Van wie is het huis van de democratie? Of waarom de Tweede Kamer het opdrachtgeverschap in eigen hand nam

In de rol van slachtoffer wees de architect Ellenvan Loon van het architectenbureau OMA de gebruiker en in het bijzonder de leden van deTweede Kamer aan als de kwade genius achter haar gedwongen vertrek bij de renovatie van het Binnenhof. Door de anonieme kritiek op haar plannen (‘megalomaan’, ‘tropische tuinen’) zouden deze haar positie hebben ondergraven. En dat terwijl: ’deze renovatie mijn meest sobere plan ooit is’. 

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/06/renovatie-kamer-is-schimmengevecht-zegt-weggestuurde-architect-a3972522

De architect weet, nadat zij de rechten op haar plan voor 2.7 miljoen had laten afkopen, haar slachtofferschap in de media maximaal uit te venten. En het gaat erin als koek. Zo openbaarde Ellen van Loon op de televisie, in een tijd dat haar ontwerp nog staatsgeheim was, enkele uitgesproken onschuldige beelden haar plan. Wij zagen haar staan voor de vier meter brede distributieopslagplaats van de Tweede Kamer die zich recht tegenover het Mauritshuis en het Torentje van de premier bevindt. Deze inferieure ruimte zou in haar plannen worden omgetoverd tot een groene oase, inderdaad onderdeel van een binnentuin met palmbomen. Ook toonde zij haar nieuwe – eveneens bescheiden – entree van het Tweede Kamergebouw aan de zijde van de Hofweg. Al snel was de primaire reactie in het land dan ook: ‘Waar gaat dit nou eigenlijk allemaal over?’.

Om iets van het conflict te kunnen begrijpen, is het belangrijk om te weten dat de huidige huisvesting van de Tweede Kamer, en ik zeg dit uit eigen ervaring, zowel voor de Tweede Kamerleden en de ambtelijke staf voelt als een welkom huis. Wat vroeger een doolhof was, is sinds de oplevering van het ontwerp van Pi de Bruijn in 1992 omgevormd tot een aangename en redelijk efficiënte huisvesting voor het ‘huis van de democratie’. De Statenhal, met daaraan de Plenaire Zaal en het centrale vergadercentrum vormen het hart van het politieke bedrijf. Pi de Bruijn heeft met deze magistrale architectonische ingreep, zowel een nieuwe identiteit gecreëerd als ook de oude gebouwen eromheen gerespecteerd en dienstbaar gemaakt aan de bewoners in ons parlement. De oude historische gebouwen (o.a. Koloniën en Justitie) functioneren letterlijk als de ‘woningen’ van de verschillende politieke fracties en de ambtelijke staf. Uiteraard is het gebouw niet zonder onvolkomenheden, maar in de kern hebben de gebruikers geen inhoudelijke behoefte aan het fundamenteel omschoffelen ervan. In haar uitleg over haar recente plan (‘deze renovatie is mijn meest sobere plan ooit’) lijkt de architect Ellen van Loon dan ook aan te sluiten bij deze positiebepaling van de gebruiker. Maar waarom is het dan toch tot zo’n groot conflict gekomen?

1992 – Ontwerp Tweede Kamer – architect Pi de Bruijn

Steeds duidelijker wordt dat het conflict zijn oorsprong heeft in de benoeming van het architectenbureau OMA en in de vrijheid die de architect van de rijksbouwmeester en het Rijksvastgoedbedrijf meekreeg. Om met het eerste te beginnen, gaat het om een renovatie van een bestaand gebouw dat nog geen dertig jaar oud is. De opdracht van het Kabinet is een ‘sobere en doelmatige’ renovatie. Daarbij zou, aldus de rijksbouwmeester, zo’n 70% van het budget bestemd zijn voor de vernieuwing van de technische installaties. Dat alleen al, maakt dat er slechts in zeer beperkte mate ruimte is voor bouwkundige ingrepen. Reden dus voor een bescheiden ambitie bij de architectenkeuze. En dus ligt het voor de hand – zeker daar waar er om redenen van ‘staatsveiligheid’ geen sprake is van een open aanbesteding – om de oorspronkelijke architect – in welke rol dan ook – bij de uitwerking te betrekken. De Rijksbouwmeester Floris van Alkemade koos echter voor een geheel andere weg. Met negatie van de architect Pi de Bruijn koos hij voor het Rotterdamse architectenbureau OMA, het bureau dat ook in de jaren tachtig deelnam aan de prijsvraag voor de uitbreiding van de Tweede Kamer. Daarmee koos de rijksbouwmeester voor een fundamenteel andere vormentaal dan die van Pi de Bruijn. En dit is bepaald geen naïeve keuze geweest. Want het mag bekend worden veronderstelt dat OMA niet veel op heeft met de architectuur van Pi de Bruijn. OMA en Pi de Bruijn vertegenwoordigen binnen de architectuur letterlijk twee tegengestelde werelden.Door zijn keuze voor OMA heeft de rijksbouwmeester bewust gekozen voor een conflict binnen het landschap van de architectuur. Een keuze waarin de gebruikers niet gekend zijn, maar wel mee te maken kregen. Daarnaast is de opdrachtformulering essentieel voor een goed verloop van het proces. Primair ligt hiervoor de verantwoordelijkheid bij het Rijksvastgoedbedrijf. Welke ruimte kreeg het architectenbureau mee? In hoeverre waren de door de bewindspersonen gehanteerde termen ‘sober en doelmatig’ in de praktijk sturend voor het ontwerpproces? 

Nu het Rijksvasgoedbedrijf de tekeningen op haar website heeft gezet wordt inzichtelijker, hoe het ontwerpproces van de renovatie van het Binnenhof zijn vorm heeft gekregen, en wordt ook duidelijk hoezeer OMA een geheel eigen interpretatie heeft van de uitgangspunten ‘sober en doelmatig’. In plaats van te kiezen voor een sensitieve aanpak van de renovatie, kiest OMA in de fase van het structuurontwerp – dit deel ontbreekt in de vorig jaar verschenen NRC-reconstructie – voor een zeer radicale aanpak. Ellen van Loon werkte een tweetal varianten uit. De eerste is de zogeheten 2025 – Optie N1. https://www.rijksvastgoedbedrijf.nl/documenten/rapport/2017/07/28/ontwerpdocumenten-renovatie-binnenhof

Hier wordt het bestaande gebouw gerespecteerd en daarbinnen worden verschuivingen voorgesteld.

In de tweede variant, 2025 – Optie N.2. is er echter sprake van een totale verdwijning van het voorgebouw van het in 1992 gerealiseerde ontwerp van Pi de Bruijn. In deze variant gaan alle remmen los. Ik geef slechts een indruk: De voorzijde van de Tweede Kamer aan de Hofweg met de plenaire zaal, het ledenrestaurant, de perstoren en een drietal historische panden worden gesloopt. Hiervoor in de plaats komt een geheel nieuw gebouw waarin een nieuwe entree, een nieuwe plenaire zaal, een nieuwe grote commissiezaal en een nieuw ledenrestaurant is opgenomen. Gezamenlijk vormen zij een nieuwe (OMA-) beeldmerk van het parlement. Maar hier blijft het niet bij. Ook Nieuwspoort krijgt een nieuwe plek. Hiervoor moeten de twee grote restaurants aan de zijde van het Plein verplaatst worden naar de derde verdieping, waar nu nog vergaderzalen zitten.Deze commissiezalen worden naar de begane grond van de Statenhal verplaatst waar tevens ruimte is vrijgemaakt voor een nieuw restaurant voor bezoekers. Kortom alles van waarde blijkt weerloos. 

OMA, ontwerp Ellen van Loon – Tweede variant, 2025 – Optie N

Ik zou mij nog kunnen verplaatsen in deze radicale variant, toen wij begin jaren tachtig aan de vooravond stonden van een grootschalige uitbreiding van de Tweede Kamer. Maar die tijd is geweest. Er is in die tijd gekozen voor een samenwerking met de architect Pi de Bruijn. Zijn plan staat er. En nu gaat het ‘slechts’ om een update van het bestaande gebouwencomplex. De in de structuurfase gepresenteerde variant kan dan ook niet anders worden gezien dan als een regelrechte diskwalificatie met terugwerkende kracht van alles wat Pi de Bruijn ooit heeft beoogd met zijn ontwerp. Scherper gesteld, de diepe weerzin voor zijn werk straalt ervan af. En, het moet gezegd worden, het is echt verbazingwekkend dat zowel de Rijksbouwmeesterals de ambtelijk opdrachtgever, het Rijkvastgoedbedrijf, deze variant hebben gedoogd. Evident was, dat het niet meer kon zijn dan een provocatie. Even op herhaling naar de architectuurcompetitie in de jaren tachtig toen het grote werk nog moest beginnen. Het maakt met terugwerkende kracht duidelijk, waarom Pi de Bruijn tranen in zijn ogen kreeg toen ik hem vroeg hoe hij aankeek tegen de – op dat moment nog geheime – voorstellen van OMA. Het is werkelijk onbegrijpelijk dat de primaire aandacht en energie van OMA niet is gegaan naar een fijnzinnige en respectvolle renovatie van het door Pi de Bruijn ontworpen complex. 

Ik neem direct aan dat OMA wist dat hun radicale variant – binnen de gestelde kaders – nooit een kans van slagen zou hebben. Maar waarom dan toch gepresenteerd? Wat zit daar nou precies achter? Deze vraag kan pas worden beantwoord wanneer je bereid bent je te verplaatsen in het debat van en over de architectuur. Misschien nog wel meer dan in de politiek, is er in de architectuur sprake van een richtingenstrijd. Deze is ideologisch van aard en laat zich vertalen in een bijbehorende vormentaal. De benoeming van OMA op een plan van Pi de Bruijn is alsof je de politiek leider van een socialistische partij vraagt de leiding op zich te nemen van een liberale partij. In de politiek ruiken politici, wanneer er sprake is van een onderhuidse ideologische strijd. Dus zo ook hier. Met het radicale voorstel heeft OMA, maar ook de Rijksbouwmeester en het Rijksvastgoedbedrijf de basis van wantrouwen gelegd bij de gebruikers van de Tweede Kamer. En dit, gecombineerd met het voornemen om het Binnenhof te sluiten voor een periode van vijf jaar, deed binnen de Tweede Kamer het vermoeden rijzen dat er met hun gebouw op de loop werd gegaan. Zij deden er ultiem niet toe. En het is dan ook niet verwonderlijk, dat er vanaf dat moment binnen de Tweede Kamer een fundamentele onrust is ontstaan over de toekomst van hun gebouw en hun werkplek. Een onrust die, in de tijd die erop volgde, met alle procesbegeleiders ten spijt, door de bewindspersoon Raymond Knops niet meer kon worden gekeerd. De Tweede Kamer is op de rem gaan staan. Aan hun gebouw geen polonaise. En ja, Ellen van Loon heeft gelijk dat er, voor haar doen, een sober en doelmatig plan voorligt. Maar het had haar gesierd, wanneer zij de Tweede Kamer hiervoor de credits had gegeven. Want waar er al bescheidenheid in haar ontwerp zit, is dat letterlijk door de gebruikers afgedwongen.

En hier komen wij bij de kern van dit conflict. Het is een bijna klassiek voorbeeld, waarbij het primaat van een opdracht niet ten principale bij de structurele gebruiker ligt. In een democratie is het parlement weliswaar het hoogste orgaan, maar over haar eigen gebouwen heeft zij, dachten het Kabinet, de Rijksbouwmeester, het Rijksvastgoedbedrijf en de architect, niets te zeggen. De gebruikers ‘huren’ slechts een gebouw bij het Rijksvastgoedbedrijf. Net zoals de ambtenaren van het departement aan de Rijnstraat 8 – het voormalige ministerie van VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), dat nu als ‘wisselkantoor’ voor departementen in gebruik is. De ambtenaren hebben naar hun eigen zeggen meer het gevoel deel te zijn van een legbatterij,dan van een departement met een eigen identiteit. Maar anders dan de medezeggenschapscommissies aan de Rijnstraat 8, kon het parlement wel zijn macht inzetten en maakte gebruik van haar recht op het onthouden van een instemming met het ontwerp. En greep het parlement terug op de architect die in de jaren tachtig met zoveel liefde aan zijn eigen gebouw heeft gewerkt en het zeker met dezelfde liefde klaar zal willen stomen voor de toekomst. Kortom:‘The return of Pi de Bruijn’ 

De moraal van deze – op kosten van de gemeenschap uitgevoerde – soap, is dat architectuur niet het speeltje is van de rijksbouwmeester, niet van de anonieme opdrachtgever die blijkbaar het Rijksvastgoedbedrijf is geworden en ook niet van een architect. Nee, architectuur vindt zijn betekenis en waarde in de dialoog tussen gebruiker(s) en architect. In dat samenspel ontstaat er een synthese en, en nu komt het: dat kan en mag dan ook best een radicaal plan zijn, wat niet per se ‘sober en doelmatig’ is. Maar dat is dan wel een bewuste keuze van de gebruikers zelf. Eén ding is zeker, nu de Tweede Kamer, net als eind jaren tachtig, de rol van opdrachtgever heeft opgeëist en nu ook materieel heeft verkregen, kan zij met Pi de Bruijn en zijn team verder werken aan een respectabele renovatie van het Binnenhof. De harmonie is teruggekeerd. Daarbij is het nog even afwachten of hun gezamenlijk plan de wereld van de architectuur nog zal gaan verrassen.

Zou Francine Houben’s ‘perspectief voor Zuid’ een kantelpunt kunnen zijn voor Rotterdam?

Mijn fascinatie startte met: wat moet je met zo’n gigantische Maashaven, midden in je stad, zo groot, zo leeg, zo blokkerend. “

Het is alweer een tijdje terug dat ik afreisde (8 november 2019) naar het Stadmakerscongres 2019, een initiatief van het Architectuur Instituut Rotterdam (AIR). In dit mega-event waarin het maken van de stad centraal staat ging ik naar de lezing van de creatief directeur van Mecanoo architecten: Francine Houben. Al eerder had ik haar gesproken over haar persoonlijke fascinatie naar de leegte van de Maashaven. Zij zou, nu haar persoonlijke zoektocht omzetten in wat zij ziet als ‘Perspectief op Zuid’.

Francine ken ik al vanaf de tachtiger jaren, waarin wij samen knokten voor een meer kwalitatieve stadsvernieuwing. Sindsdien zijn wij met elkaar in gesprek over de toekomst van onze steden. En in enkele van die gesprekken kwam ook Rotterdam Zuid ter sprake. Voor mij een bekend gebied, omdat ik eind jaren zeventig les gaf op een van de voormalige scholen aan het vroegere Ericaplein in de wijk Bloemhof. Voor haar bekend, omdat Mecanoo Architecten in 1984 een opdracht kreeg voor het wooncomplex de Hillekop. Dit project, dat werd opgeleverd in 1989, zou toonaangevend worden binnen de stadsvernieuwing omdat het een begin inluidde van de rehabilitatie van de Afrikaanderwijk, en met haar moderne architectuur, Rotterdam Zuid een eigentijds beeldmerk gaf.

ca. 1985: Francine Houben

In het ontwerp van de Hillekop moesten de architecten in die tijd nog rekening houden met de wensen van het Havenbedrijf. Door het project heen lopen dan ook nog de rails van de vroegere goederentrein die de haven verbond met het spoor. Het waren, terugkijkend, de nadagen van de rijke industriële geschiedenis van de binnenhavens in Rotterdam. Globalisering en technologisering veranderden de mobiliteit fundamenteel. De logica dat havens en werkgelegenheid met elkaar verweven waren, nam snel af. In London had dat al aan het begin van de jaren zeventig tot het inzicht geleid, dat de binnenhavens hun oude functie zouden verliezen. In de jaren tachtig begon men daar, onder de centrale leiding van Margaret Thatcher, een grootscheepse stedelijke vernieuwingsoperatie, genaamd London Docklands, die dit gebied in de nieuwe economie binnenloodste. In Rotterdam kwam dat inzicht maar beetje bij beetje op gang, zo werden in Noord de kleinere binnenhavens getransformeerd. Hoewel met de Erasmusbrug de sprong naar Zuid werd gemaakt, waardoor de Kop van Zuid glorieus tot ontwikkeling kon komen, zijn de grootste binnenhavens hier tot nog toe ongemoeid gelaten en liggen ze er, met een heel beperkt gebruikt voor de binnenvaart, desolaat bij. En hoewel er op Katendrecht op een kleinere schaal sprake is van een gentrification is het overgrote deel van Rotterdam-Zuid nog steeds een problematisch stadsdeel waarvoor zelfs een Nationaal Programma Zuid (hhtps://nprz.nl) is opgezet waarin Rijk, de gemeente Rotterdam, corporaties, zorginstellingen, bedrijfsleven, politie en openbaar ministerie werken aan een rehabilitatie van de wijk.  En met alle respect voor de inspanningen die in dit kader voor de zittende bewoners wordt verricht heeft het karakter wel heel erg de nadruk op het bestrijden van achterstanden. Het perspectief op een grote kanteling lijkt nog niet heel erg substantieel. De vraag is dan ook of de echte kansen op herstel voor Zuid wel in beeld komen in het huidige nationaal opgezette herstelprogramma of liggen er andere, betere kansen? 

Het was de teloorgang van de Maashaven, die Houben triggerde om zich af te vragen waarom in haar woonplaats zulke omvangrijke havens en haventerreinen niet werden benut om voor Rotterdam-Zuid nieuwe kansen te creëren. Wat begon als een ergernis, werd een persoonlijke zoektocht die drie jaar zou gaan duren. Het is fascinerend hoe deze zoektocht, die in haar eigen woorden ‘intuïtief’ begon, uiteindelijk uitmondt in een messcherpe analyse van de sociaaleconomische structuur van de stad Rotterdam. Zij liet in haar lezing tijdens het Stadmakerscongres zien hoe in de gloriedagen van de haven er een mentaal evenwicht was tussen stad en havens en dus ook tussen Noord en Zuid. Dit evenwicht verdween toen de oude economie van de haven veranderde. Het maakte dat Zuid verweesd achterbleef. In Rotterdam domineert, net als in Den Haag met haar Zand en het Veen, een tweedeling in Noord en Zuid. Waar in Noord de tegenwoordige kenniseconomie garant staat voor een riant toekomstperspectief, ontbreekt in Zuid nog steeds een nieuw economisch perspectief. Het scheidt Rotterdam in vermogend en minvermogend, kansrijk en kansarm en in aangesloten, dan wel het buitengesloten zijn in onze moderne samenleving.

In haar zoektocht ontdekt Houben, dat het maken van plannen voor een andere invulling van bijvoorbeeld de Maashaven geen betekenis heeft wanneer niet ook gekeken wordt naar de redenen waarom een revitalisering zoals in de Londense Docklands, maar ook in Rotterdam Noord wel op gang is gekomenen, maar niet in Zuid. Gaandeweg werd het haar steeds duidelijker dat onderliggende belangen een voorspoedige ontwikkeling van Zuid in een houtgreep houden en dus doen stagneren. In haar gesprekken met de gebruikers in Zuid, variërend van bewoners, onderwijsinstellingen, binnenschippers, gemeente en havenbedrijf wordt duidelijk dat het ook ontbreekt aan een gedeeld toekomstbeeld voor Zuid dat ook sociaal en economisch perspectief biedt voor de bewoners die er woonachtig zijn. Wat domineert is een veelomvattende belangenstructuur, die historisch voortkomt uit de oude economie die rond 1900 de aanleg van de Rijn- en Maashaven legitimeerde.

Uit presentatie Francine Houben

Waar een veranderde economie de rol van de (binnen)havens ingrijpend wijzigde, bleven de (grond)posities onveranderd bij de vroegere centrale spelers, die er een geheel eigen invulling aangaven. En zo kan het gebeuren, dat het Havenbedrijf tegenwoordig vooral een ‘verhuurder’ is van grond aan bedrijven die niet (meer) ‘haven gebonden’ zijn. Nog maar een heel beperkt percentage van de bedrijven op de erfpacht grond van het Havenbedrijf (= gemeentegrond!) is nog haven gerelateerd. Maar niet alleen een de Rijn- en Maashaven liggen er desolaat bij, ook bedrijventerreinen zelf zijn in ruimtelijke zin minimalistisch ingericht. Zij vormen in hun huidige gebruik een blokkade voor een nieuw perspectief van Zuid. Ook de dijken die na de watersnoodramp in 1953 werden aangelegd, hebben de wijken op Zuid letterlijk -in de woorden van Francine- ‘achter de dijken’ opgesloten. Grote stroken grond zijn hierdoor in eigendom gekomen van het Waterschap Hollandse Delta. In haar analyse laat Francine zien, dat juist deze plekken voor een herontwikkeling van Zuid van cruciaal belang zijn. Dit zijn de locaties, waar met een reeks nieuwe sleutelprojecten voor Zuid het verschil zou kunnen worden gemaakt. Het zou de weg kunnen openen naar een nieuwe economie voor dit deel van Rotterdam. En, misschien nog wel belangrijker, het zou de groeiende scheiding tussen Rotterdam Noord en Zuid, kunnen verzachten en misschien zelfs doen verdwijnen.

Foto: L.J.

In een ‘Perspectief voor Zuid’ schetst Houben een mogelijke weg waarin de stad het tij voor Zuid zou kunnen keren. Niet door middel van ‘structuurplannen oude stijl’ of formele ‘omgevingsvisies’. Dat zijn nu juist de structuren waarin het denken en het gesprek eerder worden gestold en waarin bestaande belangen worden beschermd en dus een nieuwe en noodzakelijke dynamiek wordt geblokkeerd. Centraal in haar opvatting staat, dat alleen vanuit een integrale kijk de ontwikkeling van de stad haar kracht zal kunnen krijgen. Dat proces zal met alle stakeholders moeten worden ingezet. Het is beter om met elkaar samen te werken aan een gemeenschappelijk toekomstperspectief, waarin de ruimtelijke interventies centraal staan. Alleen daarin kan ook het gemeenschappelijk belang worden ontdekt en een strategie worden ontwikkeld om deze met elkaar waar te maken.

Hoe? Houben schetst in haar ‘Perspectief voor Zuid’ een kader voor een integrale aanpak van Zuid en somt een reeks mogelijke interventies op. Ik noem er aantal op: een 10 kilometer lang Zuiderdijkpark, met daarin opgenomen collectieve voorzieningen: sport en cultuur. Goed voor de wijken, aantrekkelijk voor de werknemers van de bedrijven. Een nieuw Metrostation Waalhaven Zuid, dat met de Superbus via de Maastunnel verbonden wordt met Rotterdam Centraal, maar ook de afslag via Maashaven maakt naar Inter City Station Feyenoord City. Dit alles maakt het mogelijk om een onderwijsstrip te maken langs de Zuidzijde van de Maashaven. Waarbinnen de TU Delft en de Erasmus-universiteit een samenwerking kunnen aangaan met HBO (o.a. Hogeschool Rotterdam) en de MBO (o.a. Albeda College) binnen de zorg, techniek en logistiek. En, last but not least, een recreatiepier die Zuiderpark en het Zuiderdijkpark weer verbindt met de haven: weer een plaats om te spelen en te baden, zoals die na de aanleg van de dijken in 1953 verloren is gegaan.

Zou Francine Houben’s ‘perspectief voor Zuid’ een kantelpunt kunnen zijn voor Rotterdam?

Niet de bevolkingssamenstelling, de concentratie van lagere inkomens en de werkloosheid vormen het kernprobleem van Zuid. Nee het echte probleem lijkt te zijn, dat de belangen in Zuid zo verdeeld zijn, dat de kans om in Zuid een nieuwe economie van de grond niet of nauwelijks kan ontstaan. De veelheid van sectorale belangen blokkeren het denken erover. En dat alles is verhuld in een groot stilzwijgen. Gewoon, omdat niemand het onder woorden, brengt, niemand hierover het debat aan voert. Maar met het ‘Perspectief op Zuid’ zou dat anders kunnen worden. Juist de integrale benadering van Houbens visie maakt dat er een kans is dat haar analyse tot de politiek doordringt. Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ook in dit deel van Zuid de verbeelding ruimte krijgt? London Docklands heeft in de jaren tachtig al laten zien hoezeer een nieuwe economie een kans kreeg om zich in het voormalige havengebied te zetten. Maar wie pakt in Rotterdam deze uitdaging op? Is er een mentale ruimte in het College van B&W om het ‘Perspectief op Zuid’ van Francine uit te bouwen tot een stedelijk verhaal? Wie in het ambtelijk apparaat is in staat, gelijk Riek Bakker ooit deed, inhoud te geven aan een grootser en meer aansprekend perspectief voor Zuid? En heeft het Havenbedrijf de geestelijke ruimte uit te stijgen boven haar sectorale belangen?

Als stadsbestuurder met ervaring raak ik opgewonden van de perspectieven die haar visie bieden. Het doet mij denken aan de omvangrijke ruiltransacties tussen het Rijk en de gemeente Den Haag. Het droeg bij aan het herstel van de economie van de stad en de kwaliteit van het wonen. En natuurlijk is het zo dat al die afzonderlijke gesprekspartners zullen vragen, zoals een spreker tijdens het Stadsmakerscongres al opmerkte; ‘what’s in it for me?’ En dat is op zijn minst een begrijpelijke vraag, maar ultiem raakt deze vraag niet aan de essentie. Die ligt in de kernvraag die Francine aan de orde stelde, namelijk: kunnen wij met een herordening van de slordig gebruikte ruimte in Zuid een perspectief scheppen dat goed is voor de bewoners van Zuid, maar ook Noord en Zuid gelijkwaardig maakt? Dus is de echte vraag dan ook: ‘What’s in it for the city as a whole?’

Adri Duivesteijn, Bijgewerkt op 5 februari 2020

10-12-1949 -17-12-2019 – Willem Meuwese, een reus die Den Haag en Almere met zijn daden definitief veranderde

Dwarsweg Binnenstad: Een onschuldige lijn op de kaart stond gelijk aan de sloop van honderden panden en de vernietiging van twee binnenstadswijken.

Het was 10 december 1980, de dag dat het Dwarsweg-compromis werd gesloten. Samen met collega-wethouders Chris Nyquist (VVD) en Lex Blankesteijn (CDA) sloot ik het zogeheten Dwarsweg-compromis. Hierbij werd een – voorlopig – einde gemaakt aan een decennialange discussie over de verkeersafwikkeling in de Haagse binnenstad. Den Haag was verdeeld, aan de een kant stond de VVD, het CDA en het grootwinkelbedrijf die een ringweg om het historisch centrum (lees ook: Grootwinkelgebied) wilde. In hun visie ging het vooral om de economie van de binnenstad.  Zij zagen hiervoor een maximale bereikbaarheid met de auto als sleutel.  Voor deze ringweg (‘Dwarsweg Binnenstad’) waren in het Oude Centrum en het Kortenbos veel panden opgekocht. Inmiddels gesloopte panden zorgden voor gaten in de gevelwanden, veel resterende woningen waren verpauperd of al dichtgemetseld. In het Oude Centrum – tussen de Palviljoensgracht en de Boekhorststraat – was al een deel van de ringweg aangelegd. Voor beide wijken was er geen toekomst meer.

De foto dateert uit 1980 en laat het gebied zien tussen de Palviljoensgracht en de Boekhorststraat.

Dankzij het toenemende verzet in de stad groeide in de jaren tachtig de basis voor een fundamentele verandering van het ruimtelijk beleid voor de binnenstad. Uiteindelijk zou dat culmineren in het ‘Dwarsweg-compromis’. Hiermee kon de weg naar de rehabilitatie van dit deel van de Haagse binnenstad weer worden ingezet. Maar in Den Haag zijn politieke compromissen breekbaar, dus hoe kon deze politieke winst ook daadwerkelijk worden veilig gesteld?  Voor mij stond vast dat wij voor de volgende verkiezingen feiten moesten creëren. Wanneer wij er met elkaar in zouden slagen om voor de gewenste nieuwbouwplannen de eerste palen de grond in te krijgen, zou de Dwarsweg er nooit meer kunnen komen. Maar een wethouder kan nog zo veel willen, hij of zij is ook afhankelijk van de medewerking van het ambtelijk apparaat en de woningbouwvereniging.  In ambtenaren als René Strijland en Piet van de Kerkhof had ik bondgenoten die dag en nacht bereid waren door te werken om deze ‘strijd’ te winnen.

Maar hoe zat het met de bereidheid en medewerking bij de Algemene Woningbouwvereniging (AWV), die de risico’s van de woningbouw en de bedrijfshuisvesting op zich zou moeten nemen? Het AMV stuurde een nieuwe, mij onbekende projectleider, een robuust gebouwde leeftijdgenoot, die zich voorstelde als Willem Meuwese. En dat bleek voor ons een gouden greep. Willem was, net als wij, volstrekt onorthodox in zijn werkwijze. Hij hield zichtbaar van uitdagingen, de wereld veroveren was hem op het lijf geschreven. Al in het eerste contact gaf Willem aan dat succes alleen mogelijk was, wanneer hij directe toegang had tot mij als wethouder. Zijn methode bestond eruit om de opdoemende knelpunten altijd direct te slechten: ‘Alleen dan kan ik het tempo waarmaken wat u vraagt!’

Veertig jaar verpaupering in Het Oude Centrum en Kortenbos werd in twee jaar gekeerd in een wederopbouw.

Het zou het begin worden van een hele intensieve en mooie samenwerking, waarbij alle formele codes en regels – indien nodig – werden doorbroken. Als een wervelwind forceerde Willem beslissing op beslissing en loste hij knelpunt na knelpunt op. In een ongekend hoog tempo ontwikkelde hij -samen met de gemeente, bewoners en bedrijven – in anderhalf jaar tijd een spectaculair bouwprogramma dat bekend zou worden onder de naam: Bouwstroom Binnenstad. Maar liefst 1000 sociale huurwoningen, winkels en bedrijfsruimten op maar liefst 27 verschillende locaties in het Oude Centrum en Kortenbos.  Op 18 november 1982 gingen overal de eerste palen de grond in. De Dwarsweg was definitief geschiedenis.

In het Hamerstraat in het oude centrum verdween definitief de dwarsweg van de kaart. Een droom kwam uit.

Willem Meuwese ontwikkelde zich hiermee tot een belangrijke motor in de Haagse stadsvernieuwing. Maar het ging hem niet alleen om productie, na deze krachtinspanning ontwikkelden wij in 1984 – in het kader van Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit – samen met Hans van Beek van architectenbureau PRO de nieuwe kwaliteitsnorm voor de stadsvernieuwing in de Katerstraat, een voormalig prostitutiegebied. Al dertig jaar een voorbeeldproject voor kwalitatief hoogwaardige en betaalbare sociale woningbouw in een stedelijk gebied.

12 november 1982, twee jaar na het Dwarsweg Compromis, begon de Bouwstroom Binnenstad. 1982

Willem Meuwese ging naar het Bouwfonds. Hij zou zich in de commerciële wereld van projectontwikkelaars onderscheiden door de realisatie van een reeks kwalitatief hoogwaardige projecten. Steeds vaker keerde hij zich af van de wereld van het commerciële. Hij voelde zich meer en meer thuis in zijn eigen atelier waar hij kon schilderen.

In oktober 2012 kwam ik Willem Meuwese weer tegen. Ik had opnieuw iemand nodig die in staat zou zijn om een nu wel heel bijzondere klus te klaren. Ik legde hem uit dat ik aan de oostkant van de stad een volstrekt nieuwe vorm van gebiedsontwikkeling wilde. Ook wel een meer organische groei genoemd en belangrijk: geheel op basis van initiatieven van onderop. Willem was direct enthousiast. In zijn ogen zag ik het avontuur weer opvlammen. Dat was, in een wereld waarin commerciële grondposities uitmaken wie er mag bouwen, een uitdaging. Hier was de grond van het Rijk en de Gemeente. Er kon dus een fundamentele omslag naar burgers worden gemaakt. Ook hier stond Willem voor het op gang brengen van een kwetsbare ontwikkeling. In ons land is woningbouw helaas vooral een verdien-machine voor institutionele partijen, die er niet voor schromen om met een veelvoud van minimalistische gestandaardiseerde woningbouwproducten veel geld (‘marktconforme prijzen’) uit de portemonnee van burgers te plukken. De vraag was dan ook, hoe wij konden veiligstellen dat in Oosterwold de initiatieven van onderop ook echt centraal zouden komen te staan. Wie kon dat voor elkaar krijgen?

Het mag duidelijk zijn, Willem Meuwese werd onze kwartiermeester voor Oosterwold. Met het Rijksvastgoedbedrijf, de provincie Flevoland, de gemeente Zeewolde en het Waterschap Zuiderzeeland – de door ons voorgestane nieuwe vorm van gebiedsontwikkeling, waarin inderdaad de initiatiefnemers burgers waren. Oosterwold heet dan ook niet voor niets ‘Land-Goed voor initiatieven’.

2017, de eerste initiatieven waren omgezet in concrete gebouwen en het open land kreeg zijn vorm.

Willem Meuwese werd ook de eerste gebiedsregisseur van Oosterwold. Willem toonde opnieuw zijn onconventionele karakter, hij was missie gedreven, kleurrijk en vooral goedlachs. Willem Meuwese gooide de knuppel in het hoenderhok als dat nodig was. Hij zorgde ervoor dat het kenmerk van de gemeenschappelijke regeling, die onder zijn leiding tot stand kwam, niet bestond uit Almere Oosterwold of Zeewolde Oosterwold, nee, het werd ‘Oosterwold’. De betekenis is duidelijk, in dit gebied was het niet de gemeente en haar ambtenaren, maar gold het adagium ‘mensen maken de stad’. Willem zou tot juli 2014 betrokken blijven. Achteraf vond hij dat het misschien te kort was, maar hij was het die de basis van de grondgedachte heeft verankerd en daarmee een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het immense succes wat Oosterwold inmiddels is. Oosterwold is het enige grootschalige gebied waar honderden burgers met hun initiatieven de stad maken. De wachtrij is inmiddels zo groot dat gebiedsregisseur heeft moeten besluiten de inschrijving tijdelijk te sluiten. Oosterwold laat het zien; gebiedsontwikkeling kan dus zoveel anders in ons land. Willem legde daarvoor als kwartiermaker het materiële fundament.

De initiatievenkaart van Oosterwold waarbij iedere stip een uitdrukking is van creativiteit.

Voor mij is het overlijden van Willem het verlies van iemand die van grote betekenis is geweest voor de dromen en idealen die ik nastreefde. Willem Meuwese begreep dat, voelde zich er in thuis. Willem was de reus die Den Haag en Almere met zijn daden definitief veranderde.

Willem mag dan nu overleden zijn, zijn werk blijft. De stad Den Haag, het Oude Centrum en Kortenbos, maar zeker ook Oosterwold zouden er anders uitzien wanneer Willem er niet was geweest. Met dit In Memoriam toon ik mijn dankbaarheid, nadrukkelijk ook aan zijn familie. Ik wil voor eenieder die het aangaat, duidelijk maken hoe dierbaar voor mij de samenwerking met Willem was. Het was nadrukkelijk ook ons avontuur en hebben er samen van genoten en waren beiden trots op de resultaten! 

Het is tijd (…)Tijd om te leven

Willem en zijn vrouw Marianne waren beiden ongeneeslijk ziek. Op 17 december 2019 hebben ze ons verlaten, maar niet zonder boodschap: ‘Het is tijd (…) Tijd om te leven ‘.

Gerard van Otterloo, (1950 – 2019)

Het plotseling overlijden van partijgenoot en oud-collega wethouder Gerard van Otterloo komt hard aan. zal er in een terugblik op zijn politieke leven worden teruggegrepen op hoe wij beiden verwikkeld waren in een conflict over de bouw van het Haagse stadhuis. Maar, zeg ik op voorhand, dat vertekent het beeld. In de Haagse gemeentepolitiek hebben wij jaren achtereen, zij aan zij, gestreden voor het herstel van de oude wijken, voor een hogere kwaliteit van betaalbaar wonen. Wij gaven met elkaar ruimte aan het nieuwe wonen, het Pandercomplex aan het Buitenom is er niet de minste van. Wij deelden ook de overtuiging dat er een einde moest komen aan de verpaupering van onze Haagse binnenstad. Na decennia van besluiteloosheid wilden wij daarin samen verandering brengen. Gerard en ik waren bondgenoten toen wij in 1986 begonnen aan een denkpauze om de bouw van het Stadhuis aan het Spui te onderzoeken. Ja, Gerard, in zijn rol als wethouder van Financiën, dacht bij de aanvang actief mee om binnen de exploitatie financiële middelen te vinden om de bouw mogelijk te maken.

Het is waar dat wij uiteindelijk het stadhuisplan niet met een gemeenschappelijke opvatting naar de gemeenteraad hebben kunnen brengen. Daarvoor dachten wij te verschillend over het eindplan. Maar wanneer je oprecht gelooft in je overtuiging, is het ook de moeite waard om daarover de strijd aan te gaan. Bij Gerard van Otterloo wist je waar hij stond. Er was geen ruimte voor het spel om het spel. En dat, hoe lastig ook, is in de politiek een uitzonderlijke kwaliteit. In de stadshuiskwestie koos hij ultiem voor zijn eigen inhoudelijke opvatting. Ik citeer wat ik in 1994 over Gerard schreef in mijn boek Het Haagse Stadhuis, bouwen in een slangenkuil: ‘De kern van zijn handelen was zonder twijfel zijn bewondering voor Rem Koolhaas en zijn afkeer van het plan-Meier. De bewondering beschouw ik als de meest authentieke drijfveer: Van Otterloo maakte een keuze op basis van zijn architectuur-opvatting’. Ja, en precies daarin wij stonden tegenover elkaar. Maar waren, juist omdat deze keuze zo essentieel was voor het concept van de binnenstad, bereid te staan voor onze opvatting. Daarvoor hebben wij een hoge prijs moeten betalen. Maar soms is dat de moeite waard. Beiden zijn wij nadien niet meer van mening veranderd.

Met dit verschil van mening en de gevolgen die het had voor ons politieke en persoonlijke leven, was het Gerard die, nadat ik bekend had gemaakt dat ik prostaatkanker had, mij via LinkedIn benaderde: ‘Ik begreep dat het niet goed gaat met je gezondheid. (…) Als je het leuk vindt kunnen wij in de komende tijd een keer in de stad afspreken’. Het werd een zomermiddag op mijn terras waar wij lang en indringend hebben gesproken over de kwetsbaarheid van het leven zelf. Gerard had, net als ik, de nodige lichamelijke tegenslagen achter de rug en deelde deze. In ons gesprek ging het niet over politieke verschillen van mening, niet over het Haagse stadshuis. Nee, in deze ontmoeting ging het over de essentie van het leven zelf, namelijk ‘een gezond leven’. En helaas ook hoezeer de aantasting ervan niet alleen je eigen ‘zijn’ raakt maar ook degenen die je thuis het meest dierbaar zijn’. Dit te kunnen en mogen delen met Gerard heeft mij diep geraakt en ontroerd.

Adri Duivesteijn
Den Haag, 15-11-2019

Operatie Binnenhof, het staatsgeheim van onze democratie kent geen opdrachtgever

De moraliteit van het verhaal:

“De bouwkunst is dus de kunst voor de gemeenschap en daarom ook in dien zin haar eigen noodzakelijkheid. Daardoor is zij meer dan de andere kunsten, ja zelfs direct afhankelijk van de geestelijke en maatschappelijke stromingen, welke eveneens een langzame ontwikkeling hebben” 

H.P. Berlage in Schoonheid in samenleving

Op 3 en 4 juli 2019 publiceerde ik op de website Archined een tweetal beschouwingen over het wel en wee van de renovatie van ons Binnenhof, het machtscentrum van onze democratie. In de NRC van 13/14 juli 2019 verscheen op de opiniepagina van de NRC onder de kop “Renovatie Binnenhof vraagt open debat en publieke opdrachtgever’ een samenvatting van beide artikelen.

Het Binnenhof heeft voor iedereen wel een bijzondere betekenis. Het is, of wij willen of niet, dagelijks deel van ons leven. Maar naast de actualiteit is het Binnenhof een uitdrukking van de wordingsgeschiedenis van ons moderne Nederland. Begonnen als een woonplek voor de Graven van Holland is het de plaats geworden waar grote en belangrijke beslissingen over ons land en haar inwoners werden genomen. Het Binnenhof mag je gerust ook zien als een bijna zelfstandige stad van de macht. In deze ‘stad’ zijn de jaarringen van de macht te zien in de vorm van een veelvoud van gebouwen en verbouwingen. Letterlijk werd daarin de architectuur van de macht uitgedrukt met als hoogtepunt de Ridderzaal waar jaarlijks de troonrede wordt uitgesproken en, niet onbelangrijk, de eerste Europese Parlementszaal – de tegenwoordige Eerste Kamer – aan het Binnenhof 22. Dit historische Binnenhof zal in de komende vijf jaar worden gerenoveerd. Een omvangrijke verbouwing van een half miljard euro dat als een megaproject door de Rijksgebouwendienst is opgepakt. Maar liefst vijf jaar lang, is de prognose, zal het Binnenhof gesloten worden voor de verbouwing. Hoe? Niemand weet het, want het ontwerp is staatsgeheim. Wie de – echte – opdrachtgever is, is ook niet duidelijk. Deze niet openbaarheid en de veelvoud van ‘actoren’ die me elkaar in de clinch liggen, maakt dat het project omstreden is geworden. En dat is jammer want iedere Nederlander zal het Binnenhof een goed hart toedragen en zal niets anders willen dan een mooie renovatie van het complex waar wij collectief trots op zijn en vooral willen blijven.

Ontwerp Tweede Kamer van architect Pi de Bruijn (Geopend in 1992)

Het is daarom dat ik een tweetal beschouwingen hebt geschreven over de renovatie van het Binnenhof. Deel 1 gaat vooral in op de onzin van het tot staatsgeheim verklaren van deze renovatie van een publiek gebouwen complex. Deel 2 is een verdieping naar de vraag wie nu eigenlijk de intrinsiek en inhoudelijk opdrachtgever is van dit publieke bezit. Beide artikelen zijn gepubliceerd op de website van Architect, die in hun eigen woorden ‘de enige kritische, onafhankelijke een onafhankelijk community-based website van de lange landen over architectuur en meer’ zijn. kortom voor mij geen betere plaats om een impuls te geven aan het gesprek, ja, het debat over de toekomst van ons Binnenhof. En uiteraard gaat het dan ook over de architectuur ervan.

Opinie NRC, 13-14 juli 2019: ‘Renovatie Binnenhof vraagt open debat en publieke opdrachtgever’

Illustraties Cyprian Koscielniak, NRC, 13-07-2019 

Voor Het volledige verhaal heb ik de onderstaande link opgenomen die u direct brengt naar het artikel op de NRC-website. Voor zij die er behoefte aan hebben aan is ook een link opgenomen waarmee het artikel kan worden gedownload. De bovenstaande mooie en tot de verbeelding strekkende tekening van Cyprian Koscielniak is de illustratie die de opinieredactie van de NRC bij mijn verhaal plaatsten. Kernachtiger kon mijn verhaal niet worden geïllustreerd.

Vernieuwing Binnenhof verdraagt geen geheimhouding en vraagt authentiek opdrachtgeverschap

Archined – Deel 1: Operatie Binnenhof, het staatsgeheim van onze democratie

Binnenhof Den Haag vanuit de lucht / 6 juli 2015, 12:36:58 / Rijksvastgoedbedrijf

“De verbouwing van het Binnenhof is niet het privilege van een enkelvoudige opdrachtgever, ook al is zij de regering, en is ook niet van de gebruikers van het Binnenhof alleen (ook al zijn dat is de Eerste en Tweede Kamer). Nee, deze verbouwing raakt letterlijk de fysieke vorm waarbinnen onze democratie functioneert en de vormgeving van het centrum van Den Haag. Het is dan ook niet te veel gevraagd om mee te kunnen kijken.”

https://www.archined.nl/2019/07/operatie-binnenhof-het-staatsgeheim-van-onze-democratie/

Archined – Deel 2: Operatie Binnenhof kent geen opdrachtgever

Afbeelding van Archined

“Operatie Binnenhof verdient een herdefiniëring van het opdrachtgeverschap dat op de eerste plaats inhoudelijk een echt gezicht krijgen; een mens die je kan aanspreken en die ook als autoriteit de rol van opdrachtgever kan vervullen. Dat behoeft niet een enkele persoon te zijn. Ik zou zeggen bij voorkeur niet. Het Binnenhof is niet één enkelvoudig gebouw maar juist een mooi conglomeraat van verscheidene functies, met een grote diversiteit aan gebouwen. Onze democratie is ook geen eenvormig bedrijf. (…) De kern daarvan wordt vertegenwoordigd door de premier en de beide voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer. Deze drie personen kunnen met recht worden gezien als de vertegenwoordigers ‘van de geestelijke en maatschappelijke stromingen’, die in samenspraak met hun architect ‘de bouwkunst als kunst van de gemeenschap’ haar karakter zouden kunnen geven. 

https://www.archined.nl/2019/07/operatie-binnenhof-kent-geen-opdrachtgever/

Deel 3: Hoe het toch nog goed kwam met de renovatie van het Binnenhof….. (verschijnt in september 2025 op www.archined.nl)

In de rij bij Paagman in Den Haag voor Lodewijk Asscher’s boek ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’

Donderdagavond In de rij voor een handtekening van Lodewijk Asscher bij Boekhandel Paagman

Het boek van Lodewijk Asscher ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ ligt sinds 14 april in de boekhandel. Inmiddels is de tweede druk een feit. Zal het boek van Asscher ook betekenen dat de PvdA zal opstaan en zal terugkeren naar het hart van de Nederlandse politiek? De PvdA-leider, die mooie tijden meemaakte als lijsttrekker, fractievoorzitter en wethouder van Amsterdam. Die in het kielzog van Diederik Samsom, als vicepremier van het Kabinet Rutte II, ondervond dat de PvdA haar ziel kwijtraakte. Zo zeer, dat de kiezers de PvdA bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen genadeloos afstraften. Kan deze Lodewijk Asscher, om zijn eigen metafoor te gebruiken, de PvdA weer laten opstaan? Is er nog een kans dat de PvdA opnieuw tot de verbeelding zal spreken bij brede lagen van onze bevolking? En zal die PvdA dan ook in staat zijn om in de samenleving de geestelijke ruimte te creëren voor een solidaire en rechtvaardige samenleving? Voor mij waren dat de kernvragen, toen ik zo af en toe in de zijlijn van de wording van het boek mocht meekijken. Ik doe een poging hierop nu zelf een antwoord te geven.

Lodewijk Asscher: ‘Je wilt ertoe dóén, ik weet zeker dat dat voor vrijwel alle mensen een voorwaarde voor een goed leven is’. Uitgeverij Podium – ISBN 9789057599194

Het leiderschap van de PvdA is een fascinerend fenomeen. Voor mij staat vast dat, hoe geëmancipeerd wij ook door alle lagen van de bevolking zijn, het toch vooral de politici zijn die ons burgers een referentiekader meegeven. De politiek leiders van de PvdA moeten wel over heel veel kwaliteiten beschikken om echt langdurig en succesvol leiding te kunnen geven aan een zeer diverse volkspartij die de PvdA van origine is. PvdA-leiders zijn de voorhoede in de strijd die moet worden gevoerd om sociaaldemocratische idealen dichterbij te brengen. En wanneer leiders bestuurders worden, moeten zij ook nog eens in staat kunnen zijn om met hun handelen daadwerkelijk iedere dag de idealen van hun partij dichterbij te brengen.

De meest tot de verbeelding sprekende sociaaldemocratische leider die ik van dichtbij mocht meemaken was Joop den Uyl. Hij was in staat om op meerdere niveaus politiek te bedrijven. Zo bezat hij het vermogen om, in iedere setting, hardop na te denken over ontwikkelingen in onze samenleving. Hij inspireerde door thema’s te formuleren, waardoor het politieke debat over de inrichting van de samenleving handen en voeten kreeg. Hij combineerde denken en doen, was strijdbaar, maar formuleerde ook wat volgens hem de marges van de democratie waren waarbinnen je tot politieke resultaten kon komen. Joop den Uyl was één van die zeldzame leiders, die ook tegenspraak opzocht en daarvoor zelf sterker werd, misschien wel juist omdat hij daarin ook opnieuw de verbinding zocht.

Leiderschap van een sociaaldemocratische partij is een hele zware opgave. Geen van de leiders die zich opvolger van Den Uyl mochten noemen, beschikte over die veelvoud van kwaliteiten. Zeker, Wim Kok was meer dan een geweldig staatsman, maar liet na het sociaaldemocratische gedachtengoed te voeden. Wouter Bos was bij de aanvang één brok charisma, maar toen duidelijk werd dat de lading toch vooral neo-liberaal gedachtengoed bevatte, verloor het al snel zijn diepere betekenis voor de PvdA. En Diederik Samsom, scherp en briljant in een cruciaal verkiezingsdebat, bleek toen het op handelen aankwam een ingenieur die wel oplossingen bedacht, maar daarin de relatie met het sociaaldemocratisch gedachtengoed op essentiële punten uit het oog verloor. Het antwoord van de PvdA kiezer was genadeloos.  Lodewijk Asscher staat voor een immense opgave de PvdA weer terug te brengen in het centrum van de politiek. Kan Lodewijk Asscher die cruciale sleutelrol spelen in het herstel van de sociaaldemocratie. Duidelijk is dat dit vraagt om een duurzaam leiderschap dat gebaseerd is op innerlijke diepgang.  Een leider van de PvdA moet een van binnenuit diepgevoeld verlangen en overtuiging hebben, om onze wereld voor anderen te willen verbeteren. Het is deze energiebron die politici de drive kunnen geven om boven zichzelf uit te stijgen en letterlijk de ander de weg te wijzen. Is Lodewijk Asscher zo’n politicus?

Lodewijk Asscher in De Balie waar hij met trots en vertrouwen zijn boek presenteerde.

Laat ik beginnen met het feit dat ik oprecht blij ben dat Lodewijk Asscher, in samenwerking met politiek journalist Michiel Zonneveld, de tijd heeft genomen om zijn boek te schrijven. Het kon niet meer zo zijn dat, na de grootste nederlaag in de geschiedenis van de PvdA, de leider gewoon over zou gaan tot de orde van de dag. De tijd van weer een evaluatierapport over de teloorgang van de PvdA kon nu niet meer het antwoord brengen. Letterlijk moest er een herbezinning zijn in de kern van het leiderschap zelf. En het is dan ook terecht dat Lodewijk Asscher in die zoektocht vooral bij zichzelf te rade is gegaan. Wie is hij? Wat heeft hem gevormd? Wat drijft hem? Hoe kon hij het laten gebeuren dat zijn PvdA zoveel vertrouwen verloor? Wat zijn persoonlijke sociaaldemocratische idealen? En voelt hij zich wel sterk genoeg de partij haar vertrouwen terug te geven?

Ik denk dat ik niet te veel zeg, dat het boek van Lodewijk Asscher op persoonlijke vlak ontroert. Op volstrekt natuurlijke wijze, gaat Lodewijk Asscher op zoek naar zijn innerlijke motieven die hem drijven in het leven en in de politiek. Hij gaat daarbij letterlijk terug naar de bron, zijn eigen persoon en de omgeving waarin hij is opgegroeid. Onvermijdelijk komt dan de joodse geschiedenis langs. En hoe dat invloed heeft op zijn persoonlijkheid. Maar het bijzondere is, dat het daar nooit omgaat in zijn boek. Het is op geen enkel moment een egodocument. Nee, centraal staat de zoektocht naar wat in jezelf de kern is. Wat drijft je, welke waarden vind je belangrijk? En waarom is dat zo? En met de zelfkennis die daarmee in het boek onder woorden wordt gebracht, kijkt hij ook naar de ander. Hij laat zich daarbij niet afleiden door de klassieke sociaaldemocratische analyse van de klassensamenleving. Nee, Lodewijk Asscher, kijkt op de eerste plaats naar mensen. Mensen die, hoewel ze onderdeel zijn van een verdeelde samenleving waarin mensen kansrijk of kansarm zijn, op de eerste plaats als mens ‘ertoe willen doen’. Het is die, humanistische kijk naar mensen, die hem kenmerkt. Vandaaruit worden door hem de problemen geanalyseerd, de verklaringen gezocht om, in samenspraak met betrokkenen de weg naar oplossingen te vinden. Het is fascinerend om te zien hoe ver Lodewijk Asscher af staat van de clichés in de politiek, ja nadrukkelijk ook van de sociaaldemocratische retoriek. Ik mocht het zelf als Eerste Kamerlid op een weldadige wijze ervaren (woonakkoord, vrije artsenkeuze). Bij hem gaat de zoektocht allereerst naar de diepere inhoudelijke motieven om vervolgens met elkaar antwoorden te zoeken in de inhoud van een vraagstuk. Het boek is een mooie illustratie van die houding en werkwijze. Het begint telkens weer bij de mensen die hij ontmoet. Die mensen hebben allemaal recht op een betekenisvol leven. En waar dat recht in de knel lijkt te komen, komt Lodewijk Asscher in actie. Van daaruit wordt beredeneerd wat er gaande is, wat je zelf kan doen om te komen tot een verbetering en hoe een sociaaldemocratische politiek je daarbij kan versterken. Anders dan bij nogal wat sociaaldemocratische bestuurders wordt zijn leiderschap juist niet gekenmerkt door de autoriteit van de functie zelf, ook niet door het paternalisme of pragmatisme en al zeker niet door hemelbestormende verhalen. Die PvdA leden die op zoek zijn naar een leider die met de vlag voor de troepen uitgaat om de vestingwerken van de kapitalisten, de nationalisten dan wel de populisten te slechten komen er bekaaid van af. Dat soort leiderschap is juist níet het kenmerk van Lodewijk Asscher. Onder zijn vaandel gaat het om waardigheid, om respect, om – ongeacht positie en status – er echt te mogen zijn, om kansen te creëren die het leven zelf waardevol maken, en daarbij te weten dat je omgeving een sociale, rechtvaardige en solidaire samenleving is. En om dat te bereiken mijdt hij juist holle retoriek, maar gaat in zijn zoektocht het publieke gesprek aan in het centrum van onze democratie, het parlement. Vaak onverstoorbaar is hij daarin op zoek naar de grondslagen voor een samenleving – lees vooral het hele boek – waarin ieder mens ertoe doet.

Heeft Lodewijk Asscher met zijn boek ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ de basis gelegd voor een nieuwe koers van de PvdA? Inhoudelijk zet hij zeker stappen in de richting van een sociaaldemocratische politiek die nadrukkelijker dan ooit naast de mensen staat, om vervolgens samen met hen aan de slag te gaan voor een gewenste verandering. Maar voor mij is misschien wel de belangrijkste waarde van het boek, de openbaarmaking van de leiderschapsstijl van Lodewijk Asscher zelf. Als Lodewijk Asscher slaagt in zijn missie zit daarin de grote verandering. Want juist een PvdA met zijn leiderschapsstijl onderscheidt zich op waardige wijze van het opportunisme dat veel politieke partijen zich eigen hebben gemaakt, om nog maar te zwijgen van de schreeuwers en de haatzaaiers. In die nieuwe leiderschapsstijl is het niet de partij die alles oplost, met de alleswetende bestuurders, maar wordt er samen met mensen gezocht naar wegen die deze zelfde mensen als groep sterker maken. Als deze waarde van het zelfonderzoek van Lodewijk Asscher doordringt tot de talrijke bestuurders die de PvdA vertegenwoordigen, zal dat ook het beeld van de oude paternalistische PvdA doen verdwijnen. Dan is er ook een reële kans dat de PvdA weer echt van de mensen wordt.  Zo’n partij kan zich weer verbinden met al die mensen die de PvdA hebben verlaten. Dat samen, zou een basis kunnen leggen voor een nieuwe en betekenisvolle rol voor de PvdA. Als dat de winst is van het boek van Lodewijk Asscher, zal de PvdA met hem opstaan en haar positie in het politieke centrum hernemen. Hoe het ook zij met het boek heeft Lodewijk Asscher zijn politiek leiderschap van de PvdA gedefinieerd.

 

Het zoutkristallen licht van Wim Trieller: Voorbij het ‘dansen in oneindigheid’

Wie Wim Trieller kent, weet dat zijn leven één brok energie is. Misschien is deze intensiteit wel het kenmerk waarmee hij in alle openheid bezig is, om zijn en onze wereld mooier en leefbaarder te maken. Wim maakt deel uit van de generatie, die oprecht geloofde in een positieve maakbaarheid van onze samenleving. Zijn inspanningen zijn gebaseerd op het ideaal, waarin mensen zichzelf kunnen zijn maar ook met elkaar een verbinding aangaan.

Wim Trieller heeft geknokt voor een betere wereld, te beginnen in Almere. De verschillende rollen, raadslid, wethouder, ja ook projectontwikkelaar, voorzitter van het OBA en Vis A Vis, waren voor hem voertuigen om inhoud te geven aan zijn idealen. De inzet van Wim was mateloos en werd nooit beperkt geworden door een tijdsgrens. Het was en is met Wim Trieller altijd dansen in oneindigheid.

Ik denk dat veel mensen dit ‘dansen in oneindigheid’ zullen kunnen herkennen. Maar zeker, zij die gedreven zijn door idealen, beginnen iedere dag weer opnieuw om ongeremd betekenis te geven aan de dag van morgen en overmorgen.

Het is fascinerend hoe het begrip van oneindigheid als vanzelfsprekend deel is van ons dagelijks leven. Maar voor iedereen wordt alles anders wanneer het begrip eindigheid niet meer een abstractie, maar een voelbare realiteit is geworden. Vanaf dat moment, verandert er iets fundamenteel in de dynamiek van je bestaan. Dan is het niet meer mogelijk om je onder te dompelen in het bad van de grenzeloosheid. Nee, vanaf dat moment gaat het altijd ook om eindigheid, om de tijd die nog resteert. Het is dan onvermijdelijk dat je de vragen, die met de eindigheid samenhangen, moet doorgronden.

Toen bij hem het moment kwam waarin het onbewuste oneindige op heftige wijze werd vervangen door het bewustzijn van onze eindigheid, zou Wim zichzelf niet zijn wanneer hij ook deze levensfase in woorden zou te willen vangen. En bij hem worden woorden gedichten.

Ik neem de vrijheid dit te illustreren met twee gedichten:

plotseling is er
een diepe leegte

de tijd verziekt
uit handen gevallen

in een ruimte verkleind
tot een tafel en een bed

in een witte kamer
met de rug tegen de muur

staat de beklemming
hoe blijvend het is

voor altijd anders
totaal anders

een komende tijd

Het is niet gangbaar om de overgang van onze onbewuste, maar wel gekoesterde‘ oneindigheid’ in de bewuste en vaak gevreesde eindigheid tot een gesprek van alledag te maken. Als het al gebeurt, zal het vooral abstract zijn en gaat het over anderen. Toch is het deel van het leven zelf. Of in de woorden van Wim ‘voor altijd anders, totaal anders, een komende tijd’. Nog indringender wordt wanneer het gaat om ‘die ene seconde’ dat alles anders wordt.

Het ogenblik
tussen vergankelijkheid
en eeuwigheid

dat je naam
nog antwoord
geeft
sterft
alleen en 
ongrijpbaar

alles in
die ene 
seconde

Ik vind het fascinerend hoe Wim Trieller, in zijn nieuwe dichtbundel Het zoutkristallen licht, ons meeneemt in zijn overstap van oneindigheid naar eindigheid. Met het uitbrengen van deze gedichtenbundel laat hij ons zien wat ons allen te wachten staat. Eindigheid kent namelijk geen ongelijkheid. Hij maakt ons daarvan bewust, op een heel directe manier, maar nooit choquerend. Sterker, ook in deze tijdsperiode ontstaat er, zoals blijkt uit zijn gedicht Het Kristallen licht, nog vaak een nieuw perspectief.

ontwaakt uit een nacht
waar men nooit eerder was
hoe onzegbaar nabij
de nacht
met storm en duisternis
totdat de wind ging liggen
en de wind ging liggen
en het licht verschoonde
men zou het een grote schoonmaak kunnen noemen
ramen open, het oog ziet
het zoutkristallen licht,
men ademt de zee
de wedstrijd nog niet
beëindigd

http://www.almeredezeweek.nl/widgets/2164-nieuws/nieuws/1496475-po-euml-zie-heelt-alle-wonden-wim-trieller-publiceert-het-zoutkristallen-licht

 

 

Dankwoord gehouden tijdens de uitreiking van het eerste exemplaar van de dichtbundel Het zoutkristallen licht van Wim Trieller op 10 maart 2019 op de locatie van het Toneelgezelschap Vis á Vis in De Rode Haring. De dichtbundel kan worden besteld bij wimtrieller@gmail.com

Mooie kijk van Marit Geluk op ‘De Spelers van Oosterwold’ (en – als een extra – het mysterie van een kavelprijs)

Zondag 20 januari jl. zou in de geschiedenis van ‘Making Almere’ een euforisch moment moeten worden. Gepland stond de première van de film ‘De Spelers van Oosterwold’ van de filmmaker Marit Geluk. De film, die in opdracht is gemaakt van het Bestuurlijk Overleg Oosterwold, zou een persoonlijke impressie laten zien van de filmmaker. Drie jaar lang heeft zij alle betrokken spelers gevolgd in de transformatie van een agrarisch gebied naar een landgoed van initiatieven, waar wonen, werken en stadslandbouw worden gecombineerd.

De grote zaal van de bioscoop Kinepolis in het stadshart van Almere was uitverkocht. De zaal zou vol zitten met de spelers, die in de afgelopen drie jaar het Landgoed Oosterwold hebben gemaakt. Het mocht echter niet zo zijn. De dag ervoor kwam één van de eerste spelers, Frank Meijers, door een tragisch ongeval om het leven. De verslagenheid, in de nog zo jonge gemeenschap van Oosterwold, was groot. De voorpremière van de film werd dan ook terecht uitgesteld naar zondag 3 februari. Voor niemand in de zaal was deze film vrijblijvend. Deze film zou gaan over de mensen die in de zaal zaten, zij zijn de spelers van Oosterwold. De daardoor al aanwezige spanning vermengde zich met emotie toen de vroegere gebiedsregisseur Ivonne de Nood mooie woorden sprak over Frank Meijers:

“Als sparringpartners hebben Frank en ik veel besproken om onderdelen van Oosterwold verder te brengen. (…) Vanuit wederzijds vertrouwen had ik een bondgenootschap met Frank, hij was een heldere denker, scherp, kritisch, belangstellend en het ging altijd over inhoud. Daarbij, had hij altijd op het juiste moment die onvergetelijke glimlach. (…) Door zijn inzet is letterlijk en figuurlijk de weg geëffend voor vele anderen.”

Juist, omdat het bij Oosterwold gaat over een fundamentele omkering in de gebiedsontwikkeling, was deze zondagmiddag voor mij ook een heel bijzonder moment. Toen ik in 2006 als wethouder begon, stond ik voor de uitdaging om inhoud te geven aan de schaalsprong van Almere. De stad zou moeten gaan uitbreiden met maar liefst 60.000 woningen en honderdduizend arbeidsplaatsen. Voorwaar geen geringe opgave. Voor mij was duidelijk, dat de doorontwikkeling van de stad anders zou moeten. Stoppen met het ‘uitrollen van matjes met eindeloze reeksen standaardwoningen’. Dat moest anders en beter. Onder de titel ‘Ik bouw mijn huis in Almere’ werd in 2007 een begin gemaakt met de ‘staalkaart voor particulier opdrachtgeverschap’ in het Homeruskwartier. Vanaf dat moment kregen letterlijk honderden burgers de kans om in Almere hun eigen huis te bouwen. Hier beperkte dit zelf bouwen zich nog tot de door de gemeente omschreven rooilijnen en kavelgrenzen. Zou zelfbouw nog radicaler kunnen? Was het mogelijk om een echte vrijheid te creëren en burgers ook een plek te geven in het vormgeven van de stad? Zou een minutieuze planning van boven af vervangen kunnen worden door een organische ontwikkeling op basis van initiatieven van onderop? Met deze vraagstelling schreven wij voor Almere Hout een meervoudige studieopdracht uit onder vier architectenbureaus. In een openbare bijeenkomst met als titel ‘Mensen maken de Stad, een vakdebat over stedenbouw van onderop in Almere’ discussieerden wij op 11 april 2007, onder leiding van Felix Rottenberg, met zo’n 250 professionals. Het moest anders, maar over het hoe waren de meningen verschillend. Felix sloot de dag dan ook af met de vraag of wij ‘met elkaar getuige waren geweest van ‘een voetnoot dan wel een keerpunt’ in de ontwikkeling van Almere. Uiteindelijk zouden wij, samen met Winy Maas van MVRDV, in de structuurvisie Almere 2.0 de basisprincipes van een organische ontwikkeling voor Oosterwold vastleggen. In een werkmaatschappij werd samen met het Rijksvastgoedbedrijf, de Provincie Flevoland, het Waterschap Flevoland en de gemeente Zeewolde de Ontwikkelstrategie ‘Oosterwold, Land-Goed voor Initiatieven’ opgesteld en vastgesteld. En het plan was inderdaad radicaal. Hier in Oosterwold zou voor het eerst in onze naoorlogse geschiedenis het maken van de stad niet door een planning van bovenaf zijn vorm krijgen.

Hier waren wij voor een deel, vrij van, vaak door speculatie verkregen, grondposities van projectontwikkelaars en woningcorporaties. Oosterwold kon zich gaan onderscheiden door het inmiddels tot Almere Principe verheven ‘mensen maken de stad’.  De mensen met hun ideeën, creativiteit en doorzettingskracht zouden hier worden uitgedaagd om een nieuw stedelijk landschap vorm te geven. Wonen, werken, stadslandbouw, publiek groen, waterbergingen  en infrastructuur zijn hierin de vaste programmatische ingrediënten. Hoe en in welke vorm, zou in vrijheid worden bepaald door de initiatieven van de toekomstige bewoners en ondernemers. Nu, een aantal jaren later, zat de zaal van Kinepolis vol met de spelers van Oosterwold. Velen ervan waren al bewoners van Oosterwold. Anderen zaten volop in de bouw, dan wel stonden te trappelen om aan de slag te gaan. En hoewel de film van Marit Geluk, naast de schoonheid van het landschap en de architectuur, ook liet ook zien dat het zelf bouwen en ontwikkelen in Oosterwold niet altijd gemakkelijk is, was ook duidelijk dat het uiteindelijke resultaat groots is en een uniek woongebied gaat opleveren.

Tjeerd Herrema, Henk Mulder en ikzelf

Ik vond het ook fijn om bij de filmvoorstelling weer een aantal bekenden terug te zien. Zo waren mijn opvolgers Henk Mulder en Tjeerd Herrema er. Wetend welke inspanningen wij met elkaar hebben moeten verrichten om dit bestuurlijk mogelijk te maken, waren wij onverholen trots. De film maakte zo tastbaar dat een gebiedsontwikkeling van onderop succesvol kan zijn. Ik complimenteerde Marit met de film. Zij had met haar voortreffelijke observaties een mooi en realistisch beeld van Oosterwold gegeven. Met een zekere verwondering vroeg ik mij af, waarom de verantwoordelijke wethouder Maaike Veeningen (voorzitter van het Bestuurlijk overleg Oosterwolde) , die wel in de zaal aanwezig was, niet de spelers van Oosterwold welkom heette? Sowieso had ik verwacht meer leden van het college van Almere aanwezig zouden zijn. Het moet toch ook voor hen allen, een mooi en uniek moment zijn in haar wordingsgeschiedenis van Almere. Ik vond het jammer maar stond er verder niet meer bij stil. Het was immers, dankzij de mooie film van Marit Geluk, een hele mooie dag voor alle spelers van Oosterwold.

Nog geen vierentwintig uur later kregen de spelers van Oosterwold, die initiatiefnemer zijn, een koude douche te verwerken. Met een nieuwsbrief werd hen medegedeeld, dat de kavelprijs met onmiddellijke ingang van 42 naar 74,15 euro (beiden bedragen zijn samengesteld uit grondprijs en een bijdrage voor de exploitatie) was verhoogd. Je hoeft geen deskundige te zijn in bestuurlijke procedures om te weten, dat dit besluit al ver voor de première van de film een feit was. Al op 11 december 2018 is er in het Bestuurlijk overleg Oosterwold over gesproken. Met andere woorden het bestuur heeft bewust gewacht met de bekendmaking tot na de première van de film. Ik kan niet zeggen dat ik het erg elegant vond, maar ik begreep ineens wel waarom de verantwoordelijk wethouder ervoor koos om bij de première niet zichtbaar te zijn. Maar nu de nieuwe kavelprijzen toch onderdeel zijn geworden van een publiek discours, wil ik er ook wel wat over zeggen. Want hoe zit het eigenlijk met de grondprijzen van Oosterwold? Kun je bijvoorbeeld grondprijzen van verschillende gebieden, zoals de wethouder op 11 februari jl. deed, in het programma RADAR (Oosterwold 74 euro – Vogelhorst 500 euro) zomaar met elkaar vergelijken? In het geheel niet. Want het gaat over twee wezenlijk verschillende grondexploitaties. Om wat achtergrond over grondbeleid te schetsen grijp ik terug op het gesprek dat ik had met Frank Meijers tijdens mijn bezoek op 29 juni 2016 in Oosterwold. Het gesprek ging over de risico’s die onvermijdelijk verbonden waren met een gebiedsontwikkeling zoals in Oosterwold.  Ik citeer letterlijk de audio-opname:

 AD: “maar dit proces kan niet slagen als je niet open staat voor het ontdekken van dingen.”

FM: “nee precies, maar ik vind het ook prettig dat dat door de gemeente, in dit geval, gewoon erkend is met een lage grondprijs. Want dat is het natuurlijk wel.”

AD: “Nou dat is het principe ook. Het principe is natuurlijk dat als de gemeente een heleboel dingen niet zelf hoeft te doen, en je schuift het naar de mensen toe, dan is het ook logisch dat je een andere grondwaarde krijgt.”

 FM: “Ja, maar dan heb je er ook wat erkenning voor. Je hebt een heleboel ellende, gezeur maar wij hebben er ook niet voor betaald. Ik vind dat eerlijk, het is een faire deal, wij krijgen een korting maar hebben ook alle risico’s.”

 AD: “Maar dat is het principe ook. Waarom zijn gemeentelijke grondprijzen zoals ze zijn? Omdat alle activiteiten al hebben plaatsgevonden. De hele infrastructuur, de planvorming, alles, de basis is gewoon dat de gemeente zo’n heel gebied moet ontwikkelen. Op het moment dat je dat doorschuift naar de mensen, betekent het in feite dat je de kosten doorschuift. Dus is het ook logisch dat je een andere grondprijs hanteert”.

Zo zien wij dat in Vogelhorst of Poort de gemeente alle voorinvesteringen (infrastructuur, zoals wegen riolering, aansluitingen, parken e.a.) zelf ter hand heeft genomen. Dat kan fors in de papieren lopen, ik geef een voorbeeld in Almere Hout Noord waar de gemeente het gebied heeft opgespoten met zand (kosten 120 miljoen, prijspeil 2005).  In Oosterwold zijn er geen vergelijkbare voorinvesteringen gedaan door een overheid. Omdat de grond van het rijk is, is er voor de gemeente zelfs geen sprake van een renteverlies op de grond. Van de initiatiefnemers in Oosterwold wordt gevraagd alles, letterlijk alles zelf te doen. Zij ontginnen het gebied, zij maken de plekken bouwrijp, leggen de wegen en verzorgen, indien nodig, de aansluitingen. Bovendien onderhouden en beheren zij de wegen, het groen, water en het land(bouw). Anders gezegd: in Oosterwold is de rolverdeling volstrekt anders en is het in geen enkel opzicht te vergelijken met welke andere gebiedsontwikkeling ook. Zelfs als je prijzen zou willen vergelijken moet je juist ook de fundamentele verschillen tussen ‘verschillende grondproducten. Dat niet doen is misleidend omdat het een bevoordeling van bewoners en ondernemers in Oosterwold suggereert.

In mijn periode is voor Oosterwold ook nooit gesproken over een ‘marktconforme grondprijs’. Er is namelijk geen markt bij opbod maar een residuele grondprijs. Dat wil zeggen dat eerst gekeken wordt welke investeringen, conform het opgelegde programma van de gemeente, de initiatiefnemers zullen moeten gaan doen. De ruimte die vervolgens overblijft is de grondwaarde. Het gaat dus feitelijk om de restwaarde na aftrek van kosten. Dat kan in een aantal extreme gevallen, bijvoorbeeld bij niet commerciële voorzieningen, zelfs een negatieve grondwaarde opleveren. De nieuwe ‘marktwaarde voor de grond’ is via het Rijksvastgoedbedrijf door een onafhankelijk beëdigd taxateur opgesteld. Het mooie is dat bij een residuele waardebepaling het mogelijk om volstrekt open te zijn over de waardering en hoe men tot die residuele waarde is gekomen. Maar zelfs wanneer alles transparant is, kan er nog een verschil van opvatting zijn. Dan is het gebruikelijk dat er een beroep- en arbitragecommissie wordt ingesteld, bestaande uit door drie partijen aan te wijzen onafhankelijke beëdigde taxateurs, die met elkaar nagaan welke grondwaarde juist in. Het is evident dat in het geval van Oosterwold een contraexpertise wenselijk is. Zo roept de toelichting op de waarderingsmethode al de nodige vraagtekens op.

Kan er in dit geval wel een gemiddelde VON-prijs zijn voor woningen in Oosterwold? En hoe zien de kosten eruit die van de VON-prijs zijn afgetrokken? Klopt dit met de werkelijk te maken kosten? Is de veronderstelling wel juist dat ‘de bouwkosten minder snel zijn gestegen’ in een tijd dat deze explosief gestegen is? En, niet onbelangrijk, als er geen vergelijkbare gebiedsontwikkeling in de regio, is hoe kan deze grondprijsverhoging ‘in euro’s (…) vergelijkbaar zijn met de waardeontwikkeling van grond in de regio’? En, vraag ik mij af of het feit dat er voor Oosterwold geen BTW behoeft te worden afgerekend – een vrijstelling (17.4 status) die geldt voor grond die nog nooit bebouwd is geweest – een rol heeft gespeeld bij het bepalen van het  gronddeel in de kavelprijs. (Kunt u het nog volgen? 🙂

Natuurlijk, ook ik sluit niet uit dat er redenen kunnen zijn voor een objectieve kavelprijs verhoging. Dat zou zeker het geval zijn wanneer de initiatiefnemers van de gemeente verwachten dat deze actiever wordt in het gebied. Bijvoorbeeld wanneer een deel van de wegenaanleg als taak van de initiatiefnemers wordt doorgeschoven naar de gemeente. Maar dat is dan ook waar voor je geld, omdat het feitelijk een verschuiving is van kosten die dan ook niet meer bij de toekomstige bewoners terechtkomen. Maar er zijn zeker ook nog andere aspecten die van invloed zouden kunnen en misschien ook wel moeten zijn op een kavelprijs. Want hoe heeft de taxateur een al dan niet gewenste woningdifferentiatie voor Oosterwold gewaardeerd? Ik mag toch aannemen dat de gemeente Almere erop staat dat er in Oosterwold ook ruimte is en blijft voor initiatiefnemers met een modaal dan wel een laag inkomen? Het zal toch niet zo zijn dat een gebiedsontwikkeling als Oosterwold slechts is voorbehouden aan hogere inkomens? Ik zie al een Haagse tweedeling (zand en het veen) voor mij waarbij de hogere inkomens in Almere zich centreren aan de oostkant van Almere (Overgooi, Vogelhorst en Oosterwold). Hoe het ook zij, er is alle reden om openbaarheid te betrachten bij de uitgangspunten van een waardering van de kavelprijs voor een gebiedsontwikkeling als Oosterwold. Ook zou het volstrekt normaal zijn, wanneer er een beroeps- of arbitragecommissie is waar belanghebbenden naar toe kunnen gaan.

Een volle zaal voor de premiere van de De Spelers van Oosterwold, tja waar is…?

Tot slot zijn er nog twee andere aspecten die de discussie, en dus ook de houding van het bestuur van Almere, kunnen beïnvloeden. Ik weet niet hoezeer deze hebben meegewogen, maar ik weet wel dat ze al langer deel uitmaken van interne discussie. De eerste betreft de concurrentie om de grond. Almere heeft veel bouwgrond in eigendom. Dat kost geld en een te lange leegstand levert zelfs forse renteverliezen op. Het succes van Oosterwold, er staan ca. 1000 (!) kandidaat-initiatiefnemers op de wachtlijst, kan ook de aantrekkingskracht doen afnemen voor gebieden waar hoge grondprijzen worden gecombineerd met strakke stedenbouwkundige regels en verplichtingen met een minimale vrijheid. Zo kan ik mij voorstellen dat ondernemende burgers het geld voor een kavel in Vogelhorst (500 euro) met zelfkracht veel efficiënter kunnen inzetten in een locatie van Oosterwold. Je zou dat zeker ‘marktwerking’ kunnen noemen tussen typen gebiedsontwikkelingen. In ieder geval ziet de afdeling Grondzaken van Almere de klanten liever niet vertrekken naar de rijksgronden van Oosterwold.  Anders gezegd: vanuit haar grondbedrijf heeft Almere een direct belang bij de verhoging van de grondprijzen van Oosterwold. Maar het wordt nog fascinerender. Tussen de Rijksoverheid en Almere, zijn in het kader van de schaalsprong afspraken gemaakt over een extra financiële bijdrage van de rijksoverheid voor de kosten die moeten worden gemaakt. Die bijdrage wordt gestort in het Fonds Verstedelijking Almere. Materieel vult de rijksoverheid het fonds met de grondopbrengsten die zij ontvangt van de eerste 7000 woningen op rijksgrond in Oosterwold. Dat kan aangenaam zijn voor Almere in het geheel maar wanneer er sprake is van een kunstmatige verhoging van het gronddeel in de kavelprijs is is dat wel zuur voor de spelers van Oosterwold. Feitelijk financieren zij dan de wel noodzakelijke verstedelijking van Almere. In ieder geval roept dit vraag op of er op de achtergrond sprake is van een verkapt verdienmodel bij de vaststelling van de kavelprijzen in Oosterwold.

Ik kan zonder verdere informatie niet beoordelen wat bepalend is geweest voor de wel heel forse kavelprijsverhoging in Oosterwold. Wel vind ik het gek, dat wij allen in goed gemoed op een zondagmiddag samenkomen om te gaan kijken naar de première van de film ‘De spelers van Oosterwold’, terwijl een paar spelers, zoals de bestuurlijk verantwoordelijk wethouder, weet dat de dag erop een fors aantal van de aanwezigen, of voor hogere lasten komen te staan en misschien zelfs niet meer kunnen deelnemen. Dit is niet de manier waarop ik,  maar ik neem aan niemand in de zaal, een feestje wil vieren. Het zou dan ook goed zijn wanneer er een volledige transparantie komt hoe de kavelprijs voor Oosterwold is opgebouwd en gewaardeerd. Welke parameters worden gehanteerd, welke opslagen zijn er en waarom? Ook moet je er toch niet aan denken dat door zo’n plotselinge en rigoreuze verhoging de toegang tot Oosterwold, voor modale en lagere inkomens ineens geblokkeerd gaat worden.

Laat in ieder geval duidelijk zijn dat de essentie van een gebiedsontwikkeling als in Oosterwold juist niet is voorbehouden aan wat ‘de gek ervoor kan geven’. In Oosterwold is nooit de winstmaximalisatie het uitgangspunt geweest, maar de maximalisatie van het wonen, de publieke ruimte en de stadslandbouw. Voor Almere zit de echte winst in een gedifferentieerd en kleurrijk gebied, dat aan de gehele stad een extra aantrekkingskracht geeft. Ben benieuwd wat hierover de opvattingen zijn van de gemeenteraad. Misschien is het een idee alvorens de Raad hierover met het College in debat gaat om even tijd te nemen om de film ‘De Spelers van Oosterwold’ in de raadzaal te vertonen. ik kan u verzekeren dat u net zo trots zult zijn als Henk Mulder, Tjeerd Herrema en ondergetekende. Het was dan ook echt de moeite waard om wethouder te mogen zijn in Almere, de plek waar de mensen Oosterwold maken!

Adri Duivesteijn, Wethouder van Almere van 2006-2013