossen? En dat is dan volstrekt onduidelijk, gewoon.”

Anders dan in de rest van Nederland, heeft Almere, Zeewolde samen met het Rijksvastgoedbedrijf (RVOB) van de Rijksoverheid en de Provincie Flevoland voor de ontwikkeling van Oosterwold gekozen voor een stedenbouw die een organische ontwikkeling van onderop mogelijk maakt. In Oosterwold geldt daarom het Almere principe “mensen maken de stad’ met de kernwoorden ‘zelfbeschikking’, ‘zelforganisatie’, ‘zelfbeheer’ en ‘zelfvoorzienend’. Burgers kunnen intekenen op de verwerving van grond om hun eigen idealen, fantasieën en dromen over hun eigen wonen zelf inhoud te geven. Hoe? Zeker, is dat het altijd een programmatische combinatie is van wonen, werken, landbouw en landschapsontwikkeling. De vorm? Hier is iedere initiatiefnemers vrij is om daaraan inhoud te geven. Het is het geheim van Oosterwold dat zich dus stukje bij beetje aan ons openbaren.

Frank Meijers: “Jacqueline kwam op de Noordermarkt in Amsterdam onze bloemenman tegen Zij vertelde dat ons zoeken naar een geschikte locatie al twee jaar op niets was uitgelopen. Nou, dan moet je een keer in Almere gaan kijken, daar hebben ze een nieuw project. Wij zijn toen direct wezen kijken, dat was rond de kerst in 2014. Nou in januari zaten wij bij Ester Geuting de toenmalige gebiedsregisseur van Oosterwold, en al in april hebben wij onze vergunning aangevraagd. Wij vonden het zo geweldig, we hebben meteen doorgepakt. Doordouwen, en nu dit dan (Frank wijst op hun woning, hun kas en hun land). Wij wilden zo snel mogelijk de vergunning over de muur gegooid hebben, alle aanvullingen komen daarna wel. Als ze maar vaart maken. En wat ik ook ontzettend leuk vind, dat wij hier straks niet in een eenvormige wijk wonen, maar dat je gewoon allemaal mensen om je heen hebt, mensen die net zoals wij dit leuk vinden, je hebt hier wel iets gemeen. We hadden misschien ook wel ergens anders eens een boerderij gevonden waar wij wat mee zouden kunnen, maar dan woon je in een buurt, waar je waarschijnlijk in de komende dertig jaar met de nek wordt aangekeken, want je komt toch uit de stad. Hier kennen wij al meer mensen om ons heen, dan wij waarschijnlijk ergens anders zouden gaan leren kennen, en wij wonen hier nog niet eens.”

Oosterwold, 29-06-2016 – Foto: Marit Geluk

Frank en Jacqueline waren beiden, juist door hun zoektocht naar een geschikte locatie, ervan doordrongen dat er voor de realisering van hun dromen, in ons zo geordende Nederland, maar heel weinig kansen waren. Zij wisten ook dat dromen alleen realiteit worden wanneer je ook bereid bent om je in te spannen om ze uit te laten komen. Daarvoor is intellectuele denkkracht en fysieke arbeid nodig. Voor hen was Oosterwold dan ook de kans om in hun wonen existentieel te zijn.

Frank Meijers: “Dat bevalt ons hier erg, de creativiteit. Het is toch veel leuker om iets te doen wat je zelf bedacht hebt, in plaats van iets in te vullen wat een ander bedacht heeft. Dit is veel leuker, je doet het met veel meer liefde. Ik vind het ook mooi dat wij ergens echt in kunnen investeren en dat nu ook heel duurzaam kunnen doen. Zulke muren, alles met de beste materialen, dit staat er over honderd jaar ook nog, of tweehonderd jaar wellicht. Het is zo goed wat hier gebouwd wordt. Als ik dat vergelijk met wat ik overal gebouwd zie worden, dat wordt afgeschreven in, zeg het maar, vijftig jaar hooguit, misschien nog wel minder. Grote torenflats, kantoorgebouwen worden in twintig jaar alweer opengehaald, nog een keer een nieuw geveltje erin, en na veertig jaar worden ze afgebroken, verschrikkelijk!”

Franks enthousiasme roept bij mij opnieuw de vraag op wanneer onze politici en stedenbouwers nu eens gaan inzien dat burgers meer zijn dan woonconsumenten?  Zij kunnen een einde maken aan de – eenzijdige – winstmaximalisatie die ons wonen nu zo kenmerkt? Wanneer wij echt willen dat het wonen weer van mensen zelf wordt, dat wij – net zoals Frank en Jacqueline – echt woonproducenten kunnen zijn, dan zullen bestuurders en hun ambtelijke medewerkers, stedenbouwers en architecten, de zelfbouwers moeten gaan faciliteren. Nu moeten zelfbouwers, de geweldige ontdekkingsreis die ons eigen wonen ook is, vooral zichzelf aanleren om daarin samen sterker te zijn.

Frank Meijers: “Ik ben advocaat, toezichthouder en gerechtelijk deskundige. Maar eigenlijk wil onze ervaringen delen. Ik ga kijken of ik mijn diensten kan aanbieden. Ik ben bezig met mijn blog dat jullie misschien wel hebben gezien. Deze is er opgericht om de drempel om hier te gaan bouwen zo laag mogelijk te houden. Ik deel alle informatie die ik heb. Ik heb geen commerciële belangen nog bij die site. Ik ben natuurlijk ook een beetje een voorvechter, dus ik heb ook als eerste alle nieuwe informatie. Mijn site wordt heel veel gelezen, de beste dag was tweeduizend kijkers, gemiddeld haal ik er vijf, zeshonderd clicks op één dag. Ik heb bijna tweehonderdduizend bezoekers. Er komen veel mensen bij mij, die niet direct naar de gebiedsregisseur gaan, om vragen te stellen en dan help ik ze met liefde, maar ik zou het ook leuk vinden als ik daar wat meer mee kan. Ik zie dat ik heel veel kennis en ervaring heb, maar ik wil dat ook voor mijzelf, mijn eigen kwaliteiten, ik kan dat gewoon, ik vind dat leuk. Dan zit ik ook wat meer tegen het bouwen aan in plaats van voor de PC hangen met juridische stukken. Dat kan ik wel, maar ik vind het minder charmant.”

Op nieuw realiseer ik mij dat wij over het wonen, hoewel een van de meest primaire levensvoorwaarden, oneindig vrij kunnen fantaseren. ‘My home is my Castle’, zeggen de Britten. In de Schilderswijk waren ‘de krotten van binnen paleisjes’. Juist dit dromen over ons eigen wonen staat los van rangen en standen. Voor iedereen geldt dat wonen een plek in bezit nemen is. Maar juist dat is in ons land zo weinigen gegeven, om echt in vrijheid het eigen wonen vorm te geven. Maar praat met hen die het geluk hebben hun eigen huis te mogen bouwen, dan ervaar je telkens weer dat deze zelfbouwers je eindeloos kunnen verhalen, over hoe hun toekomstige woondomein eruit zal komen te zien. Zo ook bij Frank en Jacqueline.

Frank Meijers: “Dit wordt het, ja, ik vind het natuurlijk heel mooi” – Foto: Marit geluk

Frank Meijers: “Dit wordt het, ja, ik vind het heel natuurlijk heel mooi, want wij hebben zelf opdracht gegeven. Hier komt nog een grote pergola, winters kan de zon eronder en zomers wordt die tegengehouden. Er komen van die zuiltjes waar de pergola op steunt, allemaal in hetzelfde mooie metselwerk, veel leuke details in het metselwerk ook, daaronder zo verticaal en horizontaal. Onze architect is van het bureau Winhov Die heeft het ontworpen, als goede vriend van ons. Wij hebben hem eigenlijk de ruime hand gegeven. Wij hebben wel ons programma meegegeven. Ik heb gezegd: wij willen zoveel kamers, wij willen ruimte. Zo willen wij boven een hele grote klerenkast zonder al die deuren van die IKEA-kastjes zal ik maar zeggen. En wij willen een grote werkplaats. Dat soort dingen heb ik opgegeven en voor de rest…, hij (de architect) doet het min of meer voor ons, en dan mag hij ook bouwen wat hij leuk vindt.”

Wij lopen van buiten naar binnen:

“Als je erin wilt dan kan misschien beter daarlangs, want dan hoef je er niet overheen te klimmen, want dan blijft je pak een beetje schoon. Het is een beetje vuil, maar je hoeft alleen maar hierop te stappen”

Frank loopt voor mij door het nog ruwe casco:

“Wij gaan hout stoken, wij zijn wat dat betreft zelfvoorzienend, CO2 neutraal, geen vervoer, dat vind ik leuk, dat vind ik lekker. Het is een goed gevoel om dat in eigen hand te hebben en niet al die auto’s te hoeven laten rijden. Mijn gevoel zegt mij dat alles wat je kunt isoleren is gewoon altijd goed. Wij hebben schapenwol in de muren, keramieken blokken, geen barsten meer in je muren. (…) Hier komen wij in een hele hoge ruimte. De plafonds zijn hoog. Daar achter is de keuken, met een grote eettafel in het midden, dat is het centrum van het huis. Dit blijft zo hoog, wij zitten hier aan de eettafel met daarboven een zuil met licht dat van boven komt. Ik ben gek op planten dus er komen hele grote planten langs de muur te hangen tot boven aan toe. En dan zit je eigenlijk weer in zo’n groene kas.”

“De woonkamer, de tv is eigenlijk bijzaak, is de essentie van het huis. Hier komt ook een grote houtkachel. En een bank, zodat je lekker voor de kachel een boekje kan lezen. (…) Ik wil in de keuken een enorme kast. Kijk, zo’n ruimte mis ik eigenlijk in ieder huis. Waar je pakken met eten, je rollen wc-papier en de machines die je in de keuken gebruikt, kan opbergen. Hier hoeft niets opgepropt te worden. Wij komen van een schip, dus ik ben het helemaal zat dat kruipen in gaatjes en geultjes en dit is eigenlijk de compensatie. Alles waar ik mij nu aan erger dat hebben wij hier over gecompenseerd. (…) Nou, en hier nog zijn twee kamertjes, een atelier en hiernaast een kantoor. Beiden met een riant uitzicht met grote ramen.”

Jacqueline de Ruiter: “Als jullie nog een zak basilicum mee naar huis willen. Wij verbouwen de klassieke Ocimum Basilicum Genovese. Ze groeien als kool in de kas.” – Foto: Marit Geluk

Buiten in de plantenkas verteld Jacqueline over haar passie: “Ik heb nu in de stad een kleine moestuin en wil meer ruimte. Mijn ouders hebben ook een moestuin dus daar komt het toch ergens vandaan. En zij vinden het hier, net als ik, fantastisch. Met deze kas en tuin hebben wij onze eigen wereld gecreëerd. Dat gaat niet in de stad, hier kom je nog veel meer bij de natuur. Heerlijk en ik hoef voor mijn moestuin nu niet meer weg. Dit is ook fysiek. Ik ben geen sportmens, dit is mijn sport. Dit is een stuk gezonder. Ik vind het mentaal ook heerlijk, je hebt helemaal je eigen gedachten, die gaan overal heen, terwijl je onkruid aan het wieden bent, speelt er nog een hele film in je hoofd. (…) ”

Voor mij was de wandeling met Frank Meijers en Jacqueline de Ruiter meer dan zomaar een moment. Toen ons team, samen met Winy Maas van MVRDV, bezig waren met onze ideeën voor de oostkant van Almere wilden wij een stedenbouw van onderop mogelijk maken. ‘Het radicaliseren van het particulier opdrachtgeverschap’ was toen de uitdrukking. De burgers, beter gezegd de mensen moeten het gaan doen. Hun energie is het geheim van de methode-Oosterwold. En ik kan nu, in 2019, niet beter de betekenis van het werk van Frank Meijers en Jacqueline de Ruiter voor Oosterwold duiden dan hoe Ivonne de Nood en ik het tijdens de wandeling in 2016 al onder woorden brachten:

“Weet je, jullie voorbeeld is zo ontzettend zoals het bedoeld was” (…)“Jullie zijn zo in hart en nieren Oosterwold pioniers. Van alle kanten, en jullie delen ook naar nieuwe initiatieven, jullie stellen allerlei kennis beschikbaar, via blogs, maar ook mensen kunnen hier altijd komen. Jullie zijn daarmee zo uitnodigend voor de anderen om aan te sluiten. Wat geweldig is dit!”

Frank Meijers bleef tot het laatst toe dienstbaar aan de ontwikkeling van Oosterwold. Op 17 januari 2019 schreef Frank Meijers op zijn website zijn laatste bericht: “Hoofdontsluitingswegen Oosterwold door de gemeente aangelegd?!”. Zijn plotselinge overlijden is een persoonlijk drama voor Jacqueline, hun kinderen en de familie. Maar het slaat ook een gat in de nog zo jonge gemeenschap in Oosterwold. Een ding is zeker met het overlijden van Frank Meijers verliest Oosterwold een pionier die meer dan wie ook begreep wat de essentie van Oosterwold is, namelijk dat je letterlijk een wereld creëert die niet alleen van jezelf is (!) maar die zich ook openstelt naar de gemeenschap eromheen.

Frank Meijers: “Maar weet je, dit proces kan niet slagen, als je niet open staat voor het ontdekken van dingen” – Foto: Marit Geluk

CD WHISPERING WOODS van AGARTHA, een uitzonderlijke muziekervaring

Agartha - dennis winter

The album “Whispering Woods” is dedicated to Willemina Sara van der Hoek. 27-2-1952 – 18-12-2017 Thank you for your endless love and inspiration your love will ring forever wherever you may be. “Your love is key.” Dennis L. Winter

In een tijd waarin onze muziekervaring gedomineerd wordt door een vaak  commerciële programmering van muzieklabels en radiostations, is een echt spontane muziekbeleving een bijzonderheid. En dat terwijl het juist deze ervaringen zijn die je plotsklaps kunnen meenemen naar een ander universum. Afgelopen 24 november mocht ik zo’n ervaring ondergaan. Mijn partner en ik waren uitgenodigd op het Landgoed Zuylenstein, om de presentatie mee te maken van de cd ‘WHISPERING WOODS’ van het muziekgezelschap AGARTHA onder leiding van Dennis Winter. Het zou een begin worden van een betoverende muziekavond en een warme herinnering aan Wil van der Hoek.

In het selecte gezelschap (ca. 25 personen) waren veel stadsvernieuwers die elkaar in de jaren zeventig en tachtig, in de strijd voor het herstel van onze steden, hadden gevonden. Wil van der Hoek was een van die veteranen van de Nederlandse stadsvernieuwing die actief waren in oude wijken in onze steden. Waar ikzelf actief was in Den Haag, was Wil van der Hoek dat in Rotterdam. En terugkijkend, hebben wij een mooie tijd gehad met resultaat. Wie kan zich nog de verpaupering van oude wijken voor de geest halen nu deze weer een prominent deel van onze steden zijn geworden? Later werden Wil van der Hoek en ik opnieuw bondgenoten in Almere. Hier ging het om een heel andere strijd. Almere was bij uitstek de stad die werd gemaakt door de min of meer anonieme opdrachtgevers van de woningcorporaties en projectontwikkelaars. Samen hebben wij ons ingezet om de bewoners van de stad het recht te geven nu het wonen zelf vorm te geven. Waar het ons in de stadsvernieuwing ging om ‘inspraak en zeggenschap’ stond nu de ‘zeggenschap en zelfbeschikking’ van het wonen centraal. In het programma IKBOUWMIJNHUISINALMERE, hebben inmiddels honderden huishoudens hun eigen huis kunnen bouwen. Na haar Almeerse periode vertrok Wil van der Hoek naar Den Haag (mijn woonplaats!) waar onder haar leiding het programma IK BOUW IN DEN HAAG tot stand kwam. Het gaf veel Hagenaars de kans hun eigen huis te bouwen. Helaas was het Wil, als gevolg van een ongeneeslijke ziekte, niet gegeven om haar werk af te maken. Zij overleed nu bijna een jaar geleden op 18 december. Wil van der Hoek was getrouwd met de componist Dennis Winter. Het was Dennis Winter die ons uitnodigde om samen met zijn muziekensemble AGARTHA, de presentatie te vieren van hun CD ‘WHISPERING WOODS’. De dertien composities op de CD, van de hand van Dennis Winter, zijn opgedragen aan Willemina Sara van der Hoek.

Het was deze avond die mij, maar ik denk ook de andere gasten, een uitzonderlijke muzikale beleving zou gaan brengen. Het gezelschap, werd door de vier muzikanten in de elegante Orangerie van het Landgoed Zuylenstein, meegenomen in een muzikale reis die zich nauwelijks onder woorden laat brengen. Zeker is, dat het een feeërieke ervaring was waarin je je even waant in een van die landhuizen, waar de heer (of was het vrouw) des huizes je verrast met heerlijke kamermuziek. Met minimale middelen en buitengewoon ingetogen speelden Anneloes Hobé (alt hobo), Ivan Nogueira (cello), Hendrikje Soethout (vleugel) en Dennis Winter (percussionist) tien van de dertien composities van de CD. De muziek van Dennis Winter straalt een mooie serene rust uit. Ja, het brengt een combinatie van mystiek en romantiek in de kamer. Vrijwel altijd is zijn muziek ingetogen (3. Water Balance), ook wanneer zij uitbundig ‘dreigt’ te worden (9. Village Man – 13. Chambre Noire). Het is die ingehoudenheid, die bijna filosoferende rust, het altijd weer poëtische dat je meeneemt naar een ander universum (4. Modern Rituals, 6. Onise, 7. June in December). Terecht is het nummer 8, ‘Whisperings Woods’, de titel van de CD. Ik vul het al luisterend voor mijzelf in: de vogels van het bos, het schemerlicht door het bladerdak, zachtjes knisperende bladeren, het ruisen van de takken en een warme vochtige lucht die – bijna beschermend – als een sensatie om je heen hangt.

Bijzonder is het om de patronen in de muziek van Dennis Winter te ontdekken. De dominantie en ingetogenheid van de alt hobo dan wel de cello. De vleugel die eigenlijk altijd ondersteunt, maar soms in stilte het initiatief overneemt en weer teruggeeft. Het is mooi hoe de vier muzikanten, of moet ik hier zeggen: de instrumenten, afzonderlijk een hoofdrol krijgen in een compositie die in zichzelf, altijd weer, één en ondeelbaar blijft. Iets dat nadrukkelijk ook het geval is in Love Paradox (11), waarin Dennis Winter het begin van zijn relatie met Wil van de Hoek, de stadsvernieuwer en de componist, beschrijft. Het is als in een tango, waar twee mensen, de aantrekkingskracht van elkaar ervarend, om elkaar heen draaien. Dat zij elkaar gevonden hebben, ‘Your love is key’, laat deze CD intens voelen.

Vaak merk ik, luisterend naar muziek van bijvoorbeeld Philip Glass, Chilly Gonzales (Solo Piano I, II, III), Chopin (Noturnes) of Satie (Gnossiennes/Gymnopédies), dat ik op zoek ga naar de stilte in de muziek. Het is deze rust in muziek, die mij het meeste aanspreekt en mij letterlijk nieuwe ruimte geeft. Zonder voorbehoud kan ik zeggen, na velen malen te hebben geluisterd naar de composities van Dennis Winter op de CD WHISPERING WOODS, dat het de stilte is die mij in zijn muziek aanspreekt. Het is daarin zijn innerlijke rust die mij inspireert en mij telkens nog indringender laat luisteren. De stilte in de muziek van AGARTHA verdient het om gehoord te worden. Zonder voorbehoud, zeg ik dat dan ook, neem even de rust om te luisteren. Naast het genot krijgt u er veel ruimte voor terug.

Voor informatie over de muziek van AGARTHA kunt u schrijven naar dennis@majazzu.com

Adri Duivesteijn, Den Haag, 7 december 2018

Stationsbuurt Den Haag, waar onder de handen van stratenmakers een metamorfose ontstaat

Een metamorfose, in Den Haag gebeurt het in de Stationsbuurt, waar onder de handen van stratenmakers, de wijk wordt betoverd met een nieuwe bestrating. Een bestrating, die net als de gehele binnenstad valt onder het regime van het plan: ‘De Kern Gezond’. Het is een waar feest om te zien hoe de oude verkeersgoot van het Station Holland Spoor tot aan het hart van de binnenstad (ter hoogte van de Bijenkorf), onder de naam ‘De Loper’, meter voor meter wordt omgetoverd in een gracieuze publieke ruimte. De stratenmakers worden door de Stationsbuurt beloond met een Spaanse Paella. 

De Stationsbuurt in Den Haag heeft voor mij een bijzondere betekenis. Niet alleen omdat ik als kind al gegrepen werd door de magie van het Huijgenspark, ik er al sinds 1978 woonachtig ben, maar ook omdat ik bij de start van mijn wethouderschap voor de Stadsvernieuwing in Den Haag (3 november 1980) direct in conflict kwam met het ambtelijk apparaat over een tijdige afronding van het bestemmingsplan Huijgenspark e.o. Het was de tijd dat de woonfunctie van de wijk bedreigd werd met een vijftal initiatieven van vnl. louche projectontwikkelaars die een aantal karakteristieke panden wilden slopen voor kantoren. Bij gebrek aan een bestemmingsplan konden zij dat doen. Om de dreigende sloop te kunnen keren wilde ik het bestemmingsplan versneld ter visie leggen. ‘Dat kan maar dat gaat dan ten koste van andere stadsvernieuwingsgebieden’, kreeg ik dreigend van de zittende gemeentelijke projectleider van de Dienst Stadsontwikkeling te horen. Tegen zijn zin in schakelde ik daarop een extern bureau in om ‘zijn’ bestemmingsplan alsnog op tijd ter visie te kunnen leggen. Een noodzakelijke  beslissing omdat hiermee het gemeentebestuur het recht kreeg om de ongewenste sloop tegen te gaan. Alleen met deze bescherming kon de de stadsvernieuwing pas echt goed beginnen.

De Stap voor stap moest de buurt worden terugveroverd. Bewoners, ondernemers en de gemeente Den Haag hebben gedurende de daarop volgende veertig (!) jaar kosten nog moeite gespaard om de Stationsbuurt in haar oude glorie te herstellen. Evident is het verval van de oude Stationsbuurt gekeerd maar vreemd genoeg bleef een echte ‘gentrification’ uit. Een herstel dat in verschillende delen van de historische binnenstad wel op gang is gekomen. Een belangrijk verschil daar was dat het in 1988 goedkeurde plan ‘De Kern Gezond’ . Een plan voor de herinrichting van de openbare ruimte van de binnenstad van Den Haag dat in de tijd van het Haagse progressieve College (1986-1989) werd voorbereid en vastgesteld. Het succes van dit plan was zo groot dat de achtereenvolgende gemeenteraden en Colleges, van verschillende politieke samenstelling, in de wijken om het historisch centrum zijn doorgegaan met het gedachtegoed van De Kern Gezond. Zo werd voor de Stationsbuurt en het Oude Centrum het plan ‘De Loper’ ontwikkeld. het is een omvangrijk herinrichtingsplan dat het Station Hollands Spoor met het hart van Den Haag moet gaan verbinden.

En warempel nu de uitvoering ter hand is genomen ontstaat, onder de handen van de noeste arbeid van de stratenmakers, een fenomenale metamorfose in beide wijken. Het is ronduit betoverend hoe de herinrichting van een sleetse openbare ruimte de wijk haar rijke oude glorie kan teruggeven.  Plotseling zien wij dat de oude structuur van de Stationsbuurt, met haar veelvoud aan particuliere panden uit de 19e eeuw, wordt gerehabiliteerd. Alles komt weer in het juiste perspectief te staan. Ja, ik durf zelfs te stellen dat binnenkort het vertoeven in de vernieuwde stationsbuurt feeëriek zal zijn. En ik verwacht dat met deze metamorfose ook de kwaliteit van het winkelbestand snel zal kunnen gaan toenemen. Waar de nu kleine middenstanders maar met moeite hun hoofd boven water kunnen houden kan deze nieuwe openbare ruimte net dat positieve duwtje geven in het noodzakelijke economisch herstel van deze hoofdstraat. Ja, de impuls van deze vernieuwing is, voor de ondernemers al zo voelbaar dat zij de stratenmakers , op de werkplek, beloonden met een smaakvolle Paella van het  Spaanse restaurant La Rana dat mooi gelegen is in het hart van de Stationsbuurt.

Voor de bewoners is de aanleg van De Loper een glorieuze afronding van een veertig jaar durende strijd voor de stadsvernieuwing van de Haagse Stationsbuurt. Maar ook voor de politiek, de gemeenteraad, het college van Burgemeester en wethouders is het een bewijs dat de publieke ruimte ten behoeve van de bewoners en de ondernemers kan worden terugveroverd. Wij allen kunnen er trots op zijn.

Kom snel kijken naar De Loper in de Stationsbuurt in Den Haag want het inspireert. En als u er toch bent  ga dan zeker ook naar Spaanse Restaurant La Rana  dat voor ‘tout de La Haye’ al decennia lang een culinaire belevenis is. 

Adri Duivesteijn, Den Haag, Stationsbuurt, 6 oktober 2018.

In Memoriam: Yap Hong Seng, een hartstochtelijk stedenbouwer

Op donderdagmiddag 2 augustus jl. overleed de stedenbouwkundige Yap Hong Seng, Ik kwam Hong Seng voor het eerst tegen gedurende de beginjaren van mijn wethouderschap in Den Haag. We hebben het dan over het begin jaren 80. Ik leerde hem kennen wegens zijn betrokkenheid bij de Vierde Nota voor de Ruimtelijke Ordening (VINO). Het was voor het eerst dat in het nationaal ruimtelijk beleid, onder leiding van de VVD minister Ed Nijpels,  de stad weer op de kaart werd gezet. Na een decennia lange  dominantie van het spreidingsmodel waardoor de steden van binnenuit werden uitgehold was er dan nu de rehabilitatie van de stad. Het was het onderwerp waarvoor ik, wonend in de Schilderswijk, al vanaf mijn jonge jaren actie voerde. Mijn wethouderschap voor de PvdA was hiervan een logisch vervolg, waarbij het actie voeren gewoon doorging maar dan nu in concrete bestuurlijke daden. De steun hiervoor vanuit de nieuwe VINO nota was meer dan welkom. En ik weet nog dat ik bij de presentatie van de VINO in de raadszaal van Almere mocht spreken (niet wetend dat ik er ooit nog eens wethouder zou gaan worden!). Yap Hong Seng was voor mij vrijwel direct een fascinerende persoonlijkheid. Hij had het vermogen om door het stellen van vragen zijn positie ten opzichte van de ander te bepalen. De ander werd uitgedaagd om zijn keuzen te onderbouwen en naar hem toe onder woorden te brengen. Het is deze manier van functioneren die mij vervolgens mijn hele werkzame leven, bij al onze ontmoetingen, dienstbaar is geweest in het scherpen van mijn opvattingen over de stad en het nationaal ruimtelijk beleid. Door onze gesprekken voelde ik een bondgenootschap in de strijd voor het herstel van de stad. De huidige generaties kunnen het zich, vrijwel zeker, niet meer voorstellen maar het was de tijd dat onze steden in verval waren. Aan het begin van de jaren tachtig waren de oude wijken in Den Haag letterlijk verpauperd en was de ontwikkeling van de Haagse binnenstad in het slop geraakt. Een ding wist ik zeker, er moest een eind komen aan de city-vorming die desastreus was voor de oude organisch gegroeide stad. De vraag was echter niet waar wij tegen waren, maar wat de weg naar het herstel was.

Yap Hong Seng is in de ware zin van het woord een steunpilaar geweest in mijn eigen professionele functioneren. Hij kon onder woorden brengen wat ik vaak vooral intuïtief zag. Dat was dan ook de reden waarom ik hem op cruciale momenten vroeg om met zijn inzichten bij te dragen aan de ontwikkeling van het beleid in Den Haag. Zo nam hij deel aan de werkgroep Brokx (oud-CDA staatsecretaris van Volkshuisvesting) die een visie moest ontwikkelen voor de Haagse Binnenstad. Hun rapport ‘Hart voor Den Haag’ werd de ‘ideologische’ basis van het herstel van de binnenstad. De visie die toen is geformuleerd is zelfs letterlijk tot uitvoering gekomen en overal zichtbaar in het Den Haag van vandaag.

Hong Seng was in 1986 ook lid van de Beoordelingscommissie Herweijer, die de stadhuisplannen aan het Spui voor Den Haag moest gaan beoordelen. Het voornemen tot verplaatsing van het stadhuis had veel tongen losgemaakt en had veel medestanders, maar vooral ook veel luidruchtige tegenstanders. Het beoordelingsrapport – nog altijd ten onrechte beschouwd als jury-rapport – bevatte een advies over wie het plan moest uitvoeren, een advies dat werd niet opgevolgd. Maar, veel belangrijker was het feit dat de Commissie Herweijer de gedachte om het stadhuis naar Het Spui te verplaatsen onderbouwde. Hong Seng was daarin de drijvende kracht. Wat intuïtief was begonnen moest nu, vond hij, professioneel worden onderbouwd en gelegitimeerd. Met deze actie verbond hij het idee van het stadhuis met het gedachtengoed van de Vierde nota en de Vinex. Hiermee kreeg het stadhuis aan het Spui zijn inhoudelijk fundament binnen het nationaal beleid voor de stad. In de woorden van Hong Seng: ‘niet de keuze voor een bepaald plan maar de realisering van het idee is doorslaggevend voor het herstel van de Haagse Binnenstad’. De waarde van juist deze ondersteuning was enorm in een stad waarover de toekomst van de binnenstad al decennialang een richtingen-strijd gaande was, binnen zowel het vakgebied van de stedenbouw (Dienst Stadsontwikkeling) als de Haagse gemeenteraad. De stroming die Hong Seng vertegenwoordigde heeft daarin gelukkig glorieus gezegevierd. Voor wie de echte impact wil doorgronden raad ik aan om een oude foto van de binnenstad van Den Haag te leggen naast die van vandaag. Lees dan vervolgens de twee hierboven aangehaalde documenten en zie wat ervan is gerealiseerd. Hong Seng refereerde in 2015, bij zijn afscheid als directeur van het Bureau PAU, terecht met trots aan zijn Haagse daden.

Hong Seng is, ook na mijn Haagse periode, altijd een terugkerend klankbord geweest. Als bestuurslid van het Nederlands Architectuur instituut steunde hij mij niet alleen als directeur, maar hij dwong mij ook iedere keer weer om inhoudelijk te onderbouwen waarom ik een bepaalde richting op wilde gaan. In mijn tijd als lid van de Tweede Kamer was ik voorzitter van de parlementaire commissie die de VINEX ging evalueren. Een van de deelstudies was in handen van het Bureau PAU te Groningen. Doel was inzicht te krijgen hoe de besluitvorming over de nooit afnemende groei van Schiphol was ingebed in het Nationaal Ruimtelijk Beleid. Zij die vandaag kanttekeningen plaatsen bij de ontwikkeling van Schiphol raad ik aan om het rapport van Yap Hong Seng er nog eens op na te slaan.

Het is bijzonder hoe sommige mensen op een niet dominante manier een nadrukkelijke invloed in je leven kunnen hebben. Hong Seng was er bij mij zo een die op alle momenten van mijn professionele leven aanwezig is geweest. Wij kwamen elkaar telkens weer tegen dan wel zochten wij elkaar op. Het was een relatie waarin het altijd ging over de toekomst van de stad, over het vak en hoe dit daaraan dienstbaar kon zijn. Nooit ging er tijd verloren, met Hong Seng was alles productieve energie. Helaas kreeg ons contact de laatste jaren ook een meer persoonlijk karakter. Beiden werden wij geconfronteerd met een ingrijpende lichamelijke ziekte. Wij deelde de ervaringen van het wegvallen van de oneindigheid van het leven. Maar evenzeer over onze afhankelijkheid van goede medische zorg die nu uit de handen van een andere geheel professie zou moeten komen. En eerlijk gezegd, werd juist ons contact een steun. Gewoon omdat het gesprek niet belast was met de angst voor het ziek zijn, maar met de vraag hoe hiermee om te gaan in het dagelijks leven. Een dagelijks leven waarin de toekomst van de stad in ons discours nog altijd onverminderd belangrijk bleef. Wij bleven elkaar inhoudelijk voeden en soms zelfs van ons eigen gelijk overtuigen.

De laatste keer dat ik dit deed, was toen ik Hong Seng begin juni uitnodigde om op 29 juni jl. een ‘werkbezoek’ af te leggen in de (anti-)stad Almere, waar ik van 2006 tot en met 2013 wethouder was. Ik had een groep bevriende vakgenoten uit de architectuur en de politiek uitgenodigd om met mij proefondervindelijk te gaan kijken naar wat er terecht gekomen was van het Almere Principe ‘Mensen maken de Stad’. Samen kijken naar het particulier opdrachtgeverschap in het Homeruskwartier, bij de Urban Greeners die op het Floriade-terrein werken aan een nieuw concept voor ‘Growing Green Cities’ en naar de nieuwe pioniers in Oosterwold waar in Almere-Oost en Zeewolde een voor Nederlandse begrippen uitzonderlijke vrijheid bestaat om letterlijk inhoud te geven aan het eigen wonen, werken en leven. Hong Seng, toen al zeer ziek, was er op mijn uitdrukkelijke uitnodiging bij. En hij wilde er ook zelf heel graag bij zijn. Het werd onze laatste ontmoeting. En opnieuw, ziek of niet ziek, ging het over (ik durf nu te zeggen) ons vak: het maken van de stad. In het verhaal van Henk Meijer (vml. directeur Structuurvisie Almere 2.0) miste hij de vroegere stedenbouwkundige prent die ooit door Teun Koolhaas, buiten de invloedssfeer van de Rijks Planologische Dienst, voor Almere was getekend: ‘toen is het fout gegaan!’ zei de man die verantwoordelijk was voor ‘de compacte stad’ gedachte in de Vierde Nota Ruimtelijke ordening. Om vervolgens te genieten van hoe in Almere de mensen, inmiddels van hun ‘slaapstad’ een echte – compacte maar nog altijd groene – stad maken.

Het is een gek idee dat wij elkaar niet meer zullen bellen, elkaar niet meer kunnen spreken. Ik zal Hong Seng, ook omdat het zo persoonlijk werd, pijnlijk gaan missen. Bondgenoten en lotgenoten, als het dan toch zo moet zijn, was het voor ons ook een mooie combinatie!

Ik wens vooral zijn dierbaren heel veel sterkte toe met het verlies. Weet dat binnen het vakgebied van de stedenbouw heel veel vakgenoten Hong Seng zullen gaan missen. En weet ook dat het herstel van onze steden mede door de invloed van het gedachtengoed van Hong Seng zo’n positieve vlucht heeft kunnen nemen.

Adri Duivesteijn, Venetië, 7 augustus 2018

De wooncoöperatie, al 100 jaar in de Haagse Papaverhof

Al meer dan 100 jaar is ons woningstelsel vooral van professionals en zijn de bewoners slechts huurders. Steeds meer tekent zich het verlangen af bij bewoners om zelf verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor de eigen woon- en leefomgeving. Dat gaat niet vanzelf. Daarom vindt er onder de titel ‘De Wooncoöperatie, die komt er wel!’ op 28 mei 2018 in de oude Tramremise van Den Haag het tweede congres plaats over de positie van de Wooncoöperatie binnen ons woonstelsel. De verwachting is, dat de minister van Wonen Kajsa Ollongren uiteen zal gaan zetten op welke wijze zij, de in het regeerakkoord opgenomen paragraaf inzake de bevordering van wooncoöperaties, inhoud zal gaan geven. Dat is een belangrijk moment, want dan zal ook duidelijk worden of ons woonstelsel in de toekomst ook echt van de bewoners zelf zal kunnen gaan worden. Hoe dat in de praktijk zou kunnen gaan werken, laat de Haagse Coöperatieve woningbouwvereniging Tuinstadwijk Daal en Berg zien. Een eclatant voorbeeld dat al 101 jaar (!) een groot succes is. Daarom hier een uiteenzetting van dit geweldige voorbeeld van zelfbestuur van bewoners in hun eigen wooncomplex.

Een van de meest poëtische woonplekken in Den Haag is de Papaverhof in de Bloemenbuurt. De Papaverhof is het centrum van een wooncomplex van zo’n 128 woningen dat in 1917 is ontworpen door de architect Jan Wils en is een vroeg voorbeeld van sociale woningbouw. Om het aantal woningen voor deze groep te optimaliseren is door de architect gekozen om, de in die tijd veel gebruikte, rug aan rug woningen toe te passen. De uitdrukking ‘rug aan rug’ alleen al, zal bij een aantal mensen de wenkbrauwen doen fronsen, omdat deze woningen, in tegenstelling tot de doorzonwoning, een éénzijdige oriëntatie hebben. Hier echter laat de kwaliteit van de architect Jan Wils zich gelden. Hij ontwikkelde een type rug aan rug woning die op ingenieuze wijze tweezijdig is en dus optimaal kan profiteren van het licht. Enkel al de gracieuze plattegronden, maken het de moeite waard om het wooncomplex met eigen ogen te gaan bekijken. Maar ook de Papaverhof zelf is een sieraad. De binnentuin is echt dé ontmoetingsplek voor alle bewoners, maar bovenal een aangename en feeërieke plek voor kinderen om onbezorgd te kunnen spelen. De architectuur van dit sociale woningbouwproject, is van een uitzonderlijke kwaliteit, het is een parel van de Haagse nieuwe zakelijkheid. Naast Jan Wils was Theo van Doesburg verantwoordelijk voor de kleurstelling van het wooncomplex, waarmee het een icoon is geworden binnen het oeuvre van De Stijl. Het wooncomplex is dan ook in 1986 aangewezen als een rijksmonument. Het wooncomplex is opgenomen in de internationale lijst van Iconic Houses. In 2017 vierden de trotse bewoners het honderd jarig bestaan van het wooncomplex met een rijk geïllustreerd jubileumboek ‘De Papaverhof van Jan Wils’ van nai010uitgevers.

1917- 2017: De Wooncoöperatie, die is er al 100 jaar in de Papaverhof in Den Haag

Maar wat misschien nog wel meer bijzonder is dan de architectuur van het project, is de oorsprong van het wooncomplex en het beheer ervan in haar honderdjarig bestaan. De Papaverhof is namelijk, anders dan wat gangbaar is in ons land, in 1917 gerealiseerd door een wooncoöperatie waarin de zittende bewoners alle zeggenschap hebben. De Coöperatieve Woningbouwverenging Tuinstadwijk Daal en Berg is eigenaar van alle woningen, maar toch zijn er onder de bewoners, zowel kopers als huurders. De geestelijk vader van deze constructie is Gerard van Otterloo. In zijn rol als lid van de Raad van Commissarissen van de Coöperatieve Woningbouwvereniging Daal en Berg, heeft hij een gelijke positie gecreëerd voor zowel de kopers als de huurders. Zo hebben de kopers een woonrecht, dat fiscaal en financieel gelijk is aan dat van een gewone koopwoning. De huurders in het wooncomplex hebben een gelijke bescherming als gewone huurders. De kopers en de huurders zijn individueel lid van de wooncoöperatie en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het huurbeleid, het beheer en het onderhoud. Zo heeft Daal en Berg een bestuur van zes personen, een duurzaamheidscommissie en een feestcommissie. Het bestuur wordt ondersteund door een Verenigingsmanager (Jaap van Dijk) , een parttime opzichter en een secretarieel medewerker (bewoonster). De boekhouding wordt extern uitgevoerd, door een bureau dat bekend is met vastgoedbeheer. Voor beheer en onderhoud zijn op diverse momenten per week en op afspraak medewerkers aanwezig en voor noodgevallen 24/7 bereikbaar. Professioneel voor de vereniging en zichtbaar, behulpzaam en laagdrempelig voor de bewoners. Jaarlijks maakt de medewerker een ronde in het complex om de staat van onderhoud in kaart te brengen. De bewoners kunnen aan het bestuur aanbevelingen doen over gewenste aanpassingen/ingrepen op het onderhoud. Het door de algemene ledenvergadering aangestelde bestuur, bestaande uit bewoners, neemt de besluiten en is verantwoordelijk voor het -financieel- beleid.

De huren van Daal en Berg variëren van circa 55 tot 90% van de maximale redelijke huur. De huur is inclusief de servicekosten van het schoonmaken van de trappenhuizen en collectief elektraverbruik. Uitzondering is een kleine vaste bijdrage voor de glasverzekering. Jaarlijks wordt de huurverhoging door het bestuur vastgesteld. Deze is gematigd en heeft als doel op korte en lange termijn kostendekkend te zijn. Sinds 2016 is besloten om te stoppen met de inkomensafhankelijke huurverhoging en krijgt elke bewoner een gelijke huurverhoging.

Daal en Berg kent vier wachtlijsten. Eén voor kandidaten van buiten de vereniging, één voor kinderen van bewoners (zij kunnen zich op hun achttiende laten inschrijven voor een woning), één voor oudere kinderen met een zorgrelatie met hun ouders, en één voor bewoners die een andere woning in het complex wensen. Dit is statutair vastgelegd en e.e.a. is bedoeld om de onderlinge binding tussen bewoners en die tussen bewoner en monument te stimuleren. Nieuwe leden beginnen veelal op de 1e of 2e verdieping van de portiekflats. Elke woning hiervan wordt verhuurd onder de huurtoeslaggrens, waardoor ze ook voor mensen met een beperkt inkomen bereikbaar zijn. Leden kunnen binnen de vereniging wooncarrière maken. Kinderen die het huis verlaten, kunnen zelfstandig in een portiekflat gaan wonen. Zodoende zijn diverse generaties woonachtig binnen de vereniging. Vooral de leden, die in een laagbouwwoning wonen, blijven daarin tot op hoge leeftijd woonachtig. Uit recente interviews met bewoners bleek dat vooral de oudere bewoners grote waardering hebben voor de unieke en rustige woonomgeving en de onderlinge sociale contacten. Men verwijst daarbij ook naar de voordelen, die de coöperatie heeft op het gebied van zeggenschap en binding met de woonomgeving en elkaar. Begin 2017 overleden twee hoogbejaarde bewoonsters. Hun as werd door de familie uitgestrooid op de door hen zo geliefde Papaverhof. Een uniek voorbeeld van binding met de woonomgeving.

Informatie Coöperatieve Woningbouwvereniging Tuinstadwijk Daal en Berg:

www.daalenberg.nl

 

Publicatie ‘De Papaverhof van Jan Wils’ – ISBN 978-94-6208-393-6

www.nai010.nl