IABR: It’s About Time, The Architecture of Change, een must voor ontwerpers

It’s about Time, The Architecture of Change, is de tiende tentoonstelling van Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR). De plaats van actie is de Ferro, een karakteristieke voormalige gashouder. De titel ‘It’s About Time’ vertelt Saskia van Stein, de nieuwe directeur van de IABR, heeft twee betekenissen. Het drukt uit dat ‘het gaat over tijd’ maar evenzeer ‘dat het tijd wordt’ om over te gaan tot actie.  En daar is niets te veel mee gezegd. Onze wereld verkeert in grote nood. Natuurlijk gaat het dan over de klimaatcrisis, de opwarming van de aarde, het watertekort, de verzilting van het grondwater, de vernietiging van de natuur door de ongeremde uitstoot van stikstof. Wij zitten er middenin en zijn allen deel van een belangenstrijd hoe wij omgaan met onze aarde.

Het is geen nieuw verhaal. Niet voor niets beginnen de makers Derk Loorbach, Veronique Patteeuw, Léa-Catherine Szacka en Peter Veenstra hun tentoonstelling met het Rapport van de Club van Rome. De publicatie dateert al van 1972 en stelt centraal dat er ‘The Limits to Growth‘ zijn. Alle thema’s van vandaag worden in dit bijzondere rapport al aangeduid en beschreven. Zij voorspelden toen al dat wij met de oneindige uitbuiting van de aarde zouden gaan vastlopen. Negatie van dit vraagstuk zal zijn invloed hebben op alle betrekkingen in onze wereld. Je zou niets liever willen dan dat iedereen hiervan doordrongen is en wij met elkaar op zoek gaan naar oplossingen. Maar niets is minder waar. Een voorbeeld van zo’n patstelling: in 1981 liet de gekozen republikeinse President Ronald Reagan direct na zijn inauguratie de zonnepanelen, die de democratische President Jimmy Carter op het Witte Huis had laten plaatsten, ontmantelen. Zo’n strijd tussen klimaatbeschermers en klimaatontkenners is desastreus. De tentoonstelling is dan ook een grote zoektocht naar gemeenschappelijkheid. En, het zal u niet verwonderen, dat de ‘The Architecture of Change’ hierin een sleutelpositie heeft.  

Hoe kan deze weg naar gemeenschappelijkheid worden bewerkstelligd?

De IABR-tentoonstelling formuleert niet alleen een urgentie, maar houdt een optimistisch pleidooi voor de rol van de architectuur. Het vraagstuk van het klimaat is een veelkoppig monster. Het is niet met een enkel besluit te veranderen. Het vraagt om een bezinning hoe wij de wereld vormgeven. In essentie gaat om een ontwerpopgave, zoals William McDonough in zijn publicatie Cradle tot Cradle beschrijft. En dat is bij uitstek het vakgebied van ontwerpers. De rol van stedenbouwers en architecten kan daarin niet gemist worden. Zij zijn het immers die, samen met opdrachtgevers, inhoud kunnen geven aan een integrale benadering van een gewenste transitie.

Samen kan er veel gebeuren. Maar het is niet vanzelfsprekend dat het ook gaat gebeuren. De tentoonstelling is dan ook een kans om kennis te nemen van een andere manier van denken, van slimme ontwerp oplossingen en ruimtelijke en sociale experimenten. Ook worden patronen van onduurzaamheid geopenbaard en wordt de weg geopend naar een bouw en productie die echt regeneratief, circulair, rechtvaardig en duurzaam kunnen zijn.  

Dat krijgt onder andere zijn vorm in de tentoonstelling het Ministerie van Maak van curatoren ZUS, MANN en IABR. Meer dan 100 ontwerpers brengen met hun maquettes in beeld, hoe zij in ons land inhoud zouden kunnen geven aan de actuele woningbouwopgave. Zijn dat die één miljoen woningen? Floris Alkemade, de vroegere rijksbouwmeester, heeft daarover zo zijn eigen opvatting, hoe, ik zou zeggen bezoek de tentoonstelling en laat je inspireren.

De tiende IABR-tentoonstelling is nog tot 13 november te bezoeken in de Ferro, aan de Keileweg 25 in Rotterdam.  En natuurlijk is een bezoek voor iedereen leerzaam, maar voor de vakgemeenschap is het een absolute must om te gaan. Het tilt iedere stedenbouwer en architect (en vergeet niet al die planners bij onze overheden) op naar een ander niveau dan de maalstroom van alledag.

It’s About Time, The Architecture of Change: Gaat Dat Zien!

https://www.dearchitect.nl/276514/iabr-wil-verloren-tijd-inhalen

Liesbeth Janson, Kenzo van Egeraat, Francine Houben, directeur IABR Saskia van Stein en Adri Duivesteijn, in het Ministerie van Maak

Share and Enjoy !

Shares

Hoe een karaktermoord op een gerespecteerd kamerlid in zijn werk gaat!

Khadija Arib in het Haagse Stadhuis

Er zijn twee mogelijkheden als er een klacht over een collega is of in dit geval een (ex-) Kamervoorzitter waarmee je functioneel samenwerkt. Je dient een klacht in bij je ambtelijke baas, in dit geval de griffier van de Tweede Kamer die ambtelijk verantwoordelijk is voor de organisatie. Het is zijn of haar verantwoordelijkheid om wat met de klacht te doen. Als je geen vertrouwen hebt in je eigen baas is er de weg naar een vertrouwenspersoon. Op deze manier hebben wij in ons land geborgd dat medewerkers zich op een goede manier beschermd weten.

In het geval van Khadija Arib gaat het niet over actuele gedragingen maar vermeende gedragingen in haar verleden als Kamervoorzitter. Het gegeven dat zij in juli jl. benoemd is tot voorzitter van een parlementaire onderzoekscommissie die het beleid rond de Corona gaat onderzoeken, heeft twee ambtelijke medewerkers ertoe gebracht om eind juli (!), met terugwerkende kracht, hun ervaringen op papier te zetten. Waarom dat anoniem gebeurd is, is mij een raadsel. Het kan zijn omdat zij bang zijn om met Arib opnieuw te moeten samenwerken in haar commissie. Echter de kans hierop is niet al te groot omdat uiteraard ook andere ambtelijke medewerkers kunnen worden ingezet, en ook voor dit soort commissies meestal externe onderzoekers worden binnengehaald.

Bij normale klachten in een ambtelijke organisatie is dus het aanspreekpunt het hoofd van dienst, in dit geval de griffier. De anonieme ambtelijke briefschrijvers hebben blijkbaar niet al te veel vertrouwen in hun eigen griffier. Hun brieven stuurden zij immers naar het presidium. Dat is nogal wat omdat daarmee de klachten direct op het zwaarste niveau terecht komen, namelijk die van de politiek. Het presidium is daarbinnen bepaald niet vrij van tegenstellingen en belangen binnen de gemeenschap van de Tweede Kamer.

Zo’n anonieme brief is, als deze uitlekt, vergelijkbaar met een explosief dat op ieder moment af kan gaan. Ik gebruik deze metafoor omdat, wanneer deze brieven bekend worden, de hele Nederlandse pers erop springt. Vanaf dat moment is alle rust in het gesprek verdwenen en is er al snel sprake van een publiek proces. Iedereen praat mee. Alle talkshows maken hun ruimte vrij en probeer dan nog maar eens, als beklaagde, overeind te blijven in de kakofonie van opvattingen. Het is niet te veel gevraagd om juist aan een huidige Kamervoorzitter te vragen rust in dit soort explosieve kwesties te brengen. Dat kan omdat in juridische zin de anonieme brieven geen deel uitmaken van een rechtsprocedure.

Gelukkig was er een reces. Er was dus tijd om met elkaar te overleggen. En zo had ik mij kunnen voorstellen dat in een open gesprek tussen de vroegere en de huidige Kamervoorzitter over de aanwezigheid van de anonieme brieven een gesprek zou hebben plaatsgevonden. Het had Khadija Arib de mogelijkheid gegeven haar positie nader te bepalen. Zo had zij er zelf voor kunnen kiezen mee te werken aan een onafhankelijk onderzoek. Maar evenzeer was er een mogelijkheid geweest om zich terug te trekken als voorzitter van de genoemde onderzoekscommissie. Welke keus ook, het had in ieder geval Khadija Arib in haar waarde gelaten.

Maar de Kamervoorzitter en het Presidium kozen daar niet voor. Zij hielden Khadija Arib onbekend van het bestaan van de twee anonieme brieven. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat zij zich vooral zorgen maken over hun eigen positie. Immers ook voor hen kunnen deze brieven explosief zijn. Als ze uitlekken en je hebt er niets mee gedaan dan ga jezelf ook onderuit. Dus hoe voorkomt het Presidium dat het terugslaat op het eigen functioneren? De escape daarvoor vonden zij in een klassieke bestuurlijke oplossing, namelijk, je vraagt een juridisch advies aan de landsadvocaat. Dat schept enerzijds ruimte maar het polariseert ook het conflict. Een advies vragen is echter niet vrijblijvend. De anonieme brieven waren al een feit, de adviesaanvraag geeft daaraan een extra vervolg en het op handen zijnde juridisch advies zal nauwelijks vrije beleidsruimte laten.  Anders gezegd het explosief neemt steeds grotere vormen aan en de bom zal onvermijdelijk barsten.  

Eén ding is zeker: de anonieme briefschrijvers weten wat zij in gang hebben gezet. Dit zijn zeker niet die kwetsbare ambtenaren die onderaan de maatschappelijke ladder staan. Ook weten zij als geen ander dat een anonieme brief aan het Presidium niet lang geheim zal blijven. Het is wat dat betreft een kwestie van afwachten wie het lef heeft om te gaan lekken.

Maar wie zegt dat het de politici zijn die lekken, waarom zouden het niet de briefschrijvers zelf zijn? Het kost binnen de Tweede Kamer – het is een kleine biotoop – niet veel moeite om een journalist, het liefst van een betrouwbare krant, een tip te geven. En ja hoor, het explosief gaat af midden in het gezicht van de aangeklaagde. Deze weet nog van niets en zal door de klap verdoofd zijn maar moet van onze pers wel direct adequaat reageren. Een leger van journalisten staat, na het eerste bericht, al voor haar deur, heel Nederland wordt nu deel van de geruchtenmachine. Kortom je bent letterlijk ‘voor de bus gegooid’. Het aangekondigde onderzoek schreeuwt het uit; ‘waar rook is, is vuur’, kortom, de veroordeling ligt al op de mat.

Ik kan niet anders dan constateren, dat nog los van de feitelijke inhoud, de anonieme briefschrijvers hun doel bereikt hebben. Khadija Arib zal nooit meer een commissie voorzitten, sterker nog, ze komen haar in ‘hun’ Tweede Kamer niet meer tegen. De huidige Kamervoorzitter is incompetent gebleken om bestuurlijk verstandig te handelen. Zij had moeten inzien dat de briefschrijvers in de kern te kwader trouw waren. Zij had tenminste Arib in de gelegenheid moeten stellen een eigen keuze te kunnen maken. Zij had haar eigen waarde in dit proces kunnen en moeten vormgeven. Het Presidium heeft blijkbaar niet eens een poging ondernomen om Arib te beschermen, dat had gekund door te eisen dat er een normaal overleg zou zijn geweest. Zelfs haar eigen partijgenoot, die in de Tweede Kamer naast haar zit, nam niet de moeite om haar in bescherming te nemen.

Hoe is het mogelijk? Khadija Arib was bijna 25 jaar lid van ons Parlement. Zij was een markant en prominent Kamervoorzitter van de Tweede Kamer. Zij had een brede waardering binnen alle groepen in onze samenleving. Ze is inderdaad ‘voor de bus gegooid’. De laffe anonieme briefschrijvers kunnen tevreden zijn. Ja, ik geloof vast dat er onderweg spaanders zijn gevallen. Maar deze straf had nooit mogen worden uitgedeeld.

En zo geschiedt in de politiek het kwaad.

Anonimiteit inzetten om iemand te diskwalificeren en te vernietigen. Ik voel slechts minachting. Ik zou zeggen het wordt tijd dat ook de briefschrijvers zich openbaren en hun consequenties trekken. En ja, dat geldt wat mij betreft ook de Kamervoorzitter, het gehele presidium en de zittende griffier.

Een grote schoonmaak zal het aanzien van de Kamer bepaald geen kwaad doen.

Adri Duivesteijn

Den Haag, 2 oktober 2022

Share and Enjoy !

Shares

In memoriam Fulya Erdemci (1962-2022)

During the Istanbul Biennial on 16 September 2022 a memorial service will take place in the Dutch Consulate in Turkey for Fulya Erdemci.

A tribute from SKOR in the Netherlands to Fulya Erdemci.

Astrid Schumacher, Tati Vereecken-Suwarganda and Fulya Erdemci

Very much to our regret we have heard that Fulya Erdemci, former director and our valued colleague of the Dutch Foundation for Art in the Public Domain, passed away after a short illness. For many years in Turkey Fulya was a driving force for the creation of art in public space. From 1994 to 2000 Fulya was the director of the Istanbul Biennale

Fulya regarded the public realm as a place for expression, dialogue and storytelling. In her practice she used public space as a place for both temporary and permanent installations that generated not only poetry but also, a strong political debate. In her view the public realm is a free place for free minds, where the invisible is seen, the repressed find room to breathe and the excluded are included in a diverse environment.

Her radical vision and commitment to public art also touched the board of the Dutch Foundation for Art in the Public Domain (Stichting Kunst Openbare Ruimte, SKOR). At our request, Fulya Erdemci was appointed director in 2008. She remained so until 2012.

What Fulya brought for SKOR is that the institution shifted from a condition-creating institution for artists, advising clients, to a more agenda-setting organization, regarding the meaning of the public space and the field in which SKOR worked. Her vision was also reflected in the symposium Actors, Agents and Attendants, which she put together in collaboration with an external editorial board (Markus Miessen/Andrea Phillips) and in close consultation with the curators/employees of SKOR. 

With her intelligence, her drive, she stimulated a movement in the Netherlands, wherein the public realm, through the transformative power of contemporary art, is embraced again as the heart of urban life. In a radical way she acknowledged the fragility of life and felt responsible for the next generation. In all her activities, Fulya’s strength lay in making connections and her eye for talent. She created space for people and encouraged everyone she worked with to develop themselves.

Fulya was a courageous and brave person. Through her work she planted the seeds for a more just society. We simply admired the way she spoke, the twinkling in her eyes, passionate, with such a broad perspective, using an inexhaustible source of literature, and always in connection with an international network of people she fully respected and loved.

At SKOR we had the honor to work with Fulya and we are extremely grateful that she added a new dimension to the approach of stimulating Public Art in the Netherlands.

On behalf of the former SKOR board and former employees

Adri Duivesteijn, Joep van Lieshout, Wouter van Stiphout, Josja van der Veer

Astrid Schumacher, Tati Vereecken-Suwarganda and Auke de Vries

The Hague, 2022-09-11

Joep van Lieshout and Fulya Erdemci in Istanbul

Share and Enjoy !

Shares

‘Intuition, zoektocht naar Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’, film van Marit Geluk

https://youtu.be/_3MtejGL3Kg

Filmmaker Marit Geluk reconstrueert het intuïtieve moment in 1984 waarop wethouder Adri Duivesteijn, besluit de aanpak van de stadsvernieuwing radicaal te wijzigen. Het zou de start worden van een collectieve zoektocht in de vorm van de campagne ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’.

Adri Duivesteijn, zelf opgegroeid in de Haagse Schilderswijk, maakt zich in de jaren zeventig als lid van de Jongeren Actiegroep Schilderswijk en als hoofdredacteur van de wijkkrant De Schilderswijker druk over de erbarmelijke woon- en leefsituatie in zijn wijk. Begin jaren tachtig werd hij als PvdA-wethouder zelf verantwoordelijk voor de aanpak van de stadsvernieuwing. Bouwen voor de Buurt en inspraak voor de bewoners staan vanaf dat moment centraal. Aanvankelijk was er enthousiasme over de nieuwbouw van de betaalbare woningen in de verschillende stadsvernieuwingsgebieden, maar dan bekruipt bij Duivesteijn een onbehaaglijk gevoel; is dit kwaliteit?

12 juni 1982 – Bouwen aan de Binnenstad
Is dit kwaliteit?

Inspraak bleek, ondanks alle goede bedoelingen van bewonersvertegenwoordigers, een participatieproces te zijn waarvan de uitkomst van tevoren al vaststond. Steeds nadrukkelijker wordt duidelijk dat er sprake is van een voorgeprogrammeerde bouwmachine die in de praktijk in veel wijken en steden dezelfde bouwplannen opleverde. Vooral het verlies van de eigen identiteit van de karakteristieke oude wijken schrijnt.

Het onbehagen van Duivesteijn wordt het begin van een persoonlijke zoektocht naar de culturele dimensie van de stadsvernieuwing. Die zoektocht brengt Duivesteijn in 1984 naar Portugal, tien jaar na de Anjerrevolutie, waar hij de architect Álvaro Siza ontmoet. Siza stond bekend om het omstreden SAAL-project Bairro da Bouça in Porto dat hij in 1973 en 1977 in samenspraak met de bewoners had ontwikkeld. Ook had Siza het woonproject Bonjour Tristesse in Kreuzberg in Berlijn ontworpen, een woongebouw waar Turkse immigranten woonachtig waren. In de benadering van Siza zijn de bewoners de echte opdrachtgevers waarmee hij de dialoog zoekt. Zou dat ook in Den Haag kunnen?

Alvaro Siza en Adri Duivesteijn, 34 jaar later terug bij het SAAL-project in Porto

Adri Duivesteijn volgt zijn intuïtie en haalt Siza naar Den Haag in de hoop dat hij de architect is die de Haagse stadsvernieuwing, in een werkelijke dialoog met de zittende bewoners, kan aansluiten bij de leefpatronen van een veranderende bevolkingssamenstelling en haar een eigen identiteit kan geven. De film reconstrueert het intuïtieve moment waarop de stadsvernieuwing in Den Haag haar omslag kreeg en hoe het zijn invloed op de stad heeft verworven.

Marit Geluk, opgeleid tot architect is onafhankelijk filmmaker en maakt films over kunst, cultuur en over de gebouwde omgeving, zoals ‘New Towns, Arrival Cities’, ‘De Spelers van Oosterwold’ over doe-het-zelf gebiedsontwikkeling in Almere en ‘Wagner the Movie’, een beeld-opera vertaald naar het huidige politieke wereldtoneel.

De film van Marit Geluk: ‘Intuition, zoektocht naar Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’ is te zien op Vimeo : https://vimeo.com/596605667

of op You Tube https://youtu.be/_3MtejGL3Kg

Op 4 juni om 11.00 uur was Adri Duivesteijn te gast bij Den Haag FM in het radioprogramma Spuigasten onder leiding van Ivar Lingen over de Film: https://cdn.denhaagfm.nl/luisterenhome/denhaagfm.html

Tekening Alvaro Siza: Punt Komma in de Schilderswijk
Project Punt Komma, ontwerp Alvaro Siza )1984)
Project Van de Vennepark, ontwerp Alvaro Siza (1985)

Den Haag Centraal schreef een op 29 april 2022 een recensie over de film ‘Intuition, zoektocht naar Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’

Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit, Ontwerp Guus Rijven (februari 1985)

Share and Enjoy !

Shares

In Memoriam: Chris Jagtman 1950-2022

In je leven kom je mensen tegen die je een zetje geven in de wording van wie je uiteindelijk zal zijn. Eén van die mensen bij mij is Chris Jagtman. Hij studeerde in 1974 aan, wat toen nog heette, de Technische Hogeschool in Delft. Ikzelf was vanaf 1968 actief in de Schilderswijk en ontdekte al snel dat verandering uiteindelijk via de politiek tot stand moest komen. Een keuze voor de PvdA was voor mij vanzelfsprekend, omdat het sociaal democratisch gedachtengoed daarin was verankerd. Voor mij was de PvdA ook een ideale combinatie van een intellectuele denktank en de verbinding met gewone mensen. In februari 1975 mocht ik voor de PvdA zitting nemen in de gemeenteraad. Mijn inzet was duidelijk, er moest een einde komen aan de onleefbare situatie in de oude wijken. Maar hoe maak je een vuist binnen de Gemeenteraad? Al snel werd mij duidelijk dat het volgen van de agenda van het College hiervoor niet profijtelijk zou zijn. Het zou heilzamer zijn om als raadleden van de PvdA een eigen idee over de stadsvernieuwing te formuleren en dit met een eigen nota in de  stad en de raad te agenderen.

Samen met Joop ten Velden (collega-raadslid van de PvdA) begon ik met het opschrijven van onze gedachten over de stadsvernieuwing. Het uitwerkingsdeel was ons wel toevertrouwd. In Amsterdam en Rotterdam was de stadsvernieuwing meer gevorderd dan in Den Haag en wij konden dus profiteren van hun ervaringen. Daar waar het ging om de analyse van het bestaande beleid, was het schrijven minder eenvoudig. Terwijl daarin juist de oorzaak van de gewenste beleidsombuiging te vinden was. Chris Jagtman gaf aan graag mee te willen denken aan onze nota. Zo gezegd zo gedaan. Hij maakte voor ons een scherpe analyse van het bestaande stadsvernieuwingsbeleid en vatte die samen in een pakkende tekst. Zijn bijdrage droeg er toe bij dat onze ‘ontwerpnota Stadsvernieuwing in Den Haag’ die in september 1975 werd gepubliceerd, een heus moment in de geschiedenis van de Haagse stadsvernieuwing zou gaan worden.

In ‘Steden in de Steigers’ van Herman De Liagre Bohl is de volgende observatie: ‘In september 1975 nam Duivesteijn het voortouw: gebruikmakend van zijn positie als raadslid presenteerde hij in de gemeenteraad de nota Stadsvernieuwing in Den Haag. (…) De nota kreeg veel aandacht in de Haagse pers en drong door tot in de gesaneerde volkswijken. De bewoners werden erdoor aangezet om een protestmars naar het stadhuis en het Binnenhof te maken. Zij eisten beëindiging van de doorbraakplannen. (…) De bestuurders gaven blijk dat zij de nota van Duivesteijn tot zich hadden laten doordringen: zij namen zijn lijst van urgentiegebieden over. (…) Pas in 1980 kwam de kentering.’

Terugkijkend is de ontwerpnota Stadsvernieuwing in Den Haag inderdaad de basis geworden van de Haagse stadsvernieuwing. Enkel al het bestaan van onze ontwerpnota, gaf ons als raadsleden de mogelijkheid om keer op keer het vraagstuk van de oude wijken op een positieve manier te problematiseren. Er was perspectief op een aanpak die wel zou kunnen werken. Het zou nog tot 1980 duren, voordat onze ontwerpnota omgezet zou worden in een motie waarin letterlijk de contouren voor invoering van een projectorganisatie stadsvernieuwing werden vastgelegd. De motie werd aangenomen en op 3 november 1980 mocht ik, nu als wethouder stadsvernieuwing, onze ontwerpnota en motie gaan uitvoeren. 

Met zijn bijdrage stond Chris Jagtman dus ook aan de fundamenten van het Haagse stadsvernieuwingsbeleid. Ik ben hem daar nog altijd dankbaar voor. Chris is na zijn studie ambtenaar geworden bij de legendarische Rotterdamse stadsvernieuwingswethouder Jan van der Ploeg en later Pim Vermeulen, en heeft daar bijgedragen aan o.a. de rehabilitatie van het Oude Westen.  Later is hij naar Arnhem vertrokken en werd directeur van de sociaaldemocratische Algemene Woningbouwvereniging Arnhem, die in 1999 met Woningstichting Nijmegen fuseerde in Portaal. In 2008 zou ik Chris Jagtman nog een keer tegenkomen toen hij namens een aantal marktpartijen een ontwikkelingsperspectief voor de oostkant van Almere/Zeewolde had ontwikkeld (het tegenwoordige Oosterwold in Almere en Zeewolde). Hun plannen stonden haaks op mijn idee dat dit gebied nu eens niet door projectontwikkelaars, maar door de bewoners zelf zou moeten worden ontwikkeld. En tot nog toe is dat gelukkig nog steeds staand beleid.  

Chris schreef mij vorig jaar dat hij niet lang meer zou leven. Voor ons samen reden om nog een keer terug te kijken op beider momenten in onze geschiedenis. Het samenwerken aan de ontwerpnota stadsvernieuwing in Den Haag was daarin het absolute hoogtepunt. Over Almere verschilden wij van mening, maar het heeft onze wederzijdse waardering nooit in de weg gestaan.

Adri Duivesteijn – 1 mei 2022

Ps, Hieronder is een dossier opgenomen waarin de aanbiedingsbrief en de ontwerpnota Stadsvernieuwing in Den Haag is opgenomen alsook enkele recensies.

Share and Enjoy !

Shares

Op weg naar 1 mei 2022: Waarom ik geloof in de kracht van een zelfstandige PvdA binnen een brede progressieve beweging

Het heeft iets beklemmends, wanneer ‘partijleiders’ via de opiniepagina van de Volkskrant hun wens tot een verandering in de koers van de PvdA afsluiten met de mededeling dat, eenieder die hun interpretatie tot progressieve samenwerking niet deelt, zich per definitie door ‘nostalgie uiteen laat drijven’. In hun pleidooi, dat bol staat van superlatieven, pleiten Frans Timmermans en Marjolein Moorman om te komen tot een ‘verregaande samenwerking, en zelfs verbinding met GroenLinks’. De woorden zijn een variatie op het eerdere pleidooi van Lilianne Ploumen om als PvdA te gaan fuseren met GroenLinks. Zij oogstte hiermee enthousiasme bij GroenLinks en een, om het eufemistisch te zeggen, wat meer gematigde reactie binnen haar eigen PvdA en fractie. Niet, omdat er ook maar iemand binnen de PvdA tegen samenwerking zou zijn. Integendeel zelfs, alle leden smachten al decennia naar een echte hechte progressieve samenwerking. Een van de serieuze initiatieven voor een brede progressieve samenwerking was: Een Ander Nederland. Dat begon in 2010, toen Eerste en Tweede Kamerleden van de PvdA, GroenLinks en SP het initiatief namen om samen de verschillen te slechtten en te zoeken naar de overeenkomsten. En die eenheid in opvatting was er zoals overtuigend bleek uit een, door o.a. Diederik Samsom, opgestelde analyse van het stemgedrag van de drie partijen bij zowel de wetgeving, de ingediende amendementen, alsook de moties. Wat ons toen bond was heel veel groter dan de verschillen. Het manifest van Een Ander Nederland was ook een voorzet voor progressieve samenwerking in zowel het parlement, als in een mogelijk progressief kabinet.

2010: Een Ander Nederland: Diederik Samsom, Leo Platvoet, Adri Duivesteijn, Jos van de Lans en Ronald van Raak

Voor de politieke junkies onder ons heb ik de Oproep Een Ander Nederland 2010: Links, neem je verantwoordelijkheid!’ onderaan dit artikel als bijlage opgenomen.

Terugkijkend is sinds de opkomst van Pim Fortuyn in 2002 links Nederland, en in het bijzonder de PvdA, haar structurele steun onder het electoraat verloren. Met het charisma van Wouter Bos (2006), Job Cohen (2010) en Diederik Samsom (2012) wist de PvdA zich nog wel in de kiezersgunst  te herstellen. Maar die conjuncturele winst verdween als sneeuw voor de zon toen de PvdA-kiezers, ten tijden van Rutte II, nog nauwelijks iets van de sociaal democratisch beloften herkenden (van 38 naar 9 zetels). Ook bij de laatste landelijke verkiezingen kwam de PvdA opnieuw niet verder dan 9 zetels. Tot aan de dag van vandaag  is het vertrouwen bij de kiezer in de landelijke PvdA niet hersteld. Maar hoe treurig ook, het is maar de vraag of de kiezers van de PvdA beter af zouden zijn met een partij die opgaat in GroenLinks? Wat is dit op termijn anders, dan een sociale en groene partij die vooral een progressief etiket heeft? Ik geloof in de kracht van het verhaal van de sociaal democratie, haar analyse van de ongelijkheid in de wereld, de strijd voor bestaanszekerheid, haar betekenis als emancipatiebeweging en omdat zij staat voor een internationale strijd voor solidariteit. Het is juist deze inbreng die een brede progressieve samenwerking inhoudelijk zal voeden.     

Overigens, het vertrouwen in de sociaal democratie kan wel degelijk worden teruggewonnen. Twee voorbeelden: Frans Timmermans heeft bij de Europese verkiezingen met een eclatante overwinning de PvdA weer een positie in Europa teruggegeven. En, tot voor kort ondenkbaar, is mede dankzij Marjolein Moorman de PvdA weer de grootste partij in Amsterdam. En, let wel, dat deden zij met een authentiek sociaal democratisch verhaal. Hier kwamen inhoud en leiderschap samen en het bracht de PvdA weer in het centrum van de macht. Voor mij is de  sociaal democratie heel veel meer dan de optelsom van twee progressieve partijen. Ik was dan ook blij met de primaire stellingname van  Attje Kuiken, de nieuwe PvdA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer: ‘De sociaal democratie beschouw ik niet als nostalgie’. Sterker nog is haar antwoord: ‘Door met GroenLinks? Dat is aan de leden’. En dat is een meer dan terechte constatering. Hier ligt een taak voor het partijbestuur. Want hoe doordacht zijn nu eigenlijk de recente opinies over, ik citeer Paul Tang,  een ‘samensmelting’ tussen de PvdA en GroenLinks? Progressieve samenwerking, laat staan een fusie, vraagt meer overweging. Waarom gaat de Wiardi Beckman Stichting niet met verwante wetenschappelijke instellingen de kansen op een brede progressieve samenwerking in beeld brengen? Schrijf dan als partijbestuur een mooi inhoudelijk verhaal over hoe wij als partij inhoud kunnen geven aan een brede progressieve samenwerking. En, als we dan toch bezig zijn, vraag jezelf ook eens af waarom de Tweede Kamer inmiddels uit 20 fracties bestaat. Ons kiesstelsel kent geen serieuze kiesdrempel. En ik weet één ding zeker, dat bij een ondoordachte fusie veel leden zich zullen vervreemden van zo’n nieuwe partij. Zij zullen terecht waarde hechten aan het behoud van het sociaal democratisch gedachtengoed. Kortom, een ondoordachte verbinding, laat staan een fusie zal waarschijnlijk ook inhouden de komst van nieuwe – al dan niet sociaal democratische – partijen. Een met een beetje aansprekende leider hebben wij weer een nieuwe loot aan de stam van de parlementaire versplintering. Nee, bundeling van het progressieve gedachtengoed zit in ons land niet primair in formele structuren, maar in een intensieve en open samenwerking tussen alle progressieve partijen in de Tweede Kamer, de provincies en de gemeenteraden. Daarbij brengen juist de verschillen tussen de progressieve partijen een verrijking in een progressieve samenwerking. Ik zou zeggen breng dat nu juist samen in een kernpuntenakkoord.

Anders gezegd, en ik citeer zonder enige vorm van nostalgie de Zweedse Sociaal democraat Olof Palme: ‘Politiek dat is een kwestie van willen. Sociaal democratische politiek is veranderingen willen, omdat veranderingen verbeteringen beloven, de fantasie en de daadkracht voeden, dromen en visioenen stimuleren.’ En laten het nou juist Frans Timmermans en Marjolein Moorman zijn, die dat weer aan de kiezers van de PvdA hebben laten zien. Ik zou zeggen wacht nog even en pak dan de volgende uitdaging op; het herstel van de sociaal democratie op nationaal niveau.

Adri Duivesteijn, oud lid van de Eerste en Tweede Kamer voor de PvdA

29 april, op weg naar 1 mei 2022

Olof Palme, een sociaal democraat die nog altijd inspireert.

Share and Enjoy !

Shares

Terugblik: Hoe in 2005 Ab Klink met zijn ideologische herijking van het CDA de basis legde voor de toeslagenmaatschappij

Het blijft fascinerend om het eigen archief op te ruimen. Het stelt je in de gelegenheid om weer even terug te kijken, in de ontwikkeling van de eigen ideeën wereld. Zo kwam ik een opmerkelijke opinie van mijzelf tegen over een onderwerp wat nu alom bekend staat als ‘de toeslagenaffaire’.

Het was eind 2005 toen ik een concept-opinie verhaal schreef voor Forum, de opiniepagina van de Volkskrant. Mijn verhaal was een reactie op een geplaatste opinie van de toenmalige directeur van het wetenschappelijk instituut van het CDA, Ab Klink. In zijn opinie ging hij in op het voornemen dat het CDA de macht wilde herverdelen. Centraal in zijn betoog staat de herdefiniëring van de rol van de overheid, de positionering van het middenveld en de burger die in de toekomst als koning klant door het leven kan gaan. Het is deze visie die uiteindelijk zou uitmonden in wat nu bekend staat als de toeslagenaffaire.

In mijn opinie analyseerde ik wat de effecten zouden zijn van de door het CDA bepleitte introductie van de toeslagenmaatschappij. Het is – zeker achteraf bezien – een verhelderend stuk dat ik wel degelijk had moeten publiceren. Waarom het niet zover is gekomen vindt waarschijnlijk zijn oorzaak in mijn overstap van de Tweede Kamer naar het wethouderschap in Almere. Tja, zo gaat dat.

Hoe het ook zij, ik publiceer het verhaal alsnog, niet om mijn gelijk te halen, maar omdat het een bijdrage zou kunnen zijn bij de werkzaamheden van de nog in te stellen parlementaire enquêtecommissie die onderzoek zal gaan doen naar de toeslagenaffaire. Een conclusie is voor mij wel duidelijk. Er is heel wat reparatiewerk nodig. Daarin is vooral de rol van de overheid en die van het middenveld aan een grondige revisie toe.

Hieronder volgt mijn oorspronkelijke opinie – beperkt redactioneel gecorrigeerd – uit 2005 voor de Forum pagina van de Volkskrant. Ik heb tevens een PDF opgenomen van de originele tekst.

1224 woorden

DE TOESLAGENMAATSCHAPPIJ, mooier wil het CDA het niet maken.

Het CDA bestaat 25 jaar en dat is in vele terugblikken herdacht. Interessanter is de vooruitblik, die Ab Klink, CDA-senator en directeur van het wetenschappelijk instituut, in deze krant schetst. In het artikel ‘Het CDA wil de macht herverdelen’ zegt hij ‘de ideologische kleurdie het CDA wil aannemen: verantwoordelijkheden spreiden, maar ook (de burger) toerusten’.[1] Klink citeert Habermas en meent dat ‘de systeemwereld de leefwereld (is) gaan verdringen’. Dat klinkt aardig: de professional moet minder last hebben van ‘de storende leemlaag van het management’ en de ‘mensen (moeten) de dienst uitmaken ‘. De manier waarop het CDA de macht wil herverdelen komt echter de burger niet of nauwelijks ten goede. Het CDA wil van Nederland een ’toeslagenmaatschappij ‘maken, waarin burgers meer dan ooit afhankelijk zijn van de overheid.

Het CDA is de grote motor achter de introductie van marktwerking in sectoren die traditioneel ‘not for profit’ waren als de zorg, de kinderopvang, de volkshuisvesting en het onderwijs. Dat leidt niet automatisch tot meer invloed van de burger. Deze nieuwe ondernemingen proberen door overnames en fusies niet alleen schaalvoordelen te bereiken, maar vooral hun markt zo goed mogelijk te beschermen. Grote anonieme bedrijven laten de traditionele maatschappelijke taken van ‘voorheen het 1niddenveld’ liggen en denken vooral vanuit bedrijfseconomisch perspectief en aan de ‘marktconforme ‘hoogte van de salarissen van het management. Het CDA is, in de woorden van Klink, niet blind voor deze neveneffecten:

‘Zorg- en onderwijsinstellingen opereren gaandeweg in een maatschappelijk vacuüm. Zij zijn ondernemend geworden, genereren soms eigen geldstromen, maar de verantwoording schiet te kort, omdat die alleen op Den Haag is gericht. Maar intussen is de kritische betrokken achterban verdwenen door schaalvergroting.’

Het CDA wil de macht ten gunste van de burger/consument herverdelen door middel van vraagsturing’. De vraag van de burger bepaalt het aanbod van de dienstverlenende instantie. De consument heeft optimale keuzevrijheid en de resulterende onderlinge concurrentie om de consument houdt de dienstenaanbieders scherper. Idealiter ontstaat er zo een zelfregulerende maatschappij en kan de overheid zich, als arbiter, op de achtergrond terugtrekken. Maar kan de burger, gereduceerd tot eenzame consument, de nieuwe commerciële conglomeraten die ‘voorheen het maatschappelijk middenveld’ vervangen hebben het hoofd bieden?

Volgens het CDA zal de burger hier uiteindelijk – toegerust door de overheid? – ‘zijn eigen verantwoordelijkheid nemen’ en via patiëntenorganisaties e.d. de macht van de zorgconsument tegenover de zorgverleners borgen. De overheid kijkt toe of dat proces netjes verloopt.

In de theoretische modellen van Bovenberg, Eijffinger en andere CDA-economen zal dat wellicht kunnen werken. Ik neem aan dat zij er in die modellen vanuit gaan dat er sprake is van een overvloedig en gevarieerd aanbod. In de echte wereld heerst echter schaarste. Of het nu om de zorg of om de volkshuisvesting gaat: het zijn verkopersmarkten, waar de consument al blij is als hij iets kan bemachtigen.

Wat ook niet, of vrijwel nooit, gebeurt is dat de afgedwongen marktwerking leidt tot lagere prijzen. Instellingen zijn gedwongen om minstens een ‘kostprijs plus’ te hanteren, bijvoorbeeld in de kinderopvang. In de huursector worden zelfs steeds vaker marktprijzen gehanteerd. Dat komt neer op ‘wat de gek er voor geeft’ en dat is veel in deze tijden van een schaars woningaanbod.

Het CDA heeft ook hier het antwoord op: vraagfinanciering! Mensen die een bepaalde vitale dienst niet 1anger kunnen betalen worden tegemoetgekomen door middel van een fiscale toeslag. Hoe ziet dat eruit in de praktijk?

Neem de kinderopvang. Het kabinet besloot de tarieven te koppelen aan de reële kosten en maakte een einde aan subsidieregelingen. Het gevolg was dat kinderopvang, juist voor de middengroepen, meer ging kosten dan één van de werkende ouders, meestal moeders, verdienden. Er ontstond een enorme vraaguitval. Kinderopvang werd weer een kwestie van vrij improviseren in de privésfeer, of de vrouw keerde terug naar het aanrecht. CDA opzet geslaagd? Nee men schrok er zelf van en verzon de Kinderopvangtoeslag.

De gezondheidszorg is natuurlijk helemaal een mooi voorbeeld. De beoogde marktwerking in de Zorgsector dwingt patiënten, op last van de zorgverzekeraar, om te zoeken naar scherp geprijsde hulp. Als die zorg (dichtbij) duurder is moet je zelf het verschil bijbetalen. Dit is niets anders dan een stijging van de ziektekosten, vermomd als een maatregel om patiënten te stimuleren om als kritische consumenten de aanbieders scherp te houden.

Nog afgezien van de geringe macht van patiënten, al dan niet verenigd in een collectief, is er bovendien alle reden om te veronderstellen dat patiënten en zorgverleners niet met elkaar in de slag gaan, maar één front zullen vormen en de overheid op ‘zijn verantwoordelijkheid’ aanspreekt. Denk aan de discussie over IVF, denk aan de steeds terugkerende discussie over medicijnverstrekking! Hoe reageert de regering hierop? Met de zorgtoeslag, een fiscale maatregel om de kosten van de zorg dragelijk te maken voor het leeuwendeel van de Nederlanders.

Ook het wonen komt onder het toeslagenregime. De huurmarkt wordt stapsgewijs ‘marktconform’ en dat is vrijwel altijd duurder. Het effect hiervan is dat er ieder jaar meer mensen hun hand moeten ophouden bij de overheid. ‘Krijg ik mijn toeslag wel? Kan ik hier blijven wonen, moet ik verhuizen?’

Studiekosten. De kosten van de leermiddelen stijgen. Scholen hebben geen boekenfondsen dus worden meer en meer mensen afhankelijk van alweer een toeslag. Dit keer op basis van de Wet Tegemoetkoming Studiekosten.

Zelfs de stijgende energieprijzen worden momenteel door een toeslag gecompenseerd.

De rol van de overheid is dus in de toeslagenmaatschappij van het CDA alles behalve uitgespeeld. Zij laat, aldus Klink, ‘mensen (niet) aan hun lot over’ en ‘kiepert niet allerlei ballast over de schutting naar de burgers’. Dat doet zij overigens wel, maar ze stelt voor ieder probleem dat zo ontstaat ter compensatie een ’toeslag’ in het vooruitzicht.

De CDA- hervormingen zorgen er op een perverse manier voor dat de politiek er inderdaad weer toe doet. Het merendeel van de burgers wordt voor zijn welzijn afhankelijk van de goedheid van de overheid. ‘Zullen mijn toeslagen wel op peil blijven?’ zal de leidende vraag in de meeste huishoudens worden. Ieder jaar zal er in de Tweede Kamer over hun welzijn worden gediscussieerd aan de hand van koopkrachtplaatjes. Caritas langs de lijn van de Staat.

Het neveneffect van deze hervormingen is dus dat steeds meer mensen ’toeslagafhankelijk’ worden. De vraag naar de betaalbaarheid van primaire voorzieningen kan daardoor een obsessie worden. ‘Welke zekerheid krijgen we het komende jaar?’

Stap voor stap wordt op deze manier het publieke domein overgeleverd aan de markt. De zorgzame overheid beperkt zich tot het uitdelen van fiscale toeslagen om de ergste sociale misstanden te verzachten. Het CDA hoopt en bidt ondertussen dat een nieuw middenveld, bestaande uit patiënten-, leerlingen-, ouder- en andere ‘consumenten’- collectieven, zal ontstaan om het geprivatiseerde middenveld scherp te houden.

De VVD kan heel goed leven met deze hervormingen omdat deze dienstbaar zijn aan hen primaire doelen: kleine overheid, meer markt. De teloorgang van het publieke domein is niet hun probleem, maar zou wel een probleem voor het CDA moeten zijn. Hopelijk komt het CDA er tijdig achter dat door hun maatregelen de systeemwereld juist de leefwereld volledig zal koloniseren, in plaats van andersom. In de toeslagen maatschappij zijn politiek en burger volledig overgeleverd aan de dynamiek van het, als ondersteunend bedoelde, systeemdenken van het voormalige middenveld.

Adri Duivesteijn – Tekst dateert van eind 2005


[1] Ab Klink, ‘CDA wil macht herverdelen’, Volkskrant Forum, Zaterdag, 08-10-2005

Share and Enjoy !

Shares

Ron Meyer: De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse. Een must-read voor progressief Nederland

Soms overkomt het je, dat je een boek leest en je terugkeert naar alles wat in je hele leven vanzelfsprekend was, maar wat toch – even – buiten beeld is geraakt. Mij overkwam dat toen ik het boek De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse las van Ron Meyer. In zijn boek, opgedragen aan zijn ouders, staan de ‘zorgverleners, politieagenten, supermarktmedewerkers, pakketbezorgers, vuilnisophalers, distributiewerkers, schoonmakers, juffen en meesters in de kinderopvang of het onderwijs’ centraal. Het is deze groep die onzichtbaar is, terwijl zij in de woorden van Ron Meyer onmisbaar zijn. Juist zij zijn het die in de samenleving essentiële functies vervullen. Onzichtbaar onmisbaar veranderde toen in de afgelopen twee coronajaren deze ‘frontsoldaten in spijkerbroek’ onze samenleving, die verstrikt was geraakt in een virus, overeind hielden. Ineens stonden wij allen te klappen voor de zorgverleners die op de intensive care ware heldendaden bleken te verrichten. Zichtbaar werden ook de pakketbezorgers die maakten dat wij door konden gaan met consumeren. Ook zagen wij hoe onmisbaar de juffen en de meesters zijn die, met risico’s voor de eigen gezondheid, voor de klassen bleven staan dan wel online aan de slag gingen om de schoolachterstand zo minimaal mogelijk te laten worden.

Het is in dezelfde tijd dat de miljardairs, ze zijn met ‘tweeduizend en bezitten samen zo’n 10.000 miljard’, zich oneindig verrijken. ‘Waarom, vraag Ron Meyer zich af, bezit je één, tien of zelfs honderd miljard? Wat is er dan in hemelsnaam mis met je? Waarom heb je daarvan niet allang een werelddeel, een land of alle ziekenhuizen van de wereld gefinancierd? Waarom red je in je uppie niet alle verhongerde kinderen, aan medicijngebrek stervende baby’s of andere ‘Angreifbaren’? Waarom doe je niet het goede? Of, veel beter, waarom zet je je macht niet in voor een ander belastingstelsel? Waarom pleit je niet voor waardigheid boven liefdadigheid?’.

Maar net zo’n relevante vraag, is waarom wij, politici, de onmisbaren niet de waarde hebben gegeven waar ze recht op hebben? Hoe zorgvuldig gaan wij eigenlijk om met die grote groep die onze samenleving draaiende houdt? En dat terwijl het juist deze groep is die minder lang leeft en moet knokken om het hoofd boven water te houden. Die in de afgelopen decennia veel vanzelfsprekende rechten verloren heeft, omdat hij of zij de vaste baan kwijtraakte en noodgedwongen als zzp’er aan de kost moest komen. Hoe kan het, dat de twee werelden van rijkdom en armoede zo tegenover elkaar staan en in deze bizarre tijd nog verder uit elkaar groeien? Waarom is er geen vanzelfsprekende solidariteit?

Op zoek naar deze antwoorden, beschrijft Ron Meyer ook zijn eigen worsteling. Zelf groeide hij op achter het spoor in Heerlen en kent de armoede van binnenuit. Dankzij de inspanningen van zijn ouders, kreeg hij wél de kans om te studeren. Dankbaar beschrijft hij de waarde van thuis zijn, thuis voelen: ‘Heem is waar niemand vergeten wordt. Heem is erkenning. Heem is waardigheid’. Maar met de kansen die hij van zijn ouders kreeg kwam Ron Meyer onvermijdelijk in twee werelden terecht: ‘Ik ben verliefd op de kwaliteit van de elite én hou van de oprechtheid van de volksbuurt; Ik ben verslaafd aan de fijnheid van het filmhuis én ik geniet intens van popcorn in de bioscoop (…) Ik kijk verrukt naar de mogelijkheden van oneindige rijkdom én ben gevormd door de weinige pretenties van armoede. En heel soms, erken ik dat het allemaal niet zo zwart-wit is. Dan zie ik vele tinten grijs. Maar meestal is het een grote worsteling. Waarom is het zo moeilijk om van twee sociale klassen te houden? Waarom lijkt het onmogelijk om me op twee plekken thuis te voelen? Waarom voelt genieten van intellectuele uitdagingen als verraad?’

En hier raakt Ron Meyer ook bij mij een gevoelige snaar. Want is het niet juist dit, waardoor er een vervreemding is ontstaan tussen de voorhoede van de progressieve beweging en de onzichtbaren? En, niet onbelangrijk, is deze voorhoede niet steeds gevoeliger geworden voor de verleidingen van de leefwereld van ‘de elite’? Want feit is, dat in de dagelijkse politiek de primaire leefwereld van de onmisbaren steeds minder de kern vormen van het debat. Sociaal- culturele identiteitskwesties krijgen bij zowel rechts als links meer en meer de aandacht. Het lijkt wel of de bestaans(on)zekerheid van grote groepen onmisbaren van de politieke agenda verdrongen is. Waarom? Met een zekere wanhoop merkt Ron Meyer op dat ‘Mensen die nooit armoede hebben gekend, realiseren zich zelden hoe duur al die houtje-touwtje oplossingen zijn. Of wat één van de grootste dagelijkse kwalen van armoede is: nooit vooruit kunnen plannen. Nooit met morgen bezig kúnnen zijn omdat het heden alle aandacht vergt door de uitgestelde rekeningen van gisteren’.

Het boek De Onmisbaren, ode aan mijn sociale klasse van Ron Meyer helpt om weer de kern van de sociaaldemocratie te raken en die ligt in het centraal stellen van de bestaanszekerheid van groepen die minder kansen hebben. In essentie gaat het, zoals Ron Meyer het uitdrukt om, ‘KLAS-SUH! Verdomme’. Met alle verscheidenheid die onze tegenwoordige maatschappij ook kent, is er een hele grote groep aan de onderkant, die het raderwerk vormt van het welbevinden van onze gehele samenleving. Juist deze groep moet nog steeds knokken voor haar eigen bestaanszekerheid. En dus ligt hier nog steeds een klassieke taak voor progressieve partijen om dit vraagstuk te politiseren.

Daarom is het boek van Ron Meyer wat mij betreft vooral een must-read voor progressief Nederland.

Adri Duivesteijn

Ron Meyer: De Onmisbaren, een ode aan mijn sociale klasse 2021 – ISBN 978 90 446 4883 6 – Bestellen bij: https://uitgeverijprometheus.nl/catalogus/de-onmisbaren.html

Ron Meyer: ‘Een land veranderen vergt strijd, om ideeën, belangen en macht.’
Foto: De Onmisbaren FNV

Share and Enjoy !

Shares